Posts tonen met het label Münchhausen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Münchhausen. Alle posts tonen

3 november 2024

Laat hoorngeschal weerklinken!

 Sint Hubertus, wiens naamdag vandaag valt en met prachtig hoorngeschal gevierd wordt, is de patroonheilige van de jagers (wel met Sint Sebastiaan als concurrent). Hij is ook de schutsheilige van paarden en honden, en beschermt ons tegen hondsdolheid. Na een mondain leven had hij zich bekeerd, toen bij een jachtpartij een hert met een lichtend kruis tussen zijn geweitakken niet was weggevlucht, maar zich juist naar hem had toegewend. Een wonderlijke gebeurtenis die vóór hem ook Sint Eustachius had meegemaakt.

Het mag dus niet verwonderen dat baron Munchausen iets gelijkaardigs beleefde, maar dat verhaal stond hier eerder al.
Dat een kersenboom op een hertenkop kan gedijen is aannemelijk want de baron had het dier ooit met kersenpitten beschoten, maar, vroeg de baron zich af: hoe in ’s hemelsnaam was destijds dat kruis op de kop van Sint Hubertus’ hert geraakt?

Als man van de Verlichting gelooft hij niet in wonderen, evenmin als Raspe trouwens, en dus zoekt hij een redelijke verklaring. Hij vindt die niet, en houdt het bij een veronderstelling:

Who knows but some passionate holy sportsman, or sporting abbot or bishop, may have shot, planted, and fixed the cross between the antlers of St. Hubert's stag, in a manner similar to this? They always have been, and still are, famous for plantations of crosses and antlers; and in a case of distress or dilemma, which too often happens to keen sportsmen, one is apt to grasp at anything for safety, and to try any expedient rather than miss the favourable opportunity. I have many times found myself in that trying situation.

Wie weet, of niet een fervente vrome jager, of een op jagen beluste abt of bisschop, het kruis op een soortgelijke manier tussen het gewei van Sint-Hubertus' hert heeft geschoten, geplant en gefixeerd? Zij hebben altijd al bekendgestaan, zelfs nu nog, voor het planten van kruisen en hoorns.* En in een noodgeval of bij een dilemma, wat verwoede jagers zo vaak overkomt, neem je voor je veiligheid toch om het even wat te baat, en beproef je elk middel, liever dan een mooie kans te missen. Meermaals heb ik mij in die benarde situatie bevonden.

Bij Godfried Bomans lezen we:

En wie weet, of niet een jagende abt of bisschop in vroeger tijden het Hubertus-kruis op een dergelijke manier op die hertekop gekregen heeft? Zijn zulke prelaten soms niet bedreven in het planten van kruizen tussen stekels? En dan: neemt een mens niet liever elk middel te baat dan in een mislukking te berusten? Zo althans vergaat het mij.

Bomans vertaalt onderhoudend, maar vrij en soms heel beknopt. Mogelijk moest dat zo van de uitgever, of het was zijn eigen keuze, maar hier geeft hij bijna een resumé: hij laat het verschil weg tussen fervente jagers (zoals de baron) en liefhebbers (zoals die sporting abten en bisschoppen) en zijn lezer verneemt ook te weinig over Munchausens distress en dilemma. Wat verder die stekels mogen betekenen is mij een raadsel.

Karel van het Reve zei dat een vertaler moet vertalen 'wat er staat'. Een strenge eis die weliswaar geen letterlijkheid inhoudt, maar toch de richting uitgaat van wat de Fransen un sourcier noemen, een vertaler die getrouwheid aan de bron het belangrijkste vindt. Aan de andere kant vinden we dan le cibliste, die de brontekst naar zijn hand zet, in het belang van de verstaanbaarheid, de elegantie van zijn eigen tekst of het gemak van de lezer, zijn doelwit. Het blijft een dilemma.

