Posts tonen met het label Brague | Rémi. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brague | Rémi. Alle posts tonen

18 oktober 2016

Een amateur kan ook iets ontdekken


Op tien oktober hebben wij bij Klara de auteur Stefan Hertmans aan het woord gehoord. Heel leerzaam. In verband met de term ‘jihad’ bijvoorbeeld – een term die iedereen tegenwoordig wel eens in de mond neemt – had Stefan zaken ontdekt die de gezaghebbende Arabisten tot hiertoe ontgaan moeten zijn. Op vraag van Chantal Pattyn, die zei dat ze graag les geschiedenis kreeg, legde hij dat uit:

Het enige wat ik beweer, en wat ik ook te weten ben gekomen, is dat het gebruik van de term ‘jihad’ – wat eigenlijk ijver, toewijding, geloofsijver betekent – in de betekenis van ‘heilige oorlog’ pas is geïntroduceerd bij de belegering van Antiochië, die heel wreed is geweest, toen door de kruisvaarders. En het is toen Urbanus de Tweede in Clermont-Ferrand, in enfin, Clermont toen nog, heu, opriep tot een heilige oorlog […] dat iedereen is beginnen roepen Deus lo vult, God wil het, in het Zuid-Frans, in het Occitaans…




En de historicus Bernard Lewis mag dan wel geschreven hebben dat in de Koran jihad normaal verstaan wordt als ‘de oorlog verklaren’, en dat al van in de zevende-achtste eeuw jihad dus een militaire betekenis had, en verder mag Lewis nog zeggen dat “de overweldigende meerderheid van de klassieke theologen en juristen de verplichting tot jihad in zijn militaire betekenis verstaan” ...en ook mag hij daarin bijgetreden worden door de belangrijke hedendaagse theoloog-jurist [in de islam is dat niet te scheiden] Jāved Aḥmad G̲h̲āmidī, die net hetzelfde zegt: onze Hertmans weet wel beter.

En ook de zachtmoedige Averroës mag gezegd hebben dat «il s’agit d’une guerre concrète, nullement d’un ‘combat spirituel’» (ik citeer de Arabist Rémi Brague, La loi de Dieu, 2005, Gallimard, Folio Essais, p.290): onze Stefan weet wel beter.
Het is namelijk de schuld van de kruistochten en van Urbanus de Tweede dat het zover gekomen is.

We moeten aannemen dat Hertmans – onbewust mogen we hopen – zich zelfs distantieert van de voor alle moslims uiterst belangrijke en betrouwbare overlevering van imam Bukhari (810-870), met daarin de uitspraken en handelingen van hun profeet.
Volgens deze Mohammad ibn Ismail al-Bukhari moet de echte Mohammed gezegd hebben: “De beste jihad is die waarin je paard geveld wordt, en jouw bloed vergoten”.

Alles misschien toch nog eens nakijken Stefan, voor je weer over ijver en toewijding, of over Antiochië of over Urbanus begint, want de Duitsers laten zich niet vlug iets op de mouw spelden, en niemand wil jou in Frankfurt ergens tegen de lamp zien lopen, laat staan dat je weer een scheldbrief krijgt. We weten allemaal hoe gevoelig je daarvoor bent.

22 augustus 2016

Over de scheiding tussen de borsten van kerk en staat


Trilogieën lezen kan spannend zijn. De taak van de auteur is het vanzelfsprekend om drie flinke turven te schrijven, eventueel met een paar tussenpauzes, maar altijd toekijkend of zijn lezer nog blijft volgen.

Rémi Brague heeft dat gedaan, en het eerste deel van zijn trilogie verscheen in 1999: La sagesse du monde, Histoire de l’expérience humaine de l’Univers, 445 bladzijden.
In 2005 al verscheen deel twee: La Loi de Dieu, Histoire philosophique d’une Alliance, iets dikker, 582 bladzijden.
En in januari dit jaar was deel drie gedrukt: Le Règne de l’Homme, Génèse et échec du projet moderne, 403 bladzijden slechts, maar de bladzijden zijn wat groter. En eigenlijk zijn het maar 270 bladzijden want de rest zijn noten en indexen. Bij de eerste twee delen was dat ook zo.
Dat derde deel ben ik nog aan het lezen, maar de titel laat geen happy end vermoeden.

In La Sagesse du Monde legde Brague uit hoe de vroege mensen naar de zon en de maan en de sterren keken, en daarbij regelmatigheden ontdekten die ze ook voor henzelf betekenisvol vonden. In deel twee, La Loi, komt God dan op de proppen en hij vaardigt wetten uit – of juist niet want die dingen zijn niet zo eenvoudig verlopen als je wel zou denken.
Over het derde deel kan ik begrijpelijkerwijs nog niets zeggen, maar op p.429 van La Loi de Dieu staat iets dat vele journalisten en politici zouden moeten lezen, al gaat het niet over boerkini’s.

– Ikzelf heb dat kledingstuk overigens nog niet gezien, tenzij op foto’s, terwijl ik vorige week nochtans in Knokke was en van bij Corman zie je door het raam het strand heel goed.
Bon, laten we Brague dan iets vertellen over de scheiding van kerk en staat, waar je ook veel over hoort en leest:

On ne cesse aujourd’hui de parler de la distinction du politique et du religieux. Les uns se flattent de vivre dans une culture où une telle distinction a eu lieu, voire souhaitent qu’on la pousse encore plus loin jusqu’à éliminer toute trace d’une influence du religieux sur la vie publique des hommes. Les autres se félicitent de vivre dans une culture où cette distinction n’a toujours pas été opérée de façon irréversible, ou rêvent de refermer la déchirure qui menace la belle totalité de la communauté. Les deux invoquent cette distinction pour se reprocher mutuellement d’avoir ou non abandonné une indistinction supposée originelle. La symétrie en miroir entraîne des distorsions dans la perception des cultures les unes par les autres : une même séparation, perçue comme progrès en Europe, est lue comme un signe de décadence en Islam.
Or, on peut se demander si cette séparation tant chantée, et sa traduction concrète dans la « séparation de l’Église et l’État », ont jamais eu lieu. Cette dernière formule est d’ailleurs trompeuse. Elle suggère d’abord, en effet, l’existence d’une union initiale ; elle suppose ensuite que l’État et l’Église sont des institutions qui auraient existé depuis toujours. Ces deux hypothèses ne sont guère fondées. Il vaudrait mieux parler du développement parallèle de de deux institutions qui n’ont jamais formé une unité. 

