Posts tonen met het label Aristoteles. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Aristoteles. Alle posts tonen

13 mei 2026

Wat wíst Casanova, en wat geloofde hij?

 

Giacomo Casanova mag dan losbandig hebben geleefd, zijn filosofie was dat niet – al sprak hij zichzelf wel eens tegen. In veel opzichten was ze schatplichtig aan de christelijke moraalfilosofie, maar die herinterpreteerde hij vanuit het aristotelisme van Padua* dat leerde dat alleen controleerbare en weerlegbare natuurlijke gegevens een bron van kennis waren, niet de theologie of de metafysica.
Meer dan eens verzekert Giacomo zijn lezer dat hij een christenmens is (zeer aan te raden in die dagen), maar tegelijk verwierp hij zowel de onsterfelijkheid van de ziel als de Heilige Drievuldigheid. Hij onderwierp het geloof aan materialistische kritiek, in de jaren waarin Europa werd overspoeld door de systemen van d’Holbach, Helvétius, Voltaire, die hij goed kende.
Voor Thomas van Aquino was het intellect, en dus de ziel nog onsterfelijk. Samen met Lucretius, vaak geciteerd, verwierp Casanova die gedachte. Maar ook de harde wetenschap wantrouwde hij.
De achtste van de negen dialogen tussen A en B begint zo – en A is natuurlijk Casanova:

B: Maar in de fysica zijn we er toch van overtuigd de waarheid te bereiken?
A: Tu scherzi. Non v’è che la matematica, che dimostri il vero. Je maakt een grapje! Alleen de wiskunde bewijst wat waar is. Pas op voor de fysica van de dogmatici, en pas op dat je hun experimenten niet als waarheid aanneemt zolang de juistheid ervan niet door weer andere experimenten is bewezen.

Voor rijke bisschoppen wilde hij wel eens milder zijn – ook daar waren redenen voor – maar priesters beschouwt hij als fabeltjesverkopers. Hier een fragment dat is teruggevonden in het archief van Praag, en in het Frans is geschreven. Volgens de editor van het boek hiernaast zou het kúnnen horen bij de Negen Dialogen:

Het gewone volk blijft hen in ere houden, al ziet men alledag dat ze hun gelofte alleen lijken te hebben afgelegd om hun naasten voor de gek te houden. Hun ontucht kent geen grenzen, alles op hun weg bezoedelen ze. Maar laten we het kort houden, en voorbijgaan aan de fouten waarvan ze kunnen zeggen dat ze die alleen vanwege hun geloof begaan […] laten we aannemen dat ze hun plicht doen. Laten we veronderstellen dat ze, hun gelofte getrouw, zich nooit met de geringste vleselijke daden bevlekken.
Maar, is het wél of niet waar dat de hele wereld in minder dan een eeuw zou zijn ontvolkt als de hele wereld voornemens was zich in kuisheid aan God te wijden? Zeker wel.
Ziedaar dan de mens, de mooiste loot van de natuur, vernietigd. Ziedaar bijgevolg de Prediker,** die onverholen overtuigde vijand van de natuur, en zie de kuisheidsgelofte, de ware zonde tegen haar. En vertel mij niet dat die vernietiging van de wereld er niet kán komen, omdat het moreel onmogelijk is dat iedereen zich eendrachtig daaraan zou wijden. Dat bewijst niets. Een morele onmogelijkheid vernietigt niet de kracht van een hypothese.
Telkens als je over een levenshouding, welke ook, kunt zeggen dat de menselijke soort eraan ten onder zou gaan als iedereen ze aannam, is het bewezen dat die levenswijze niet deugt, en dat iedereen die ze aanhangt het menselijk geslacht schade toebrengt, al behoort hij er zelf toe.*** Mijnheer de Voltaire is het die zo spreekt, maar ook vóór hem sprak de Rede al vaak in dezelfde zin.
Elke man die zweert zich niet met het vrouwtje te zullen verenigen, zweert dat wat hem betreft hij de menselijke soort te gronde zal richten. Wat is dat voor iemand, zo’n man? Hij is schuldig tegenover de natuur, en als die hem niet bevalt zal hijzelf zeker de maker ervan, God niet bevallen, die hem zijn wetten heeft voorgeschreven in zijn instincten.
Behalve de zelfmoord bestaat er dus geen tegennatuurlijke zonde, op de kuisheidsgelofte na. En wie mij vraagt waarom men onder tegennatuurlijke zonden dan meestal de pederastie verstaat, hem antwoord ik dat men die naam gegeven heeft omdat het altijd al een pekelzonde van de geestelijke stand is geweest, die om die reden passender de Tegennatuurlijken zou moeten heten.

Sapius a Domino nomina servus habet.****
_______________
      * Filosofische stroming die tussen de XIVde en XVIde eeuw de basis legde voor de moderne wetenschap.
    ** Het Boek genaamd de Prediker (Statenvertaling) 4:2 Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. 4:3 Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
  *** Casanova ontmoette nooit Kant, en kende ook geen Duits. De kans dat hij hem ooit las is onbestaande. Wel komt hij hier dicht bij diens: „Handle nur nach derjenigen Maxime, durch die du zugleich wollen kannst, daß sie ein allgemeines Gesetz werde.Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785).
**** Bedoeld was wellicht saepius: meestal, gewoonlijk. De slaaf draagt meestal de naam van de meester. Wat deze zin hier komt doen wordt niet door de editor Bernardini verklaard. Op de bekende vraag: Discite grammatici cur mascula nomina cunnus, et cur femineum mentula nomen habet – verklaar eens, grammatici, waarom kut mannelijk is en pik vrouwelijk, zou Casanova ooit geantwoord hebben: Disce quod a domino nomina servus habet, weet dat de slaaf zijn naam krijgt van de meester.

Giacomo Casanova
Dialoghi sul suicidio
Saggio introduttivo e cura di
Paolo L. Bernardini
Roma, 2005, Aracne editrice

13 oktober 2025

Trump en Aristoteles

 Moeten we na het staakt-het-vuren tussen Israël en Hamas Donald Trump nu dankbaar zijn, vraagt de theologe en journaliste Johanna Haberer zich vandaag af op Zeit Online:

Trump was tenslotte de enige die de Israëlische regeringsleider kon dwingen zijn rechts-radicale ministers het zwijgen op te leggen, die min of meer hardop dromen van de Israëlische kolonisatie van de Gazastrook en de verdrijving van alle Palestijnen uit de Westelijke Jordaanoever. De radicale partijen aan beide kanten, die elkaar onverzoenlijk tegenover staan met de slogan From the River to the Sea op de lippen, zijn voorlopig stil.
Maakt dat een nieuwe Donald Trump? Nee, dat niet. Maar het maakt ons, als getuigen van dit politieke wonder, duidelijk dat het niet altijd goede mensen zijn die goede dingen doen en slechte mensen slechte dingen. Het laat ons eens te meer zien dat, zoals het gezegde luidt, God met kromme lijnen recht kan schrijven,
* en dat het moralistische idee – waar Aristoteles overigens al aan vasthield ** dat een goed mens alleen maar goeds kan doen en een slecht mens alleen maar kwaad, gewoon een denkfout is.