__________

* 'Antler' is 'gewei', of 'Geweih' in het Duits, en niet 'hoorns'. Maar Bürger vertaalt: Denn diese Herren waren ja von je und je wegen ihres Kreuz- und Hörnerpflanzens berühmt und sind es zum Teil noch bis auf den heutigen Tag. Brouwers vertaalt: Deze heren waren immers zeer bekwaam in het kruis- en hoornplanten en zijn dat trouwens voor een deel tot op de huidige dag nog steeds. Nu was Duits natuurlijk ook Raspes moedertaal, en dat
Hörnerpflanzen, hoorns zetten zal ook bij hem gespeeld hebben. Umberto Eco omschreef vertalen als dire presque la même chose, en daar heb ik in dit geval vrede mee.

8 oktober 2024

Munchausen bij Raspe, Bürger, Bomans, Brouwers en Hermans

In Londen verscheen in 1785 Baron Munchausen's Narrative of his Marvellous Travels and Campaigns in Russia. Dat boekje verscheen anoniem, maar de Duitser Rudolf Erich Raspe had het geschreven – geldnood had hem daartoe gebracht: de eerlijkste drijfveer voor een auteur zei iemand – en in de snel opeenvolgende drukken vulde hij zijn verhaal aan met nieuwe avonturen. Zoals u hiernaast ziet, bracht Dover Publications Inc. Mineola, New York, in 2005 een prachtige uitgave van de tekst, zoals die in 1865 was verschenen bij Cassel, Petter, and Galpin, London and New York. ($15.95)

Gottfried August Bürger bracht al in 1786 de Duitse vertaling, Wunderbare Reisen zu Wasser und zu Lande: Feldzüge und lustige Abenteuer des Freiherrn von Münchhausen, en voegde daar avonturen van weer eigen vinding aan toe. Een prachtige uitgave is die van Manesse Verlag, 1978, Zürich.

Godfried Bomans heeft Raspe vertaald in 1974, samen met enkele aanvullingen van Bürger, en hij klonk vanzelfsprekend bomansiaans maar bleef toch nog dicht bij de tekst. Heel genietbaar.

Jeroen Brouwers vertaalde getrouw Bürger (1978) want diens baron is geestig, zei hij in zijn nawoord, en die van Raspe humoristisch. Een onderscheid dat hij bij Willem Frederik Hermans vandaan had, maar anders dan Hermans prefereert Brouwers de geestige baron. Voor mij onbegrijpelijk.

Raspe laat (bij Dover) zijn baron na enkele straffe avonturen bijvoorbeeld toegeven: Notwithstanding all my courage, notwithstanding the speed, the cleverness, the readiness of my horse, I was not always successful. Ondanks al mijn moed, ondanks de snelheid, de schranderheid, de paraatheid van mijn paard, was ik niet altijd succesvol.

In de uitgave van John Carswell, de meest accurate, zegt de baron het korter: But gentlemen, for all that; I was not always succesful.

Bürger begreep hem niet: Trotz aller meiner Tapferkeit und Klugheit, trotz meiner und meines Pferdes Gewandtheit und Stärke gings mir in dem Türkenkriege doch nicht immer nach Wunsche. Brouwers vertaalt: Niettegenstaande al mijn dapperheid en inventiviteit, niettegenstaande mijn eigen snelheid en die van mijn paard, mijn vindingrijkheid en kracht, ging het mij in de oorlog tegen de Turken toch niet geheel naar wens.

De baron zet zichzelf hier in het zonnetje, en zijn paard krijgt een bijrolletje. Dan vraag je je toch af hoe iemand de breedsprakige Bürger kan verkiezen boven Raspe?

Hermans zegt in een esseej dat Raspe's gelaagde stijl in zijn tijd gewoon niet begrepen werd (behalve in Engeland dan, want het succes was daar ogenblikkelijk):