Men houdt vandaag niet op met spreken over het onderscheid tussen politiek en religie. De enen vleien zich met de gedachte dat ze in een cultuur leven waar men dit onderscheid heeft gemaakt, en wensen soms zelfs dat het nog verder doorgedreven wordt, tot elk spoor van religieuze invloed op het publieke leven van de mens geëlimineerd is. De anderen prijzen zich gelukkig te leven in een cultuur waar dat onderscheid nog niet onomkeerbaar is doorgevoerd, of dromen ervan de scheur weer dicht te maken die de mooie geheelheid van de samenleving bedreigt. Allebei hebben ze het over dat onderscheid en verwijten ze elkaar wederzijds dat ze deze, verondersteld bij aanvang nog ongescheurde toestand al of niet hebben achtergelaten. De gespiegelde symmetrie brengt dan vervormingen mee in de manier waarop culturen elkaar zien: eenzelfde onderscheid dat men in Europa ziet als een vooruitgang, wordt in de islam als een teken van decadentie verstaan.
Maar men kan zich afvragen of deze zo veelbezongen scheiding, en de concrete vertaling ervan in “scheiding van kerk en staat”, ooit wel heeft plaatsgehad. Die laatste uitdrukking is trouwens misleidend. Vooreerst suggereert ze inderdaad dat er een oorspronkelijke eenheid is geweest; vervolgens veronderstelt ze dat Kerk en Staat instellingen zijn die altijd al hebben bestaan. Die twee hypotheses zijn nauwelijks gefundeerd. Beter zou het zijn om te spreken over de parallelle ontwikkeling van twee instituten die nooit een eenheid hebben gevormd.

Hiermee hoop ik enkele lezers overtuigd te hebben om alvast met deel één te beginnen.


28 juli 2016

De fabricatie van een traditie


Van de Koran weten de meeste Vlamingen en Europeanen intussen wel het hunne, maar minder bekend is dat in de praktijk de Hadīth, de overlevering minstens even belangrijk is. Van de Koran weten we hoe die tot stand is gekomen: hij is nedergedaald in de profeet en die heeft hem laten opschrijven, want hijzelf was niet geletterd. Dat analfabetisme van hem is trouwens een mooie literaire vondst: andere boeken kon hij niet gelezen hebben en zodoende bleef zijn boodschap vrij van elke smet. Men had dus een volmaakte, eeuwige tekst ter beschikking.
Helaas moesten ook de samenleving en de veroverde gebieden van wetten voorzien worden, en die stonden niet allemaal in dat boek, daar is het leven te ingewikkeld voor. Wat gedaan? Что делать?, zoals later Lenin vroeg.

En nu vertaal ik een stukje uit La Loi de Dieu (Gallimard, 2005, pp.248-253) van de Arabist Rémi Brague. Brague schrijft ‘Islam’ met hoofdletter als hij de staat, het grondgebied, het regime bedoelt, en ‘islam’ als het om de religie gaat, zoals ook christendom en jodendom dan een kleine letter hebben.

De Islam moest dus op eigen kracht een volledige wetgeving ontwerpen. Dat was nauwelijks mogelijk. Alleen daarom al, dat algemeen gesproken ‘men geen wetboeken maakt, zij maken zichzelf’.*  Temeer gold dat in dit speciale geval, waar een kleine groep veroveraars zich meester had gemaakt van bevolkingsgroepen die veel ontwikkelder waren, en een gedifferentieerder maatschappelijk bestel hadden.
De Islam wendde nu een strategie aan die toeliet om, wat men nodig had zonder veel gêne elders vandaan te halen, en die dingen zo te maquilleren dat men ze kon laten doorgaan voor eigen vindingen. Ter legitimatie van alle praktijken die wenselijk werden geacht, moest de Islam deze dus aan Mohammed toeschrijven. Algemeen genomen schreef de primitieve islam overigens veel zaken die aan bestaande autoriteiten ontleend waren op zijn eigen rekening. Hij gaf ze een nieuwe betekenis, en ter legitimatie koppelde hij ze aan een nieuwe bron.
De functie van de Hadīth
De Hadīth had als functie een stand van zaken te legitimeren die vooraf al bestond. De praktijken die men echt kon zien – administratieve reguleringen van de Omayyaden, volkse gebruiken, overwegingen van de eerste juristen – werden in het verleden teruggeprojecteerd tot bij de profetische bron, “met behulp van verdichtsels die in de geschiedenis van de menselijke gedachte wellicht hun gelijke niet vinden”.** Over de tijdspannen die men daarbij moest overbruggen verschillen de auteurs van mening. Maar men mag rustig de paradox herhalen die Patricia Crone formuleerde: ‘Het zijn de juristen die bepalen wat de profeet heeft gezegd, en niet omgekeerd.’***
Het gekozen beginsel was de imitatie van Mohammed, en dit op basis van een Koranvers – U hebt in de gezant van Allah een schoon voorbeeld (uswa hasana).**** Het is moeilijk om een precieze betekenis te geven aan deze stereotiepe uitdrukking, die enkel hier en in een passage over Abraham gebruikt wordt. In elk geval steunde men op verhalen (hadīth) die verwezen naar uitspraken of gedragingen van Mohammed. Deze werden niet verzameld met een historiografische bedoeling – als getuigenissen die men in een biografie zou inlassen – maar als geautoriseerde rechtsbronnen. Hun legitimatiekracht verklaart de extreme zorg die men aan de dag legde om de authenticiteit ervan te bewijzen. De Hadīth verzamelt dus alle gebruiken die van kracht waren ten tijde van Mohammed, en in de veroverde gebieden. Sommige ervan zijn misschien van Romeinse oorsprong.***** Andere komen voort uit de joodse wet. Essentieel is echter dat deze origine, vreemd aan de openbaring, ontkend werd, en dat het islamitische recht verondersteld werd in zijn geheel van profetische oorsprong te zijn.
Een gevolg van dit alles is dat men in de loop van de tijd een tendens ziet om aan de Hadīth een steeds grotere autoriteit toe te kennen. Men kwam ertoe deze op gelijke voet met de Koran te plaatsen, en zelfs oordeelde men dat ze bepaalde wetsvoorschriften ervan kon herroepen. [...]
Tussen de averechtse effecten van deze methode, zul je een paradox aantreffen: de nadruk die men legde op de noodzaak van een onweerlegbare, opklimmende lijn die zeker tot de profeet teruggaat, maakte het des te lonender om apocriefe hadīths in omloop te brengen. Voorzorgshalve smeedden de falsarissen dus onberispelijke transmissieketens. De historische kritiek distilleert hieruit een wat ontmoedigende vuistregel: hoe ouder de aangehaalde bron, des te jonger is de traditie, en hoe perfecter de keten, des te groter het risico dat we met een verzonnen hadīth te maken hebben.

________
On ne fait pas les codes, ils se font: beroemd gezegde van Jean-Étienne-Marie Portalis (1746-1807), een van de redacteurs van de Code Civil.
** Joseph Schacht: Classicisme, traditionalisme et ankylose dans la loi religieuse de l’islam, 1977, Maisonneuve et Larose.
*** Patricia Crone: Roman, Provincial and Islamic law. The Origins of the Islamic Patronate, 1987, Cambridge University Press.
**** Drieëndertigste soera, 21.
***** Ignaz Goldziher (1850-1921). In: Gesammelte Schriften, 1970, Hildesheim, Olms.

