Posts tonen met het label De Ceulaer | Joël. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Ceulaer | Joël. Alle posts tonen

24 mei 2026

Het raadsel van de anderen


Gisteren was er in Mechelen, in boekhandel De Zondvloed, de voorstelling van het nieuwe boek van Benno Barnard: Het raadsel van de anderen.

De auteur signeerde mijn exemplaar met: ‘Voor de raadselachtige Marc, van de enigmatische Benno’. Dat lijkt mij goed aan te sluiten bij de titel van het boek.

En al heeft Benno me al vaker gezegd dat ik ook eens over iets of iemand anders dan Casanova moest schrijven – en al luister ik gewoonlijk als hij een stilistische aanmerking maakt bij een of andere zin op mijn blog, toch moet ik hier ongehoorzaam zijn.
De schrijfstijl van Barnard wordt algemeen geroemd – Joël De Ceulaer noemt hem zelfs de grootste levende stilist van de Nederlandse Letteren – en dus denk ik dat Barnard het met Casanova eens moét zijn als die beweert dat een auteur maar één stijl heeft: geen auteur heeft er twee, zoals ook geen aangezicht twee uiteenlopende trekken heeft.

Feiten kun je inderdaad liegen, verzinnen, verdraaien en verfraaien, maar stijl dat ben je zelf. Le stile est l’homme même, zei Casanova’s tijdgenoot Buffon in zijn discours de réception bij de Academie française.*
Maar nu over het raadsel van de anderen.

In Histoire de ma Vie laat Casanova ons een brief lezen die zijn grote liefde Henriette hem schreef. Of die brief echt is blijft onbewezen, zo leren ons de geleerden, maar de stijl ervan is prachtig – even mooi als de Brief van Tatiana in Poesjkins Jevgeni Onegin, al zijn die brieven inhoudelijk totaal verschillend.
Op mijn vertaling ervan mag Benno aanmerkingen maken, graag zelfs, maar de Franse tekst is smetteloos. Wát een stilist is Casanova, of wie weet Henriette zelf:
Voici la copie de la lettre qu’Henriette m’écrivait:
(ik cursiveer de zin die mijn ongehoorzaamheid moet rechtvaardigen)

Mijn enige vriend, ik ben het die je in de steek moet laten. Maak je verdriet niet nog groter door aan het mijne te denken. Laten we ons voorstellen dat we een mooie droom hebben gehad, en laten we niet klagen over ons lot want nooit heeft zo’n mooie droom zo lang geduurd. Laten we onszelf prijzen dat we elkaar drie maanden lang volmaakt gelukkig hebben gemaakt: er zijn maar weinig stervelingen die dat kunnen zeggen. Laten we elkaar dus nooit vergeten, en laten we onze liefde vaak in gedachten oproepen om ze in onze zielen te vernieuwen, die, hoewel gescheiden er des te levendiger van zullen genieten. Informeer niet naar mij, en mocht het je toevallig ter ore komen wie ik ben, doe dan alsof je het niet weet. Weet, mijn beste vriend, dat ik mijn zaken zo goed op orde heb dat ik de rest van mijn leven gelukkig zal zijn, voor zover ik dat zonder jou kan zijn. Ik weet niet wie je bent; maar ik weet dat niemand ter wereld je beter kent dan ik. Ik zal in mijn hele verdere leven geen minnaars meer hebben, maar ik hoop dat jij niet van plan bent hetzelfde te doen. Ik wens dat je weer zult liefhebben, en zelfs dat je een andere Henriette zult vinden. Adieu.
_________
* Al bedekt men tegenwoordig verkeerde citaten in plechtige redevoeringen met de mantel der liefde: men schreef toen inderdaad nog stile en niet style.

Het raadsel van de anderen
2026, uitgeverij Atlas-Contact, Amsterdam/Antwerpen

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013

13 mei 2025

Sporen van spot en satire

 Wellicht, lezer, staan er ook in uw bibliotheek boeken die u maar ten dele gelezen hebt. Bij mij zijn dat vaak kronieken, dagboeken, cahiers en dergelijke. Bijvoorbeeld van Hugo, Stendhal, de Goncourts, Cioran, Renard en een paar anderen. Briefverzamelingen zitten daar ook bij, zoals die van Maistre, of encyclopedische geschriften zoals Burton met zijn Anatomy of Melancholy.

Uitzonderingen zijn er hier en daar wel: de hagiografie van Boswell over Dr. Johnson bijvoorbeeld, ook een soort dagboek, of zelfs die van Eckermann over Goethe kun je vlot lezen, zij het niet in één ruk.

In geen geval zou ik die soms amper gelezen boeken willen missen. Telkens als je ze openslaat, maakt niet uit op welke pagina, valt je oog op iets merkwaardigs of grappigs.

