Posts tonen met het label Hugo | Victor. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hugo | Victor. Alle posts tonen

11 september 2024

Als zelfs de linksen godsdienstig worden


Nu in onze streken religies weer wild om zich heen grijpen, niet alleen in stedelijke achterstandsgebieden (les quartiers sensibles, zoals de Fransen zeggen), maar ook bij linkse partijen en in intellectuele milieus, bij auteurs bijvoorbeeld, is het misschien tijd om minstens deze laatsten op enkele confraters te wijzen die het goede voorbeeld gaven.

Stendhal hadden we hier al, maar er zijn oudere voorbeelden, en we hoeven echt niet tot Lucretius terug te gaan: er is keuze te over onder de moderne schrijvers en dichters en wetenschapslui, en ik licht er een paar uit. Neem de zestiende-eeuwer Pietro Aretino, die om den brode weliswaar ook religieuze teksten schreef maar die we toch als goede atheïst mogen rekenen, want dat deden zijn tijdgenoten ook.


Questo è Pietro Aretino, poeta Tosco,
che d'ogni un disse mal, eccetto che di Dio,
scusandosi con dir: non lo conosco.

Dit is Pietro Aretino, een Toscaanse dichter
die over iedereen kwaad sprak, behalve over God,
met als excuus: hem ken ik niet.



En wat te denken van volgend vers van Heine:

        En ben je dood, dan moet je lang
        In het graf liggen; ik ben bang,
        Ja, ik ben bang, dat de Opstanding
        Niet even vlot verloopt.

Dat komt uit zijn Romanzero, en voor dergelijke zaken werd hij op zijn vingers getikt:

Men had mij ervan beschuldigd dat ik God verloochende, en deswege gaf mijn vader mij een sermoen, waarschijnlijk het langste dat hij ooit heeft gehouden en dat als volgt ging: “Mijn lieve zoon! Je moeder laat je filosofie studeren bij rector Schallmeyer.* Dat is haar zaak. Wat mij betreft, ik hou niet van filosofie, omdat het allemaal bijgeloof is, en ik ben een koopman en heb mijn hoofd nodig voor mijn zaken. Je kunt filosoof zijn zoveel je wilt, maar ik smeek je om niet in het openbaar te zeggen wat je denkt, want het zou mijn zaken schaden als mijn klanten te weten kwamen dat ik een zoon heb die niet in God gelooft. Vooral de Joden zouden geen katoenfluweel meer van mij kopen, en dat zijn eerlijke mensen, ze betalen op tijd en hebben gelijk dat ze aan de religie hechten. Ik ben je vader en daarom ouder dan jij, en zodoende meer ervaren; dus je kunt me op mijn woord geloven als ik de vrijheid neem om je te vertellen dat atheïsme een grote zonde is.”

Heinrich onthield die les ook, zoals blijkt uit volgend voorwoord dat hij schreef een jaar voor zijn dood (waarbij we wel moeten bedenken dat een reëel bestaand communisme nog verre toekomstmuziek was):


Lutèce. Lettres sur la vie politique, artistique et sociale de la France, Paris,1855. De eerdere Duitse uitgave had geen Préface. Deze schreef hij voor de Franse uitgave van Lutezia.

Vanuit mijn haat voor de aanhangers van het nationalisme zou ik bijna verliefd kunnen worden op de communisten. Het zijn tenminste geen hypocrieten met religie en christendom altijd op hun lippen. Nu is het waar dat de communisten geen religie hebben (geen mens is volmaakt), de communisten zijn zelfs atheïsten (wat zeker een grote zonde is), maar als hun belangrijkste dogma belijden ze het absolute kosmopolitisme, de universele liefde voor alle volkeren, een egalitaire broederschap tussen alle mensen, vrije burgers van deze aardbol. Dit fundamentele dogma is wat het Evangelie destijds predikte, zodat de communisten naar geest en waarheid veel christelijker zijn dan onze Germaanse zogenaamde patriotten, die bekrompen voorvechters van een exclusieve nationaliteit.

