13 februari 2019

Rationele filosofie en religie


Heinrich Heines geschiedenis van de religie en de filosofie in Duitsland, »Zur Geschichte der Religion und Philosophie in Deutschland«, verscheen eerst in Frankrijk in de »Revue des deux mondes« in 1834, onder de titel »De l'Allemagne depuis Luther«.
De Duitse censuur had het jaar daarop moeite zelfs met een afgezwakte versie ervan. Metternich bemoeide zich ermee en maakte op 31 oktober 1835 de Pruisische minister Wittgenstein opmerkzaam op dit geschrift. Weliswaar vond hij het een ‘waar meesterstuk wat stijl en behandeling betreft’, en bevatte het ‘de kwintessens van de inzichten en verwachtingen die behoren tot het pakket van dingen die ook ons bezighouden’, maar gedrukt worden kon het niet, want er stonden ook zaken van politieke aard in.

Metternich liet Heines werken verbieden, ook toekomstige werken – een mooi trekje van hem, want hij was een groot bewonderaar van bijvoorbeeld Das Buch der Lieder, dat op het nachtkastje van keizerin Sissi lag, en ook op het zijne naar men zegt.
En Metternich liet ook spionnen op hem afsturen in Parijs, maar die waren soms niet snugger genoeg. Veel van hun rapporten geloofde hij niet want: »der pfiffige Heine«, die lepe Heine maakte hen blaasjes wijs.

Dat wist Heine natuurlijk allemaal, en hij stuurde eens een stukje naar de Augsburger Allgemeine Zeiting met in de marge de opmerking: »Sie drucken's ja doch nicht!«
Later raakte zijn essay wel gedrukt in een dik boek, samen met andere werken, »Der Salon«. Dikke boeken – van minstens zwanzig Bogen, 320 bladzijden dus – waren ongevaarlijk want de gewone man kon die toch niet betalen. Zo werkte het algoritme van die oude censoren.

Dit gezegd zijnde, wat vertelt Heine in dat essay? Wel, onder meer zaken die nuttig kunnen zijn voor jonge filosofen die menen dat religie steun kan vinden bij ‘rationele’ filosofie.

Van het ogenblik af dat religie de hulp van de filosofie inroept, is haar teloorgang onafwendbaar. Ze zoekt zich te verdedigen en zwetst zich almaar dieper het verderf in. Religie, zoals elk absolutisme, mag zich niet rechtvaardigen. Prometheus wordt aan de rots geketend door de zwijgende Kracht. Ja, Aischylos laat de gepersonifieerde Kracht geen enkel woord zeggen. Zij moet stom blijven. Zodra de religie een beredeneerde catechismus laat drukken, zodra het absolutisme een officieel staatsblad uitgeeft, is het voor allebei uit. Maar net dat is onze triomf, wij hebben onze tegenstanders tot spreken gedwongen en zij moeten ons te woord staan.

Weliswaar valt niet te loochenen dat het religieuze absolutisme, evengoed als het politieke, voor zijn woord bijzonder indrukwekkende stemmen heeft gevonden. Maar laat ons daarom niet bang zijn. Leeft het woord, dan wordt het door dwergen gedragen; is het woord dood, dan kunnen nog geen reuzen het overeind houden.

Sinds de tijd nu dat de religie, zoals ik hierboven heb verteld, hulp zocht bij de filosofie, werden er door Duitse geleerden, behalve dat ze haar een nieuw jasje gaven, ook talloze experimenten met haar opgezet. Men wilde haar een nieuwe jeugd schenken, en ging daarbij tewerk, ongeveer zoals Medea bij de verjonging van koning Aeson.* Men begon met een aderlating, al het bijgelovige bloed werd haar langzaam afgetapt; om mij zonder beeldspraak uit te drukken: men probeerde alle historische inhoud uit het christendom weg te halen, en enkel nog het morele deel te bewaren. Hierdoor werd het christendom een zuiver deïsme. Christus was niet langer mederegeerder met God, men ontnam hem als het ware zijn soevereine rechten, en louter als privépersoon vond hij nog respectvolle verering. Zijn morele kwaliteiten werden buitenmatig geloofd. Men kon niet hoog genoeg opgeven van wat voor brave mens hij zou geweest zijn.