De zwarte humor van de baron Von Münchhausen

Wat Baron Munchausen’s Narrative tot het meesterwerkje maakt dat het is, komt uitsluitend uit de koker van Raspe. […]
Ook de beroemde bewerking van Bürger, waardoor Munchausen aan zijn oorspronkelijk vaderland teruggegeven werd, en de naam het Von, een h. en de in het Engels overbodige Umlaut herkreeg, vertroebelt de toon van het origineel. Bürger, zomin als iemand anders in zijn tijd, bleek gevoelig voor de grandioze stijl van het origineel. […]
De tekst van Bürger is geestig, die van het oorspronkelijk humoristisch. […]
Het meesterlijke ligt om te beginnen in de toon en het karakter van de baron zoals die in de eerste edities zijn. Deze toon is nergens grappig, of geestig of ironisch, zelfs op een uitzondering na niet sarcastisch. De toon is deftig, kortaangemeten, maar niet haastig: stijf, zeer baronachtig kortom.
Deze zo hyperfantastische geschiedenissen worden verteld alsof het eigenlijk allemaal vanzelf spreekt, alsof dit allemaal eigenlijk de moeite niet loont er woorden aan vuil te maken. Men heeft de indruk dat een niet nader genoemde aanwezige de baron na lang aandringen tot vertellen heeft overgehaald en dat hij zich hoffelijk, maar toch wel verveeld kwijt van de taak zijn gasten bezig te houden.
Alle animo ontbreekt deze baron.

Raspe's baron is inderdaad niet de opschepper die de nadrukkelijke Bürger van hem maakt, en daardoor werkt bij hem the suspension of disbelief feilloos. Je gelooft zijn verhalen!

Willem Frederik Hermans
Het sadistische universum
Amsterdam, 1964
Uitgeverij de Bezige Bij

Godfried Bomans
De wonderbaarlijke avonturen
van Baron von Münchhausen
met prenten van Gustave Doré
1980, Van Holkema & Warendorf – Bussum
Standaard Uitgeverij – Antwerpen

Gottfried August Bürger
Wonderbare reizen te land en ter zee
veldtochten en vrolijke avonturen
van de Baron von Münchhausen
zoals hij deze in de kring zijner vrienden
met de fles onder handbereik zelf pleegt te vertellen
In het Nederlands vertaald door
Jeroen Brouwers
Van nieuwe illustraties voorzien
door William D. Kuik
1978, Amsterdam ⸱ Uitgeverij de Arbeiderspers

Singular Travels, Campaigns
and Adventures of Baron Munchausen
by R. E. Raspe and Others
Edited and with an introduction by John Carswell
Illustrated by Leslie Wood
London, The Cresset Press MCMXLVIII

Oud Goud

2 oktober 2024

Cupido en 'gender'

De Munchausen van Raspe kwam hier al vaak aan bod, maar over de echte, reële, waarachtig werkelijk bestaan hebbende, onvervalst authentieke baron Hieronymus Carl Friedrich von Münchhausen (1720-1797) valt ook een en ander te vertellen …maar nu eerst een verhaal over een oom van hem, Gerlach Adolph von Münchhausen (1688-1770), gezant van Hannover in Londen, of beter gezegd over diens vrouw, van wie Horace Walpole in een brief aan een vriend iets wist te melden:

Een van de Duitse dames, Madame Munchausen, de vrouw van zijn* gezant, is zo vriendelijk bij te dragen aan het vermaak van de stad. Ze is lelijk, devoot, en van een soort koketterie die voortkomt uit een deugdzaamheid die haar eigen zwakheid zo goed kent, dat ze gealarmeerd raakt ook al is er niets krenkends bedoeld. Bij een groot diner dat ze vorige week gaven, merkte iemand op dat de suikeren figuurtjes bij het dessert allemaal meisjes waren: de baron antwoordde, “Sa est frai; ordinairement les petits cupitons sont des garsons; mais ma femme s'est amusée toute la matinée à en ôter tout sà par motestie.” Deze correctie van haar is een opmerkelijke verfijning, al zijn tegenwoordig alle genieën in de weer met het verzinnen van nieuwe ideeën voor desserts. De hertog van Newcastle’s jongste inval was een baby-Vauxhall,** verlicht met een miljoen lampjes in allerlei kleuren.

                                             

__________

  * Van George II, tevens keurvorst van Hannover.
** cfr. de voetnoot hier.