Heine, met zijn dubbelheid, is misschien geen voorbeeld van regelrecht atheïsme. Hij was laten we zeggen intermitterend atheïst, want al schreef hij:

        
        Wie gelijk heeft weet ik niet
        Maar mij dunkt duidelijk
        Dat de rabbi en de monnik,
        Dat zij beiden stinken

Zijn joodszijn heeft hij nooit verloochend (maar dat is geen strikt religieuze bekentenis):


        Laat mijn tong smachtend
        Aan mijn gehemelte kleven
        En mijn rechterhand verdorren
        Mocht ik u ooit vergeten, Jeruzalem

Victor Hugo vond het dan weer onbegrijpelijk dat iemand het bestaan van God zou loochenen (al is nog de vraag of hij dat serieus meende):


Arago was een groot astronoom. Het is ongehoord, maar hij keek altijd naar de hemel en geloofde niet in God. Dit malheur overkomt astronomen soms. Lalande
was net zoals Arago, terwijl zij nochtans de sterren en de zonnen bestuderen. Wat voor zin heeft dat, als zij er niet de ware helderheid uit putten? Die prachtstukken zijn niet alleen voor het lichamelijke oog geschapen: het zijn hemellichamen, toortsen voor de geest.
Mijnheer Arago had een favoriete anekdote. Toen Laplace zijn Mécanique céleste had gepubliceerd riep de keizer hem bij zich, vertelde hij. De keizer was woedend. – “Hoezo,” riep hij uit toen hij Laplace zag, “u zet heel het wereldsysteem uiteen, geeft de wetten van heel de schepping, en in uw hele boek noemt u niet één keer het bestaan van God!” – “Sire,” antwoordde Laplace, “die hypothese had ik niet nodig.”**

Choses vues – Faits contemporains (1847)
in: Œuvres Complètes
Histoire
Éditions Robert Laffont 1987, 2009
Bouquins, p. 686

_______________

* Het is zeer wel mogelijk dat Johann Schallmeyer jezuïet was (de Societas Jesu bleef verboden tot 1814), al was het lyceum waar Heine school liep een instelling van de kapucijnen: “… mijn katholieke leraren, van wie sommigen, zoals ik nu hoorde, voormalige leden van de jezuïetenorde waren. We spraken veel over onze oude dierbare Schallmeyer, die in de Franse tijd als rector de leiding had over het lyceum van Düsseldorf en die ook colleges filosofie gaf aan de hoogste klas, waarin hij ongegeneerd de meest vrijzinnige Griekse systemen uiteenzette, hoe schril die ook afstaken tegen de orthodoxe dogma's, terwijl hijzelf toch soms voor het altaar stond in priestergewaad.” (Geständnisse)
** We zien het wapen van Laplace.

17 december 2021

Wat is bij een mooi feest onmisbaar ?


Een klacht die je vaak hoort, is dat er te weinig vrouwen zetelen in raden van bestuur, in directiecomités enzovoort. Die klacht is niet nieuw. Halfweg de negentiende eeuw al vond bijvoorbeeld Victor Hugo dat er op wel meer plekken te weinig vrouwen waren: pas assez de femmes. Die verzuchting komt in zijn dagboeken vaak terug.


De zesde juli van 1847 bijvoorbeeld was er een groot feest in het Parc des Minimes in het bos van Vincennes. M. de Montpensier had er meer dan vierduizend gasten uitgenodigd, prinsen, prinsessen en ander hoog volk. Er werd gedanst onder een reusachtige tent en er waren verfrissingen en hapjes in overvloed: Il y avait profusion de rafraîchissements, et des buffets partout. Il n’y avait pas assez de femmes.
Over de Spaanse koningin had hij het volgende te melden: la «REYNA GOBERNADORA» a des restes de beauté, mais elle est trop grasse et a les cheveux tout gris.
Hugo verliet het feest nog voor het ten einde liep.