Wat betreft de wonderen die hij heeft verricht, die verklaarde men natuurkundig, of men probeerde er zo weinig mogelijk ophef rond te maken. Wonderen, verklaarden er enkelen, waren nodig in die tijd van bijgeloof, en een slimme man die de een of andere waarheid te verkondigen had, bediende zich daarvan als annonce als het ware. Deze theologen, die al het historische uit het christendom banden, heten rationalisten, en tegen hen keerde zich de woede van zowel de piëtisten als van de orthodoxen, die sindsdien elkaar minder heftig bestrijden en niet zelden een verbond sloten. Wat de liefde niet vermocht, dat vermocht de gedeelde haat, de haat tegen de rationalisten.


En dat deel (Buch II) van zijn essay eindigt met de woorden die later Nietzsche zullen inspireren: Hört ihr das Glöckchen klingeln? Kniet nieder – Man bringt die Sakramente einem sterbenden Gotte. 
Horen jullie het klokje kleppen? Kniel neder – Men brengt een stervende God de sacramenten.


____________________
* Wie dat recept van Medea mocht intrigeren, vindt de uitleg in Ovidius' Metamorfosen, boek VII:


10 februari 2019

Wat is lazaretpoëzie?


Norbert Bolz was tot vorig jaar professor aan de Technische Universtiteit van Berlijn. In zijn boeken en geschriften klaagt hij aan dat vele journalisten niet langer willen informeren, enkel nog beleren. Het Duits heeft daar natuurlijk een woord voor: Gesinnungsjournalismus. Politiek correcte berichtgeving dus, en in het slechtste geval wordt dat een soort hersenspoeling.
Hier kan u hem horen in een rede voor de Wissensmanufaktur, en ik transcribeer en vertaal na 46’20”: 

Nu, het discours van de politieke correctheid analyseren, dat hebben intussen al velen gedaan, en hoe dit werkt is eigenlijk wel duidelijk. Ik zal het heel in het kort nog eens samenvatten in drie trefwoorden. Ten eerste moralisme, ten tweede spraakhygiëne, en ten derde lazaretpoëzie.

Moralisme heb ik u, meen ik al uitgelegd: ieder probleem terugbrengen tot moraal, hetgeen elke discussie over dat probleem onmogelijk maakt, niet? Zodra je iets met moraal belaadt, met een moreel waardeoordeel, splijt je de wereld in tweeën, in Goed en Kwaad, en dan kan men ook niet meer argumenteren of met tegenargumenten aankomen.


Spraakhygiëne, dat is wat eigenlijk het grappige deel van de politieke correctheid zou moeten zijn, als het niet tegelijk ook zo treurig was. Dat zijn dus die oneindig talrijke spraakvoorschriften* die men uitvaardigt, en hierover kan ik u enkel vertellen: als u eens de Universiteit bezoekt, zult u zich doodlachen, of net tot in het oneindige tranen vergieten.


Wat wellicht nog niet goed belicht werd bij de politieke correctheid, is dat wat men ‘lazaretpoëzie’ noemt. Helaas is dat geen uitdrukking van mij, maar van …Goethe. Mooi, toch? Lazaretpoëzie is: je hebt een bepaald thema – weet ik veel, de ongelijkheid in Duitsland, onrecht in Duitsland – en dan komt een of andere talkshow met een of andere zestigjarige vrouw aan, die nog altijd poetswerk moet verrichten. En die mag dan uit haar leven vertellen. En wie dáár dan tegen is, tegen het politieke programma dat erin verweven zit, is gewoon een genadeloos, onmenselijk sujet. Toch? Of ze hebben het ergens, wat zal ik zeggen … over catastrofale toestanden in Syrië of Jemen. Als ze hun politieke boodschap bij dit thema willen doordrukken, hoeven zij maar enkele lijdende, wenende kinderen te tonen. Wie dan om het even welke afwijkende mening bijtreedt is een onmens. Ja toch? Dat is het, wat Goethe ‘lazaretpoëzie’ noemt.**