22 juli 2016

Rémi Brague: naar de bronnen van het islamisme




Europa maakt de vergissing de islam te interpreteren naar het model van het christendom

Le Figaro, 20 juli 2016

Rémi Brague, filosoof, specialist van de middeleeuwse Arabische filosofie, lid van het Institut, legt uit wat de theologische bronnen zijn waaruit de Islamitische Staat put, en verwondert zich erover dat men de mohammedaanse religie door een christelijk prisma blijft bekijken.

Le Figaro: Voortgaand op zijn omgeving had Mohamed Lahouaiej Bouhel niet het profiel van een jihadist. De minister van Binnenlandse Zaken had het over een ‘bliksemradicalisering’. Wat denkt u over die opmerking?

Ik sta wat perplex. In het specifieke geval van de moordenaar van Nice hebben we nog geen volledige klaarheid over zijn motieven. En wat het tempo ook is waarin ze plaatsheeft, ‘radicalisering’ is geen duidelijk afgebakend begrip. Vooraf zouden we het eens moeten worden over de wortels waar het woord naar verwijst [de Franse woorden racine, en radicalisation gaan terug op het Latijnse radix, dat als eerste betekenis ‘wortel’ heeft, en verder volgens de Oxford Latin Dictionary: onderliggend gedeelte, basis, oorsprong, bron enzovoort.]. Waarom zou een terugkeer tot de bron naar misdaad moeten leiden?

De levensloop van de man (pretmaker, alcoholdrinker, salsadanser) spreekt juist voor een afstandelijkheid ten opzichte van de islam. Ook de mannen van 11 september hadden schijnbaar een ‘westerse’ levensstijl. Hoe is die schizofrenie te verklaren?

Vooreerst zouden we de verklaringen moeten natrekken van hen die over dit individu spreken. Nogal wat van de mensen die zich hebben laten ontploffen of gemoord hebben, worden ons voorgesteld als vriendelijke jongens, gedienstig en probleemloos, of zelfs, bij wijze van opperste compliment als voetbalspelers… Schizofrenie? Wellicht niet. Het is denkbaar dat het in praktijk brengen van de gewelddadige jihād voor sommigen een manier is om ‘vergiffenis te krijgen’ voor hun al te makkelijke aanpassing aan de westerse zeden, die als verdorven worden beschouwd, of nog, om zichzelf te bestraffen voor hun meegaandheid. Zichzelf opblazen gaat sneller dan een pijnlijk en lang proces van bekering aanvatten.

Daech [de Islamitische Staat] lijkt een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op delinquenten. Hoe verloopt die overgang van delinquentie naar de heilige oorlog?

Die overgang verklaren, of hem enkel maar analyseren, zou psychologische en sociologische vaardigheden vereisen die ik niet bezit. Maar ik zal nader ingaan op dat begrip ‘heilige oorlog’. Nogal wat moslims vandaag willen die uitdrukking graag vermijden, en enkel de Arabische term jihād gebruiken, soms begrepen als een puur geestelijke oefening, als een gevecht met de eigen passies. Je treft hem nochtans heel vaak aan in een zeer concrete betekenis, bijvoorbeeld in juridische handleidingen (fikh) [plichtenleer; de jurisprudentie van de sharia], waar het hoofdstuk met als titel ‘jihād’ over heel feitelijke vijandelijkheden handelt. Daar legt men uit dat het om een zogenaamde verplichting ‘ten overvloede’ gaat: ze rust niet op alle moslims, en om aan de plicht tegemoet te komen volstaat het dat een bepaald aantal zich daarop toelegt. Het gaat dan over voorafgaande sommaties, men stelt zich de vraag of het toegestaan is de palmbomen van de tegenstander om te hakken of hem te bombarderen, en of men daartoe de vrouwen en kinderen moet doden die hij als schild gebruikt. Er wordt uitgelegd wat men met gevangenen aan moet, hoe de buit te verdelen enzovoort. In de mystieke betekenis gebruikt men trouwens eerder de andere term met dezelfde vorm en van dezelfde wortel, te weten mujâhada.
In elk geval loont het de moeite om stil te staan bij de paradox die besloten ligt in het samengaan van de woorden “heilige oorlog”. Daarin zit een kostbare boodschap vervat: de islam heeft op de andere levende religies dit immense voordeel, dat hij toelaat om in eenzelfde model het beste en het slechtste op één lijn te plaatsen, de laagste instincten en het meest heilige schepsel, moord en God. De kruisvaarders en inquisiteurs konden maar doen wat ze deden door zich in duizend bochten te wringen: de veroveringstochten van het Oude Testament, of de banvloeken tegen de ketters voor nog geldende aanbevelingen nemen enzovoort, en de Bergrede al helemaal omzeilen. Sommige verdwenen religies, zoals die van de Carthagers of de Azteken – en van de Galliërs! – namen die dubbelheid voor lief en bevalen mensenoffers. Voor de Islamitische Staat is het God die beveelt om jezelf op te offeren en daarbij zo veel mogelijk andere mensen te doden. Die islam laat ook toe om mensen die van hun leven niet veel hebben terechtgebracht te laten geloven dat alles de schuld van de anderen is, die slecht zijn, en die men dus uit de weg moet ruimen. Voelen dat men van ‘de partij van God’ is (Koran V,56) en strijd levert tegen “de slechtste dieren”, zijnde de ongelovigen (Koran VIII,22), kan voor een bepaalde opwinding zorgen. En overigens is elk schuldgevoel meteen van de baan, want het is God zelf die zijn vijanden doodt (Koran, VIII,17) [‘doch niet gij hebt hen gedood, maar God heeft hen gedood’ (vertaling Kramers, bewerkt en geannoteerd door Jaber en Jansen, Arbeiderspers 1992)].

Volgens Gilles Kepel is het doel van de Islamitische Staat een burgeroorlog op ons grondgebied te ontketenen, en zo alle moslims van Frankrijk achter hun vaandel te krijgen. Deelt u die mening?

Daar kan ik me nauwelijks met gezag over uitspreken, maar het lijkt me heel goed mogelijk. Als dat het geval zou zijn, dan staan we voor een geactualiseerde versie van de tactiek die in de jaren zeventig door extremistisch gauchistische groeperingen werd aangewend: een repressie uitlokken die door haar excessen een reactie van solidariteit zou meebrengen bij de rest. Bij de Rode Brigades en de Baader-Meinhof-groep is dat niet gelukt, terwijl die de hele bevolking van grote landen als Italië en Duitsland viseerden.
De Islamitische Staat heeft misschien wat meer kans op slagen, want de beoogde groep, de moslims die in Frankrijk leven vertoont al een zekere vorm van samenhang, eerder losjes overigens, waardoor er misschien makkelijker schot in de zaak komt. Die eenheid berust op meerdere factoren: het gevoel tot een minderheid te behoren die schouder aan schouder moet staan, of nog dat men zich vaak heeft moeten tevredenstellen met baantjes die anderen niet wilden, en men dus onderaan de ladder staat, soms ook speelt een gedeeld herkomstland, dat men een gemeenschappelijke taal gebruikt, of heel simpel het feit dat men in dezelfde buurten woont, en tot slot natuurlijk de minder of meer uitgesproken beklemtoning van de religie.