De winter daarvoor had eerste minister Guizot een soirée gegeven. Victor Hugo praatte er met heel wat mensen, maar het genoemde probleem had zich ook daar voorgedaan: Entre autres personnes auxquelles j’ai parlé à cette soirée il y avait le marquis d’Escayrac de Lautour qui m’a présenté son fils, jeune homme de vingt ans lequel arrive de Madagascar, MM. Edmond Blanc et Liadières qui m’ont parlé de la commission du Théâtre-Français dont nous sommes, le général Cavaignac, le maréchal Molitor, M. et Mme Ancelot, M. et Mme de Lagrenée, le prince de Craon, dont le fils sert dans la marine, le duc de Praslin, le duc Decazes, M. et Mme Duchâtel, M. et Mme Cuvillier-Fleury, la duchesse Decazes, M. Victor Leclerc en ce moment candidat à l’Académie, Granier de Cassagnac, Brindeau du Messager, M. Edmond Leclerc, l’ambassadeur d’Espagne Martinez de la Rosa, Napoléon Duchâtel qui va être ambassadeur en Espagne, M. et Mme Lebrun, Alphonse Royer avec le Nicham au cou, M. Poirson, proviseur du collège Charlemagne, etc. Peu de jolies femmes, beaucoup d’hommes fort laids.

Ook bij een voorstelling in de Opera, aangeboden door het Hof, was het niet beter: Au spectacle de la cour, qui eut lieu le 5 février 1847, on donnait l’Élixir d’amour de Donizetti. C’étaient les chanteurs italiens, la Persiani, Mario, Tagliafico. Ronconi jouait (jouait est le mot, car il jouait très bien) le rôle de Dulcamara, habituellement représenté par Lablache.
Il y avait peu de jolies femmes. Mme Cuvillier-Fleury était la plus jolie, Mme V. H. la plus belle. Les hommes étaient en uniforme ou en habit habillé.


Nog een herkenbaar probleem waar Hugo op wijst, en waar de feministische theorie een term voor heeft bedacht, is dat van de male gaze: M. le duc de Montpensier salue gracieusement et gaiement tous les passants ; M. le duc d’Aumale, le moins qu’il peut ; on dit à Neuilly qu’il a peur de déranger sa coiffure ; il soulève seulement le bord de son chapeau ; M. le duc de Nemours n’y met ni autant d’empressement que M. de Montpensier, ni autant de répugnance que M. d’Aumale. Du reste, les femmes disent qu’en les saluant il les regarde «d’une manière gênante».

En Victor Hugo zag nog meer problemen. Die geweldige luxe, van bijvoorbeeld het feest in het Parc des Minimes, zette kwaad bloed bij het gewone volk. Onderweg naar het park klonk gejouw. Er werden koetsen bespuwd en met modder besmeurd: 

'Het was alsof een wolk van haat die schittering van een moment omgaf. [...] Als men ten aanzien van het volk met grote luxe uitpakt, in dagen van voedseltekorten en miserie, dan slaan de gedachten, die kinderlijke gedachten zijn, ineens een groot aantal stappen over. […] Nee, wat ook zij willen is niet werk of een salaris, maar vrije tijd, rijtuigen, paarden, lakeien, hertoginnen. Brood is niet wat ze willen, maar luxe.'

En hij besluit dezelfde notitie van 6 juli 1847 – het jaar voor de revolutie dus – met een daverende, omineuze zin:
Ceci est plein de périls. Quand la foule regarde les riches avec ces yeux-là, ce ne sont pas des pensées qu’il y a dans tous les cerveaux, ce sont des événements.
 
Œuvres Complètes
Histoire
Éditions Robert Laffont, Bouquins, 1987

26 november 2021

Leve het slechte weer!


Op Facebook was het meen ik, maar het kan ook op Twitter zijn geweest dat iemand een uitspraak van Goethe dom vond:

Alles in der Welt läßt sich ertragen,
Nur nicht eine Reihe von schönen Tagen.

Het sombere geluchte van de laatste dagen moet die man teveel zijn geworden. Nochtans staat Goethe niet alleen met zijn mening. Luther had hetzelfde al gezegd, zij het minder poëtisch: Gute Tagen können wir nicht vertragen.

En na Luther, maar nog voor Goethe, schreef in 1799 de arts Carl Arnold Kortum in zijn Jobsiade:

- wenn einer soll können tragen
Eine Last von lauter guten Tagen,
So muß er mit sehr starkem Gebein
Von der Natur versehen sein.

Natuurlijk, dat zijn Duitsers. Wellicht denken de montere Fransen er anders over?