Als de klassieke massamedia er iets willen toe bijdragen dat we ons weer in een geest van liberaliteit kunnen terugvinden, dan kunnen zij hun nieuws en hun berichten beter van regeringsgetrouwe mededelingen en hun volksopvoedende ijver bevrijden. Zij moeten een uitweg vinden uit het doodlopende steegje van de politieke correctheid en hun verbaal exorcisme.

________
* Dat besluit bij De Morgen destijds –en bij het Gentse stadsbestuur– om het woord ‘allochtoon’ uit hun geschriften te bannen, vond ik best wel grappig maar ik weet niet of ze hun eigen consignes nog volgen.
** Op woensdag 24 september 1827 noteerde Eckermann deze woorden van Goethe: Die Poeten schreiben alle, als wären sie krank und die ganze Welt ein Lazareth. Alle sprechen sie von dem Leiden und dem Jammer der Erde und von den Freuden des Jenseits. Das ist ein wahrer Mißbrauch der Poesie (…) Ich habe ein gutes Wort gefunden, fuhr Goethe fort, um diese Herren zu ärgern. Ich will ihre Poesie die Lazareth-Poesie nennen. De poëten schrijven allemaal als waren zij ziek en heel de wereld een lazaret. Allemaal hebben ze het over het aardse lijden en de vreugden van het hiernamaals. Dat is waarlijk misbruik maken van de poëzie. (…) Ik heb een goede uitdrukking gevonden, ging Goethe verder, om deze heren te irriteren. Ik zal hun poëzie 'lazaretpoëzie' noemen.
En al gaat het hierboven over misbruiken in de journalistiek, niet in de poëzie, toch nog dit: oo
k Heine vond dat veel werk van zijn collega’s beter door een dokter beoordeeld kon worden dan door een literair criticus. Maar, voegt hij eraan toe: Of is misschien de poëzie een ziekte van de mens, zoals de parel eigenlijk alleen de ziektekiem is waaraan het arme oesterdier lijdt? Oder ist die Poesie vielleicht eine Krankheit des Menschen, wie die Perle eigentlich nur der Krankheitsstoff ist, woran das arme Austertier leidet? (Die romantische Schule, 1835).



Diesen Diskurs der politischen Korrektheit eben zu analysieren, das haben mittlerweile viele gemacht und im Grunde ist auch klar wie er funktioniert. Ich will es nur in aller Kürze nochmal auf drei Stichworte bringen. Einmal Moralismus, zum Zweiten Sprachhygiene, und drittens Lazarettpoesie.
Moralismus, das hatte ich Ihnen glaube ich schon entwickelt: die Moralisierung jedes Problems, was jede Diskussion dieses Problems unmöglich macht. Ja? Sobald sie etwas mit Moral besetzen, mit moralischer Bewertung, spalten sie die Welt in Gut und Böse und dann kann man auch nicht mehr argumentieren oder Gegenargumente entwickeln.
Sprachhygiene, das ist der, ja, eigentlich wäre es der lustige Teil der politischen Korrektheit, wenn es nicht gleichzeitig so traurig wäre. Das sind eben die unendlich vielen Sprachvorschriften die es gibt, und auch da kann ich ihnen nur sagen: wenn sie mal die Uni besuchen, würden sie sich totlachen, oder eben Tränen vergießen bis ins Unendliche.
Was vielleicht noch nicht richtig beleuchtet worden ist, an der politischen Korrektheit, ist das was man Lazarettpoesie nennt. Das ist leider kein Ausdruck von mir, sondern von …Goethe! Gut, oder? Lazarettpoesie das ist: sie haben irgend ein Thema – was weiß ich, Ungleichheit in Deutschland, Ungerechtigkeit in Deutschland – dann bringt irgendeine Talkshow irgendeine sechzigjährige Frau die immer noch putzen muss. Und die darf dann aus ihrem Leben erzählen. Und wer dann dagegen ist, gegen das politische Programm das damit verknüpft ist, ist einfach ein gnadenloser, unmenschlicher Typ. Ja? Oder sie haben irgendetwas, was weiß ich …katastrophale Situationen in Syrien oder Jemen. Wenn Sie ihre politische Botschaft zu diesenmThema durchsetzen wollen, müssen Sie nur Bilder leidender, weinender Kinder zeigen. Wer dann irgendeine abweichende Meinung vertritt ist ein Unmensch. Ja? Das ist das was Goethe Lazarettpoesie genannt hat.
Wenn die klassischen Massenmedien etwas dazu beitragen wollen dass wir wieder zu einem Geist der Liberalität zurückfinden, dann sollten sie ihre Nachrichten und Berichte von regierungsnahen Meinungen und volkspädagogischen Interessen befreien. Sie müssen einen Weg heraus aus der Sackgasse der politischen Korrektheit und ihrer Verbalexorzismen finden.

