28 maart 2020

Het Rad van Fortuin


Het Rad van Fortuin was een VRT- of misschien nog BRT-programma dat een enorm succes kende. Wellicht zegt de naam u nog iets. Mij in elk geval wel, al heb ik het ding helaas nooit gezien en kan ik mij met de beste wil van de wereld niet herinneren wat ik op het uur van uitzending dan voor nuttigers mag uitgericht hebben.*

Maar eerst een excursus:

Een ander kansspel, de Lotto, waar de legendarische spoorwegman Jannie Haek nu zijn centjes mee verdient, bestond nog niet toen Walter Capiau roem oogstte – en de Koloniale Loterij bestond niet meer, want die heette voortaan Nationale Loterij. Zeker, je kunt je een immorele business wel zeven keer van naam laten veranderen, au fond verandert dat niets.

Nu had de Venetiaan Giacomo Casanova (1725-1798) in Parijs, met koninklijke toelating, een soortgelijke geldmachine op gang gebracht en een tijdlang draaide die goed, maar na een onduidelijke transactie kreeg hij van diezelfde koning het bevel het Franse grondgebied binnen de 24 uur te verlaten. Hij vertrok spoorslags naar Brussel, wat Karl Marx en Victor Hugo hem later zouden nadoen.
En in die bruisende stad zette Giacomo een loterij op, de voorloper van Jannie zijn Lotto. Ik vraag mij af of onze veelzijdige man die geschiedenis kent, of er zelfs belangstelling voor zou hebben, al heeft zijn handeltje wel een Italiaanse naam.


In Venetië, in Lombardije en in heel Italië hebben ze nu wel andere bekommernissen dan de geldlotto. En ook hier zit iedereen thuis en hoopt op een gunstig levenslot, en dat hangt grotendeels van het toeval af, van Fortuna, van het Rad van Fortuin.

Boëthius (¿480-525) was een filosoof afkomstig uit een zeer vooraanstaande Romeinse familie, die de hoogste ambten bekleedde, en die onder Theoderik om onduidelijke redenen van hoogverraad werd beschuldigd en ter dood veroordeeld zonder dat hij zich voor een rechtbank had kunnen verdedigen. Hij wachtte in zijn cel** op zijn terechtstelling, en schreef er De Consolatione Philosophiae.

Dat werk werd vorig jaar voor de uitgever Damon schitterend vertaald door Piet Gerbrandy als Troost in filosofie, en alleen al zijn inleiding is goud waard.

In zijn cel spreekt Boëthius met Philosophia, onder de gedaante van een vrouw. Zij zegt hem dat wie de gunsten van Fortuna zo lang heeft genoten, ook de grilligheid van haar karakter moet aanvaarden (een ontstellend onmoderne gedachte: de maakbare wereld moet eraan geloven):

Nu heb je Fortuna gelegenheid gegeven jou te besturen: dan moet je ook gehoorzamen aan de grillen van deze meesteres. Probeer jij de vaart waarmee haar rad rondwentelt te stuiten? Dan is niemand dommer dan jij, want zodra het stilstaat is het geen toeval meer.

[Fortunae te regendum dedisti; dominae moribus oportet obtemperes. Tu vero volventis rotae impetum retinere conaris? At, omnium mortalium stolidissime, si manere incipit, fors esse desistit. (LOEB)]

Hierbij noteert Gerbrandy (ook zijn voetnoten zijn zo mooi!): 'Boëthius is de eerste die het Rad van Fortuin beschrijft.'
Na zo'n opmerking besef je wat belezenheid betekent.

En hier wil Kay Starr het Rad een gunstig lot afsmeken

Boëthius
Troost in filosofie
De Consolatione Philosophiae
vertaald en ingeleid door Piet Gerbrandy
Eindhoven, Damon, 2019
__________
  * Of zat het op VTM? Soit, maakt niet uit.
** Sommige geleerden menen uit bepaalde passages te mogen opmaken dat het geen cel was, maar dat Boëthius huisarrest had gekregen. Gerbrandy laat dit in het midden.


19 maart 2020

Rondreis in mijn kamer


Om gedichten te lezen ben ik soms, zij het niet vaak in de stemming – La Fontaine even buiten beschouwing gelaten. Klassieke leerdichten gaan er gewoonlijk wel in, maar sommigen rekenen die niet bij de poëzie. Zeer ten onrechte. Proza neem ik wel altijd graag ter hand, en als de vorm goed is maakt het mij niet uit waarover het gaat.

Op de foto hiernaast ziet u de onvolprezen uitgave van Pierre Glaudes van de Œuvres van Joseph de Maistre.  Die had ik echter al verorberd, en was begonnen in zijn Correspondance een prachtuitgave (2017) van Les Belles Lettres, in hun reeks Les Classiques favoris.

Dat zijn dus brieven aan vrienden en familie, aan alle groten van die tijd ook want de man was ambassadeur van Savoye in Sint-Petersburg.