Horace Walpole
Selected Letters
Edited and introduced by Stephen Clarke
From a selection by William Hadley
Everyman’s Library, 2017

30 september 2024

Een briefje aan Joël de Ceulaer


De paus en zijn kerk aanvallen is in onze dagen ongevaarlijk, beetje goedkoop, wat afgezaagd zelfs. Een atheïst die niet in god gelooft (om met padre da Costa te spreken) laat zich daar niet mee in, en al zal hij vanzelfsprekend kritiek hebben, hij zal in geen geval naar onbehouwen, en bijgevolg futiele termen en vergelijkingen grijpen. Tenslotte zijn hier ook niet veel katholieken meer – wat er nog rest is ongevaarlijk en we hebben wel andere zaken aan ons hoofd.
In de achttiende eeuw, tot zelfs halfweg de negentiende was dat nog anders. Wie toen kritiek had op de kaloten moest omzichtig te werk gaan. Goede schrijvers grepen naar de satire als wapen, maar ze waren wel zo verstandig om dat niet met zoveel woorden aan te kondigen.


Talloze voorbeelden kun je geven, en een van hen is de Duitser Rudolf Erich Raspe. Raspe is de auteur van Baron Munchausen's Narrative of his Marvellous Travels and Campaigns in Russia, een klein boekje, small 8vo.
Hij schreef het in Cornwall, waar hij als geoloog en mineraloog voor de mijnbouw werkte. Raspe was een Europees bekende wetenschapsman, een professor met vele publicaties op zijn naam, en een kind van de Verlichting.*
Het werk werd in Londen in 1785
anoniem gepubliceerd. De Engelse lezers waren op slag verkocht, en aan de snel opeenvolgende uitgaven voegde Raspe telkens enkele avonturen toe. Alles wat hem ergerde nam hij op de korrel, net als de baron, die verwoede jager.

Als Munchausen op weg naar Sint Petersburg, na een barre nacht met meters sneeuw, op een kerkhof ontwaakt en zijn paard aan de kerktoren ziet bengelen, want alle sneeuw was weggesmolten, pakt hij zijn pistolen en schiet het halster van het paard kapot. De baron staat op gewijde grond, schiet op de kerk, op het kruis van de weerhaan, en zet zijn tocht bedaard verder.

De dag voordien nog had hij een arme Pool in een greppel zien liggen, verstijfd van de kou, en al was hijzelf even verkleumd, hij gooide zijn mantel over hem heen. 
In de grappige Bomansvertaling lezen we:
Terstond klonk er een stem uit de hemel, die sprak: ‘Ik mag verdoemd zijn, mijn zoon, als ik je dit niet vergelden zal.’
Raspe schreef inderdaad: “I'll be damned my son if I do not reward it in time.”  In de Amerikaanse uitgave echter viel de term damned weg: “You will be rewarded, my son, for this in time.” Voor hen had Raspe zich te ver gewaagd met zijn verwijzing naar Sint Maarten en die hemelse stem.**

Later, in een jachtavontuur, had hij al zijn munitie voor die dag vermorst, en zag tegen de avond een prachtig hert. In arren moede beschiet hij het nog met een kersenpit maar het dier ontkomt. En zie, datzelfde hert ontmoet hij later weer, en tussen zijn geweitakken groeit een kersenboom.
Zoals wij weten had lang vóór de baron ook de aanvankelijk nog heidense Hubertus bij de jacht een hert gezien, met tussen zijn gewei niet een kersenboom maar een stralend kruis. Hubertus bekeerde zich terstond, werd later bisschop en zelfs heilig. De baron weet dat ook, en vraagt zich af waar dat hert dan mee beschoten moet zijn, maar het antwoord op die vraag laat hij aan de lezer over.
____________
* Lid van de Royal Society, kende bijvoorbeeld Benjamin Franklin en James Watt, schreef over geologie en vulkanologie, vertaalde Lessings Nathan der Weise: Nathan the Wise: a Philosophical Drama, London, J. Fielding, 1781. Leibniz vertaalde hij uit het Latijn want wetenschappelijke kennis moest voor iedereen toegankelijk worden. Meer over deze bijzondere man in:



Der Münchhausen-Autor Rudolf Erich Raspe
Wissenschaft - Kunst - Abenteuer
Andrea Linnebach, Hg.
Euregioverlag, Kassel 2005


** Jeroen Brouwers vertaalde: 'De duivel moge me halen, ouwe jongen, maar dit blijft niet onbeloond.' Zowel Brouwers als Bomans steunen mede op de Duitse uitgave (1786) van Gottfried August Bürger (1747-94).