8 februari 2019

Onjournalistiek gedrag bij veel journalisten


Mathias Döpfner (1963) is de grote baas van het Springerconcern, uitgever van onder meer Bild, de grootste krant van Duitsland, en Die Welt. De man is musicoloog en germanist van opleiding, en begon zijn journalistieke carrière destijds als muziekrecensent. De Neue Zürcher Zeitung interviewde hem, en hun eerste vraag ging over het pijnlijke geval Relotius, nu ex-journalist van Der Spiegel. Die zaak heeft in Vlaanderen weinig weerklank gevonden, maar in de Duitstalige wereld des te meer. Ik vertaal enkele fragmenten uit het gesprek, maar kan iedereen de lectuur van de NZZ zelf aanbevelen: het interview is daar een stúk langer.

Mijnheer Döpfner, een gevierde journalist van Der Spiegel heeft jarenlang reportages verzonnen en werd daarvoor met loftuitingen en onderscheidingen overladen in Duitsland [en daarbuiten, nvdv]. Is het geval Relotius de historie van een handige oplichter, of staat het voor de dwalingen van heel dit magazine, of zelfs van een branche?
Zeker is het geen alleenstaand geval dat men geïsoleerd mag zien onder het motto: dat is gewoon een enkeling die zijn verstand verloren heeft en bedrog pleegde. Dat zou de zaak minimaliseren. De zaak heeft iets van een systeemfout, die met Der Spiegel te maken heeft, maar daarenboven geeft ze ook een indicatie van wat er in de branche scheefloopt.
Relotius leverde producten af waar vraag naar was, en ongetwijfeld niet enkel bij Der Spiegel. Dat product stond in een bepaalde tonaliteit waar jury’s van journalistenprijzen om vroegen. Maar ook de ideologie van een intellectueel milieu speelt mee. Bij Relotius zie ik een rode draad: zijn teksten zijn vaak kritisch voor Amerika, zij het niet anti-Amerikaans. En ze gaan principieel uit van de welkomstcultuur. In een tekst van Relotius dromen vluchtelingenkinderen van Angela Merkel – zulke zaken worden niet per toeval bedacht, ze spelen in op ideologische verwachtingen. Relotius sloeg een toon aan, en gaf blijk van een ingesteldheid waar zijn chefs om vroegen en waar jury’s van journalistenprijzen dol op zijn. Op den duur vond hij het eenvoudiger om zulke verhalen te verzinnen, dan telkens weer omslachtig opzoekingswerk te doen. De wereld ziet er immers niet altijd uit zoals men die zich wenst.