Tal van politici en intellectuelen trekken een strikte scheidingslijn tussen de moslimreligie en de Islamitische Staat of al-Qaida, die zij zelfs als tegengesteld aan de islam zien. Daech zou met de islam dan niets te maken hebben?

De ‘moslimreligie’ is al een misleidende uitdrukking. Het mag duidelijk zijn dat als we de islam willen onderbrengen in een van de grote categorieën van de menselijke bezigheden, we hem beter kunnen klasseren onder de rubriek “religie” dan in de rubriek “tuinieren”. Maar die rubriek is erg ruim. En vooral: de Europeanen, van de vroomste kerkgangers tot de onverbeterlijke papenvreter, denken over religie allemaal en onbewust in christelijke termen. Zij reduceren religie dus tot wat ze zien bij de onderscheiden christelijke genootschappen: erediensten, gebed, eventueel ook vastenperiodes en bedevaarten. Wat daarbij niet onder te brengen is, valt volgens hen buiten de religie.
Maar voor de islam is religie essentieel de toepassing van de goddelijke wet. Omdat die dat beveelt, moet men bidden, vasten enzovoort. En ze eist ook de sluier, halalvoeding enzovoort. De Islamitische Staat beweert trouw te zijn aan het adjectief waarmee hij praalt. Met welk recht hen daar tegenspreken? Hun propagandisten beschouwen diegenen die wij ‘gematigd’ noemen als slappelingen, of zelfs verraders. Wie ben ik om brevetten van islamitische orthodoxie uit te delen? Voor mijn part zou ik zeggen dat, al valt de Islamitische Staat niet samen met heel de islam, en al is hij dus niet de islam, hij toch een islam onder andere is. Hij doet een poging om met de middelen van vandaag de praktijken nieuw leven in te blazen die de oudste biografieën aan Mohammed zelf toeschrijven, ‘het mooie voorbeeld’ (Koran, XXXIII,21). [‘Gods schoon voorbeeld’, vertaling Kramers]

Men gaat ervan uit dat het internet, meer nog dan de moskeeën, jongeren tot de jihād aanzet. Aan welke bron laven zich die internetsites?

Een gedetailleerd antwoord geven valt me moeilijk, want mijn bezoeken aan sites die de jihād voorstaan zijn weinig regelmatig. En die zijn van heel verschillende strekking. Algemeen gesproken, laat het internet de grootst mogelijke straffeloosheid toe. Beschut door het anonimaat, of liever het pseudonimaat, kan men het zich veroorloven wat dan ook te vertellen, te liegen, te lasteren, te beledigen, tot moord op te roepen. Dat geldt trouwens niet enkel voor jihadistische sites. Wat hen betreft, het valt ze in elk geval niet moeilijk om zich een imaginair paradijs op aarde te bouwen.

Vaak vergelijkt men de islam met de katholieke kerk, en dan benadrukt men dat de mohammedaanse religie een Vaticanum II moet doormaken. Slaat die parallel ergens op?

De vergelijking gaat me dunkt volkomen mank, en om tal van redenen. Om te beginnen is de katholieke kerk een organisatie met duidelijk gedefinieerde dogma’s, en een vrij heldere hiërarchie; ze heeft een catechismus en bisschoppen, waaronder deze van Rome, de paus. Het was een van hen, Johannes XXIII, die besloot een tweede concilie bijeen te roepen in het Vaticaan. Wie in de islam zou een soortgelijke oproep kunnen doen, en daarbij gehoor vinden en de genomen besluiten doen toepassen? Verder beoogde Vaticanum II een herbronning, voorbij de later aangekoekte ballast, min of meer in de geest van Franciscus van Assisi, die wilde terugkeren naar het Evangelie zonder de interpretaties die het verzwakken. Maar in de islam zit het slechtste aan het begin. De periode van Medina (622-632) is waar de mensen van de Islamitische Staat hun inspiratie halen. Ze idealiseren die, maar zonder weglating van de slachtpartijen, de moorden en de folteringen. De evangelies bevatten geen oproep tot geweld. De Koran en de Hadith, letterlijk gelezen wel…

Wat betekent ‘een Islam van de Verlichting’?

Men gebruikt die uitdrukking al een tijdje. Ik vraag me af of Malek Chebel haar niet als eerste lanceerde in zijn Manifest voor een Islam van de Verlichting, van 2004. Het spreekt dat wat hij daaronder verstaat een uitstekende gedachte zou zijn. Maar ik zal toch twee opmerkingen maken.
Aan de ene kant, kan men enkel met grote behoedzaamheid op zoek gaan naar de verwerkelijking van een dergelijke islam in het verleden. Als we het willen hebben over intellectuele of artistieke prestaties, geen probleem. Maar als het over ‘tolerantie’ gaat? Averroes? Hij sluit een filosofische redenering af met ‘en daarom is het een verplichting om de ketters te doden’ (Tahafut at-Tahafut, XVII, 17). Andalusië? Daarover kunnen we beter romanciers lezen dan historici…
Aan de andere kant is de Verlichting een van onze heilige koeien, en het zou geen kwaad kunnen om in ons eigen westerse verleden eens schoon schip te maken, en te zien dat de Verlichting ook heel wat schaduwzijden vertoont, alvorens we haar aanbieden aan de rest van de wereld, de islam inbegrepen…


16 juli 2016

Het belang van voet- respectievelijk eindnoten


In een van zijn boeken, “La Loi de Dieu” (Gallimard 2005), legt Rémi Brague, hier al vaker genoemd, uit wat een goddelijke wet is. De titel van het boek liet dit misschien al vermoeden. Zijn ondertitel is “Histoire philosophique d’une alliance”, en hij heeft het over de Egyptenaren, de Perzen, Grieken en Romeinen, over de Bijbel, over de Koran enzovoort.

Brague stelt de moderne, en godbetert misschien ongelovige lezer wel snel gerust, op pagina zestig al: “Je ferai certes intervenir les textes, mais en les prenant uniquement comme des documents historiques, à interroger pour les renseignements qu’ils peuvent nous fournir quant à leur rédaction.”
Na bladzijde 443 beginnen dan de indexen en noten en bij bladzijde 582 is alles achter de rug. Een indrukwekkend boek, het tweede van een trilogie.

