Posts tonen met het label Vekeman | Christophe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vekeman | Christophe. Alle posts tonen

6 december 2025

Wie kies je, Retz of Zwagerman?


Ik lees bij de voortreffelijke Christof Vekeman (epitheton van Geraard Goossens) iets over een schrijver die ik nooit gelezen heb, en dat zal ik nu zeker nooit doen – echt niet omdat hij nog niet lang genoeg dood is, al blijft dat een goed criterium. 

Neem de dagboekpassage die Zwagerman ooit wijdde aan de Franse schrijfster Élisabeth Barillé en die in Zwaag valt na te lezen: “Ze kuste een beetje wild, te ongebreideld. Ze heeft mooie smalle schouders en van die borsten met bleke tepels.” Enzoverder.

Dat die Zwagerman blijkbaar zo schrijft, over die kussen en die tepels van – mogelijk – een verovering van hem, is een teken van creatieve onmacht. Er wordt de lezer niets onthouden, het vat Zwagerman geeft in één geut wat er in zit.

Als Jean-François Paul de Gondi, beter bekend als le cardinal de Retz, een ervaren vrouwenliefhebber en goede auteur, de wellicht wat lichtzinnige Anne-Geneviève de Bourbon-Condé, duchesse de Longueville (1619-1679) beschrijft, doet hij dat anders. Hij vervalt niet zoals tweederangsauteurs in onnozele technische details.

 

Portrait de la Duchesse de Longueville

[…] Elle eût eu peu de défauts, si la galanterie ne lui en eût donné beaucoup.

Cardinal de Retz
Mémoires
Édition présentée et annotée par Michel Pernot, (2003)
Texte établi par Marie-Thérèse Hipp (1984)
2011, Gallimard, Folio classique

P.S. (8dec.) Vekeman raadde me aan om toch de essays van Zwagerman te lezen.

11 september 2024

Als zelfs de linksen godsdienstig worden


Nu in onze streken religies weer wild om zich heen grijpen, niet alleen in stedelijke achterstandsgebieden (les quartiers sensibles, zoals de Fransen zeggen), maar ook bij linkse partijen en in intellectuele milieus, bij auteurs bijvoorbeeld, is het misschien tijd om minstens deze laatsten op enkele confraters te wijzen die het goede voorbeeld gaven.

Stendhal hadden we hier al, maar er zijn oudere voorbeelden, en we hoeven echt niet tot Lucretius terug te gaan: er is keuze te over onder de moderne schrijvers en dichters en wetenschapslui, en ik licht er een paar uit. Neem de zestiende-eeuwer Pietro Aretino, die om den brode weliswaar ook religieuze teksten schreef maar die we toch als goede atheïst mogen rekenen, want dat deden zijn tijdgenoten ook.


Questo è Pietro Aretino, poeta Tosco,
che d'ogni un disse mal, eccetto che di Dio,
scusandosi con dir: non lo conosco.

Dit is Pietro Aretino, een Toscaanse dichter
die over iedereen kwaad sprak, behalve over God,
met als excuus: hem ken ik niet.



En wat te denken van volgend vers van Heine:

        En ben je dood, dan moet je lang
        In het graf liggen; ik ben bang,
        Ja, ik ben bang, dat de Opstanding
        Niet even vlot verloopt.

Dat komt uit zijn Romanzero, en voor dergelijke zaken werd hij op zijn vingers getikt:

Men had mij ervan beschuldigd dat ik God verloochende, en deswege gaf mijn vader mij een sermoen, waarschijnlijk het langste dat hij ooit heeft gehouden en dat als volgt ging: “Mijn lieve zoon! Je moeder laat je filosofie studeren bij rector Schallmeyer.* Dat is haar zaak. Wat mij betreft, ik hou niet van filosofie, omdat het allemaal bijgeloof is, en ik ben een koopman en heb mijn hoofd nodig voor mijn zaken. Je kunt filosoof zijn zoveel je wilt, maar ik smeek je om niet in het openbaar te zeggen wat je denkt, want het zou mijn zaken schaden als mijn klanten te weten kwamen dat ik een zoon heb die niet in God gelooft. Vooral de Joden zouden geen katoenfluweel meer van mij kopen, en dat zijn eerlijke mensen, ze betalen op tijd en hebben gelijk dat ze aan de religie hechten. Ik ben je vader en daarom ouder dan jij, en zodoende meer ervaren; dus je kunt me op mijn woord geloven als ik de vrijheid neem om je te vertellen dat atheïsme een grote zonde is.”