NZZ: Brengt deze zaak de hele mediabranche schade toe?
Dat valt nog niet te beoordelen. Daarom is het zo belangrijk dat men deze zaak heel grondig en zelfkritisch uitklaart. Dat is niet enkel voor Der Spiegel een opdracht, maar voor alle mediahuizen. In geen geval mag de indruk ontstaan dat er sprake is van een soort corporatieve solidariteit.

NZZ: Der Spiegel heeft zich tot zelfonderzoek verbonden – en brengt dat ook met enige zelfgenoegzaamheid te berde.
Men moet die heroïsche opheldering van Der Spiegel een beetje relativeren: als Der Spiegel er niet zelf mee naar buiten was gekomen, dan had een ander het enkele dagen later gedaan. Dat zou een stuk onaangenamer zijn geweest. We moeten ons nu allemaal afvragen hoe we opnieuw meer authenticiteit en geloofwaardigheid kunnen opbouwen. Ook de jury’s van journalistenprijzen moeten aan zelfonderzoek doen. Als dat niet gebeurt, dan zal het geval Relotius voor de branche in haar geheel als een enorm verlies van geloofwaardigheid de recente mediageschiedenis ingaan. Wie ‘Leugenpers’ schreeuwt, krijgt hier koren op de molen. Journalisten moeten voeling houden met de werkelijkheid. Maar zelfs als journalist heb je soms de indruk dat veel collega’s in een luchtbel leven en met hun artikelen aan het publiek voorbij schrijven.

NZZ: Hoe komt dat?
Journalisten vormen, samen met uitvoerend kunstenaars – in film, opera en theater – waarschijnlijk de meest ijdele beroepsgroep die er bestaat. Veel journalisten zijn gedreven om bij de collega’s een goede beurt te maken. Daarmee gedragen ze zich uiterst onjournalistiek. Zij willen het juste milieu van hun eigen branche bedienen, in plaats van non-conformistisch de andere kant van de medaille te belichten. Men wil in de smaak vallen bij de incrowd, en dat leidt tot kuddegedrag, mainstream-denken, conformisme bij de journalistieke berichtgeving, en steeds meer ook tot intolerantie voor vrijdenkers.

NZZ: Men zou kunnen zeggen: wie vandaag de taal en het beeld beheerst, beheerst de werkelijkheid. Dat is voor journalisten een sterke bekoring. Verwarren veel collega’s journalistiek met activisme?
Wanneer journalisten en activisten niet meer te onderscheiden vallen, kunnen we inpakken. Hier moet een scherpe grens getrokken worden. Ik ga zelfs zover te zeggen dat om het even welk activisme een journalist moet tegenstaan. Er is de mooie uitspraak van Hanns Joachim Friedrichs volgens welke je een goede journalist daaraan herkent, dat hij zich met geen enkele zaak afgeeft, ook niet met een goede. Intentionele journalistiek, die de wereld naar eigen smaak wil verbeteren, heeft geen recht van bestaan. Wie op pad gaat om de AfD te dwarsbomen, zit al op de verkeerde weg. Hij zal daarmee in de eerste plaats één ding bereiken: de AfD versterken.

NZZ: Helemaal ten gronde nu: wat is de rol van de journalist?
Journalisten zijn waarheidszoekers. Ze zijn op zoek naar de waarheid, maar kennen die niet. Precies daarom is concurrentie in de journalistiek zo belangrijk.

7 februari 2019

De een zijn dood is de ander zijn brood


Herdenkingen zijn in de mode en alle mogelijke veldslagen, wapenstilstanden, verjaardagen, sterfdatums enzovoort worden in kranten, kalenders en op het web in herinnering gebracht. Ik mag hier niet achterblijven, en voor diegenen die zich afvragen wat er op 7 februari 1665 wel mocht gebeurd zijn, bestaat er een goede bron: The Diary of Samuel Pepys.