Fascinerend hoe mooi hij schrijft, zonder ooit verbeux te worden, en hoe grappig Maistre is. Maar samen blijven het toch 1500 grote bladzijden met kleine letters en je leest zo’n boek niet in één ruk uit.

Daarom dacht ik nu aan zijn broer, Xavier de Maistre, die met groot succes één klein boekje heeft uitgegeven, tachtig bladzijden. Dat lag hier al lang te liggen, en nu wil ik het eerst lezen voor ik me weer aan die brieven zet.
De titel zal iedereen aanspreken: Voyage autour de ma Chambre, in 2000 verzorgd uitgegeven bij Mille et une Nuits, en ik vermoed dat het ergens nog wel te bestellen valt, of misschien zijn er nog andere uitgaven te vinden.

12 maart 2020

Cholera in Parijs


Een verslag van Heinrich Heine

I.  Halfvasten[1]

Het is geen tijd meer voor bespiegelingen over het verleden.  Het heden is op dit moment belangrijker en het thema dat dit heden mij nu ter bespreking aanreikt, is van die aard dat zelfs de vraag of ik kan verder schrijven ervan afhangt.  Ik geef u een fragment van een artikel, en in een later boek kan het dan volledig verschijnen.


Ik werd bij mijn schrijfwerk vaak gestoord, het meest door het verschrikkelijke kermen van mijn buurman die aan de cholera stierf.  Ik moet u ook verwittigen dat de omstandigheden van die dagen een bedenkelijke invloed hadden op mijn volgende bladzijden;  weliswaar had ikzelf voor zover ik wist geen enkel ongemak, maar als de geluiden van de Dood die zijn sikkel aan het wetten is, een mens zo duidelijk in de oren klinken dan stoort dat toch.  Van zo’n geestelijk onbehagen kun je je niet ontdoen, nog minder dan van lichamelijke pijn.  Was ook die er nog bijgekomen, dan was ik op de loop moeten gaan, zoals de andere buitenlanders hier;  maar — hier lag ook mijn beste vriend ziek te bed.  Ik vermeld dat, omdat men anders mijn achterblijven in Parijs voor een stukje bravoure zou kunnen aanzien.  Alleen een gek zou er plezier in vinden om de cholera te willen trotseren.

Het was opnieuw een tijd van terreur, veel verschrikkelijker dan die vorige, want deze keer hadden de terechtstellingen zo snel en zo heimelijk plaats.  Een gemaskerde beul was het die met een onzichtbare Guillotine ambulante door Parijs trok.  “De één na de ander worden we in de zak gestoken!” zei elke morgen mijn bediende al zuchtend, als hij me het aantal doden kwam melden, of ook de dood van een bekende.  De uitdrukking “in de zak steken” was helemaal geen beeldspraak;  er waren al vlug kisten tekort, en het merendeel van de doden werd in zakken begraven.

Toen ik nu vorige week voorbij een openbare markt kwam, en in de grote hallen al dat lustige volk zag, die springlevende montere Fransmannetjes, en die lieflijke kletskousen van françaises die lachend en schaterend hun inkopen deden, toen herinnerde ik mij weer dat er in de choleratijd op die plek, hoog gestapeld, vele honderden witte zakken lagen waar allemaal lijken inzaten, en dat je hier maar weinig stemmen hoorde toen, maar ze klonken des te pijnlijker;  het waren namelijk de stemmen van de lijkwachters die met een griezelige gelijkmoedigheid elk hun aantal zakken toebedeelden aan de doodgravers, of het waren die van de doodgravers die bij het stapelen op de karren met gedempte stem dat getal herhaalden, of juist schril en luid zich beklaagden dat men hen een zak te weinig had geleverd, waarbij het niet zelden tot een bevreemdende ruzie kwam.  Ik weet nog dat er naast mij twee knaapjes stonden met bedroefde gezichtjes, en één ervan vroeg mij:  of ik niet wist in welke zak zijn vader zat?

De nu volgende mededelingen hebben wellicht de verdienste dat ze tegelijk ook een bulletin zijn dat op het slagveld zelf is geschreven, en nog wel tijdens de slag zelf, zodat zij de onvervalste kleur van het moment tonen.  Toegegeven, in het genre hebben Thucydides, de geschiedschrijver, en Boccaccio, de novellist ons gavere voorbeelden nagelaten;  maar ik betwijfel of zij, op het moment zelf dat de cholera van hún tijd allerhardst om hen heen woedde, of zij dan de koelbloedigheid zouden hebben gehad om zulks meteen in de Allgemeine Zeitung van Korinthe, of in die van Pisa even mooi en meesterlijk te beschrijven.