Nu had ik dat weer met die kladschriftjes van Georg Christoph Lichtenberg, zijn Sudelbücher. Daarin zegt hij iets over de esoterische filosoof Jacob Böhm, en Lichtenbergs commentaar, als mens van de Verlichting, lijkt me ‘sporen van spot of satire’ te vertonen, als ik die uitdrukking even mag lenen van een te onzent bekende senior writer

De onsterfelijke prozawerken van Jacob Böhm zijn een soort picknick waarbij de auteur de woorden (het geluid) levert en de lezer de betekenis. Wil hij dat niet, of kan hij dat niet, dan blijft dat maar zo. Voor zo’n kransje zijn er altijd wel mensen te vinden.

 



Georg Christoph Lichtenberg
Sudelbücher
Herausgegeben von Wolfgang Promies
München, 2005, Deutscher Taschenbuch Verlag


3 mei 2025

Kanselier Helmut Schmidt was niet 'woke'


Dat velen de nood voelen aan een nieuwe Hitler, heeft die professor in de onderhandelings- en bemiddelingstheorie wel bewezen door J.D. Vance zo te noemen in De Morgen bij De Ceulaer. Geen beste bemiddelingstechniek, en bijster verstandig al evenmin.

De Duitse Veiligheidsdienst* ging niet zover ook Alice Weidel met die naam te vereren, maar klasseerde haar partij, de AfD, wel als rechts-extreem, dus staatsgevaarlijk. Dit betekent onder meer dat personeelsleden van openbare diensten nu ontslagen kunnen worden als er een lidkaart bij hen wordt aangetroffen. Helaas zijn de argumenten voor die classificatie als rechts-extreem niet openbaar gemaakt (wat op zich misschien ook staatsgevaarlijk zou zijn).

We mogen aannemen dat wijlen Helmut Schmidt evengoed in hun vizier was gekomen, mocht hij vandaag nog kunnen herhalen wat hij bij Sandra Maischberger van de ARD nog zo onbevangen mocht verklaren in 2010:**

Sandra Maischberger: Hebben wij dan geen immigratie nodig naar uw mening? Omwille van de vaklui of de arbeidsmarkt?

Helmut Schmidt: Nee. Immigratie uit vreemde beschavingen levert meer problemen op dan ze voor ons positieve effecten kan hebben op de arbeidsmarkt. Immigratie uit verwánte beschavingen, uit Polen bijvoorbeeld, is probleemloos. Bijvoorbeeld uit Tsjechië, is probleemloos. Bijvoorbeeld uit Oostenrijk, is probleemloos. Uit Italië, is probleemloos. 

Het begint bij iets oostelijker streken. Bijvoorbeeld immigratie uit Anatolië is niet volslagen probleemloos. Immigratie uit Afghanistan brengt aanzienlijke problemen mee. Immigratie uit Kazachstan brengt problemen mee. Dat zijn andere beschavingen. Niét vanwege hun andere genen, niet vanwege hun andere afstamming, maar vanwege de wijze, de manier waarop zij als zuigeling, hoe zij als klein kind, hoe zij als schoolkind, hoe zij als kind in hun familie zijn opgevoed.

___________________
 
  * Sicherheitsdienst, of misschien Sicherheitspolizei, om met professor Alain-Laurent Verbeke te spreken.
** Het hele gesprek is hier te zien, en het geluidsfragment komt na 1u02'48". Maischberger publiceerde ook een mooi interviewboek met Schmidt.

9 februari 2025

Liever een smartlap dan een sermoen


Hoeveel mensen volhardend het wekelijkse sermoen van E.H. Joël De Ceulaer bijwonen weet ik niet, maar zelf doe ik het wel eens en zoek dan naar sporen van satire of ironie in zijn homilie. Voorlopig vergeefs moet ik bekennen, maar het valt niet uit te sluiten dat een getalenteerde spoorzoeker als Witte Veder (de indiaanse vriend van Arendsoog, in de katholieke boeken van Johannes en Paulus Nowee) er wél zou vinden.

7 januari 2025

'Manspreading' is geen alleenstaand probleem


Er bestaan landen waar vrouwen niet in het openbaar mogen praten, laat staan lachen of zingen, en waar zij haar aanminnige verschijning deels of geheel moeten verbergen. Onze Europese feministen huldigen hierbij een aloud en eerbaar standpunt: s lands wijs, s lands eer. Terecht, tenslotte hebben zij wel andere problemen aan het hoofd.