Die zevende februari 1665 was het Vastenavond en Pepys at dus enkele lekkere appelbollen. Hij vernam ook dat het met de gezondheid van Sir. W. Batten bergaf ging, en vroeg zich af wat hem beter uitkwam: dat Batten (een slecht mens) het loodje zou leggen of in leven bleef. Want, bedacht Pepys, zijn opvolger is misschien nog slechter.

7th. At home to dinner. It being Shrove Tuesday, had some very good fritters. This day Sir W. Batten, who hath been sick four or five days, is now very bad, so as the people begin to fear his death; and I at a loss whether it will be better for me to have him die, because he is a bad man, or live, for fear a worse should come.

Inderdaad, je weet wat je hebt, maar niet wat je krijgt.
De achtste februari viel er niets te melden, maar de dag daarop weer wel:

9th. Sir William Petty tells me that Mr. Barlow is dead; for which, God knows my heart, I could be as sorry as is possible for one to be for a stranger, by whose death he gets £100 per annum.
Zijn treurnis was in die zin getemperd, dat die Barlow geen familie  of vriend was, maar dat hij, Pepys, als Clerk of the Acts, door diens verscheiden wel verlost werd van een gedane betalingsbelofte, wat hem jaarlijks honderd pond zou besparen. 
________
noot van 8 februari: Drie jaar later, in 1668, had Pepys op 8 februari wél iets te melden:
...Thence away to the Strand, to my bookseller's, and there staid an hour, and bought the idle, rogueish book, L'escholle des filles; which I have bought in plain binding, avoiding the buying of it better bound, because I resolve, as soon as I have read it, to burn it, that it may not stand in the list of books, nor among them, to disgrace them if it should be found.
Vandaar ging het naar de Strand, naar mijn boekhandel en ik bleef daar een uur en kocht het onbeduidende, ondeugende boek De leerschool voor meisjes; ik kocht dat ingenaaid, en liet de betere gebonden uitgave liggen, want ik neem mij voor, eens ik het gelezen heb, het te verbranden zodat het niet in mijn lijst van boeken zou staan, noch ertussen, wat deze zou onteren mocht men het aantreffen.
Dat boek, L’Escole des Filles ou la Philosophie des dames, is nog te lezen in de Pléiade-reeks. Pepys las een slechte Hollandse piraatdruk.

1 februari 2019

Joël en Gwendolyn


Joël De Ceulaer – een journalist van De Standaard en Knack, maar nu van De Morgen – is boos op Gwendolyn Rutten. 
Als u of ik boos worden, dan gaat het bijna altijd om banale kwesties, geld bijvoorbeeld, of bij autobezitters om een parkeerplaats. Bij Joël echter spelen edeler thema’s: hem gaat het altijd om de grote morele vragen van onze tijd.
Nu las ik opTwitter een paar uur geleden: ‘Beste Gwendolyn Rutten, geen grammetje mededogen had u met dat kind. Wel, ik ook niet meer met u.’

Dat maakte me nieuwsgierig, want ik vroeg me af of Gwendolyn dat mededogen van Joël ergens voor nodig mocht hebben. Er ging van die Tweet toch een bepaalde dreiging uit, niet met zoveel woorden een fysiek dreigement – politiebescherming leek me onnodig – maar toch een bedreiging. Ik vreesde nu voor Gwendolyn dat er een van die geduchte artikels van Joël zat aan te komen.

En even later las ik het opwarmertje op de site van De Morgen: ‘Bon. Als u geen mededogen hebt met een achtjarig meisje dat dreigt te worden uitgezet naar een land waar ze nog nooit is geweest, dan heb ik ook geen mededogen meer met u. Dan neem ik u niet langer in bescherming voor de flaters die u ooit hebt geslagen terwijl ik u zat te interviewen. Aan mijn discretie komt hier en nu een einde.’

Hier rijst een vraag over journalistieke deontologie, een soort morele kwestie dus, en het antwoord op die vraag wist zelfs Karel van het Reve niet, zoals u hieronder zult horen:



10 april 1984

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html