___________

  * Dios escribe derecho con renglones torcidos wordt vaak toegeschreven aan de Spaanse mystica Teresa van Ávila (1515–1582). Wellicht was het al in de zestiende eeuw een spreekwoord,
** Aristoteles zegt in zijn Ethica Nicomachea, Biblion II helemaal niet dat een goed mens alleen maar goed kan doen en een slecht mens alleen maar slecht. Wel is één van zijn beweringen dat je niet tot iemands deugdzaamheid kunt besluiten, nadat je hem één keer een deugdzame daad hebt zien stellen. Hij geeft volgend voorbeeld niet, maar dat geeft niet: ook een doortrapte boef kan een keer een drenkeling uit het water halen zonder daarom een deugdzaam mens te worden.
Je kunt iemand pas deugdzaam noemen, zegt Aristoteles, als hij puur uit gewoonte deugdzaam handelt, een kwestie van opvoeding of dril dus, niet zozeer van aanleg … ἡ δ᾽ἠθικὴ ἐξ ἔθους περιγίνεται (hè d’èthikè ex ethous periginetai): terwijl deugdzaam handelen voortkomt uit gewoonte.

2 september 2022

Vluchtig een woke-pamfletje gelezen


Van Adelaïde Bon, Sandrine Roudaut en Sandrine Rousseau verscheen half augustus een boekje: Par-delà l’androcène. (Seuil-Libelle 69 pagina’s)

Sandrine Rousseau is parlementslid voor Europe-Écologie-Les Verts dat samengaat met NUPES, en ze staat bekend om haar provocerende uitspraken: “S'il y a des Afghans potentiellement terroristes, il vaut mieux les avoir en France pour les surveiller.” Er steeg toen een hoongelach op en ze gaf toe: “C’était assurément une phrase maladroite.”

Onlangs in Grenoble zei ze: “Il faut changer de mentalité pour que manger une entrecôte cuite sur un barbecue ne soit plus un symbole de virilité”, en ze herhaalde die uitspraak met plezier in een TV-programma. In vergelijking met de vorige uitlating is deze inderdaad grappig.

Er is ook een Twitteraccount 'Sardine Ruisseau' dat haar uitspraken parodieert, en iets meer volgers heeft dan haar eigen account...

De drie schrijfsters van het pamflet zien in de man, en zeker in de ondernemer een roofdier dat vrouwen tot slaaf maakt en de natuur verwoest. Ze ontkennen evenwel niet dat ook veel mannen slachtoffers zijn van deze gang van zaken, en vandaar de écriture inclusive. Je moet dus even wennen aan woordbeelden als éradiqué·e·s, déplacé·e·s, concerné·e·s, parqué·e·s, exploité·e·s.

Ook erkennen ze dat de natuur zelf niet bijzonder zachtmoedig is, maar: Les prédateurs naturels ne le sont pas par cupidité. (p.23)
We mogen inderdaad aannemen dat hebzucht of winstbejag niet de beweegredenen zijn van een kat die muizen vangt.
Aan de menselijke, mannelijke roofdieren zeggen ze: La vie nous enseigne l’humilité, ce mot dérivé de l’humus, la terre. (p. 44)
Kunnen we inkomen. Het klinkt in elk geval minder naïef dan die aandoenlijke verontschuldiging.

Helaas is dit weer heel naïef: Réaffirmons l’égalité des religions et la liberté de croire.(p.49) Het zal de dames zwaar vallen om dit aan haar grotendeels muzelmaanse achterban uit te leggen.

De multiculturele samenleving wordt onverdeeld goedgekeurd: Une société monoculturelle est dangereuse. (p.52)
Laten we hierover Aristoteles aan het woord (Πολιτικά, Politica 1303a, 25-28): Immigratie is, bij gebrek aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen. Zoals evenmin een stad door een toevallige verzameling mensen tot stand komt, of op een willekeurig moment: daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meeste burgeroorlogen hebben plaatsgehad.

Uit het boekje ademt een woke-geest en dus ook een zucht naar censuur: Certains mots, certaines attitudes ne doivent plus être admis. Dénonçons sans réserve les violences policières et institutionnelles, soutenons pleinement les lanceur·euse·s d’alerte. Se taire, faire avec, c’est contribuer. (p.51)
Dat in Frankrijk ook politiemensen sterven, soms gekeeld worden, is een onderwerp dat ze niet behandelen.

Tegen technische vooruitgang richten ze zich niet. Zo wordt de uitvinding van de gloeilamp toegejuicht: il va nous falloir de l’audace. L’ampoule n’a pas été inventée à partir de la bougie. Les fabricants de bougies avaient bien trop a perdre dans cette aventure. On ne peut inventer qu’en s’affranchissant de la bougie, pour se focaliser sur la lumière. (p.61)
Een mooie zin die laatste, maar onvermeld blijft dat Thomas Edison een mannelijke ondernemer was.

Soms zijn de schrijfsters ook niet helemaal consequent in hun woordkeuze, want al is het boekje zoals gezegd een pamflet, toch komen er soms moeilijke woorden in voor. Twee ervan moest ik opzoeken: solastalgie en anfractuosité.


8 juni 2013

Deiectus aquae


Al wie het onderwijsdebat van de vorige dagen en weken met vrucht wilde volgen, kon niet om een aantal natuurkundige termen heen. Meestal waren deze afkomstig uit de hydraulica. Doorstroming, instroom en uitstroom moest je vlot kunnen gebruiken, onverschillig of je in je jeugd nu Grieks en Latijn had gedaan of A3.

Ook watervallen (deiectus aquae) kwamen ter sprake. Dit is een wat complexer begrip dan de eerste drie, die tenslotte ook in de loodgieterij niet onbekend zijn. Wat we ons moeten voorstellen is dat een hooggelegen hoeveelheid water op een catastrofale manier naar beneden komt.
Als er nu bovenaan voldoende instroom is, zal zo’n waterval blijven werken, en anders valt ze stil. Van beide fenomenen zijn er in de natuur voorbeelden.