Ik zal bij de volgende bladzijden aan één grondgedachte trouw blijven, en ook in de rest van het boek, namelijk:  dat ik niets aan deze artikelen verander, dat ik alles laat afdrukken zoals ik het oorspronkelijk geschreven heb.  Dat ik alleen hier en daar een enkel woord toevoeg of weglaat, als dat in mijn herinnering met het oorspronkelijke manuscript overeenkomt.  Zulke kleine rechtzettingen hoef ik niet af te wijzen, maar ze zijn schaars en onbeduidend en nooit gaat het over feitelijke vergissingen, of valse profetieën of scheve perspectieven.  Immers, juist die mogen hier niet ontbreken:  zij behoren tot de geschiedenis van de tijd.  De gebeurtenissen zelf zijn altijd de beste berichtgeving.

oOo

Ik spreek over de cholera die hier heerst, en ongebreideld heerst, en die zonder onderscheid van stand of gezindheid in duizendvoud haar slachtoffers velt.
Men had die pestilentie nogal onbekommerd tegemoet gezien, temeer daar vanuit Londen het bericht was gekomen dat er naar verhouding maar weinigen waren weggerukt. Aanvankelijk stond het zelfs goed om met de ziekte de spot te drijven. Men ging ervan uit dat de cholera zich hier in Parijs geen aanzien zou weten te verwerven, evenmin als zoveel andere grote reputaties hier… en men kon toch die goeie ouwe cholera er niet van verdenken dat ze, uit schrik om belachelijk te worden gemaakt, naar een middel zou grijpen dat tenslotte al door Robespierre en Napoleon was uitgeprobeerd: namelijk dat zij het volk zou decimeren louter en alleen om respect af te dwingen.

Maar, met alle ellende die hier heerst, met het kolossaal gebrek aan hygiëne — en dat niet alleen bij de armste klassen — gezien de kwetsbaarheid van het ganse volk in zijn grenzeloze lichtzinnigheid, en bijgevolg een totaal gebrek aan voorzorgsmaatregelen, of zelfs maar aan voorzichtigheid, met dat alles dus moést de cholera wel snel en hard om zich heen grijpen, en hier meer dan elders.

Haar aankomst werd de 29ste maart officieel bekendgemaakt.  Dat was de dag van halfvasten, mi-Carême.  Het weer was zonnig en aangenaam, en dus wandelden de Parijzenaars vrolijk op de boulevards.  Daar waren zelfs gemaskerden te zien die in overdreven kleuren en vormen de spot dreven met de angst voor de cholera, en met de ziekte zelf.  Er was die avond nog meer volk op de redoutes[2] dan anders;  overmoedig geschater overstemde de luidste muziek, de mensen raakten verhit van de chahût — het cancan-dansen:  dubbelzinnig is die dans dan ook nauwelijks.  En ze aten daarbij ijs en dronken allerhande koude dranken:  tot plots een van de lustigste Harlekijns een al te grote koelte in zijn benen gewaarwerd en zijn masker aflegde, waarbij er tot grote verwondering van iedereen een viooltjes-blauw gezicht tevoorschijn kwam.

Men zag al snel dat dit geen grap was, en het gelach verstomde.  Vele wagens vol met mensen werden gelijk van de redoute naar het Hôtel-Dieu afgevoerd, het centrale ziekenhuis waar zij, met hun avontuurlijke schertskledij nog aan hun lijf, terstond stierven.  Omdat men in een eerste paniek nog geloofde aan besmetting, en omdat de oudere gasten van het Hôtel-Dieu een vreselijk angstgeroep aanhieven, heeft men die eerste doden naar men zegt zó snel begraven dat men niet eens de tijd nam om ze hun narrenkledij uit te trekken, en vrolijk als ze hebben geleefd liggen ze nu vrolijk in hun graf.

II.  Vergif
Niets lijkt op de verwarring waarmee er nu plots veiligheidsmaatregelen werden genomen.  Er kwam een commission sanitaire tot stand, er werden overal bureaux de secours ingericht en de verordening betreffende de salubreté  publique, de huisvuilophaling, moest ten spoedigste in werking treden.  Hier kwam men al direct in botsing met de belangen van enige duizenden mensen, die de vuilnis op de openbare weg als hun eigen domein beschouwden.  Dat zijn de zogenaamde chiffonniers, die uit het afval dat zich een hele dag in hoekjes en kantjes voor de huizen ophoopt hun levensonderhoud halen.  Met grote spitse korven op de rug en een prikstok in de hand slenteren deze vuil-bleke gedaanten, deze mensen, door de straten en uit het vuil weten ze nog heel wat bruikbaars te prikken en te verkopen.  Maar nu gaf de politie die huisvuilophaling in entreprise, omdat het vuil niet te lang op straat mocht blijven liggen.  Het afval werd op karren geladen en moest direct de stad uit, naar het vrije veld.  Alleen daar was het de chiffonniers nog toegestaan naar hartenlust wat rond te vissen.  Maar deze mensen klaagden nu:  dat ze gebroodroofd werden, of op zijn minst in hun belangen geschaad;  dat hun bedrijvigheid een lang verworven recht was, op zijn manier een soort eigendom die ze hen niet zomaar willekeurig konden afnemen.