Zo kaartte een jaar of tien geleden de Klara-presentatrice Heleen Debruyne het probleem van de manspreading aan. In Humo was dat meen ik, of anders in De Morgen, of anders nog elders. Het begrip manspreading was een goede tien jaar eerder al verspreid door Amerikaanse feministen en vervolgens overgewaaid naar de Oude Wereld, maar ik was Heleen hiervoor wel dankbaar. Ik verkeerde toen immers nog in onwetendheid. Volslagen onbewust van deze misstand. En al praktiseerde ik de wijdbeensheid niet altijd en overal, helemáál onschuldig was ik ook niet.

Manspreading is helaas niet het enige probleem dat onze moderne, westerse feministen koppijn bezorgt. In Le Monde zag ik een mooi artikel van hun chroniqueuse 'Guillemette' Faure, die nog een andere degoutante kwestie aansneed.

Misschien zullen sommigen haar artikel als satire beschouwen, maar net als bij de senior writer van De Morgen lijkt me dat een miskenning van haar eerlijke verontwaardiging, en een overschatting van haar stilistisch vermogen.*



Die venten** die met één hand een poussette*** duwen: “Als je beide handen gebruikt moet je je vooroverbuigen en daar draait je rug voor op, net als wanneer je de afwas doet.”

Ongegeneerd sturen veel vaders ostentatief hun poussette met één hand. De houding van deze ‘één-hand-duwers’ is verre van onbeduidend, en lijkt een vorm van afstand tot hun vaderschap aan te geven.

________________  
    * Al is haar stukje wél stukken grappiger dan zondagspreekjes in briefvorm.
  ** Daron is jongerentaal, argot. Oorspronkelijk: eigenaar-bewoner van een manoir. Pas begin deze eeuw kregen daron (en daronne) de betekenis van ‘ouder’. Vaders klonk mij hier te plechtig.
*** Een buggy dus, maar waarom altijd aan het Engels ontlenen?

29 november 2024

Niet alleen in Frankrijk, ook in Duitsland beweegt heel wat

Eric Gujer is chef-redacteur van die krant, en bij de komende verkiezingen in Duitsland voorziet hij een afstraffing voor de Ampelkoalition van socialisten, liberalen en groenen. Nu voorziet iederéén dat debacle wel, maar hij verwoordt het naar mijn smaak grappiger. Een bij ons redelijk bekende senior writer zou hier met recht kunnen spreken over 'sporen van satire'.

De situatie in Duitsland is behoorlijk grimmig.
De schuldigen zijn tenminste duidelijk.

[…] Scholz en Habeck staken zelfs de draak met wie kritiek leverde. De kanselier spotte dat de klacht de groet van de koopman was.* De minister van Economie wuifde de bezorgdheid weg met de luchtige opmerking dat bakkers niet failliet gaan zonder klanten, ze verkopen alleen geen broodjes meer. Met de bakkersjongen Habeck bakt Duitsland alvast veel kleinere broodjes.** […]

Minister van Financiën Christian Lindner ziet zichzelf als de meest onschuldige van de drie onschuldige slachtoffers. De liberalen proberen de indruk te wekken dat ze niets te maken hadden met de magere balans. Maar voor een coalitie geldt hetzelfde als voor een dievenbende: samen geklist, samen gehangen. […] De SPD, de Groenen en de FDP zullen een pak stemmen verliezen, en zullen in de nederlaag nog voor een laatste keer verenigd zijn. […]

De Zwitsers willen meer pensioen, maar niet meer snelwegen: het verleden in plaats van de toekomst. Uitbouw van de infrastructuur is taboe omdat zoiets meer immigranten zou kunnen aantrekken. Zwitserland is bang voor de gevolgen van groei. In Duitsland kun je zien wat er gebeurt als groei uitblijft.

____________

  * niet italiek in de tekst, ook verderop niet.
** kleinere Brötchen backen: nicht prahlen, sich zurücknehmen.


30 september 2024

Een briefje aan Joël de Ceulaer


De paus en zijn kerk aanvallen is in onze dagen ongevaarlijk, beetje goedkoop, wat afgezaagd zelfs. Een atheïst die niet in god gelooft (om met padre da Costa te spreken) laat zich daar niet mee in, en al zal hij vanzelfsprekend kritiek hebben, hij zal in geen geval naar onbehouwen, en bijgevolg futiele termen en vergelijkingen grijpen. Tenslotte zijn hier ook niet veel katholieken meer – wat er nog rest is ongevaarlijk en we hebben wel andere zaken aan ons hoofd.
In de achttiende eeuw, tot zelfs halfweg de negentiende was dat nog anders. Wie toen kritiek had op de kaloten moest omzichtig te werk gaan. Goede schrijvers grepen naar de satire als wapen, maar ze waren wel zo verstandig om dat niet met zoveel woorden aan te kondigen.