23 juni 2017

Twee ontgoochelingen


Jean-François Paul de Gondi, cardinal de Retz (1613-1679) schreef zoals men dat alleen in zijn eeuw kon. Of nee, in de eeuw daarop kon men dat ook nog, want toen schreef Casanova – geen kardinaal, wel een abbé. Die twee hebben gemeen dat ze zichzelf niet sparen in hun Memoires: ze vertellen ook over al hun nederlagen en kleine kantjes. Zeker is dat de geloofwaardigheid van hun succesverhalen daardoor vergroot wordt.*
Retz schrijft aan Mme de °°°: “Op vraag van u, schrijf ik de geschiedenis van mijn leven, en het plezier dat ik erin vind om u strikt te gehoorzamen, maakt dat ik mezelf zo weinig spaar.”
Casanova zal vertellen over La Charpillon, een zeventienjarig Zwitsers hoertje** dat in Londen werkte en waar hij verliefd op was. Zij ontzegde hem haar gunsten, pikte samen met haar moeder zijn halve fortuin in, en dreef Giacomo bijna tot zelfmoord. Met zijn zakken gevuld met lood stapte hij naar een brug over de Theems, maar onderweg liep hij een bekende tegen het lijf, ze dronken iets en aten iets, en van uitstel kwam afstel.


Bij Retz kunnen we niet echt van een depressie spreken, laat staan van een burn-out, maar zeker wel van een dipje:

Mme de La Vergne, de moeder van Mme de Lafayette, was in een tweede huwelijk getrouwd met de chevalier de Sévigné, en mevrouw haar dochter logeerde daar op dat moment, of ze logeert er nog.
Deze Mme de La Vergne was au fond een fatsoenlijke vrouw, maar gretig naar elk laatste weetje, en ingenomen met welk soort intrige ook, zonder uitzondering. Meer dan enige vrouw die ik ooit heb gekend. Wat ik haar die dag voorstelde, omdat ze mij daarbij goede diensten kon bewijzen, was van aard om een heilig boontje meteen af te schrikken. Ik kruidde mijn discours nu met zo’n aantal plechtige verklaringen over mijn goede intenties en integriteit, dat het niet tegen de borst stootte. Maar tegelijk werd de boodschap enkel in ontvangst genomen nadat ik plechtig had beloofd dat ik nooit zou beweren dat zij, van de diensten die ik haar vroeg, meer had begrepen dan wat in geweten en omwille van de goede, kuise, pure, simpele en heilige vriendschap mocht. Ik beloofde alles wat ze maar wilde. Ze nam mij op mijn woord, en was zelfs bijzonder verheugd zodoende een heel geschikte gelegenheid te hebben gevonden om een eind te stellen aan mijn omgang met Mme de Pommereux, waarvan men aannam dat die niet zo onschuldig was.
De zaak waarvoor ik haar vroeg mij behulpzaam te zijn, moest puur vergeestelijkt, engelachtig van aard zijn, want het ging om Mlle de La Loupe, die u hier eerder al ontmoet hebt onder de naam Mme d’Olonne. Ze was mij enige dagen daarvoor zeer bevallen, in een klein gezelschap dat zich had gevormd in het cabinet van Madame. Ze was mooi, ze was aanvallig door haar voorkomen en haar discretie. Ze logeerde vlak bij Mme de La Vergne, ze was een intieme vriendin van madame haar dochter. Ze had zelfs een deurtje laten steken waardoor zij elkaar konden ontmoeten zonder het pand uit te hoeven. De genegenheid die de chevalier de Sévigné mij toedroeg, en dat ik in zijn woning thuis was, en wat ik over de behendigheid van zijn vrouw wist, dat alles droeg sterk bij tot mijn goede verwachtingen. Zoals het liep bleken die volslagen ijdel. Want al rukte men mij de ogen niet uit, en kneep men mijn keel niet dicht om me zelfs nog maar het zuchten te beletten, en al merkte ik aan bepaalde gedragingen dat men er geen bezwaar tegen had te zien hoe gedwee de paarse keppel was, en hoe schitterend opgemaakt en stralend zij ook was, we bleven altijd op voet van gestrengheid, of beter gezegd van eerbaarheid, wat mijn tong afsneed alhoewel die nogal libertijns was, en dat moet diegenen verwonderen die nooit Mlle de La Loupe hebben gekend, en over Mme d’Olonne hoogstens hebben horen spreken. Deze kleine geschiedenis doet zoals u ziet weinig eer aan mijn verleidingskunsten. En nu zal ik het kort even hebben over de gebeurtenissen in Guyana.