Victor Hugo doet in zijn dagboek, Choses vues, op 11 november
1847 een prachtig verhaal over een graaf die gek was geworden en zichzelf en zijn kinderen van kant wilde maken. Men nam hem, 
vóór het kwaad was geschied zijn scheermes af en sloot hem op in een asiel. En Hugo gaat verder:

Dezelfde dag liep in Parijs het bericht binnen dat onze collega graaf Bresson zich in Napels, waar hij pas was benoemd als ambassadeur, de keel had overgesneden. Dit slaat ons allen met droefenis en verbijstering.

Vanuit gewoon menselijk oogpunt beschouwd had graaf Bresson álles: hij was een Franse pair,* ambassadeur, grootkruisdrager. Zijn zoon gaf men in Spanje laatst nog de hertogstitel. Als ambassadeur genoot hij tweehonderdduizend frank salaris. Hij was een ernstige man, goed, zachtaardig, de redelijkheid in alles, groot van gestalte, met brede schouders, en op zijn vijfenvijftigste zag hij er veertig uit; hij bezat fortuin, aanzien, waardigheid, intelligentie, gezondheid, kende voorspoed in leven en zaken. Hij maakt zich van kant.

Ook Nourrit** ging naar Napels en maakte zich van kant.
Ligt het aan het klimaat? is het die prachtige hemel?
Spleen ontstaat evengoed onder een blauwe hemel als onder een grauwe. Nog eerder misschien.

Aangezien het leven van de mens, ook de meest welvarende, au fond altijd eerder triest is dan vrolijk, is een sombere hemel met ons in harmonie. Een schitterende en vrolijke hemel maakt een ironische indruk. De droeve natuur lijkt op ons, en troost ons; de vrolijke, heldere, magnifieke, stralende, verblindende natuur die jong blijft terwijl wij oud worden, glimlacht terwijl wij zuchten; trots, ongenaakbaar, eeuwig, voldaan in haar kalme tevredenheid, heeft zij iets terneerdrukkends.

Aanhoudend de genadeloze, onverschillige, sublieme hemel gadeslaan en je neemt een scheermes en maakt er een eind aan.
________________
  * Eertijds een hoge vazal van de Franse koning, die voor de wet als diens gelijke gold; in de periode 1818-1848 een hoge edelman, lid van de wetgevende vergadering.
** Adolphe Nourrit, eerste tenor aan de opera van Parijs, had zich, toen Gilbert-Louis Dupré er de publiekslieveling werd, in Napels
teruggetrokken. Het publiek daar floot hem op een avond uit (vecchio canto!) en hij gooide zich van zestig voet hoog uit een venster.

16 november 2021

Over het weer en over identiteit


In onze media verneem je veel over het klimaat, en soms wordt dat verward met het weer. Ook lees je wel eens over identiteit, en soms beweert men dat identiteit alleen maar een constructie is. Bij Victor Hugo lees je daar ook over, en ook over het Belgische koningshuis, waar onze kranten zo graag positief over berichten. In zijn dagboek komen die dingen allemaal samen op één pagina. Wat hij te vertellen heeft over Leopold I heb ik niet overgetypt of vertaald, maar wie op het prentje klikt kan het wel lezen, want dat wordt dan groter. 
Zijn dagboek gaf Hugo een prachtige ondertitel: Over wat ik elke dag leer.



Choses vues
Journal
de ce que j’apprends
chaque jour
(juillet 1846 - février 1848)

Augustus 1846

3. Op straat zag ik een bultenaar voorbijkomen. Er was een klein meisje dat hem stomverbaasd bekeek en aan haar moeder zei: – Mama, kijk die man eens! – Wel, kind, bekijk hem niet. Dat doet hem pijn. Het is een bultenaar. – Mama, zijn de bultenaars Fransen?

4. In katholieke landen wijdt men op haar feestdag de eerste druiventros 
aan de Maagd. Normaal is die tros gerijpt in een verwarmde kas, want met Maria-Hemelvaart is het seizoen nog niet genoeg opgeschoten. Dit jaar was de hitte zodanig dat de druiven overal rijp zullen zijn de 15de augustus.

5. In de zomer van 93 bereikte de thermometer in Parijs veertig graden.


Août 1846

3. Je voyais passer un bossu dans la rue. Une petite fille était là qui l’a regardé d’un air stupéfait et a dit à sa mère: – maman, vois donc cet homme! – Eh bien, mon enfant, ne le regarde pas. Cela le fâche. C’est un bossu. – Maman, est-ce que les bossus sont français?