Talloze voorbeelden kun je geven, en een van hen is de Duitser Rudolf Erich Raspe. Raspe is de auteur van Baron Munchausen's Narrative of his Marvellous Travels and Campaigns in Russia, een klein boekje, small 8vo.
Hij schreef het in Cornwall, waar hij als geoloog en mineraloog voor de mijnbouw werkte. Raspe was een Europees bekende wetenschapsman, een professor met vele publicaties op zijn naam, en een kind van de Verlichting.*
Het werk werd in Londen in 1785
anoniem gepubliceerd. De Engelse lezers waren op slag verkocht, en aan de snel opeenvolgende uitgaven voegde Raspe telkens enkele avonturen toe. Alles wat hem ergerde nam hij op de korrel, net als de baron, die verwoede jager.

Als Munchausen op weg naar Sint Petersburg, na een barre nacht met meters sneeuw, op een kerkhof ontwaakt en zijn paard aan de kerktoren ziet bengelen, want alle sneeuw was weggesmolten, pakt hij zijn pistolen en schiet het halster van het paard kapot. De baron staat op gewijde grond, schiet op de kerk, op het kruis van de weerhaan, en zet zijn tocht bedaard verder.

De dag voordien nog had hij een arme Pool in een greppel zien liggen, verstijfd van de kou, en al was hijzelf even verkleumd, hij gooide zijn mantel over hem heen. 
In de grappige Bomansvertaling lezen we:
Terstond klonk er een stem uit de hemel, die sprak: ‘Ik mag verdoemd zijn, mijn zoon, als ik je dit niet vergelden zal.’
Raspe schreef inderdaad: “I'll be damned my son if I do not reward it in time.”  In de Amerikaanse uitgave echter viel de term damned weg: You will be rewarded, my son, for this in time.” Voor hen had Raspe zich te ver gewaagd met zijn verwijzing naar Sint Maarten en die hemelse stem.**

Later, in een jachtavontuur, had hij al zijn munitie voor die dag vermorst, en zag tegen de avond een prachtig hert. In arren moede beschiet hij het nog met een kersenpit maar het dier ontkomt. En zie, datzelfde hert ontmoet hij later weer, en tussen zijn geweitakken groeit een kersenboom.
Zoals wij weten had lang vóór de baron ook de aanvankelijk nog heidense Hubertus bij de jacht een hert gezien, met tussen zijn gewei niet een kersenboom maar een stralend kruis. Hubertus bekeerde zich terstond, werd later bisschop en zelfs heilig. De baron weet dat ook, en vraagt zich af waar dat hert dan mee beschoten moet zijn, maar het antwoord op die vraag laat hij aan de lezer over.
____________
* Lid van de Royal Society, kende bijvoorbeeld Benjamin Franklin en James Watt, schreef over geologie en vulkanologie, vertaalde Lessings Nathan der WeiseNathan the Wise: a Philosophical Drama, London, J. Fielding, 1781. Leibniz vertaalde hij uit het Latijn want wetenschappelijke kennis moest voor iedereen toegankelijk worden. Meer over deze bijzondere man in:



Der Münchhausen-Autor Rudolf Erich Raspe
Wissenschaft - Kunst - Abenteuer
Andrea Linnebach, Hg.
Euregioverlag, Kassel 2005


** Jeroen Brouwers vertaalde: 'De duivel moge me halen, ouwe jongen, maar dit blijft niet onbeloond.' Zowel Brouwers als Bomans steunen mede op de Duitse uitgave (1786) van Gottfried August Bürger (1747-94).

27 september 2024

Het ging Joël zijn krachten te boven

 

Wie zoals Joël De Ceulaer zichzelf verplicht heeft om in de gazet week na week een briefje te zetten, en eigenlijk nog niet helemaal klaar is met het katholicisme en zich daar uit alle macht tegen wil afzetten, vervalt bij zoiets als het bezoek van Georges Bergoglio aan dit land makkelijk in vergelijkingen en hyperbolen die wat infantiel aandoen.

Joël had een volwassener indruk gemaakt als hij heel dat ‘historische bezoek’ (krantentaal) lichtvoetig had aangepakt, maar wat je altijd zult zien: als boven een rubriek 'satire' staat ...is het laatste wat je zult aantreffen iets dat daarvoor zou kunnen doorgaan.

Onze man lijkt ook niet te beseffen dat onbehouwen geschrijf helemaal niet adequaat is. Satire is een discipline die te veel van hem eist. Voorbeelden, oude en nieuwe, zijn er nochtans veel, maar daarvoor moet je enige, liefst klassieke literatuur achter de kiezen hebben.

Nee, Joël, het is mooi dat je je best hebt gedaan, en laat je door deze kritiek niet ontmoedigen, plus est en vous, maar zo gaat het nu eenmaal niet.