Maar ik wilde het hebben over voet- en eindnoten. Hieronder, lezer, ziet u groen aangeduid (en wie klikt op de foto krijgt een beter beeld) mijn favoriete eindnoot in “La Loi de Dieu” :




Hergé
Les Aventures de Tintin
Tintin en Amérique
Casterman 1947

12 juli 2016

Als de geschiedenis ergens heengaat, waarheen dan?


In mei dit jaar verscheen er een schitterend boek bij Éditions Salvator in Parijs: Où va l'Histoire?  Het is de vertaling van een gesprek met professor Rémi Brague, arabist die doceert in Parijs en München. Een vertaling uit het Italiaans (Dove va la storia? Dilemmi e speranze, La Scuola Brescia, 2015), want het gesprek ging in die taal. Er worden hem door Giulio Brotti, zelf filosoof, uitgever en journalist, vragen gesteld over vele onderwerpen, met als centrale thema, als ik het zo eenvoudig mag stellen: wat is moderniteit? Het vierde hoofdstuk heet trouwens « Les malentendus de la modernité ». 
De boeken van Brague (Europe, la voie Romaine; Sagesse du Monde enzovoort) zijn natuurlijk allemaal schitterend, en soms best moeilijk ook, maar dit is een wat makkelijker boek aangezien het een conversatie is.

Hier een vraag over de Arabische filosoof en rechter Ibn Rushd, die wij kennen als Averroës, en die door goedmenende onwetenden vaak wordt voorgesteld als een van de lichtende voorbeelden van de islamitische verdraagzaamheid, in het toen zo sprookjesachtige Andalusië. Maar hoe verspreid de onwetendheid ook is: geleerdheid haalt het soms toch.

Giulio Brotti : En référence aux lieux communs qui se sont renforcées au cours du temps, au point de se révéler quasi-invincibles : qui était vraiment l’Averroès de Cordoue ? un libre-penseur capable de préfigurer « les lointains arguments d’un Hume encore problématique », comme nous le lisons dans un célèbre récit de Borges ? Un promoteur de la tolérance religieuse – quasi un homme des Lumières –, tel que le cinéaste Youssef Chahine le montre dans son film de 1997, Le Destin ?
Rémi Brague : Averroès a eu un destin paradoxal. Il a été oublié dans son pays natal, l’Andalousie, à peu près dès sa mort en 1198. En revanche, son œuvre a eu une réception énorme au nord de la Méditerranée, aussi bien en hébreu dans les communautés juives, que dans la chrétienté latine. […] Chahine se moquait bien de l’Averroès de l’histoire, encore plus que Brecht du Galilée de l’histoire. […] Quant à Borges, il est amusant qu’il se soit trompé à cent quatre-vingt degrés sur ce sujet. Car le véritable précurseur du scepticisme de David Hume, ce n’est nullement Averroès, mais bien plutôt al-Ghazali, celui-là même contre lequel Averroès écrivit un gros livre entier pour défendre la philosophie que l’autre avait attaquée. C’est Ghazali qui a mis en doute la possibilité de démontrer qu’un phénomène soit la cause d’un autre. […] Toujours est-il qu’Averroès, dans ses travaux juridiques, emploie le mot jihād dans le sens qu’il a presque toujours eu, c’est-à-dire au sens d’une guerre tout à fait concrète, où l’on fait des sommations, où l’on capture des prisonniers, où l’on amasse et partage le butin. Et l’on rapporte qu’il aurait prêché ce même jihād dans des sermons au peuple. En tout cas, même dans ses œuvres philosophiques, telles que les commentaires sur la République de Platon et sur l’Ethique à Nicomaque d’Aristote, des passages le révèlent comme un philosophe pas spécialement tendre : il n’a aucune objection à faire contre l’élimination des handicapés. Il s’y montre, en même temps, un musulman aux vues tout à fait conformes à l’orthodoxie dont – ne l’oublions pas – il était, en grand cadi de Cordoue, le défenseur attitré. S’il dit que le jihād visant à éradiquer les adversaires de l’islam n’est pas toujours souhaitable, c’est lorsqu’il risque de n’être pas victorieux. Et c’est encore dans une œuvre spécifiquement philosophique, et justement écrite pour défendre la légitimité de la philosophie, qu’Averroès conclut un raisonnement par : « La négation et la mise en discussion des principes religieux met en danger l’existence même de l’homme ; c’est pourquoi il faut tuer les hérétiques. » Donc, quand on en fait un avocat de la « tolérance », je souris doucement…

(pp. 86-89)
o-o-o-o-o

Giulio Brotti: Om het over de gemeenplaatsen te hebben die mettertijd nog aan kracht hebben gewonnen, tot ze op den duur bijna onoverwinnelijk bleken: wie was nu Averroes van Cordoba echt? een vrijdenker die in staat was om een voorafschaduwing te bieden van ‘de toekomstige argumentatie van de nog steeds problematische Hume’, zoals we in een beroemd verhaal lezen bij Borges?*  Een voorvechter van de religieuze verdraagzaamheid – bijna een Verlichtingsmens – zoals de cineast Youssef Chahine hem in 1997 laat zien in zijn film Le Destin?
Rémi Brague: Het lot van Averroes was paradoxaal. In zijn geboorteland Andalusië werd hij vergeten, ongeveer onmiddellijk al na zijn dood in 1198. Ten noorden van de Middellandse Zee daarentegen kende zijn werk een enorme receptie, zowel in het Hebreeuws bij de Joodse gemeenschappen, als in de Latijnse christenheid. […]
Chahine heeft zich weinig gelegen laten liggen aan de historische Averroes, nog minder dan Brecht aan de historische Galilei. […]
Wat Borges betreft is het grappig dat hij zich in dit onderwerp honderdtachtig graden vergist. Want de ware voorloper van het scepticisme van David Hume is geenszins Averroes, maar veeleer al-Ghazali, dezelfde tegen wie Averroes een dik boek schreef, helemaal gewijd aan de verdediging van de filosofie die de ander juist had aangevallen.** Het was al-Ghazali die het in twijfel trok of men kon bewijzen dat een bepaald fenomeen de oorzaak was van een ander. […]
Zoveel is zeker dat Averroes in zijn juridische schriften het woord jihād gebruikt in de betekenis die het omzeggens altijd heeft gehad, te weten in de betekenis van een helemaal concrete oorlog, waar men dwangbevelen geeft, waar men gevangenen maakt, waar men buit vergaart en verdeelt. En in verslagen staat dat hij diezelfde jihād ook zou gepredikt hebben voor het volk. Wat er ook van zij, zelfs in zijn filosofische werken, zoals de commentaren bij Plato’s Republiek, of de Ethica Nicomachea van Aristoteles, laten sommige passages hem kennen als een niet bijzonder zachtaardige filosoof: tegen het ombrengen van gehandicapten formuleert hij geen enkele tegenwerping. Tegelijk openbaart hij zich daar ook als moslim met opvattingen volkomen conform aan de orthodoxie, waarvan hij – we moeten dit niet vergeten – als de grote cadi*** van Cordoba de officiële behoeder was. Als hij zegt dat de jihād ter uitroeiing van de vijanden van de islam niet altijd wenselijk is, dan is dat wanneer die dreigt niet zegerijk af te lopen. En elders in een specifiek filosofisch werk, en nog wel geschreven ter verdediging van de geldigheid van de filosofie, besluit Averroes een gedachtegang met: ‘De verloochening en het ter discussie stellen van de religieuze beginselen brengt het bestaan zelf van de mens in gevaar; dat is de reden waarom men de ketters moet doden.’
Als men bijgevolg van hem een advocaat van de ‘tolerantie’ maakt, dan glimlach ik stilletjes…