4. Dans les pays catholiques on consacre à la Vierge le jour de sa fête la première grappe de raisin. D’ordinaire cette grappe est mûrie en serre-chaude, la saison étant trop peu avancée à l’assomption. Cette année, les chaleurs ont été telles que le raisin sera partout mûr le 15 août.

5. Dans l’été de 93, le thermomètre atteignit à Paris quarante degrés.
Œuvres complètes
Histoire
Choses vues
Robert Laffont 1987, Bouquins, p. 600

12 november 2021

Victor Hugo als twitteraar

Soms vraag ik me af of het wel nuttig is om kranten te kopen, of om Twitter te volgen, terwijl je net zo goed en met meer plezier een oud dagboek kunt lezen. Het nieuws vandaag gaat voor de helft van de tijd over de wisselende maatregelen die onze regeringen nemen ter bestrijding van de covidepidemie. Dat virus is voor hen een soort godsgeschenk waarmee zij zich voorlopig overeind weten te houden. Gedaan met de politiek, we hebben het goed met jullie voor en laat ons nu maar betijen, zeggen de ministers.

Was dat in 1849 anders? Toen was er cholera, en de avondlijke patrouilles controleerden de straten, de cafés en de clubs waar verdachte figuren bijeenkwamen. Maar helaas was er ook veel politieke onrust, en men was bang voor het volk:


1849 – 22 januari
Ik blijf poolshoogte nemen van de situatie. […]
‘s Avonds ziet men stevige patrouilles. Gisteren zei maarschalk Bugeaud* me : – Nog binnen de twee maanden krijgen we oproer. – De maarschalk zal een boekje uitgeven met als titel: De straten in oorlog. Hij zei met een glimlach: – Het zijn praktische raadgevingen in het genre van de instructies tegen de cholera.
De regering is armzalig, onbeduidend
, gediscrediteerd, onzeker, onmachtig, waardeloos. Doodongerust vraagt men zich af: Wat staat er te gebeuren? Als er uit de regering niets voortkomt, dan komt er uit het land iets voort.
Kortom, van een waar bestuur, een bestuur dat echt op poten staat, niets daarvan. Dit alles geeft de indruk van een langgerekte voorlopigheid.
1849 – 25 januari
– Gisteren nam Marrast** me terzijde en zei me: “Stuur niet aan op de ontbinding van de Assemblée. Het einde van onze werkzaamheden bespoedigen is het electorale slagveld openstellen.”


1849 – 22 janvier
Je continue de tâter le pouls à la situation. […]
On remarque le soir de fortes patrouilles. Hier le maréchal Bugeaud me disait : — Il y aura une émeute avant deux mois. — Le maréchal va publier un petit livre sous ce titre : La guerre des rues. Il disait en souriant : — Ce sont des conseils pratiques dans le genre des instructions contre le choléra.
Le cabinet est pauvre, chétif, déconsidéré, ébranlé, impuissant, nul. On se demande avec anxiété : Que va-t-il arriver ? Quand rien ne sort du pouvoir, quelque chose sort du pays.
En somme, de gouvernement vrai, de gouvernement réellement constitué, point. Tout ceci fait l'effet d'un provisoire long.
1849 – 25 janvier
– Hier Marrast m’a pris à part et m’a dit : « Ne poussez pas à la dissolution de l’Assemblée. Avancer le terme de nos travaux, c’est ouvrir le champ de guerre électoral. »

Victor Hugo
Œuvres complètes
Histoire
Choses vues
Robert Laffont 1987, Bouquins, p. 1179
––––––––––––
 * Gouverneur général de l'Algérie.
**Président de l’Assemblée.


7 september 2021

Is de naam Rousseau een handicap voor politici?


Ooit zag ik in Londen – ik meen in Shaftesbury Theatre, of misschien was het Queen’s Theatre – de musical Les misérables. En Victor Hugo treft hier geen schuld, maar ik heb me daarbij stierlijk verveeld. Ik weet niet eens meer of het volgende rijmpje erin voorkwam (in het Engels dan) :

Je suis tombé par terre,
C'est la faute à Voltaire,
Le nez dans le ruisseau,
C'est la faute à Rousseau.