24 oktober 2023

Joël hoort bij de preciezen, niet bij de rekkelijken

 

Wie vragen zou hebben bij de representativiteit van de Vivaldiploeg in Vlaanderen, kan in zijn naïviteit de verkiezingsuitslag van 2019 erbij halen. Hij ziet dan dat twee van de acht ministers samen 91.221 stemmen behaalden (ik reken de Brusselse stemmen voor Écolo nu even bij Vlaanderen als iedereen dat goed vindt). 

Dat aantal kan henzelf véél, en anderen weer weinig lijken, maar net als wij moeten zij afwachten of bij een volgende verkiezing het een even mooi resultaat wordt.


A. De Croo

V. Van Peteghem

F. Vandenbroucke

P. De Sutter

P. Van Tigchelt

A. Verlinden

C. Gennez

T. Vanderstraeten

VLD

CD&V

SPA

Groen

VLD

CD&V

SPA

Écolo

80.283

nul

nul

nul

nul

nul

nul

10.938



Overigens riskeert de onverlaat die zulke vragen stelt de bekende Joël de Ceulaer in het harnas te jagen.* Voor hem is er geen probleem (Joël zwemt in puur legalisme, blijft bij de lettertjes van de wet en andere overwegingen tellen niet) en hij is bereid, lezen we in een tweet van hem, dit aan iedereen, ook aan politicologen eens goed uit te leggen. Zij krijgen zelfs korting op het cursusgeld.

_____________
* Senior writer bij De Morgen – wat die term betekent weet ik niet, en kennelijk bezit het Nederlands geen equivalent.


20 september 2019

Iets te vanzelfsprekend


In een filmpje dat Joël De Ceulaer maakte en waarin hij zijn recente boek samenvat, zegt hij dit:

'Het derde gebrek van de democratie is dat ze fundamenteel onrechtvaardig kan zijn. Als de wil van de meerderheid niet in toom gehouden wordt door de rechtsstaat, dan kunnen er ongelukken gebeuren. Dan kan het heel slecht aflopen met de rechten van minderheden en individuen. Ik hoef daar in deze tijden geen tekening bij te maken. Dus de macht van de massa, die essentieel is in de democratie, moet worden tegengewerkt door de kracht van de rechtsstaat. Zonder de rechtsstaat, zonder die bescherming van minderheid en individu is de democratie geneigd om onrechtvaardig te worden.'



Vraag is dan waar die rechtsstaat vandaan komt. Is die voorafgaand aan de democratie? Is hij misschien met ondemocratische middelen tot stand gekomen en gunt hij de democratie slechts een beperkte speelruimte? Met wetten die door rechters zijn gemaakt? Of is die rechtsstaat een natuurrechtelijk begrip, een gegeven, een evidentie 'waar geen tekeningetje bij nodig is'?

De Ceulaer komt hier ongewild dicht in de buurt van het absolutisme of de oligarchie, of zelfs –wat hem vaker overkomt– van de theologie.

We zullen er Montesquieu en Tocqueville op moeten naslaan, of zelfs de ouden, Plato of Aristoteles en Polybius...
_________
Noot:
Omdat enkele vrienden me zegden dat die 'theologie' niet meteen duidelijk was, voeg ik dit toe: theologie is bij Joël nooit veraf (al zal hij dat met verbazing vernemen wellicht). Onze man zou denkelijk bij Joseph de Maistre (hij zou die eens moeten lezen) steun hebben gevonden voor zijn visie dat 'de democratie' in toom moet worden gehouden door ...iets externs, iets van buitenaf, eventueel van bovenaf dus, zoals de Voorzienigheid van Maistre. Anderzijds: mogelijk volstaat een gouvernement des juges wel voor hem?
Maar na de lofrede van Rik Van Cauwelaert moet ik het boek misschien toch eens lezen, want zo'n filmpje zegt niet alles.

1 februari 2019

Joël en Gwendolyn


Joël De Ceulaer – een journalist van De Standaard en Knack, maar nu van De Morgen – is boos op Gwendolyn Rutten.
Als u of ik boos worden, dan gaat het bijna altijd om banale kwesties, geld bijvoorbeeld, of bij autobezitters om een parkeerplaats. Bij Joël echter spelen edeler thema’s: hem gaat het altijd om de grote morele vragen van onze tijd.
Nu las ik opTwitter een paar uur geleden: ‘Beste Gwendolyn Rutten, geen grammetje mededogen had u met dat kind. Wel, ik ook niet meer met u.’

Dat maakte me nieuwsgierig, want ik vroeg me af of Gwendolyn dat mededogen van Joël ergens voor nodig mocht hebben. Er ging van die Tweet toch een bepaalde dreiging uit, niet met zoveel woorden een fysiek dreigement – politiebescherming leek me onnodig – maar toch een bedreiging. Ik vreesde nu voor Gwendolyn dat een van die geduchte artikels van Joël er zat aan te komen.