In het onderwijsdebat echter, worden die termen in overdrachtelijke zin gebruikt, figuurlijk, metaforisch. Met de natuur, hoe interessant ook, zullen wij ons verderop dus niet meer bezighouden. Onthouden we vooral dat een waterval niet altijd naar behoren functioneert.

De degoutante uitspraak van Yves Desmet, over de “scholen voor de elite, waar dan de kinderen van Bart De Wever naartoe zullen gaan” werd hem door vriend en vijand kwalijk genomen. Het getuigt van weinig stijl om zoiets te zeggen, vinden ze. Een gebrek van de persoonlijkheid zelf, en bijgevolg ongeneeslijk.

Ik ben eerder geneigd om samen met Aristoteles die uitspraak aan een apaideusia toe te schrijven, een onopgevoedheid. Als er in de tijd van Yves Desmet een goed werkende waterval was geweest, dan hadden we aan hem nu misschien een uitmuntende kok, en had hij zijn broek niet moeten verslijten in de Latijnse, en later in de afdeling der “communicatie-wetenschap”, zoals bekend een vergaarbak aan de buitenmuur van vele universiteiten.
Dat zijn Latijnse studiën hem grotendeels zijn voorbijgegaan, en de jonge Yves wellicht beter kok was geworden, moet ik vanzelfsprekend toelichten.

Hij mocht, als oud-leerling van de historica Els Witte, bij haar emeritaat een toespraak houden en haar het “liber amicorum” overhandigen. Het is een hele eer om zoiets te mogen doen en je vertelt dan niet om het even wat.
Nu was er een kleine complicatie: het boek heette in dit geval niet gewoon liber amicorum, maar god weet waarom liber alumnorum.

De dag na die feestelijke uitreiking werd Yves gevraagd om voor de radio de rol en betekenis van Els Witte toe te lichten in een interviewtje. Het gesprek ging niet rechtstreeks maar werd vooraf opgenomen –toevallig door uw dienaar– en halverwege vroeg de journalist: “Wat betekent dat eigenlijk: alumnorum?”  Zulke dingen worden er achteraf uitgeknipt.
En je zou inderdaad denken dat iemand die de dag daarvoor een boek overhandigd heeft gewoon weet wat de titel ervan betekent, of het minstens zou hebben opgezocht om zijn speech te kunnen schrijven.
"Ja ...dat weet ik niet", antwoordde Yves.
Zo snel als de bliksem duwde ik op de intercom-knop, en zei in één adem: “genitief mannelijk meervoud van alumnus hij die gevoed is”.
Yves zijn gezicht betrok.
Toen ze de studio uitkwamen, voelde ik mij zedelijk verplicht om kennis te maken: "Mijn naam zal u niets zeggen, maar u kent me misschien van de blog victacausa?"
"Oh, zo hebben we elkaar dan eens ontmoet", zei Yves en verdween, ook als de bliksem.


26 april 2011

Tobback zijn vocabulaire

.
Als in het sierlijke derde bedrijf van een corrida, namelijk de faena de muleta, al na enkele passen de stier zodanig slim en gevaarlijk voor de dag komt dat hij de matador in een lastig parket brengt, dan zeggen de aficionados dat het een beest is dat Grieks en Latijn kent.
Een opvallend verschil met de Belgische politieke arena, waar je met enkel wat Latijn al aardig je mannetje kunt staan. Nil volentibus arduum, acta est fabula enzovoort.
Tenminste, tot voor kort was dat zo, want de laatste tijd zien we hier en daar ook een woord Grieks opduiken. Latijn alleen volstaat niet meer om de stand der onderhandelingen te beschrijven.
Voor een paar weken was hier de nuttige platoonse term 'theatrocratie' aan de orde, en deze week komt Mark Eyskens aanzetten met de analyse: ‘De Wever is een demagoog die we te slaafs hebben gevolgd'.
Te’ is nooit goed inderdaad, maar wat ons interesseert is dat woord demagoog. Δημαγωγός, van ‘demos’ en ‘ago’, het volk leiden, misleiden. Hij had dus net zo goed ‘volksmenner’ kunnen zeggen, maar dat klonk Eyskens, die katholiek is, waarschijnlijk te rechtuit of te duidelijk in de oren.
Misschien is Louis Tobback wel een van de laatsten om te geloven dat politieke analyses het zelfs zonder Latijn kunnen stellen: ‘We gaan dikke nek De Wever stoppen’. Klinkt een tikkeltje boers, en zeker de fijngevoelige Stefan Hertmans zou van een scheldterm spreken, maar Louis vindt dat hij zich dat mag permitteren.
Eyskens drukte zich nog erudiet en beleefd uit, maar bij zijn burgervader constateren we een gebrek aan opvoeding, een apaideusia zou Aristoteles zeggen. Wellicht geven sommigen, die het Grieks nog wat vreemd vinden, de voorkeur aan een term als ‘decorumverlies’ en daar valt ook wat voor te zeggen, al heeft hij niets met opvoeding van doen, noch die van Louis noch die van om het even wie. Meestal is een dergelijk verlies een vervelend bijverschijnsel van het voortschrijden der jaren. Tenslotte is Louis een ontwikkeld man, daar kan het niet aan liggen.
Maar ontwikkeling is nog geen opvoeding, zoals Baltasar Gracián zegt in zijn “Handorakel en de Kunst van de Voorzichtigheid” van 1647 (vertaling Theo Kars): “Er bestaat gewoon plebs en ontwikkeld plebs, wat erger is. Dit soort heeft dezelfde eigenschappen als het gewone, zoals de scherven van een gebroken spiegel, maar het is schadelijker. Het kraamt onzin uit, levert onbeschofte kritiek, is een bondgenoot van de Laster. Men dient geen aandacht te schenken aan wat het meedeelt en nog minder aan wat het voelt. Het is belangrijk het op te merken, teneinde zich ervan los te maken.”
De onbeschoftheid dus niet, maar wat beide heren wél gemeen hebben, is dat hun uitspraken getuigen van een groot ongeduld. Zij zijn hun zenuwen niet meer meester. “Geduld”, meent Schopenhauer, “is het kenmerk van de ware dapperheid”.
Helaas gaat ook het geduld met de leeftijd achteruit, samen met de kracht om scherp te analyseren. Ter vervanging kan de verleiding dan groot worden om termen als “dikke nek” of “demagoog” rond te strooien.