Heinrich onthield die les ook, zoals blijkt uit volgend voorwoord dat hij schreef een jaar voor zijn dood (waarbij we wel moeten bedenken dat een reëel bestaand communisme nog verre toekomstmuziek was):


Lutèce. Lettres sur la vie politique, artistique et sociale de la France, Paris,1855. De eerdere Duitse uitgave had geen Préface. Deze schreef hij voor de Franse uitgave van Lutezia.

Vanuit mijn haat voor de aanhangers van het nationalisme zou ik bijna verliefd kunnen worden op de communisten. Het zijn tenminste geen hypocrieten met religie en christendom altijd op hun lippen. Nu is het waar dat de communisten geen religie hebben (geen mens is volmaakt), de communisten zijn zelfs atheïsten (wat zeker een grote zonde is), maar als hun belangrijkste dogma belijden ze het absolute kosmopolitisme, de universele liefde voor alle volkeren, een egalitaire broederschap tussen alle mensen, vrije burgers van deze aardbol. Dit fundamentele dogma is wat het Evangelie destijds predikte, zodat de communisten naar geest en waarheid veel christelijker zijn dan onze Germaanse zogenaamde patriotten, die bekrompen voorvechters van een exclusieve nationaliteit.

Heine, met zijn dubbelheid, is misschien geen voorbeeld van regelrecht atheïsme. Hij was laten we zeggen intermitterend atheïst, want al schreef hij:

        
        Wie gelijk heeft weet ik niet
        Maar mij dunkt duidelijk
        Dat de rabbi en de monnik,
        Dat zij beiden stinken

Zijn joodszijn heeft hij nooit verloochend (maar dat is geen strikt religieuze bekentenis):


        Laat mijn tong smachtend
        Aan mijn gehemelte kleven
        En mijn rechterhand verdorren
        Mocht ik u ooit vergeten, Jeruzalem

Victor Hugo vond het dan weer onbegrijpelijk dat iemand het bestaan van God zou loochenen (al is nog de vraag of hij dat serieus meende):


Arago was een groot astronoom. Het is ongehoord, maar hij keek altijd naar de hemel en geloofde niet in God. Dit malheur overkomt astronomen soms. Lalande
was net zoals Arago, terwijl zij nochtans de sterren en de zonnen bestuderen. Wat voor zin heeft dat, als zij er niet de ware helderheid uit putten? Die prachtstukken zijn niet alleen voor het lichamelijke oog geschapen: het zijn hemellichamen, toortsen voor de geest.
Mijnheer Arago had een favoriete anekdote. Toen Laplace zijn Mécanique céleste had gepubliceerd riep de keizer hem bij zich, vertelde hij. De keizer was woedend. – “Hoezo,” riep hij uit toen hij Laplace zag, “u zet heel het wereldsysteem uiteen, geeft de wetten van heel de schepping, en in uw hele boek noemt u niet één keer het bestaan van God!” – “Sire,” antwoordde Laplace, “die hypothese had ik niet nodig.”**

Choses vues – Faits contemporains (1847)
in: Œuvres Complètes
Histoire
Éditions Robert Laffont 1987, 2009
Bouquins, p. 686

_______________

* Het is zeer wel mogelijk dat Johann Schallmeyer jezuïet was (de Societas Jesu bleef verboden tot 1814), al was het lyceum waar Heine school liep een instelling van de kapucijnen: “… mijn katholieke leraren, van wie sommigen, zoals ik nu hoorde, voormalige leden van de jezuïetenorde waren. We spraken veel over onze oude dierbare Schallmeyer, die in de Franse tijd als rector de leiding had over het lyceum van Düsseldorf en die ook colleges filosofie gaf aan de hoogste klas, waarin hij ongegeneerd de meest vrijzinnige Griekse systemen uiteenzette, hoe schril die ook afstaken tegen de orthodoxe dogma's, terwijl hijzelf toch soms voor het altaar stond in priestergewaad.” (Geständnisse)
** We zien het wapen van Laplace.