Het is eigenaardig dat de argumentatie die de chiffonniers daarbij hanteerden, helemaal dezelfde was als die van onze Duitse landjonkers, gildenmeesters, tiendenpredikers, faculteitsgenoten en andere bevoorrechten, en die zij plegen in te roepen als de oude misbruiken waar zíj nut van hebben — het afval van de middeleeuwen dus — als die misbruiken eens dreigen opgeruimd te worden, om tenminste ons leven niet te laten verpesten met dat verjaard stof en die vuilnis.

Toen hun protest niks uithaalde probeerden de chiffonniers de hervorming van de huisvuilophaling met geweld te verhinderen;  ze zetten een kleine contrarevolutie op, met de steun van bepaalde oude vrouwen, de revendeuses.  Aan hen had men verboden om het stinkende goedje, dat ze grotendeels van de chiffonniers betrokken, nog langer langs de kaden uit te kramen.  We maakten nu een weerzinwekkende opstand mee:  de nieuwe reinigingskarren werden kapotgeslagen en de Seine ingekieperd.  De chiffonniers wierpen barricades op bij de Porte St-Denis;  bij Châtelet vochten de ouwe-rommel-wijven met hun grote paraplu’s;  de generale strijdmars weerklonk;  eerste minister Casimir Périer liet zijn myrmidonen[3] uit hun boetieken naar buiten trommelen;  de troon van burger-koning Louis-Philippe sidderde;  de rente zakte;  de Carlisten juichten.  Deze laatsten, de aanhangers van het oude koningshuis en het ancien régime, hadden eindelijk hun natuurlijke bondgenoten gevonden, lompenrapers en rommelkraamsters, want ook die kwamen nu op hún principes:  voorvechters van het vervallene, van het overgeleverde erf-afvalrecht en van alle soort uitvaagsel.

Het oproer van de chiffonniers werd dus door de gewapende macht gesmoord;  op dat moment greep de cholera nog niet eens zo woedend om zich heen als sommigen het misschien wel hadden gewenst — want zulke lui zijn er altijd:  die hopen bij elke noodtoestand, of bij elke volksopwinding niet zozeer op hun eigen overwinning dan wel op de val van de zittende regering.

En dan plots dat gerucht!  De vele mensen, die zo snel waren begraven — die waren niet aan een ziekte gestorven, maar door vergif!
Het ging rond dat men op alle levensmiddelen vergif had weten te strooien:  op groentemarkten was het gebeurd, bij bakkers, bij slagers, bij de wijnhandelaars.  Hoe ongelooflijker de verhalen klonken, des te gretiger werden ze door het volk aangenomen — en toen de politieprefect nog met een verklaring voor de pinnen kwam, moesten zelfs hoofdschuddende twijfelaars er geloof aan hechten.

Het is er de politie hier minder om te doen — hier zoals elders — om misdaden te verijdelen, dan wel om het zó te laten voorkomen alsof ze altijd wel weet hebben van wat er omgaat.  Nu wilden ze met dat COMMUNIQUÉ, ofwel pralen met hun alwetendheid, ofwel redeneerden ze:  bij zulke berichten als een vergiftiging, laat die nu waar zijn of vals, moeten we in elk geval alle argwaan ten opzichte van de regering proberen af te wenden.  Wat er ook van zij, door hun ongelukkig COMMUNIQUÉ waarin uitdrukkelijk stond dat zij de gifmengers op het spoor waren, werd dit kwaadaardige gerucht natuurlijk ten volle bevestigd en heel Parijs raakte in een gruwelijke doodsverbijstering.

“Wat horen wij nu toch allemaal!” riepen de oude mensen, die zelfs in de grimmigste ogenblikken van de Revolutie nooit zulke wandaden hadden meegemaakt.  Français! we zijn onteerd!” riepen de mannen en zij sloegen zich voor de kop.  De vrouwen drukten hun kleine kinderen angstig tegen hun hart en weenden bitter en jammerden dat de kleine wormpjes nog in hun armen zouden sterven.  De arme mensen waagden het niet meer te eten of te drinken en zij wrongen hun handen van pijn en woede.  Het was alsof de wereld verging.  Op alle straathoeken, vooral bij de roodverlichte wijnhuizen stonden hele groepjes zich te beraden.  Daar was het ook dat mensen die er enigszins verdacht uitzagen werden afgetast, en wee!  als men in hun zakken ook maar iets verdachts vond.  Als wilde beesten, als razenden, stortte het volk zich op hen.  Zeer velen konden zich door tegenwoordigheid van geest nog redden;  velen werden ontzet door de garde communale die in die dagen overal patrouilleerde;  anderen werden zwaar verwond en verminkt;  zes mensen werden op de meest onbarmhartige manier vermoord.

