Zweig zwetst
Een goede dertig jaar geleden las ik veel Stefan Zweig, en zijn laatste boek was meteen ook het beste: Die Welt von Gestern. Maar nu herlas ik nog eens wat hij in Drei Dichter ihres Lebens te vertellen had over Casanova, en dat is nogal tegenstrijdig. In de voetnoot die u hieronder ziet – en die ik onvertaald heb gelaten, maar het beeldje wordt leesbaar als u erop klikt – noemt hij diens Histoire de ma Vie een van de grote werken van de Weltliteratur,* én klaagt hij tegelijk aan dat er in 1928 nog geen betrouwbare tekst van Casanova ter beschikking was.
Casanova, Stendhal, Tolstoj, deze drie namen – ik weet het – lijken op het eerste gezicht eerder onverwacht dan geloofwaardig bij elkaar te horen, en men zal zich op het eerste gezicht niet kunnen voorstellen op welk vlak een losbandige, amorele filou en dubieuze auteur als Casanova, naast een heroïsche ethicus, een zo volmaakte schepper als Tolstoj kan staan.
Met Stendhal bereikt de zelfpresentatie al een hogere trap, de psychologische. Hij neemt geen genoegen meer met het loutere verslag, het simpele curriculum vitae: het ik is nieuwsgierig naar zichzelf geworden, het observeert het mechanisme van zijn eigen drijfveren, het zoekt de motieven van zijn handelingen en nalatigheden, de dramaturgie van de ziel. Daarmee begint een nieuw perspectief: het kijken met twee ogen naar het ik, als subject en object, de dubbele biografie van binnen en buiten. De waarnemer observeert zichzelf, de gevoelsmens onderzoekt zijn gevoel – niet alleen het wereldse, maar ook het psychische leven komt artistiek in beeld.