Gepubliceerd in de Knack van 27 april.
.

5 november 2008

Ter gelegenheid van de Boekenbeurs

.
.
Ik weet niet of er op de Boekenbeurs, die ik helaas nog nooit bezocht heb –ik kan er dus weinig over zeggen– ook een Ars Poetica te koop is. Waarschijnlijk wel, want bijvoorbeeld Aristoteles en Horatius schreven er elk een. Huysentruyt of Lanoye of Verhulst misschien ook. In ieder geval, er bestaan er honderden, meestal dikke turven. Mocht u naar zo'n Ars Poetica op zoek zijn, of liever een kortere hebben: hier is er eentje.


Raad aan de jonge dichter

Dooie dichters willen wij,
Verorberd door de wormen.
Woorden, netjes in de rij,
Niks geen nieuwe vormen.

En wat de thema’s nu betreft:
Nergens gevoelens bezingen,
Of freudiaanse dingen!
Ik hoop dat je dit goed beseft.

Wél kan een leerdicht natuurlijk,
Ook een klucht rond De Gucht,
Of een haal naar Dewael,
Gepaard gaand met wat vuurwerk.

Haiku’s zijn compleet harám,
Ghazeltjes mogen weer wél –
Eén van rijm, perfect van tel.
Blanke verzen klinken lam.

Vergeet bijgot filosofie,
Diepe gedachten zijn een kwaal.
Het enige dat telt is taal:
Je komt in mijn chrestomathie.


6 juli 2008

Wat moeten wij onder "fobie" verstaan?

.

.
Wat is islamofobie ?
Gideon Böss, blogger

En alweer had de islamofobie de boter gegeten. Privé-gesprek, televisie of internet, het maakt niet uit, dat woord staat hoog genoteerd. Elkeen die zich geroepen voelt om de islam te verdedigen, en even geen passend argument bij de hand heeft, roept uit : “Dat is toch volslagen islamofoob!” Het zal nog niet vaak vertoond zijn dat een term een dergelijke zegetocht aflegde, terwijl hij hoogstens voor miskleun van het jaar kon deugen. Politici en integratiedeskundigen hebben hem als kooswoordje ontdekt. Hij roept iets op van antiracisme, en tegelijk van verweer tegen verstokte reactionairen. Komt nog bij, vertellen ons de islamofobie-experten: wie tegen antisemitisme is, is noodzakelijk ook tegen islamofobie, want die twee gelijken toch verschrikkelijk op elkaar!
Maar wat mag die islamofobie dan wel zijn? In geen geval een verbasterd antisemitisme, gericht tegen moslims dit keer. Neen, heel iets anders is het, en wel een dwaas en leeg begrip, dat de discussie belet, of in de weg staat, over de verschrikking die in naam van de islam al jarenlang over de wereld gaat. Onder die vuilnisbakterm lijkt alles wel terecht te komen, dat zich over de uitwerkingen van de Religie van de Vrede negatief uitlaat.
En waar precies zullen wij het over islamofobie hebben? Ben ik al islamofoob als ik in de luchthaven een groep jonge moslims eerder in staat zou achten tot een terreuraanslag dan een groep jonge padvinders? Of als iemand er op wijst dat het geweld van jongeren in de eerste plaats het geweld van moslimjongeren is? Is de waarheid dan zelf islamofoob? En waarom toch wordt zo vaak de directe band tussen terreur en islam geloochend? Natuurlijk verbind ik islam met terreur. Dat is ook de enige grond van relevantie die deze religie voor mij kan hebben. Waarom zou zij mij voor de rest interesseren? Tenslotte kan ook de Brad Pitt-fanclub mij maar interesseren vanaf het moment dat er te vrezen valt dat zijn leden mij de lucht in willen blazen. Zodra er in naam van de islam geen terreur meer wordt bedreven, verbind ik hem ook niet meer met terreur. Ik vermoed dat velen er net zo over denken, en zulke instelling kun je islamofoob noemen, maar dan kies je voor een misvatting.
Theoretisch is het wellicht mogelijk dat slechts een kleine minderheid van de moslims terreur goedkeurt (wat ik niet geloof), en zelfs kan het zijn, dat op de keper beschouwd de islam een fascinerende religie is (wat ik niet geloof), en wat ook kan zijn is dat de ware islam zich per slot als een waarlijk fantastische happening ontpopt (wat ik niet geloof), alleen, het kan mij geen ene moer schelen. Mijn recht op desinteresse, daar maak ik aanspraak op, en ik ben al lang blij als het moorden in naam van Allah een eind neemt. Dat lijkt mij geen overdreven eis.
Islamofobie bestaat niet. Er bestaat racisme, en xenofobie, en dat is al erg genoeg, maar als burger van een liberale democratie (en als de islam ter sprake komt, dan mag dat als argument dienen) voel ik mij beledigd, als er beweerd wordt dat hier aan de grondrechten van miljoenen mensen zou worden geraakt, eenvoudigweg omdat het moslims zijn.
Over geen enkele religie wordt hier zo fair, respectievelijk vergoelijkend bericht: nauwelijks een moment nadat alweer een gelovige moslim zich op een markt de lucht heeft ingeblazen, staat er al een expert klaar om te zeggen dat de islam zulke dingen eigenlijk verbiedt, en overigens hebben toch de Arabieren de antieke wetenschap bewaard, toen in het middeleeuwse Europa het Licht uitging, hetgeen weliswaar geen van de slachtoffers van de zelfmoordaanslag weer levend kan maken, maar daarom niet minder gezegd mag worden.
Typisch voor een islamofobe samenleving is overigens de eerlijke interesse die zij voor de islam vertoont. In Duitse boekhandels liggen er ontelbare werken over deze religie (in Egypte gaf het zelfs schandaal dat er, naar verluidde drie boeken lagen die in het Hebreeuws gesteld waren), en voortdurend wordt het onderscheid gemaakt tussen slechte islamisten en goede moslims, en wordt vermeld hoe gelijkend jodendom, christendom en islam wel zijn.
Daarom mijn tegenvoorstel: als we dan toch overtrokken begrippen willen gebruiken, dan ben ik er voor om islamofobie door islamofilie te vervangen. Motivering: brede interesse voor de islam, die in boeken, films, documentaires en discussieforums tot uiting komt. In geval van twijfel zijn de Duitsers eerder islamofiel dan islamofoob, maar in werkelijkheid noch het een noch het ander.