Er is geen afgrijselijker aanblik dan de volkstoorn die om bloed vraagt, en zijn weerloze slachtoffers wurgt.  Dan stroomt er door de straten een donkere mensenzee met daarin, als witte golfkopjes, arbeiders in hemdsmouwen.  Alles giert en bruist genadeloos, heidens, demonisch.  In de rue ST. Denis hoorde ik de oude kreet “à la lanterne[4] en woedend vertelden enkele stemmen mij dat ze een gifmenger gingen verhangen.  De enen zeiden dat het een koningsgezinde was — ze hadden naar het schijnt een brevet du lys in zijn tas gevonden, een soort vrijgeleide met het leliesymbool;  anderen beweerden dat het een priester was, en die zijn tot alles in staat.  Aan de rue Vaugirard werden twee mensen vermoord want ze hadden een wit poeder op zak.
Ik zag één van die ongelukkigen, die nog even reutelde en rochelde.  Zelfs oude vrouwen deden hun klompen uit en sloegen hem zolang op z’n kop tot hij dood was.  Hij was poedelnaakt, tot een bloedklomp geslagen en gekwetst;  niet alleen waren hem de kleren afgerukt, ook de haren, de schaamdelen, de lippen en de neus.  Een woesteling deed het lijk een strik om de voeten en sleepte het door de straat.  Hij riep daarbij continu:  VOILÀ LE CHOLÉRA-MORBUS!”

Een wondermooi witwoedend vrouwmens, de borsten bloot, haar handen helemaal onder het bloed, stond aan de kant en toen het lijk haar passeerde gaf ze het een trap met haar voet.  Ze lachte en vroeg mij of ik voor dat zachtmoedige werkje niet een paar franken over had;  dan kon ze een zwart rouwkleed kopen, want haar moeder was een paar uur daarvoor gestorven, vergiftigd.

III. Flanel
De dag daarop bleek uit de kranten dat de ongelukkige mensen die men zo gruwelijk had vermoord volslagen onschuldig waren;  het verdachte poeder dat op hen was gevonden, zou kamfer zijn geweest, of chloruur, of een van die andere middeltjes tegen de cholera — en al die zogenaamd vergiftigden waren doodnatuurlijk bezweken aan de heersende plaag.
Het volk hier, zoals het volk overal, ontsteekt snel in woede en kan op zulke momenten tot gruweldaden worden verleid;  maar als datzelfde volk bezadigde stemmen hoort, laat het zich even snel milder stemmen en heeft het hartsgrondig berouw over zijn wandaden.  Met dat soort stem hebben de kranten hier, direct de dag daarop, het volk weten in te tomen en te sussen.  Het mag een triomf van de pers worden genoemd dat zij in staat bleek het onheil zo snel in te perken — onheil dat de politie met haar communiqué had aangericht.

Hier moet ik de houding laken van een paar lui die niet eens tot de laagste klasse behoren, maar zich in hun kwaadwilligheid niettemin zo op sleeptouw lieten nemen dat ze de partij van de Carlisten openlijk van gifmengerij hebben beticht.  Zó ver mag de passie ons nooit voeren;  eerlijk, ik zou me grondig bedenken voor ik een dergelijke gruwelijke beschuldiging zou uitspreken aan het adres van mijn giftigste vijanden.  De Carlisten hieven, terecht in dit geval, een weeklacht aan.  Enkel dat ze hierbij zo luid en schimpend tekeergingen fluisterde mij wat argwaan in;  dat is niet de gebruikelijke taal van de onschuld.

Maar de beste experts zijn ervan overtuigd dat van vergiftiging helemaal geen sprake is geweest.  Mogelijk zijn schijnvergiftigingen op touw gezet, mogelijk heeft men ook echt een paar dompelaars aangeworven om allerhande onschadelijke poedertjes op etenswaren te strooien om zo het volk onrustig te maken en op te hitsen;  als dit laatste het geval was, dan moeten we niet te zwaar tillen aan de tumultueuze uitspattingen van het volk, temeer daar die niet voortkwamen uit private wrok, maar “in het belang van het algemeen welzijn waren, geheel volgens de principes van de afschrikkingstheorie”. 

Ja, de Carlisten zijn wellicht in de put gevallen die ze voor de regering hadden gegraven;  niet aan haar, nog veel minder aan de Republikeinen schrijft men de vergiftigingen gewoonlijk toe, maar aan de partij “die keer op keer met de wapens werd verslagen, met laffe middelen telkens weer overeind wist te komen, die altijd in het ongeluk van Frankrijk haar geluk en macht veroverde, en die nu de steun van de Kozakken moet ontberen en dus makkelijk haar toevlucht zou kunnen nemen tot vulgair vergif.”  Zo ongeveer liet de “Constitutionel” zich uit.  Wat ikzelf, de dag van die doodslagen voor bijzonders opstak, bracht me tot de overtuiging dat de macht van de oude Bourbons in Frankrijk nooit en nimmer nog zou gedijen.  Ik had bij diverse groepen mensen de meest bizarre uitspraken gehoord;  ik had diep in het hart van het volk gekeken;  het weet wat voor vlees het in de kuip heeft.