En even later las ik het opwarmertje op de site van De Morgen: ‘Bon. Als u geen mededogen hebt met een achtjarig meisje dat dreigt te worden uitgezet naar een land waar ze nog nooit is geweest, dan heb ik ook geen mededogen meer met u. Dan neem ik u niet langer in bescherming voor de flaters die u ooit hebt geslagen terwijl ik u zat te interviewen. Aan mijn discretie komt hier en nu een einde.’

Hier rijst een vraag over journalistieke deontologie, een soort morele kwestie dus, en het antwoord op die vraag wist zelfs Karel van het Reve niet, zoals u hieronder zult horen:



10 april 1984

21 juni 2016

Een halve bekering


Joël De Ceulaer en Filip Dewinter hadden daarnet een debat op VTM, onder leiding van Jan De Meulemeester, en daaruit dit fragmentje:



Joël De Ceulaer: En wat nu gebeurt in de rest van Europa en in de Verenigde Staten, met Trump enzovoort, als je daarover leest nu, dan spreekt men inderdaad over Frankrijk en over Wilders en over Oostenrijk enzoverder, maar, ere wie ere toekomt – enfin, hoe akelig dat ook klinkt want ik vond dat bijzonder ongunstig natuurlijk, dat mag wel duidelijk zijn – maar Vlaams Blok was eerst hé, Vlaams Blok was vóór Pim Fortuyn en vóór Geert Wilders, en vóór Oostenrijk en FN…
Filip Dewinter: Dat is juist.
Joël De Ceulaer: …in Frankrijk. Dat is zo. Dus in feite, wat nu gebeurt in Europa, dat hebben wij in Vlaanderen al eens meegemaakt, en de partij zal opnieuw stijgen, dat maakt me niet bang. Waarom niet? Omdat ze vastzit in het cordon sanitaire, daarin zal blijven vastzitten, en de instellingen en de democratie robuust genoeg is gebleken om zo’n partij uit te zweten.

Opmerkelijk dat Joël De Ceulaer in de eerste minuten van het gesprek het cordon médiatique, waar hij en alle journalisten jarenlang bij hebben gezworen, resoluut afwees als zijnde contraproductief, schadelijk dus. Maar op het cordon sanitaire blijft hij rotsvast vertrouwen. Misschien gelooft hij het zelf wel – of toch half en half – van die robuuste instellingen en die stevige democratie, maar wat moeten we van dat "uitzweten" maken? In welke zin hebben zijn robuuste structuren een partij uitgezweet waarvan hijzelf zegt dat ze flink zal groeien, en de "invloedrijkste politicus van de voorbije dertig jaar" heeft voortgebracht?

22 maart 2016

Wie zijn geloof afzweert is het daarom nog niet kwijt


Joël De Ceulaer was nogal snel met zijn voorstel
om Bart Somers aan een deeltijdse job te helpen

“En toch mogen we ons niet laten intimideren door de haatpredikanten die roepen dat ze het altijd hebben voorspeld, dat de islam nu eenmaal niet thuishoort in Europa en dat de multiculturele apocalyps onafwendbaar is”lees ik vandaag bij Joël De Ceulaer.

Op te merken valt dat wie iets voorspelt en naderhand de feiten lijkt mee te krijgen, altijd banbliksems over zich heen heeft gekregen. We zullen hier geen oude Grieken citeren, maar dat zo iemand dan “haatpredikant” genoemd wordt is normaal. En die predikant heeft dan ook geroepen, niet gesproken. En hij heeft geprobeerd onschuldige zielen te intimideren, weliswaar enkel met woorden, maar niettemin.

En ongetwijfeld noemde die predikant de islam bij naam, en deed hij dat jaren aan een stuk, en gebruikte hij nooit de eufemistische termen “islamist” of “extremist” of “wahhabist” of “terrorist”, omschrijvingen waar journalisten zo tuk op zijn. Goed, maar dat waren zoals gezegd enkel woorden, die predikant gebruikte geen kogels en geen spijkerbommen, geen echte dingen dus.


Toch is hij de echte schuldige voor die echte dingen, vindt De Ceulaer: in zijn stuk komt de islamleer helemaal niet voor. Die leer en traditie spelen voor hem geen rol en blijven buiten beeld.

Wat hij wel doet als er echte dingen gebeuren in de echte wereld, is de schuld verschuiven, of proberen te verschuiven. Ik heb daar begrip voor: Joël is een goede katholiek, al zegt hij dat hij zijn geloof heeft afgezworen, en het liefst van al wil hij dus zijn biecht spreken, al zijn Westerse zonden bekennen en dan vergiffenis krijgen en naar de hemel gaan. Daarin verschilt hij niet van de meeste andere journalisten moet gezegd worden, want die leven allemaal onder één dak – in één mystiek lichaam – al wisselen ze wel eens van redactielokaal. Bonnet blanc ou blanc bonnet, wat maakt het uit?