_______________

Noot: al kan ik deze Duitse blogger heel goed volgen, en geef ik hem groot gelijk, toch lijkt er voor de term fobie nog wel enige rechtvaardiging te vinden. Natuurlijk niet als hij gebruikt wordt zoals de mohammedanen zelf hem gemeenlijk aanwenden, met in hun zog onze naïeve politici – en met in hun gevolg weer de stoet van dwergen, knechten en lakeien van de pers, en vanzelfsprekend van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding. Zoals zij de term fobie gebruiken is hij onverdedigbaar, wat Gideon Böss mooi schreef.

Niet echter als we hem begrijpen zoals Aristoteles in zijn Ethica Nicomachea III, 6 :

We hebben reeds gezien dat moed een midden is inzake gevoelens van angst en overmoed. Nu is het duidelijk dat we bang zijn voor die dingen die angstaanjagend zijn, en dat zijn, absoluut gesproken, slechte dingen. Daarom definieert men angst ook als verwachting van iets slechts. Welnu, we zijn bang voor alles wat slecht is, zoals voor een slechte reputatie, armoede, ziekte, gebrek aan vrienden en de dood, maar men neemt aan dat wie moedig is niet met alles van doen heeft. Er zijn namelijk dingen waarvoor het gepast en moreel juist is bang te zijn en waarvan het schandelijk is er niet bang voor te zijn, zoals voor een slechte reputatie. [...] Wellicht moeten we niet bang zijn voor armoede of ziekte, of in het algemeen voor alles wat niet het resultaat is van morele slechtheid en waarvoor de handelende persoon niet zelf verantwoordelijk is. Wie echter geen angst voor deze dingen koestert, is nog niet moedig – hoewel we ook hem zo noemen doordat hij lijkt op iemand met moed. Sommige mensen betonen zich namelijk wel laf in de gevaren van de oorlog, maar ze zijn vrijgevig en wanneer ze geconfronteerd worden met verlies van geld, zijn ze vol goede moed. Het is dus ook niet zo dat iemand een lafaard is, als hij bang is voor geweldpleging jegens zijn vrouw en kinderen of voor afgunst of iets dergelijks; hij is net zomin moedig, als hij onverschrokken is bij het vooruitzicht te worden gegeseld.

Vertaling: Charles Hupperts en Bartel Poortman
2005, Uitgeverij DAMON Budel
.

4 februari 2006

John Stuart Mill: excerpt uit "Over de Vrijheid"

.
Ter intentie van Jack Straw, die vindt dat de cartoons niet meer mochten worden vertoond, uit kiesheid. Dat er op grond van bewuste leugens tegenover parlement en bevolking een oorlog wordt gevoerd, vindt hij minder onkies.
En ter intentie van de advocaat Top, die meent dat het verschil maakt of de cartoonisten "wisten dat zulke tekeningen verboden waren..." Deze mijnheer Top vraagt, daar komt het op neer maar hij wil dat nu nog niet zeggen, onderwerping van het Westen aan de waarden van de islam, eens wij op de hoogte zijn van die waarden! In de koran wordt inderdaad een onderscheid gemaakt tussen de ongelovigen: zij die van niet beter weten, en zij die kennis hebben van de inhoud van dat eeuwige boek, maar er ongevoelig voor wensen te blijven. Het wordt tijd dat deze man Top een klassieke Europese tekst onder ogen krijgt. Het zal zijn integratie bevorderen.

John Stuart Mill
(1806–1873)
On Liberty
(1869)

Hoofdstuk II:
Over de Vrijheid van Gedachte en Discussie
(pp. 52-3 en 57)

DE TIJD ligt achter ons, mogen wij hopen, dat er nog behoefte was aan enige verdediging van de “persvrijheid” als zijnde één van de waarborgen tegen een corrupte en tirannieke regering. Er is verder, mogen wij veronderstellen, geen noodzaak aan argumenten tegen het invoeren van wetten of maatregelen die, onder miskenning van het volk, hen opinies willen voorschrijven, en bepalen wat voor leerstellingen of wat voor argumenten je ten gehore mag brengen. Dit aspect van de vraag overigens, is al zo vaak en zo triomfantelijk benadrukt door vroegere auteurs, dat er hier niet speciaal op moet worden geïnsisteerd.
Al is de Engelse wet, wat betreft de pers, op deze dag nog even slaafs als ze het was ten tijde van de Tudors, er bestaat weinig gevaar voor dat zij effectief zou worden toegepast tegen het voeren van het politiek debat, tenzij dan bij een tijdelijke paniek, waarbij de vrees voor oproer ministers en rechters uit hun fatsoen brengt; en, algemeen gesproken, er valt in rechtsstaten niet voor te vrezen dat de regering, of zij nu aan de bevolking volledige verantwoording verschuldigd is of niet, zomaar zal trachten om controle uit te oefenen op de vrije meningsuiting, tenzij zij zichzelf daarbij tot spreekbuis maakt van de algemene intolerantie van het publiek. Laten wij dus veronderstellen dat de regering en het volk volledig overeenkomen, en dat zij er nooit over zal denken om enige dwang uit te oefenen, tenzij dat zou gebeuren in overeenstemming met wat zij ziet als de stem van het volk.
Maar ik betwist het recht van het volk om zulke dwang uit te oefenen, noch door het volk zelf, en evenmin via zijn regering. Die macht is op zich illegitiem. De beste regering kan er niet méér aanspraak op maken dan de slechtste. Zij is even verderfelijk, nee, verderfelijker als zij wordt uitgeoefend in overeenstemming met de publieke opinie, dan er tegenin. Als de gehele mensheid minus één er een bepaalde opinie op nahield, en slechts één persoon het tegenovergestelde dacht, dan zou het voor de mensheid niet méér gerechtvaardigd zijn om die ene persoon het zwijgen op te leggen, dan dat deze, als hij de macht daartoe had, gerechtigd zou zijn om aan de mensheid het zwijgen op te leggen. Veronderstellen we dat een opinie een persoonlijk bezit zou zijn, van geen waarde tenzij voor de bezitter zelf; als nu onderdrukking bij de uitoefening hiervan simpelweg een persoonlijk letsel was, dan zou het enig verschil uitmaken of dat letsel werd aangedaan aan slechts enkele, ofwel aan meerdere personen. Maar het specifieke kwaad van de onderdrukking van een standpunt bestaat er juist in dat de mensheid als geheel wordt bestolen; de nakomelingschap zowel als de huidige generatie; diegenen met de afwijkende mening natuurlijk nog meer dan diegenen die akkoord gaan. Betreft het een correct standpunt, dan worden zij beroofd van de mogelijkheid om dwaling in te ruilen voor de waarheid: bij een incorrect standpunt verliezen zij een bijna even hoog goed, het scherpere beeld en de levendiger indruk van de waarheid, voortkomend uit haar botsing met de dwaling.
Het is nodig om deze twee hypothesen afzonderlijk onder ogen te nemen, en met elk van beide komt een onderscheiden tak van de argumentatie overeen. Wij kunnen er nooit zeker van zijn dat de opinie die wij trachten te onderdrukken een valse opinie is; en zelfs als wij daar zeker van waren, dan nog zou die onderdrukking een kwaad zijn. [...]