________
    * La busca de Averroes (De zoektocht van Averroes): prefigurando las remotas razones de todavía problemático Hume.
  ** In 'Tahafut at-Tahafut', ‘Wartaal van de Verwarden’, bestreed hij Hamid al-Ghazali, die een ‘Tahafut al falasifa’, ‘Wartaal van de Filosofen’ had geschreven, met daarin vanzelfsprekend kritiek op de filosofie. De titels doen me denken aan ‘De armoede van de filosofie’, het antwoord dat Marx (in het Frans) schreef op Proudhons ‘Filosofie van de armoede’.
*** soort opperrechter.


12 juni 2016

Wat betekent het woord "modern"?


Dat woord hebben wij uit het Frans zegt van Dale, en in 1618 werd het voor het eerst bij ons aangetroffen. In het Frans kwam «moderne» al veel vroeger voor, zelfs voor 1455, en het betekende toen zoals nu: «qui est du temps présent, actuel» (CHASTELLAIN, Dict. de Vérités des Œuvres, éd. Kervyn de Lettenhove, t.6, p.223. Dat leert ons de Atilf die je op het web kunt raadplegen). Maar «modernité» is jonger. Dan zitten we al halfweg in de Franse negentiende eeuw, en wij hebben daar naderhand "moderniteit" van gemaakt. Blijkt nu, leren we van Rémi Brague, dat die substantivering een soort verstening heeft meegebracht: de cursor van de beschaving is blijven staan, en al wat daarvoor kwam mogen we rustig vergeten.
Zulke dingen leer je op France Culture, bij Finkielkraut, in zijn programma «Répliques». Misschien moeten onze ministers, die geen van allen het Latijn en Grieks willen afschaffen in de humaniora – als die benaming hen nog iets zegt, én als we hen mogen geloven – eens naar Brague luisteren, of hem godbetert lezen.




Alain Finkielkraut: Chaque société, écrit Octavio Paz dans «Point de Convergence», repose sur un Nom, véritable pierre de fondation. Autrefois ce nom était celui d’un dieu, d’une croyance ou d’un destin: Islam, Christianisme, Empire du Milieu. Mais aucune société ni époque, hors la nôtre, ne s’est elle-même qualifiée de ‘moderne’. Qu’est-ce à dire? Et quelle place y-a-t-il pour la religion chrétienne dans une Europe qui ne se définit plus comme Chrétienté, mais qui la première a donné comme idéal le temps et ses changements? Telles sont les questions que je poserai aujourd’hui à Rémi Brague et à Philippe d’Iribarne. Mais je voudrais d’abord demander à mes deux invités, de nous éclairer sur ce mot étrange – qui nous spécifie, sans rien dire de substantiel – en quoi sommes-nous modernes, quel est le sens, le programme ou le projet de ce qu’on appelle la Modernité, Philippe d’Iribarne?

Bien, la modernité c’est au départ un projet d’émancipation par rapport au préjugés, aux idées reçues, aux idées toutes faites, imposées par un pouvoir disons de quelque nature qu’il soit, qu’il soit politique, religieux etcetera. Penser par soi-même, Kant, Descartes etcetera. Et puis, c’est devenu progressivement une émancipation, disons de plus en plus radicale. Et en particulier, pour rejoindre ce que disait Octavio Paz, l’émancipation à toute origine particulière, et l’idée de construire une sorte de société hors sol, qui ne devrait plus rien à une histoire, à une culture, à une religion, disons quelle qu’elle soit. Qui soit en quelque sorte autofondée. Et c’est en cela qu’on a vraiment une rupture radicale par rapport à toutes ces sociétés qui considéraient qu’elles devaient avoir un fondement. Que ce soit un fondement ou un fondement mythique d’une manière ou d’une autre.

Alain Finkielkraut: Rémi Brague?

Le mot «moderne» est lui-même riche d’enseignement, puisqu’il désigne à l’origine ce qui est récent, ce qui vient de se passer. En Latin ça se dit «modo», dont on a fait donc un adjectif «modernus», dont notre adjectif français et dans beaucoup de langues européennes est sorti. Ce qu’il y a d’extraordinaire justement, dans ce qui s’est appelé soi-même les Temps Modernes, c’est que ce curseur qui ne cesse de se déplacer – et qui fait que aujourd’hui nous sommes plus modernes que hier, mais nous sommes beaucoup moins modernes que demain, et il en sera éternellement ainsi – ce curseur a été paradoxalement arrêté. En ce sens qu’à un certain moment, il n’y a pas un partage des eaux bien précise, cela s’est cristallisé peu à peu, à un certain moment on s’est mis à dire : eh bien à partir de dorénavant et de désormais – pour citer une vieille blague – nous serons modernes, et nous ne serons plus que cela. Nous serons de plus en plus modernes, nous ne serons plus jamais le passé d’un futur, mais nous serons toujours le futur d’un passé. Passé pour lequel on a inventé diverses poubelles, si je puis dire, la principale étant la période qui est sensée avoir précédé justement les Temps Modernes, à savoir le Moyen Âge. Le Moyen Âge c’est donc une époque prémoderne, éventuellement antimoderne, par rapport à laquelle, et bien la modernité ne cessera de se détacher victorieusement.

9 februari 2009

Om even door te gaan, goedmenende Paul Goossens: schrijf niet gelijk wát, lees af en toe ook iets !

.
Dat de begrippen Europa en Christendom verstrengeld zijn is een historisch feit dat zelfs de briljantste sofist niet ongedaan kan maken […] Maar evengoed is het zo dat er in de Europese cultuur ook niet-christelijke strengen aanwezig zijn; de Romeinse, Helleense, je kunt zelfs volhouden Perzische, en (voor de moderne eeuwen) Joodse. Of er ook een moslimse streng bestaat is al moeilijker te zeggen.
[De Europese cultuur] is geen speelbal van het kapitalisme of het socialisme; het is geen monopoliebezit van EEG-eurocraten of van wie dan ook. Er zich toe bekennen, is niet hetzelfde als superioriteit over andere culturen claimen […] Het geheel van de Europese cultuur is enkel het eindproduct van 3000 jaar werk van onze voorouders. Het is een erfenis die wij op eigen risico kunnen versmaden, maar het zou misdadig zijn de jongere en toekomende generaties er verstoken van te laten. Veeleer is het onze taak haar te bewaren en te verjongen.