Sindsdien is alles hier rustig;  L’ordre règne á Paris[5], zou onze minister van buitenlandse zaken, Horatius Sebastiani, zeggen.  Een doodse stilte heerst in heel Parijs.  Een stenen ernst ligt op alle gezichten.  Vele avonden lang zag men zelfs op de boulevards weinig mensen, en dan nog… ze ijlden elkaar snel voorbij, met hun hand voor de mond, of een doekje.  De theaters waren uitgestorven.  Als ik een salon binnenkwam waren de lui verwonderd mij nog in Parijs te zien — want dringende besognes heb ik hier toch niet?  De meeste buitenlanders — mijn landgenoten namelijk — waren spoorslags afgereisd.  Gehoorzame ouders hadden van hun kinderen het bevel gekregen ten spoedigste naar huis te komen.  Godvrezende zonen vervulden zonder dralen het zoete verzoek van de ouders, die hun terugkeer naar de Heimat wensten.  Eert uw vader en moeder, en gij zult lang leven op aarde!  Bij anderen ontwaakte plotseling een oneindige Sehnsucht naar het dierbare vaderland, naar de romantische gouwen langs de ontzagwekkende Rijn, de geliefde bergen, het gelukzalige Schwaben:  het land van de hoofse liefde en de vrouwentrouw, van de lustige liederen en de gezonde lucht.  In het Hôtel de Ville zijn er al meer dan 120.000 reispassen afgegeven hoor ik.

En, alhoewel de cholera het zichtbaar op de armere klassen gemunt had, toch waren het de rijken die op slag de benen namen.  Sommige parvenus kun je het niet kwalijk nemen dat ze ervandoor gingen;  ze dachten waarschijnlijk:  de cholera, die komt van zo ver, uit Azië, en die weet dus niet dat wij op de beurs de laatste tijd veel geld hebben verdiend — die houdt ons misschien nog voor arme drommels en laat ons toch nog in het gras bijten.  Alexandre Aguado, markies de la Marismas del Guadalquivir, een der rijkste bankiers hier en ridder in het Erelegioen, was bij deze grote terugtocht veldmaarschalk.  Waanzinnig van angst zat naar het schijnt deze ridder gedurig achterom te kijken door het raampje van zijn koets, en hield hij zijn blauwe bediende die achterop stond voor de waarachtige dood zelf, de choléra-morbus.

Het volk morde bitter toen het zag hoe de rijken, bepakt met artsen en apothekers, zich in gezondere oorden konden redden.  De armen moesten wrevelig toezien hoe geld ook een beschutting tegen de dood was.  Het grootste deel van de Juste-Milieu-regering en de haute-finance is sindsdien ook verdwenen, en leeft nu in zijn kastelen.  De ware vertegenwoordigers van de rijkdom, de heren von Rothschild, zijn evenwel in Parijs gebleven en geven daarmee te kennen dat ze niet alleen in geldzaken groots en dapper zijn. 

Ook premier Casimir Périer toonde zich groots en dapper want hij ging bij het uitbreken van de cholera het Hôtel-Dieu bezoeken;  ik vermoed dat zelfs zijn tegenstanders betreuren dat hij als gevolg daarvan, iedereen weet hoe gevoelig hij is, zelf door de cholera werd getroffen.  Hij is er nochtans niet aan bezweken, want hijzelf is een nog kwadere ziekte.[6]  Ook de jonge kroonprins, de hertog van Orléans, die samen met Périer het hospitaal bezocht, verdient erkentelijkheid.

De hele koninklijke familie trouwens heeft in deze troosteloze tijd met glans haar mannetje gestaan.  Bij het uitbreken van de cholera verzamelde de goede koningin vrienden en dienaars en verdeelde flanellen zwachtels onder hen, die zij goeddeels zelf had vervaardigd!
De zeden van het oude ridderdom zijn nog niet verzwonden:  alleen zijn ze overgegaan in burgerlijke deugden.  Hoge Dames voorzien haar kamp tegenwoordig van minder poëtische — maar veel gezondere sjaaltjes.  Tenslotte leven wij niet langer in de helm- en harnastijden van de krijgshaftige Chevallerie, maar in de vredevolle burgertijd van de borstrokken en het warme ondergoed.  Wij leven niet meer in het ijzeren tijdperk maar in het tijdperk van flanel.
Flanel is werkelijk ons beste pantser tegen de aanvallen van onze ergste vijand, tegen de cholera.  “Vandaag zou Venus”, zegt de Figaro, “een gordel van flanel dragen”.  Ikzelf steek ook voor de helft in het flanel en daardoor beschouw ik mijzelf als cholera-vast.  Tenslotte draagt ook de koning ondergoed van het beste burgerflanel.