Hoe eigenaardig, dat mensen de geldigheid van de argumenten ten gunste van de vrije discussie zullen beamen, en tegelijk bezwaar hebben om deze “tot het uiterste te drijven”. Zij zien niet in dat als argumenten niet deugen in een extreem geval, zij voor geen enkel geval deugen. Hoe eigenaardig, dat zij zich inbeelden dat zij zichzelf géén onfeilbaarheid aanmeten als zij erkennen dat er vrije gedachtenwisseling moet zijn over alle onderwerpen die mogelijk aan twijfel onderhevig zijn, maar toch denken dat een bepaald principe of een bepaalde doctrine verboden dient te worden omdat zij zo zeker is, bedoeld wordt, dat zij zo zeker zijn dat zij zeker is. Om gelijk welke opinie voor zeker te verklaren, zolang er iemand overblijft die dat zou ontkennen als hij de mogelijkheid kreeg, maar die niet krijgt, staat gelijk met de bewering dat wijzelf, en onze gelijkgezinden, de rechters der zekerheid zijn, en rechters die de andere partij niet horen. [...]

vertaald uit: Mill. Selected and edited
by Alan Ryan, New College, Oxford
(expanded and revised edition, W.W.Norton & Company, New York & London, 1997)
A Norton Critical Edition


Bij wijze van post scriptum (in dit geval ante scriptum):

Immigratie is, bij gebreke aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen.

Daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meesten burgeroorlogen hebben gekend.
Aristoteles

4 mei 2005

Voor wie het kan opbrengen: we lezen vandaag een tekst van Reynebeau

Ik geef enkele tussenwerpsels in blauw, maar alle zwart staat in De Standaard van vandaag.


Mensen zijn niet voor één gat te vangen

Eergisteren presenteerde de Commissie voor Interculturele Dialoog haar eindverslag. Ze vroeg Marc Reynebeau als onafhankelijke waarnemer om een commentaar bij dit verslag. Hij pleit voor een integraal burgerschap waarin de culturele diversiteit veel ruimer is dan die van de etnische en religieuze verschillen.
Het begint lekker: die commissie zelf duidt een “onafhankelijke “ waarnemer aan. Reynebeau is dus gewoon een medewerker van de commissie.
Het risico is groot om de naam van de Commissie voor Interculturele Dialoog verkeerd te begrijpen. Op dialoog is natuurlijk niets aan te merken, tenminste zodra het gepraat wel degelijk tot een gesprek leidt. Het gaat om dat interculturele. Het ligt voor de hand om dan te denken dat die dialoog er een is tussen culturen, meer bepaald tussen wat in de wandeling de autochtone en de allochtone cultuur wordt genoemd.
Nietszeggende zinnen, wat laatdunkend verwoord –– maar goed, hij heeft een aanloopje nodig.
Maar dat 'tussen twee culturen' dreigt wel eens een kwestie te worden van 'onze' cultuur en 'hun' cultuur, ja zelfs van onze cultuur tegen hun cultuur. En dan is het nog maar een kleine stap om te eindigen bij The clash of civilizations van Samuel Huntington, een botsing waarvan de motor het religieuze verschil zou zijn.
Als ze niet echt iets aanhalen, dan zijn aanhalingstekens een teken van stilistische zwakte, en wijzen zij op begripsmatige onzekerheden bij de auteur, of erger, op een drang om de begrippen zogezegd theoretisch te houden, of liever flou ...uit luiheid of lafheid. Wereldvreemden vanzelfsprekend kunnen geen verschillen tussen culturen zien: waarneembare feiten zijn in hun theoretische kader overbodig. Maar kom: laten we even afwachten wat R. verderop in zijn opstel aanvangt met het begrip “cultuur”
Dat conflictmodel is als uitgangspunt niet alleen niet wenselijk, het steunt ook op een totaal irrealistische premisse. Het klopt namelijk niet dat onze samenleving slechts twee culturen telt, twee homogene blokken die zich onderscheiden door religieuze opties, en dat never the twain shall meet.
Plots veronderstelt hij “homogene blokken”, en "twee culturen" iets waar geen ernstig mens het over had. Anderzijds is het goed dat hij de dichter Kipling citeert: een grote dichter die wist waarover hij praatte (hij voelde zich meer Indiër dan Engelsman): zeker niet de simplistische "versifier" waar velen hem voor houden. Alleen: Kipling is niet in losse citaatjes te vangen...
Dat misverstand, dat soms opzettelijk in stand wordt gehouden, roept de nood aan een bredere context op. Onze samenleving is namelijk hoe dan ook cultureel erg gediversifieerd. Toch bestaat er een brede, algemene consensus rond democratie, mensenrechten, gelijke kansen, non-discriminatie of de scheiding van kerk en staat. Dat is de ideologische keuze die België als samenleving heeft gemaakt, omdat ze de garantie biedt dat iedereen die diversiteit ten volle zou kunnen beleven.
Ja, "bredere context", "ten volle beleven": je zal zulke nietszeggendheden maar verzinnen. Ik zou overigens niet graag een koffie of thee betalen aan al diegenen die zich niet wensen te vinden in R.'s "brede consensus rond democratie"! Toen Ayaan Hirsi Ali, op bezoek in een Nederlands klasje, de vraag stelde wat nu eerst kwam, Allah of de Grondwet... toen kwam er niet enkel geen duidelijk antwoord: zijzelf werd daarop in de media aangepakt over het stellen van die simpele, oer-Nederlandse, want Spinozistische vraag...
Die basisprincipes liggen vast in de grondwet, in de wet en in internationale verdragen, en er kan geen sprake van zijn om ze op de helling te zetten. Het is me ook niet bekend dat significante groepen daar vandaag om zouden vragen. En als er problemen rijzen met de positie van de vrouw in de islam, dan moet niemand zo zelfgenoegzaam zijn om te vergeten dat ook autochtone vrouwen te maken krijgen met zeer reële, feitelijke discriminaties.
R. doet duur over onze grondwet enzovoort, allemaal heel principeel. En dan plots wordt hij concreet, al waren wij lezers daar nog niet aan toe in een beschouwing die zich puur theoretisch voordeed. Meteen ook stelt R. zaken op gelijke hoogte die oneindig van elkaar verschillen: de positie van de vrouw in de westerse wereld en die in de islamwereld. Laten we hem gedeeltelijk gelijk geven: bij de positie van de vrouw in de westerse beschaving kun je hier en daar inderdaad nog een voetnoot plaatsen …maar niet meer dan dat. Simpele lectuur echter van geschriften zoals koran en hadith zou hem hebben geleerd dat islamieten geen hoge pet opzetten bij dat soort van overwegingen, en al helemaal niet bij zijn mooie democratische distinguo’s tussen wetten en grondwetten en verdragen.
Dat laatste wijst er al op dat multiculturaliteit over veel meer gaat dan alleen de aanwezigheid van mensen met een andere etnische of culturele achtergrond. We ontsnappen niet aan die bredere context, omdat elke zoektocht naar wie de andere is, tegelijk de vraag oproept: wie zijn wij?
Hoe banaal kunnen gedachten zijn? Onze auteur moet vermoeid zijn geweest. De man schrijft véél.
En dan blijkt de reëel bestaande multiculturaliteit wel erg ruim te zijn. Het dan gaat dan niet alleen om de welbekende verschillen tussen taalgroepen, regio's of filosofische overtuigingen. Daarnaast bestaat ook nog de diversiteit in generaties, waardoor jongeren en ouderen elk in hun eigen, aparte cultuur leven. Of de door genderverschillen ingegeven diversiteit. Of de sociale diversiteit, die nog steeds verder invreet als gevolg van de mechanismen van de sociale tweedeling.
“reëel bestaande” …iemand die deze twee woorden tegelijk nodig heeft kun je geen schrijver noemen, laat staan een denker. Ook zijn volgende inleidende zinnetje zul je niet vlug aantreffen bij een goede auteur (het cursief is van mij).
Lasagne