The interweaving of the notions of Europe and of Christendom is a fact of History which even the most brilliant sophistry cannot undo […] But it is no less true that there are strands in European culture that are not Christian; the Roman, the Hellenic, arguably the Persian, and (in modern centuries) the Jewish. Whether there is also a Muslim strand is more difficult to say.
[European culture] is not an instrument of capitalism or socialism; it is not a monopoly possession of EEC Eurocrats or of anyone else. To owe allegiance to it, is not to claim superiority over other cultures […] The unity of European culture is simply the end-product of 3000 years of labour by our ancestors. It is the heritage which we spurn at our peril, and of which it would be a crime to deprive younger and future generations. Rather it is our task to preserve and renew it.

Hugh Seton-Watson
“What Is Europe, Where Is Europe? From Mystique to Politique”
11th Martin Wright Lecture, delivered at the Royal Institute of International Affairs
Encounter 65/2 (July-Aug. 1985), pp. 9-17
.
Luc Ferry dacht daar nog anders over, de arme drommel.

4 februari 2009

Een antwoord aan Goossens sr. (& Goossens jr.)

.

Rémi Brague: „Het islamitische volk
wordt het meest van al om de tuin geleid.“

Anne-Catherine Simon
(Die Presse, 21.04.2008)

In dit interview met “Die Presse” spreekt de filosoof Rémi Brague* over de herontdekking van het begrip kruistocht in de XIXde E., over de beperkte Arabische invloed op het Avondland, en over de onwetendheid van de islam wat het christendom betreft.

Die Presse: Een tijdje geleden maakte u zich in een Frans televisieprogramma kwaad, toen een man verklaarde dat het Westen het grootste stuk van de antieke wetenschap pas via de omweg van de islamitische wereld had leren kennen. Wat maakte u daar zo toornig?

Rémi Brague: In de negende eeuw zijn er in Bagdad en op andere plekken vele Griekse geschriften over wiskunde, geneeskunde, filosofie, astronomie en astrologie naar het Arabisch vertaald. Toen men eind elfde eeuw in het Westen interesse begon te krijgen voor deze zaken, was het in de gebieden die door de Arabieren waren veroverd, in Spanje of Sicilië, en als men het Griekse manuscript niet kon vinden, handig om die werken uit het Arabisch terug te vertalen. Vroeger werd deze Arabische invloed veronachtzaamd. Vandaag overschat men hem. Men zou er echter beter aan doen een dwaling niet door weer een andere dwaling te vervangen, maar door het tegendeel van een dwaling. Als men, zoals dat vandaag het geval is, het heeft over de bijdrage van de islam aan de cultuur van het Avondland, dan moet men ook wel duidelijk zeggen wat men bedoelt. Bedoelt men de bijdrage van de beschaving waar de islam zijn stempel op drukte, dan klopt het. Bedoelt men de islam als religieuze gemeenschap, dan was de bijdrage nihil.

Die Presse: In hoeverre dan?

Brague: Niet één Arabische vertaler van de negende eeuw was moslim. Het waren allemaal christenen, op één of twee na die tot de gemeenschap van de Sabiërs** behoorden. Verder zijn er ook geen Arabieren bekend die, met als bedoeling aan onderzoek te doen, een niet-islamitische taal zouden hebben geleerd. In de elfde eeuw was er wel één uitzondering – Albiruni, een filosoof die ik zeer bewonder, maar wiens orthodoxie je stellig betwijfelen kunt. Hij verbleef aan het hof van de Afghaanse prins Mahmud van Ghazni. Zoals anderen postzegels verzamelen, verzamelde deze vorst geleerden, en zij mochten zijn hof niet verlaten. Maar toen de prins Indië binnenviel profiteerde Albiruni van de gelegenheid om Sanskriet te leren en met de geleerden daar in discussie te gaan. Hij schreef zelfs een prachtig en bijzonder objectief boek over de wereld van de Hindoes. Maar hij was ook de uitzondering die de regel bevestigt.

Die Presse: U bekritiseert ze, maar waar komt die nieuwerwetse overwaardering van de “islamitische” bijdrage tot de ontwikkeling van het Avondland vandaan: van moslimwetenschappers?

Brague: De beweging gaat algemeen gesproken van de andere richting uit – de islamwereld put bij westerse wetenschappers de argumenten die het hen toelaten om zichzelf ernstig te nemen. Dat was vroeger ook al het geval, en het beste voorbeeld is een boek van de radicaal antichristelijke religiewetenschapster Sigrid Hunke, die ook nog voor de SS-Ahnenerbe gewerkt heeft. Zij stelde de islam als viriele religie tegenover het christendom als verwekelijkte slavenreligie. Wat betreft die beslissende bijdrage van de islam aan de cultuur van het Avondland, verwondert mij enkel hoezeer vandaag deze legende uitbreiding neemt onder amateur-islamexperten. Het aantal islamexperten is tussen de 10de en 12de september van 2001 op wonderbaarlijke manier vertienvoudigd. Heden ten dage dienen wij uit elkaar te houden, islamwetenschappers en diegenen die beweren islamwetenschappers te zijn – dat zijn in de verste verte niet dezelfden.

Die Presse: Als islamlanden vandaag flatterende omschrijvingen tot de hunne maken, dan zal er wellicht iets gelijkaardigs aan de gang zijn met het negatieve zelfbeeld in het Westen. Is niet ook het beeld van de “kruistocht” een Westers exportproduct?

Brague: Ja, dat is zelfs een bijzonder boeiend voorbeeld. De moslimwereld was de kruistochten totaal vergeten. Pas in de XIXde E. heeft een Arabische vertaling van een Franse geschiedenis van de kruistochten, van zekere Joseph François Michaud hen daar weer aan herinnerd. De Arabische vertaler moest daarbij nieuwe woorden bedenken voor kruistocht en kruisvaarder, want het Arabisch had er geen!
De reden daarvoor is dat de Arabieren, Turken en Koerden destijds niet de nieuwsoortigheid van deze oorlogen inzagen. Zij waren al eeuwen in oorlog met Byzantium, en in het Byzantijnse leger vochten ook Europese soldaten – tiens, dachten zij, deze keer zijn er gewoon wat meer Europeanen dan anders.
Een tweede reden is dat het niet de kruisvaarders waren die de kaliefen van Bagdad slapeloze nachten hebben bezorgd, maar de Fatimiden in Egypte. De roem van Saladin, die wij ook kennen uit Lessings “Nathan de Wijze”, komt in de eerste plaats voort uit zijn overwinning op de Fatimiden, en zijn overwinning op de kruisvaarders was veeleer bijzaak.
Voor een flink stuk is het beeld van de kruisvaarten dat men in het Midden-Oosten heeft, een door het Westen geïnspireerde reconstructie. Helemaal absurd wordt het als men in de kruisvaarten een eerste fase van de kolonisatie wil zien. Het islamitische volk is het meest belogen volk ter wereld. Als dan ook nog eens domkoppen zoals Bush van kruistocht spreken… Dat was, zoals altijd, precies wat hij niét had moeten zeggen.