Dat laatste vers van Hugo is spreekwoordelijk geworden. Rousseau krijgt inderdaad de schuld van alles en nog wat. Je kunt geen ongunstige ontwikkeling in de staatsordening noemen of hij zit er voor iets tussen. Er zijn hele traktaten geschreven over de gelijkenissen en verschillen tussen hem en bijvoorbeeld Marx.
Maar dat Jean-Jacques een verderfelijke invloed heeft gehad op de ecologisten is zonder meer duidelijk. In Frankrijk heb je nu de partij Europe Écologie-Les Verts, met als boegbeeld Sandrine Rousseau, en die verklaarde ooit in Charlie Hebdo: ‘Je préfère des femmes qui jettent des sorts plutôt que des hommes qui construisent des EPR.*

Liever toverheksen dan kernfysici dus. Had ik het boek van haar naamgenoot gelezen, Discours sur l'origine et les fondements de l'inégalité parmi les hommes, van 1755, zou ik weten of hij daarin even ver ging als Sandrine. Goed, retour à la nature dus.

En recent verklaarde ze weer: ‘Si vraiment il y a des personnes qui sont dangereuses, de potentiels terroristes, ce n’est pas parce qu’ils restent en Afghanistan qu’ils sont moins dangereux en vrai. Quelque part les avoir en France, cela nous permet aussi de les surveiller.’
 [Als er inderdaad mensen tussen zitten die gevaarlijk zijn, potentiële terroristen, dan is het waarlijk niet omdat ze in Afghanistan blijven dat ze echt minder gevaarlijk zijn. Hen hier in Frankrijk hebben, stelt ons ergens ook in staat ze in de gaten te houden.]
Deze uitspraak werd in heel het land op hoongelach onthaald en in arren moede verklaarde Sandrine daarop: ‘C’était assurément une phrase maladroite.’ Onhandig dus, niet stompzinnig, geen Connerie.

Helaas twittert zij ook graag, en na de dood van Jean-Paul Belmondo kon ze alweer haar mondje niet houden:
Misschien kun je met de naam Rousseau het twitteren beter aan anderen overlaten, en de politiek zelfs helemaal. 
______

* European Pressurized Reactor, een geavanceerde kernreactor ontworpen door het Franse Areva.


24 januari 2018

Bobo* Yann Moix gaat naar Calais


Op France Inter kreeg Yann Moix de gelegenheid om bij Léa Salamé een stuk van hem in Libération toe te lichten. Hij had daarin Macron aangevallen en met scheldwoorden overladen in verband met het politie-optreden in Calais. Hier het fragment waarin hij het grappigst is:

Léa Salamé: De migranten houden chauffeurs staande, springen op de vrachtwagens, scheuren de afdekzeilen, doen aanvallen op de ringweg, en zetten hun leven en dat van de bewoners van Calais op het spel. Loopt u, en vergeef me dit, met uw stuk niet het risico om door te gaan voor een Parijse bobo* die eens lessen moraal komt geven bij mensen die echt alle dagen afzien?
Yann Moix: Wel, ziet u, die beschuldiging van boboïsering is een manier om mensen als persoon te delegitimeren, ziet u. Als men hen werkelijks niets kan verwijten, komt men met dat woord bobo, dat een toverwoord is. Neem van mij aan: ik ben een provinciaaltje, ik heb mijn legerdienst gedaan, ik heb in mijn eentje mijn studies gedaan, ik heb jaren geleefd in kleine studio’s, en als u alles wil weten, toen ik in Parijs arriveerde heb ik gewoond in, ik meen een kraakpand. Ik voel me niet aangesproken door die boboïsering, en zelfs, zelfs al was ik nog de grootste bobo aller tijden: een bobo is een burger, en als een bobo in Calais gaat kijken wat daar omgaat, wel, het woord van een bobo is het woord van een burger, en simpelweg alle burgers hebben het recht getuigenis te geven.
Léa Salamé: Welk effect verwacht u van dat ingezonden stuk? Wat vraagt u van Emmanuel Macron, want hij is het die u met name viseert.
Yann Moix: Ik vraag de president van de Republiek…
Léa Salamé: Incompetent, onwaardig, zegt u.
Yann Moix: …en afschuwelijk en hypocriet, en zo nu en dan imbeciel, want de waarheid springt in het oog. Ik verdraag het niet langer dat kinderen fysiek mishandeld worden op het grondgebied van de Republiek. Als een kind van zestien u aankijkt, met rode ogen van het traangas, en zegt: “Ik begrijp niet wat er gebeurt. In Libië heeft men mij gefolterd, maar dat men hetzelfde doet in Frankrijk! Ik ben uitgeput en perplex.” Onder de Afghanen zijn er mensen die Victor Hugo kennen, die Victor Hugo in het Farsi gelezen hebben en hem op hun duimpje kennen, en die daarom naar Frankrijk zijn gekomen. En dan komen ze hier, en men klopt erop.