31 augustus 2024

De genade Gods wordt niet elkeen verleend


Zoals bekend heeft de Nederlandse literatuur sinds kort twee katholieke auteurs erbij. Of zij in het vervolg hun boeken bij het Davidsfonds zullen uitgeven weet ik niet, maar hun bekeringen lijken me wel echt.
Anders verliep het bij Stendhal en Heine. Zij kwamen er wel rakelings langs, maar deugdelijke katholieke bekeerlingen zijn ze niet geworden.
Eerst lezen we wat Stendhal in Rome overkwam, en daarna wat Heine in Trente meemaakte, en in beide gevallen speelt Eva een kwalijke rol.


25 december 1827. - We komen terug uit de Sint-Pieter. Het was een prachtige dienst. Er waren misschien wel honderd Engelse dames, velen van hen van de zeldzaamste schoonheid. Achter het hoofdaltaar had men een met rood damast bespannen omrastering geplaatst. Zijne Heiligheid stelde een kardinaal aan om in zijn plaats de mis op te dragen. Men bracht de paus, zittend op zijn troon achter het altaar, het bloed van de Verlosser en hij zoog het op met een gouden rietje.*
Ik heb nog nooit zoiets indrukwekkends gezien als deze ceremonie; de Sint-Pieter was subliem in zijn pracht en schoonheid: vooral het effect van de koepel vond ik verbluffend; ik werd bijna zo gelovig als een Romein.

Promenades dans Rome (1829)
Édition établie et annotée par Victor Del Litto
Préface de Michel Crouzet
Gallimard 1973, 1997 p.142

Toen ik de groene zijden voorhang 
wegschoof die de ingang van de dom afdekte, en binnenging in het Godshuis, toen werden mijn lijf en hart aangenaam verfrist door de milde lucht die daar woei en door het getemperde magische licht dat door de bontgekleurde ramen op de biddende vergadering neerstreek. Meest vrouwen waren het, in lange rijen naar voren geleund op de lage gebedsbanken. Ze baden met alleen een stille beweging van de lippen, en woeien zich voortdurend koelte toe met grote groene waaiers zodat men niets kon horen dan een gedurig geheimzinnig gelispel, en niets kon zien dan het wapperen en wuiven van sluiers. De knarsende tred van mijn bottines stoorde menig mooi gebedje en grote katholieke ogen keken mij aan, half nieuwsgierig, half genegen, als wilden ze me aanbevelen om ook maar neer te knielen en zielen-siësta te houden.

[…] Je mag zeggen wat je wil, maar voor in de zomer is het katholicisme een goede religie. Het is aangenaam zitten op de banken van deze oude dom, je kan hier genieten van een koel gebedje, een heilig DOLCE FAR NIENTE, je bidt en je droomt en zondigt in gedachten, de Madonna’s knikken zo vergoelijkend vanuit hun nissen, vrouwelijk als ze zijn schenken zij je zelfs vergiffenis als je hun lieftallige trekken in die zondige gedachten mocht hebben vervlochten, en ten overvloede staat er in elke hoek nog een bruine noodstoel voor het geweten, waar men zich van zijn zonden kan ontlasten.
In zo een stoel zat een jonge monnik met een ernstige plooi op zijn gezicht; maar het gezicht van de dame die hem haar zonden opbiechtte bleef voor mij verborgen, deels door haar witte sluier, deels door het zijpaneel van de biechtstoel. Toch kwam daarachter uit een hand te voorschijn die mij terstond aangreep. Ik kon het niet laten om deze hand gade te slaan; de blauwige adertjes en de voorname glans van de witte vingers kwamen mij zo zonderling bekend voor, en al het droomgeweld van mijn gemoed kwam in beweging om een gelaat te bedenken dat bij die hand zou kunnen horen.
[…] Die hand had iets roerend onschuldigs, zodat het scheen of zij niet mee biechten hoefde, en ook niet horen wilde wat haar eigenares opbiechtte, en als het ware buiten wachtte tot zij klaar was. Dat nam wel een poos in beslag; de dame moest veel zonden te vertellen hebben. Ik kon niet langer wachten, mijn ziel drukte een onzichtbare afscheidskus op die mooie hand; ze trilde op datzelfde moment …