Die Presse: Bedoelt u dat Europa zijn eigen zelfhaat exporteert?

Brague: Inderdaad, Europa is zover gekomen dat het zichzelf haat op grond van een, om mij theologisch uit te drukken, berouw zonder absolutie. Slavernij, inquisitie, kruistochten, de verovering van Zuid-Amerika, heel de Europese geschiedenis wordt gezien als een eindeloze serie misdaden. Onwaar is dat niet, maar toon mij een beschaving die de mogelijkheid had om over anderen haar invloed te laten gelden, en die niets dan goeds zou hebben gebracht. Stelt u zich in een porseleinwinkel eens de allerliefste olifant voor, samen met de allerkwaadste muis. Wat zal er gebeuren? Goed, Europa was niet een heel vriendelijke olifant – maar eenmaal wel een olifant.

Die Presse: Historisch gezien ligt voor u het karakteristieke van Europa in zijn “excentrische identiteit”, het nieuwsgierig zich eigen maken van wat vreemd is, zonder ontwricht te raken, zoals ook de Romeinen dat met de Griekse cultuur deden. Kan deze “excentrische identiteit” niet ook ontwrichtend gaan werken bij gebrek aan stabiliteit?

Brague: Zeer goede vraag. De vaardigheid om culturele elementen te incorporeren, zonder hun andersheid te vernielen, veronderstelt dat je met jezelf in vrede bent. Ben je dat niet, dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel scherm je je af, ofwel neem je alles op met de onbewuste wens dat het vreemde je zal vernietigen. Europa benadert het punt waar het niet eens meer kan accepteren dat het anders is. Staat u mij toe dat ik een beeld gebruik: in de zee leven er kwallen, mosselen en gewervelde dieren. Willen wij geen kwal zijn, dan kunnen we kiezen om mossel te zijn. Wij zijn dan beschut, maar onbeweeglijk, hard van buiten en week vanbinnen. Of nog, wij zijn verstandig genoeg om het pantser te verinnerlijken, een gewerveld dier te worden. Dat maakt ons veel kwetsbaarder, maar het geeft ons ook een ongelooflijke beweeglijkheid. Op dit moment vrees ik ervoor dat Europa ofwel kwal ofwel mossel wordt.

Die Presse: Boomende koranlectuur en de interesse voor Mohammedbiografieën suggereren dat de nieuwsgierigheid Europa nog niet is vergaan.

Brague: Wat betreft de religie zien wij een structurele asymmetrie. Het christendom weet niet waar de islam te plaatsen, hetgeen tot wantrouwen leidt, maar ook tot belangstelling. De islam daarentegen gelooft precies te weten wat het christendom is, de koran zegt het immers. Voor hen is dat een achterhaalde oude geschiedenis. Vandaar ook dat er nauwelijks moslims zijn die het christendom werkelijk goed kennen. Dat maakt de dialoog er niet eenvoudiger op.

_______________________

* Rémi Brague (1943) studeerde filosofie en klassieke talen, later Hebreeuws en Arabisch. In 1990 werd hij professor Middeleeuwse en Arabische filosofie aan de Université Paris 1, Panthéon-Sorbonne. Hij bekleedt ook de Guardini-leerstoel aan de universiteit van München. Andere leeropdrachten in Pennsylvania, Boston, Lausanne en Keulen.
**
Gnostische sekte die Johannes de Doper als meester erkent, maar Christus verwerpt als valse profeet. [m.v.]


Ter verklaring van mijn bloghoofding: het artikel van de islam-expert Paul Goossens vindt u hier.

(een terzijde eerst: ook iemand als de heer Vereertbrugghen, beter bekend als de islamkenner Lucas Catherine, zou baat kunnen vinden bij de lectuur van het bovenstaande interview, maar hij lijkt al evenmin als de genoemde Goossensen veel te willen opsteken van échte kenners. Dat is begrijpelijk, want tenslotte mogen zij alle drie schrijven in een blad als De Morgen, dat resoluut weigert om te discrimineren tussen echte en valse profeten. Daar geen sektarisme!)
Opmerkenswaard bij Goossens, om verder te gaan, is dat hij, die toch geen overschot aan feitenkennis vertoont wat de islam betreft, noch wat betreft de Europese geschiedenis, aan de vraagstellers van de enquête een soort spreekverbod, sterker, een soort vraagverbod wil opleggen. Als je Vlamingen bevraagt moet je nog eens dubbel opletten, lijkt Paul te denken – overigens denkt hij dat ook als de EU, zijn broodwinning, ter sprake dreigt te komen, dus inconsequent kun je hem niet noemen:
Het is niet omdat je opiniepeilingen simpel moet houden dat je om het even wat op papier moet zetten. De stelling "de islam kan iets bijdragen aan de Europese cultuur" klinkt misschien neutraal, redelijk en goed bedoeld, maar ze is wel een gedrocht van een standpunt. Onjuist, dom en nogal arrogant.
Zulke vragen stellen mag niet ...mais il est
interdit d'interdire!
Tu ne te rapelles donc plus '68, cher Popaul ?
L'imagination au pouvoir lijk je anders wél nog onthouden te hebben, want wat je daar vertelt over Averroës bestaat inderdaad enkel in de verbeeldingweze het niet alleen in de jouwe, voeg ik ter verontschuldiging toe.
Heel Europa werd er beter en slimmer van. De wijsgeer Averroes was eeuwen vooruit op zijn tijd. Al in de twaalfde eeuw schreef hij dat er geen conflict tussen godsdienst en filosofie was.
Averroës hield integendeel vol dat als er een
toegegeven, onwaarschijnlijkconflict zou ontstaan tussen de wetenschap en de koran, deze laatste het bij het rechte eind had. Dat was verstandig van hem, maar zijn rechtgelovigheid belette hem niet om vervolgd en verbannen te worden. Hoogstens was Averroës een soort islamGalileï dus, maar dan wel één zonder opvolgers in eigen rangen.
Zijn houding doet mij denken aan die van de islamlanden
Turkije bijvoorbeeld, een toekomstig EU-lid, verzekert ons Paul Goossens die de Rechten van de Mens wel erkenden, maar dan met dien verstande dat deze altijd onderworpen blijven aan de sharia.
Overigens is Paul Goossens zich er niet van bewust waarschijnlijk, dat zijn zinnetje Heel Europa werd er beter en slimmer van een aandoenlijke hertaling is van het Socratische kennis is deugd.
Maar dat zou ons te ver leiden, en Paul zelf moet ook nog kunnen volgen.
.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html