─ Er vallen een paar dingen op in het getuigenis van onze burger. Dat de meeste migranten hoogopgeleid zijn wisten we al, maar dat er zelfs bij zijn die Victor Hugo op hun duimpje kennen is nieuw. En dat ze als Afghanen hem blijkbaar in het Perzisch (Farsi) hebben gelezen, terwijl de meest verbreide taal in hun land het Pasjtoe is, verhoogt nog onze verbazing.
Anderzijds is het wel begrijpelijk dat iemand die Hugo op zijn duimpje kent, en zelfs om die reden naar Frankrijk is gekomen, graag ook eens kennis wil maken met Engelse auteurs, en dus liever geen asiel aanvraagt in Frankrijk. Uit te sluiten valt overigens niet dat ze enkel naar Guernsey willen, waar hun idool Hugo immers ook een tijd verbleef, in zelfgekozen ballingschap.
__________

* bobo (bourgeois bohème): eerder welgestelde, eerder jonge mens die economisch eerder rechts te situeren valt, geschoold is, cultureel geïnteresseerd, stedelijk, ecologisch denkt en links stemt.



Léa Salamé: Les migrants interpellent les transporteurs, ils sautent sur les camions, ils arrachent les bâches, ils attaquent la rocade, ils mettent en dangers leur vie et la vie des Calaisiens. Est-ce que vous ne prenez pas le risque avec cette tribune de passer, pardonnez-moi, mais pour le bobo parisien qui vas nous faire des leçons morales chez des gens qui souffrent vraiment au quotidien ?
Yann Moix: Alors, si vous voulez, le procès en boboïsation, c’est une manière, si vous voulez, de délégitimer la personne des gens. Quand on ne peut absolument rien leur reprocher, on sort le mot de bobo, qui est un mot magique. Croyez-moi, je suis un provincial, j’ai fait mon service militaire, j’ai fait mes études tout seul, j’ai vécu pendant des années dans des petits studios, et je crois quand je suis arrivé à Paris j’ai vécu dans un squat, si vous voulez tout savoir. Je ne me sens pas concerné par la boboïsation, et quand même, quand bien même je serais le plus grand bobo de tous les temps : un bobo est un citoyen, et si un bobo va voir à Calais ce qui s’y passe, et bien la parole d’un bobo est une parole de citoyen, et simplement, tous les citoyens ont droit de témoigner.
Léa Salamé: Qu’est-ce que vous attendez de l’effet de cette tribune ? Qu’est-ce que vous demandez à Emmanuel Macron puisque c’est lui que vous visez nommément.
Yann Moix: Je demande au président de la République…
Léa Salamé: Incompétent, indigne, dites-vous.
Yann Moix: …et horrible et hypocrite, et parfois imbécile, parce que la vérité se voit. Je ne supporte plus que des enfants soient physiquement maltraités sur les territoires de la République. Quand un enfant de seize ans vous regarde, les yeux rougis par le gaz lacrymogène, en disant : « Je ne comprends pas ce qui se passe. En Lybie on m’a torturé, mais qu’on fasse la même chose en France, je suis exténué et éberlué. » Il y a parmi les Afghans des gens qui connaissent Victor Hugo, qui ont lu Victor Hugo en farsi sur le bout des doigts, et qui sont venus en France pour ça. Et ils arrivent, et on les frappe.

Moix: ou l'X surnuméraire du narcissisme sans emploi.
(Pierre-Emmanuel Prouvost d'Agostino)

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html