Die Reise von München nach Genua (1830)
in: Heinrich Heines Sämtliche Werke
herausgegeben von Prof. Dr. Ernst Elster, 1893
Kritisch durchgesehene und erläuterte Ausgabe, dritter Band, S.243
Meyers Klassiker-Ausgaben, Leipzig und Wien
____________
* Leo XII verkeerde in slechte gezondheid. Dat hij het Heilig Bloed met een rietje opzoog mag onze verse bekeerlingen niet choqueren.

20 mei 2024

Satan met Beëlzebub bestrijden?

   Je hand in het vuur steken voor iets dat je in de krant hebt gelezen is gedurfd, en als je zoals ik een artikel niet eens gelezen hebt –omdat het achter een betaalmuur zit– en enkel op een titel afgaat is het zelfs roekeloos, maar volgens het Nieuwsblad zegden Christophe Vekeman en Kristien Hemmerechts: “Het katholieke geloof is niet superieur, maar wel het ware geloof.”

Enigmatische uitspraak want van Dale zegt: Superieur, boven iets anders of het andere uitmuntend, het overtreffend.

Wát voor anders dan, een ander geloof? …dat niét het ware is? Als woorden nog een betekenis hebben, geachte Vekeman en Hemmerechts, dan is in dat geval het katholicisme juist wél superieur.

En Kristien moet ook gezegd hebben: “Weet je, ik ben al heel lang vegetariër en hoe langer je dat bent, hoe vreemder het wordt dat mensen vlees eten. Ik begin dat nu ook te hebben met atheïsten.” Laten we die uitspraak voor wat ze is: convertieten moeten zich bewijzen en zijn altijd de ijverigste gelovigen.

Maar wat mag toch de drijfveer zijn achter die bekeringen, en waarom pikken de media ze zo graag op? Is ze te vinden in maatschappelijke ontwikkelingen? Iedereen ziet natuurlijk dat een religie, zeker als zij de ware is, tot veel meer in staat is dan een lekenmoraal die het zonder eeuwigheidsaanspraken moet klaarspelen. Zo’n moraal kan geen rijstpap met zilveren lepeltjes beloven, laat staan zeventig of is het tweeënzeventig maagden.

La nature d'une civilisation, c'est ce qui s'agrège autour d'une religion. Wat zich rond een religie samenkoekt is het wezen van een beschaving, zei André Malraux.

Zélf atheïst zijn mag wel, maar met atheïsme alléén –nochtans een kind van het christendom– komen we er niet. Voor de goede orde in een maatschappij kun je niet buiten een religie om zullen onze voorbeeldige auteurs gedacht hebben, en zo leren ook de jezuïeten, en althans hierin trad hun vijand Voltaire hen bij (terecht, want daar is veel voor te zeggen). Hijzelf was een ongelovige hond, een kafir kunnen we nu beter zeggen, maar hij bouwde wel een kerk voor zijn dorpsgenoten en zag ook liever dat zijn huispersoneel katholiek was. 'Ze stelen dan minder' zou hij gezegd hebben, maar net als met krantenkoppen is het met Voltaire-citaten altijd uitkijken.