Door dat alles heen is nog een andere vaststelling van belang. Ze gaat over de cultuur of de identiteit die mensen zichzelf en anderen toewijzen. Het is niet mogelijk om mensen cultureel, laat staan religieus exclusief op te delen in grote, homogene groepen. Mensen combineren vaak grote pakketten, erg heterogene identitaire elementen, naar gelang van de concrete omstandigheden waarin ze zich bevinden.
Nochtans is bijvoorbeeld het onderscheid tussen geloven en niet-geloven vaak een kwestie van leven of dood. Het is dus wel mogelijk om nette indelingen te maken. In sommige culturen doet men dat ook, en daar is het nooit anders geweest. Om dat te weten hoef je geen geschiedenis te studeren: zelfs de lectuur van een kwaliteitskrant kan heel wat leren.
Elk individu beschikt niet over één helder, ondubbelzinnig aflijnbare identiteit, integendeel. Elk individu lijkt identitair nog het meest op een lasagne. Dat wil zeggen dat iedereen - autochtoon of allochtoon, maakt niet uit - zich kenmerkt door een reeks deelidentiteiten, die zoals bij een lasagne in laagjes op elkaar gestapeld liggen. Mensen kiezen voor loyaliteit en engagement aan een hele reeks erg diverse gemeenschappen, groepen of organisaties, die elk hun eigen cultuur genereren.
Mooie vondst van die lasagne, maar helaas niet van R. zelf. Laatst omschreef Matthias Storme (bij "Rondas" op Klara) zich nog op die manier: hij was een “lasagne-nationalist”. Had misschien vermeld kunnen worden? Maar het is een moeilijk vak en onze man sleept zich naar de eindmeet van zijn mini-essay. Toch: in de zin "Elk individu beschikt niet over één helder, ondubbelzinnig aflijnbare identiteit, integendeel" had hij dat laatste woord moeten schrappen. Het verzwakt de kracht van zijn voorgaande vaststelling (waar, het dient gezegd, alweer iets te veel adjectieven in voorkwamen). Maar laten we begrip hebben: elk woord is gewonnen denkt R. want elk woord wordt betaald. Elk woord kost onze auteur ook een druppel bloed en dat voel je als lezer.
Elk van ons deelt sommige van die identificaties met anderen en andere weer niet. Dat hangt af van waar we wonen, van ons temperament, onze zingevingsystemen, ons inkomen, onze leeftijd, onze interesses, ons sociaal en scolair kapitaal, onze hobby's, onze seksuele geaardheid of onze afkomst. Dat is ons pluralisme, onze diversiteit, onze multiculturaliteit.
Nu vraag ik je: zou iemand bereid zijn om een pint te drinken met een kerel die dat soort van banaliteiten debiteert, en die aanstalten lijkt te maken om nog een tijdje door te gaan? Hij vervolgt nu met een blijmoedig paragraafje, helaas alweer ingeleid met een zinnetje dat een redelijke auteur nooit uit zijn pen zou krijgen...
En het interessante daaraan is : tussen die verschillende deelloyaliteiten hoeft geen conflict te bestaan. Het ene sluit het andere niet uit. Mensen zijn niet voor één gat te vangen.

Maar een samenleving kan niet bestaan zonder interne cohesie. In een zo gediversifieerde samenleving is het evenwel niet zeer productief om op zoek te gaan naar een Leitkultur, naar eenheidsidentiteiten of culturele sokkels om die cohesie in te grondvesten. Al die zoektochten naar waarden en normen leveren bitter weinig op, behalve clichés en veralgemeningen waar niemand veel wijzer van wordt. En verder zijn ze toch doorgaans naast de kwestie, omdat ze het individu maar zelden in zijn volheid kunnen vatten.
Hij moet dat woord Leitkultur ergens opgevangen hebben, maar lijkt de term niet "in zijn volheid" te vatten en vangt er verder niets mee aan. Ik heb een suggestie voor een zinnetje in een volgend artikeltje van onze man: “Het begrip Leitkultur moet geproblematiseerd worden”. Zou dat niet sjiek staan?
Daarom is het nodig om de redenering om te keren, door niet uit te gaan van een dominante cultuur, maar van het individu zoals het is. De grondslag voor de maatschappelijke cohesie kan daarom alleen liggen in het volwaardige burgerschap van al wie zich tot de samenleving rekent. Het burgerschap kan iedereen garanderen dat hij of zij zich concreet kan integreren in de samenleving en daarin, in zijn volle culturele veelzijdigheid, een volwaardige plaats kan innemen, als noodzakelijke basis voor zowel respect als engagement.
“het individu zoals het is”? Deze vanzelfsprekendheid zou ik dan weer willen problematiseren.
En wat een vermoeiend baasje toch! “concreet”, “volwaardig”, “volle culturele veelzijdigheid”… het raisonneert maar door. Een teer punt raakt hij overigens aan: nooit eerder werd beschreven dat inwijkelingen zich keerden tegen het land van inwijking, en in volle culturele veelzijdigheid juist een haat ontwikkelden tegen de nieuwe omgeving.