Maar ik neem aan, lezer, dat de gebeurtenissen in Guyana u minder interesseren.
__________
* Te vergelijken met wat Rudolf Erich Raspe zijn Baron Munchausen laat bekennen: ‘Notwithstanding all my courage, notwithstanding the speed, the cleverness, the readiness of my horse, I was not always successful.’ 
** Marie-Anne-Geneviève Augspurgher (ca.1746-1777).

5 oktober 2011

Brulapen

.
 “The Dutch are a very rude sort of people”, oordeelde Baron Munchausen. Rudolf Erich Raspe liet hem dat zeggen in zijn meesterwerk “The Travels and Surprising Adventures of Baron Munchausen” (1785).
Godfried Bomans vertaalde die zin heel mooi met: “Een grof volkje, die Hollanders!” (Kruseman, ’s Gravenhage, 1967; verlucht met etsen van Gustave Doré).
Je leest of hoort dat vaak, dat Hollanders onbehouwen zijn, grofgebekt, luidruchtig, brutaal. Ook Vlaamse kerktorenjournalisten schrijven graag over de ruwe zeden in Nederland. Dat is een fenomeen van de laatste jaren menen zij, en het is allemaal begonnen met Theo van Gogh, Pim Fortuyn en nu Geert Wilders. Het moet hier niet dezelfde kant opgaan! Maar zij hebben geen recht van spreken.
.
Hetzelfde kan niet gezegd worden van de Baron. Die had moeten ondervinden dat sommige van zijn avonturen op spottend ongeloof ontvangen werden in het zeevarende Holland. Zo was op een van zijn zeereizen zijn schip lekgeslagen: “Gelukkig was ik de eerste om het ongerief te ontdekken. Ik vond een gat van wel een paar voet in doorsnee en het stemt mij nu nog tot diepe voldoening, dat schip en bemanning hun behoud te danken hebben aan een schitterende gedachte, die mij plotseling te binnen schoot. Ik stopte het gat namelijk met mijn eigen gat en dit in een flits, zonder zelfs mijn broek uit te trekken. Zij, die menen dat dit met een dergelijk hol onmogelijk is, dienen te bedenken dat ik uit Hollandse ouders gesproten ben.” (Bomans)

Iets later schreef ook Heine ongunstig over de Hollanders, vooral over de ruige klanken van hun taal. In de grensstreken had dat Hollands zelfs een kwalijke invloed op het Duits aldaar: “Je kunt in de spraak van de Düsseldorfers al een overgang bemerken naar het kikvorsgekwaak van de Hollandse moerasgronden. Om de dooie dood wil ik hier de merkwaardige schoonheden van de Hollandse taal niet ontkennen, alleen moet ik toegeven dat mijn oren er niet naar staan.”
.
En over inhoud gesproken: een recente grofheid die ook in Vlaamse kranten uitgebreid aan bod kwam, was de zin: “Doe eens normaal man!”
Maar deze zin valt nog mee, toch? Zeker als je hem vergelijkt met wat laatst een Vlaamse journalist op de radio wist te vertellen.
Die man had geconstateerd dat de economie in de VS slecht draaide en, vond hij, dat moest je als volgt uitdrukken: “Dat land gaat naar de kl...”  Of Nederlandse journalisten iets dergelijks de huiskamer in mogen slingeren betwijfel ik.
Natuurlijk, dit is puur Vlaamse taalonmacht, de noodgreep van een man die de uitdrukking “screwed up” ergens gehoord zal hebben.
.
Nog een stuk onmachtiger was op Radio1 de grapjas Patrick De Witte: “Ronald Janssen staat te veel in de schijnwerpers. Lag het aan mij dan was het vonnis nu al klaar. Ronald Janssen zal eerst door een vakkundige grimeur een koeienkut op het gezicht geschminkt krijgen, en daarna worden losgelaten in een weide vol bronstige stieren.”
.
Geef mij de Hollandse grofheid maar, liever dan zo’n voorspelbaar vulgaire, humorloze brulaap.



Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

10 april 2008

Het Statuut van de Hond

.
Honden hebben veel kwaliteiten. Zij kunnen koeien en schapen hoeden, weggeworpen stokken terugbrengen, geschoten wild ophalen, waken, melkkarren trekken, bij gebeurlijke aardbevingen of ontploffingen naar overlevenden en doden zoeken, hasjiesj ruiken die in valiezen verborgen zit, blinden geleiden. Sleeën trekken ook zegt Jack London.
Al die dingen kunnen, als wij eerlijk zijn, honden veel beter dan de mens. Ik maak mij sterk dat zelfs mohammedanen, mochten ze goed zijn opgeleid, in staat moeten worden geacht om dit toe te geven. Natuurlijk, voor hen ligt dat moeilijker, omdat zij gewend zijn om de hond onder te brengen in de categorie waar ook varkens, joden, apen en christenen in thuishoren; atheïsten ook, al komt in het mohammedaanse stelsel de relatieve positie atheïst/hond minder vaak aan bod. Het begrip atheïst is zeer abstract van aard en, samenvattend gezegd, ondenkbaar voor rechtgelovigen.
Zelf ben ik ook geen groot hondenliefhebber en mijn sympathie gaat eerder naar het zwijn, vanwege zijn uitgesproken lekkerte. Daarnaast ook naar apen, naar joden, animisten, boeddhisten, christenen en zelfs naar sommige atheïsten.

Maar dat overdreven ophemelen van honden, dat je bij Engelsen vaak ziet en ook bij baron Munchausen, daar doe ik niet aan mee. Een vriend van mij vatte het goed samen: de hond heeft vier poten en geen handen, maar wel altijd een proper achterste. Wellicht speelde een soortgelijke overweging ook in het achterhoofd van Jahweh/Allah, al kun je dan de vraag stellen waarom die onreine dieren zo nodig geschapen moesten worden.
Toch zal een beschaafde Engelsman, misschien net omdat hij de hond zo bewondert, deze nooit met een mens gelijkstellen. Ook baron Munchausen, een edelman tenslotte, vermeed dergelijke grofheid.

De heer M. Guennoun echter, een Algerijnse immigrant en woordvoerder van de Osdorpse moskee El Mouahidine, vertelde nu aan de leerlingen van de Amsterdamse basisschool ‘De Horizon’ dat weliswaar niet alle mensen, maar dat ongelovigen goed en wel honden waren. De directrice van de school was daarop nogal verrast. Ze zei dat het nochtans niet het eerste multiculturele uitstapje was naar deze moskee, en dat het de andere keren juist zo goed was gegaan.
Dat was in Nederland nog een hele rel, maar die haalde nauwelijks onze kwaliteitspers – terwijl deze meestal toch waakzaam is als er iets gebeurt dat ruikt naar wat zij racisme noemen – en die gezagsdrager Guennoun zei daarop, dat hij dat niet gezegd had van die honden. Zoiets mag kinderachtig klinken maar de huichelarij van die man, na zijn aanvankelijke openhartigheid, is niet een persoonlijke eigenschap van hem, maar een goed beschreven uitwijkmiddeltje in de omgang met ongelovige honden. Het begrip al-taqiyya zal mijn lezer niet onbekend zijn.
Het ziet er intussen naar uit dat men de zaak ook in Nederland blauw-blauw zal laten. Van een strafklacht hoor je niets. Dat is begrijpelijk want als men deze woordvoerder zou willen straffen voor iets dat in zijn heilige boek staat, dan konden vele gelovigen zich wel eens beledigd voelen.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html