Ik mag hier niet onvermeld laten dat onze roi-citoyen zich bij deze algemene rampspoed zeer burgerlijk-medevoelend en edel heeft gedragen, en veel geld heeft uitgegeven voor de armen.  — En nu ik toch op dreef ben, ik wil ook de aartsbisschop van Parijs, graaf Quelen, hier lof toezwaaien.  Na het bezoek van de kroonprins en Périer, is ook hij in het Hôtel-Dieu de zieken komen troosten.  Hij had nochtans lang daarvoor al voorspeld dat God de cholera zou sturen als straf, om een volk te tuchtigen “dat het had bestaan een zeer christelijke koning af te zetten, en dat de privilegies van de katholieke staatsgodsdienst in de Charta had afgeschaft”.  Maar nu de toorn Gods deze zondaars bezoekt, wil mijnheer Quelen zijn gebed ten hemel richten en genade afsmeken, tenminste toch voor de onschuldigen — want er sterven ook veel koningsgezinden.
Daarenboven heeft de heer Quelen, de aartsbisschop, zijn eigen slot Conflans aangeboden om er een hospitaal in te richten.  De regering zag zich genoodzaakt dit aanbod te weigeren want het slot is een complete woestenij, helemaal verkrot, en de reparaties gingen te veel kosten.  Hierbij dient gezegd dat de aartsbisschop had geëist dat men hem in dat toekomstige hospitaal de vrije hand zou laten en, bij al het lichamelijke lijden van de arme zieken wilde men niet ook nog eens hun zielen blootstellen aan de pijnlijke reddingspogingen die de aartsbisschop en zijn geestelijke hulpjes op het oog hadden;  men verkoos dan maar om de verstokte revolutionaire zondaars — zonder vermaning betreffende de eeuwige Verdoemenis en het Hellevuur, en zonder Biecht of Oliesel — simpelweg aan de cholera te laten sterven.

En hoewel men beweert dat het katholicisme een passende religie is voor ongelukkige tijden als de dag van vandaag — toch vertonen de Fransen geen haast zich er nog in te bekwamen.  In gelukkiger dagen, zo vrezen zij, konden ze dan wel eens blijven zitten met die ziektereligie.


IV. Père Lachaise
Er lopen tegenwoordig heel wat verklede priesters rond tussen de mensen, met de boodschap dat een gewijde rozenkrans beschermt tegen de cholera.  Onze linkse vrienden weer, de Saint-Simonisten,[7] rekenen het tot de voordelen van hun geloof dat er geen enkele Saint-Simonist aan de heersende plaag kan sterven — zij redeneren als volgt:  aangezien de vooruitgang een natuurwet is, en aangezien de sociale vooruitgang bij het Saint-Simonisme ligt, is het uitgesloten dat er één van hen sterft zolang het aantal van hun apostelen nog ontoereikend is.  De Bonapartisten houden weer vol dat als iemand de cholera bij hemzelf gewaarwordt, hij onmiddellijk de Vendômezuil moet aanschouwen:  hij blijft dan in leven.  Zo heeft eenieder in deze tijd van nood zijn geloof.  Wat mij betreft:  ik geloof in flanel.

Een goed dieet kan natuurlijk ook geen kwaad:  alleen moet men dan weer niet zó weinig eten als sommige brave mensen doen die dan ‘s nachts hun hongerkrampen voor de cholera houden.  Het is vermakelijk om te zien hoe schuw de mensen tegenwoordig aan tafel zitten, en hoe ze daarbij de meest mensvriendelijke gerechten wantrouwig bekijken.  Diep zuchtend slikken ze de allerfijnste hapjes door.  De dokters hebben hun verteld dat ze geen vrees mogen koesteren en elke ergernis dienen te vermijden;  maar nu vrezen ze juist dat ze zich onverhoeds ergens aan zullen ergeren — en het ergert hen dat ze daar bang voor zijn.

De mensen zijn de zachtmoedigheid zelve geworden, ze zeggen gedurig Bon Dieu, en ze spreken met zachte stem, zo zacht als die van een pas bevallen vrouw.  Daarbij ruiken ze als wandelende apotheken, betasten vaak hun buik en met sidderende ogen vragen zij om het uur naar het aantal doden.  Dat men dit juiste getal niet weet, of liever, dat men ervan overtuigd is dat de officiële cijfers niet kloppen, dat vervult de gemoederen met een vage schrik en het jaagt de angst onmetelijk de hoogte in.  Inderdaad, de kranten hebben sinds kort toegegeven dat er op één enkele dag, namelijk de tiende april, tweeduizend mensen zijn gestorven.  Maar het volk liet zich niet officieel bedotten en weeklaagde zonder ophouden:  dat het er meer waren dan men toegaf.  Mijn kapper vertelde me dat een oude vrouw op de Faubourg Montmartre heel de nacht voor haar raam had gezeten om de lijken te tellen die men daar voorbijdroeg.  Ze had er over de driehonderd geteld. Tegen de ochtend werd zijzelf door de koelte en de krampen van de cholera overvallen, en stierf kort daarop.  Waar je ook keek op straat, overal waren er lijkstoeten of, wat nog melancholischer stemt, wagens die door niemand werden gevolgd.