Dat engagement is van belang, omdat burgerschap noch neutraal, noch passief is. Het veronderstelt, om te beginnen, het aanvaarden van de rechten en plichten die voortvloeien uit de brede, ideologische consensus waarop de samenleving zich heeft georganiseerd.

Bovendien krijgt dat burgerschap maar echt een kans als er een eind komt aan de nog altijd bestaande en soms uitdijende vormen van achterstelling, uitsluiting en discriminatie, die eenieders integratie in de weg staan. Pleiten voor een samenhangende, geïntegreerde samenleving is allerminst vrijblijvend. Het is een voluntaristische keuze om niet alleen respect en engagement maar ook solidariteit op te brengen.
Moet volgens R. dan werkelijk iedereen integreren ? Ik ook, jij ook? R.’s begrip “cultuur” blijft te vaag: hij heeft het voor zichzelf nog onvoldoende geproblematiseerd. "Voluntaristische keuze" laat ik onbesproken omdat zijn filosofische belachelijkheid dan al te pijnlijk wordt. Minder adjectieven Marc!

Een gemeenschap ontstaat niet zonder moeite en, letterlijk, niet gratis. De fiscale dogma's van tegenwoordig doen wel eens vergeten dat integratie en solidariteit worden geschraagd door een infrastructuur van gemeenschapsvoorzieningen, van scholen en klinieken en rusthuizen en openbaar vervoer en nog zoveel meer. Maar veel van die infrastructuur staat vandaag te verkommeren en het personeel dat erin actief is, krijgt bepaald geen loon naar werken. De Witte Woede is er om dat laatste te bewijzen.
Ja, dat vergeten wij wel eens, maar nu beseffen wij dat weer ... en nog zoveel meer!

Dat gebeurt door het fiscale dogma dat de overheid financieel zo goed als drooggelegd heeft. Het resultaat is dat die infrastructuur niet langer een factor van integratie dreigt te zijn, maar integendeel een bron van nog verdere maatschappelijke uitsluiting wordt. Dat geldt niet alleen ten aanzien van de zogeheten allochtonen, maar evenzeer van de zogeheten autochtonen. We zitten allemaal in hetzelfde schuitje.
Een paar zinnetjes maar, en alweer stuk voor stuk stilistische uitschieters, want bv. die “dreiging” is juist door de auteur gewenst. Een licht gewijzigde woordvolgorde had hier nog iets kunnen redden misschien… maar is die fiscaliteit werkelijk de enige oorzaak?
De problemen die voortvloeien uit de migratiestromen van de late twintigste eeuw - en die zijn reëel - vormen maar één aspect van de al eerder gegroeide multiculturaliteit. Ze kunnen dan ook alleen in een holistische, brede context met succes worden aangepakt. Wie dat weigert, moet, als het zo is, maar eens de moed hebben om toe te geven dat termen als 'religie' of 'islam' alleen maar codes zijn, maatschappelijk aanvaardbaar lijkende metaforen waarachter niet zelden alleen raciale vooroordelen schuilgaan.
Holistische brede context... juist of onjuist? geen van beide: die zin betekent volstrekt niets. R. plaatst vragen en aanhalingstekens en “zogehetens” bij allerhande begrippen die daar niet om vragen, en hij gaat tegelijk voorbij aan moeilijke zaken. Aristoteles dacht het zijne over zulke manier van redeneren: het is een apaideusia zei hij, een gebrek aan vorming, als iemand vragen stelt bij begrippen die voor iedereen duidelijk en klaar moeten zijn, en anderzijds géén vragen stelt bij zaken die om een bewijs vragen. esti gar apaideusia to mè gignooskein tinoon dei zètein apodeixin kai tinoon ou dei: en ja, dat lijkt me nu een basis van overeenstemming die wij probleemloos als Cultuur kunnen bestempelen. Zo komt ook het bekende “wij-gevoel” tot stand, waar je bv. in Nederlandse, Duitse of Zwitserse kranten over leest.

Politici en opiniemakers moeten de moed opbrengen om hun educatieve taak ernstig te nemen en het idee van het integrale burgerschap voor te leggen aan de brede publieke opinie.
Hier wordt het baasje onbedoeld gevaarlijk, tenminste hij heeft blijkbaar plannetjes. Welnu: politici hebben geen educatieve taak! Die hebben zij enkel in totalitaire systemen maar niet in een democratie. Politici zijn geen leraars en geen opvoeders en geen vadertjes en geen roergangers. Zij moeten de burger niet “bewust maken” van allerhande zaken, integendeel: zij moeten luisteren naar wat er in de bevolking leeft, en vervolgens zelfstandig beslissingen nemen volgens hun eigen geweten en deontologie, onafhankelijk van de publieke opinie of wat daarvoor doorgaat, en daarbij moeten zij hopen dat ze de volgende keer herkozen zullen worden, maar ook die overweging mag niet hun motivatie zijn. En wat mag overigens het adjectief 'integraal' te betekenen hebben? Koekjes worden soms gebakken van “integrale granen” weten wij, met vliesjes en velletjes erbij bedoelt men dan, maar wat betekent dat voor een burger? Eens te meer Marc Reynebeau: met adjectieven toon je je gebrek aan substantie.

Dat is niet eens een onsympathieke opdracht, integendeel, de samenleving heeft er alleen bij winnen.

Hier is geen “integendeel”, maar we weten het: R. kan niet schrijven omdat hij niet zuiver redeneert.
o-o-o-o-o-o-o
...outre qu’il est absurde (ce qui ne ferait pas grand-chose),
il est très long et monotone (ce qui est insupportable).
Ferdinando Galiani, 1771.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html