Nu iets ernstigs: hieronder geef ik een tekst van Heine waarin merkwaardige paralellen met de bovenstaande bekeringen te ontdekken vallen  en we lezen ook over de religie als opium, een beeld dat later Karl Marx overnam: 

“Van miserie katholiek worden” luidt een Duits spreekwoord waarvan de vervloekt diepe betekenis me nu pas duidelijk wordt. – Is niet het katholicisme de meest verlokkende bloesem van die doctrine van de wanhoop, waarvan de snelle verspreiding over de aarde niets minder dan een groot wonder lijkt als je bedenkt in welke erbarmelijke, pijnlijke toestand de hele Romeinse wereld wegkwijnde... Zoals een individu zich zielsbedroefd de aderen opende en toevlucht zocht in de dood, tegen de tirannie van de Caesars, zo wierp de grote menigte zich in de ascese, in de leer van versterving, in martelaarschap, in de hele zelfmoord van de Nazarener-religie, om de kwelling van het leven in die tijd van zich af te werpen en de beulsknechten van het heersende materialisme te trotseren...

   De hemel werd uitgevonden voor mensen aan wie de aarde niets meer te bieden heeft... Heil aan deze uitvinding! Heil aan een religie die een paar zoete, slaapverwekkende druppeltjes in de bittere kelk van de lijdende mensheid goot, geestelijk opium, een paar druppels liefde, hoop en geloof!

   Ludwig Börne

was, zoals ik in het eerste deel al zei, van nature een geboren christen,* en deze spiritualistische neiging moest wel naar het katholicisme overslaan toen de wanhopige republikeinen na de pijnlijkste nederlagen hun krachten samenbundelden met de katholieke partij. – In hoeverre is deze alliantie serieus? Dat kan ik niet zeggen. Sommige republikeinen zijn misschien echt van miserie katholiek geworden. Niettemin, in hun hart verafschuwen de meesten hun nieuwe bondgenoten, en er wordt komedie gespeeld aan beide kanten. Er is alleen de gemeenschappelijke vijand om tegen te vechten, en inderdaad, de combinatie van de twee fanatismen, religieus en politiek, is extreem bedreigend. Soms gebeurt het echter dat mensen zich verliezen in hun rol en het sluwe spel plompweg ernst wordt; zo zal menig republikein wel geflirt hebben met de katholieke symbolen totdat hij er uiteindelijk echt in geloofde, en menige lepe geestelijke zal wel de Marseillaise gezongen hebben totdat het zijn lievelingslied werd en hij de mis niet meer kon lezen zonder in de melodie van dit strijdlied te vervallen.**

    Wij arme Duitsers, die helaas geen grapjes verstaan, hebben de verbroedering van het republicanisme en het katholicisme heel serieus genomen, en deze vergissing kan ons op een dag duur komen te staan. Arme Duitse republikeinen, jullie die Satan met Beëlzebub willen uitbannen, als jullie in zo'n uitdrijving slagen, zullen jullie van de vurige regen in de vlammende drop komen! Ik kan niet begrijpen hoe sommige Duitse patriotten, om zich tegen protestantse regeringen te verzetten, gemene zaak maken met de katholieke partij.

_____________

  * Gemene spotternij: Juda Löb Baruch was natuurlijk een jood zoals Heine zelf. Beiden bekeerden zich noodgedwongen tot het protestantisme: 'mijn entreebiljet tot de Europese cultuur', zei Heine. Börne zei dan weer over Heine dat hij alleen maar geestig was: Im Dienste der Wahrheit genügt es nicht, Geist zu zeigen, man muß auch Mut zeigen. Hun vriendschap was al een tijd voorbij.
** Faites semblant de croire, et bientôt vous croirez, zong Brassens.

Ludwig Börne. eine Denkschrift. Viertes Buch (1840)
in: Heinrich Heines Sämtliche Werke
herausgegeben von Prof. Dr. Ernst Elster, 1893
Kritisch durchgesehene und erläuterte Ausgabe
Siebenter Band, S. 116
Meyers Klassiker-Ausgaben, Leipzig und Wien


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html