Omdat er niet genoeg lijkwagens voorhanden waren moest men allerlei andere vervoermiddelen gebruiken, en al werden die met zwart doek overtrokken, het bood een geïmproviseerde aanblik.  Maar ook dat volstond op den duur niet en ik zag lijkkisten die in fiakers werden gelegd;  men zette die dwars in het midden, zodat de beide uiteinden door de open zijdeuren naar buiten staken.  Weerzinwekkend werd het toen de grote verhuiswagens werden ingezet, de wagens die men gebruikt om van land te verhuizen.  Dat werden nu doden-omnibussen, omnibus mortuis, die in alle straten rondtoerden en kisten oplaadden om ze per dozijn naar het kerkhof te brengen.

Wezenloos was de troosteloosheid in de buurt van het kerkhof waar al die lijkstoeten samenkwamen.  Ik wilde een goede vriend een bezoekje brengen, en nog juist op tijd was ik om zijn kist te zien opladen.  Ik vond toen plots dat ik iets moest terugdoen voor die vriend, want hij had me ooit een grote eer bewezen.  Ik nam een koets en begeleidde hem naar Père Lachaise.  Hier nu, vlak bij het kerkhof, hield mijn koetsier plotseling halt;  als in een droom keek ik op, en rondom mij zag ik niets dan de hemel — en lijkkisten.
Ik was tussen enige honderden lijkwagens geraakt.  Die stonden in queue voor de nauwe kerkhofpoort en in deze zwarte omgeving moest ik het nu een paar uur uitzitten, want weer wegraken ging niet.  Uit verveling vroeg ik de koetsier naar de naam van mijn buur-lijk, en — weemoedig toeval! — hij gaf mij de naam van een jonge vrouw die toevallig een paar maand daarvoor, ik reed toen naar een bal in Lointier, op juist dezelfde manier een poos naast mijn koets had moeten stilstaan.  Alleen dat die jonge vrouw toen voortdurend uit haar raampje keek, met dat haastige bloemenkopje van haar, en haar levendige maneschijngezichtje, en dat ze over de vertraging haar heiligste verontwaardiging uitdrukte.  Nu was ze heel stil, en waarschijnlijk blauw.

Af en toe werden de rouwpaarden die voor de lijkwagens gespannen waren schichtig en bewogen ze onrustig — en dan leek het me, als voer er een onrust in de doden zelf, als waren ze het wachten moe, als hadden ze haast om het graf in te komen.  En toen er vlak voor de poort één van de koetsiers een andere wilde voorbijsteken en de stoet zo in wanorde raakte dat de gendarmen er met de blanke sabel tussenkwamen en op vele plaatsen een geroep en een gevloek opging, en enkele wagens kantelden, waarbij de kisten kraakten en de lijken te voorschijn kwamen — toen geloofde ik de meest ontzettende van alle opstanden te zien, een opstand van de doden.

Ik zal, om de gemoederen te sparen, hier niet vertellen wat ik op Père Lachaise zelf gezien heb.  Genoeg. Solide man als ik ben, gruwen moest ik ondanks mijzelf.  Een mens op zijn sterfbed kan het sterven nog leren, en dan vervolgens in een soort opgewekte rust de dood afwachten;  maar begraven worden tussen de cholera-lijken in die kalkgraven — dat kan men niet leren.

Ik vluchtte zo vlug als ik kon naar de hoogste heuvel van het kerkhof, vanwaar men de stad zo mooi kan zien.  De zon was juist ondergegaan, haar laatste stralen leken weemoedig afscheid te nemen.  Als witte lakens omhulden de nevelen van de schemering het zieke Parijs, en ik weende bitter over die ongelukkige stad, de stad van de vrijheid, van het enthousiasme en het martelaarschap, de Heilandstad die voor de aardse verlossing van de mensheid al zoveel geleden had.


Heinrich Heine

Französische Zustände
Artikel VI ( Paris, 19. April 1832)
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben
Ernst Elster, 1893, fünfter Band, SS.  93ff
oorspronkelijk verschenen in de
Augsburger Allgemeine Zeitung




___________________________
[1] De indeling in hoofdstukjes en de bijbehorende titels heb ik toegevoegd. Vreemde woorden, die Heine zelf niet naar het Duits vertaalt, laat ik staan in de oorspronkelijke taal.
[2] In de verouderde betekenis van openbare dansplaats of bal:  redoute masquée bv.
[3] De soldaten van Achilleus, het ‘mierenvolk’, zo genoemd omdat zij zo talrijk waren.
[4] Tous à la lanterne, de kreet bij het verhangen van edelen;  er is het liedje Ah, ça ira ça ira! (waar de Gentse studentenvereniging ‘t Zal wel Gaen haar naam aan dankt), nog prachtig vertolkt door Édith Piaf.
[5]  L’ordre règne à Varsovie komt uit een beruchte toespraak van Sebastiani, na de Poolse opstand van 1830-31.
[6] Casimir Périer is een paar dagen na deze notities toch gestorven.
[7] De beweging van Claude-Henri de Rouvroy de Saint-Simon (1760-1825), filosoof en filantroop, en een ‘voorwetenschappelijke socialist’ om in de termen van Marx te spreken. Heine woonde wel eens een vergadering van hen bij.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html