Nu moet ik nog een citaat opsnorren, want dat doe ik graag en het staat altijd chic.

Bon, Simenon dan. Die schreef ooit in zijn « Crime Impuni » (Presses de la Cité, 1954): « La grande faute, c’est d’accorder l’impunité, parce que alors tout est faussé et que ce sont les innocents qui se prennent pour les coupables, qui deviennent coupables, au fond, par faiblesse. »
[De grote vergissing is het straffeloosheid te verlenen, want dan wordt alles vertekend en zijn het de onschuldigen die zich voor schuldig houden, en in wezen schuldig worden, door hun zwakte]

Joël mag nog zo zijn best doen, maar die zwakte laat ik me als ongelovige niet aanpraten.


14 oktober 2015

Een oude hagedis antwoordt Joël De Ceulaer


Net zoals Joël De Ceulaer, maar enige tijd voor hem, behandelde Heinrich Heine het vraagstuk van het menselijk denken. Hoe ontstaan denkbeelden, meningen, filosofieën, ideologieën enzovoort. Hij deed dat in een reisverslag, Italien III, Die Stadt Lucca, Kapittel II, 1830.

Heine zelf is er niet uitgekomen, maar op zijn tocht door Toscane kwam hij gelukkig een oude hagedis tegen die hem een en ander wist te verklaren. Anders dan de scannende onderzoekers waar De Ceulaer naar verwijst, droeg zij geen witte jas –ze had ingewikkelde kleurpatronen op haar staart– maar ze had wel evengoed anatomische onderzoekingen verricht. Daar had zij andere dingen uit geleerd dan wat de geleerden vandaag constateren:

En als resultaat van al mijn waarnemingen, experimenten en anatomische vergelijkingen, kan ik u stellig verzekeren: geen mens denkt, enkel valt de mens af en toe iets in, en die onschuldige invallen noemen ze gedachten, en het aaneenrijgen daarvan noemen ze denken. Maar u mag het in mijn naam doorvertellen: geen mens denkt, geen filosoof denkt, noch Schelling noch Hegel denkt, en wat hun filosofie zelf betreft, die is zuiver lucht en water, zoals de wolken des hemels; ik heb al talloos vele van die wolken trots en zelfverzekerd boven mij zien voorbijtrekken, en de volgende ochtendzon heeft ze opgelost tot hun oorspronkelijke niets; – er is maar één ware filosofie en die staat, in eeuwige hiërogliefen, op mijn eigen staart.



13 oktober 2015

Waar komen gedachten vandaan?


Waar komen meningen vandaan? vraagt Joël De Ceulaer zich af in Knack, en op zijn vraag gaf hij al enkele, helaas reductionistische en bijna naïeve antwoorden. Mij lijkt de eerste vraag trouwens niet die naar de herkomst van meningen, maar die naar de herkomst van ideeën en verklaringen in het algemeen.
De grote Franse wiskundige Jacques Hadamard vroeg destijds aan een honderdtal wetenschappers, wiskundigen, natuurkundigen, scheikundigen enzovoort, hoe zij tot een bepaald inzicht waren gekomen. Hij schreef daarover een prachtig boekje, ook leesbaar voor een lekenverstand: Psychology of Invention in the Mathematical Field (Princeton University Press, 1945), heruitgegeven door Dover in 1990. Helaas kan ik mijn Doverboekje niet meer terugvinden, terwijl ik een paar honderd boeken zie staan die ik helemaal niet wil zien nu.
Het prachtigste verhaal daarin vond ik, was dat van Friedrich August Kekulé von Stradonitz, de man die de structuurformule van benzeen beschreef. In een droom zag Kekulé een slang in haar eigen staart bijten. Hij had die nacht gedroomd van de oude ourobóros ófis, ουροβόρος όφις, en zo vatte bij hem de “mening” post dat die benzeenmolecule wel eens ringvormig kon zijn, wat nog helemaal bewezen moest worden.

Mij lijkt het nu, dat we bij zulke belangrijke vragen misschien evengoed te rade kunnen gaan bij dichters. Ook bij hen lijkt een eureka de enige uitleg. Hieronder legt Brassens uit hoe hij verzen maakt, die plots uit de lucht lijken te vallen, niet zonder voorafgaand denkwerk natuurlijk, maar wel zonder reductionistisch gedoe, en hoe hij daarbij in het gareel wordt gehouden door het rijm en de structuur van wat hij al heeft, zoals ook het speelveld van wetenschappers beperkt wordt door hun eerdere observaties en zij toch volkomen vrij blijven binnen dat veld. Hij deed dat in een gesprek met Philippe Nemo, voor France Culture in 1979. Misschien kunnen onze metrum- en rijmloze gedichtenschrijvers van vandaag hier ook nog iets mee:



Je passe mon temps à inventer des choses, j’ai beaucoup d’imagination. Heureusement le ciel m’a doté d’une imagination extraordinaire. Si j’écrivais en prose, j’écrirais des trucs sûrement pas mal. Parce que je… encore que le vers parfois vous permet de trouver des images que…
Qui vont au-delà au fond de que…
Oui, qui vont au-delà et que vous n’auriez pas trouvées sans la nécessité qui vous aide à les incorporer dans le vers. Vous êtes… vous avez commencé une strophe, vous avez trois vers, par exemple, je trouve trois vers qui me plaisent. Il m’en faut quatre. Parce que on pourra faire ce qu’on veut, avec la musique on est obligé de faire des choses à peu près carrées. Enfin, moi je suis obligé. Par exemple Kosma n’y était pas obligé, le musicien Kosma n’était pas obligé. Il pouvait faire de la musique sur Prévert. Moi j’en serais absolument incapable. Je ne pourrais pas écrire comme Prévert, d’abord parce que je n’ai pas son talent, et ensuite parce que je n’aurais pas le talent de musicien pour arriver à rendre carrées, vous voyez, ces choses-là. Alors, j’ai trouvé trois vers, et il m’en faut un quatrième. Il me le faut absolument. Alors pendant trois-quatre-cinq-six jours j’y réfléchis. Je ne trouve rien. Ça m’est arrivé pour la Supplique ça. Pendant très longtemps j’avais fini cette chanson, mais je ne l’avais pas commencée. Je n’avais pas trouvé l’introduction, l’entrée en matière, les premières strophes, ni la dernière. Et pendant quatre ans elle est restée dans mes cahiers, je l’ai négligée, d’ailleurs au profit d’autres chansons.
La camarde, qui…
qui ne m’a jamais pardonné, d’avoir semé des fleurs dans les trous de son nez[te horen op 1u2'50"] oui mais ça je n’avais pas trouvé, je ne l’ai trouvé qu’à la fin. Mais il faut dire, je ne m’inquiétais pas outre mesure. Je sais, depuis longtemps d’ailleurs, qu’il vaut mieux commencer un poème à l’envers et remonter le courant là. J’ai su ça, j’ai su ça et m’en suis aperçu d’abord tout seul, et puis ensuite un beau jour je me suis aperçu que ça coïncidait évidemment avec, avec de la théorie d’Edgar Poe, Le Corbeau, enfin ça… que je n’ai lu que dans la traduction de Baudelaire.
Ça prouve que le poème est un peu en dehors du temps.
Bien sûr, tout à fait en dehors du temps, bon, j’ai trouvé trois vers, il m’en faut un quatrième, et je ne le trouve pas, et ça me fait râler. Et, et je cherche. Et puis je laisse tomber, j’attaque une autre chanson. Et pendant que je fais ça le temps passe et, signé mon contrat, il faut toujours que je fasse ma rentrée à Bobino. Et puis tout d’un coup, je disais bon dieu, si, si tu pouvais dire ça de cette manière-là, si tu pouvais faire par exemple un alexandrin là, au lieu d’octosyllabes, tu pourrais le finir, la finir comme ça ta strophe.
Et du coup, vous devez changer la musique alors ?
Non, et du coup j’ai pas encore fait la musique, je ne fais la musique qu’après. Et du coup, je, je fous mon poème en l’air et je trouve quelque chose de mieux que mes trois vers. Et parfois mes trois vers disparaissent complètement, et parfois l’idée même, l’idée même de ces trois vers disparaît, au profit de ce dernier vers. Alors je remonte et je trouve autre chose de beaucoup mieux.
Alors là, encore une fois, c’est la rime qui vous a donné non seulement votre mot, mais même votre idée.
C’est pas la rime, c’est la nécessité de mettre dans un cadre quelque chose.

9 februari 2013

Ex abundantia


Een rechtgeaarde persoon zal het betreuren, maar dat neemt niet weg dat er mensen bestaan die twijfels hebben bij het niveau en de bekwaamheid van onze Vlaamse journalisten.
Ik vraag mij af: wat kan zulke twijfelaars bezielen?
Nemen wij die kwestie laatst van de hypothetische loketjanet in Antwerpen. Dat was een onderwerp dat onze Vlaamse journalisten perfect lag, en ik wil de eerste nog zien die iets kan aanmerken op de analyses die Sturtewagen en Desmet daarbij ten beste gaven.
Ja, van Naegels kwam er iets lelijks, maar dat is een zeur.

En ook op een iets lager niveau dan dat van de hoofdredacties waren er mooie analyses. Luisteren wij bijvoorbeeld even naar Joël De Ceulaer, de man van de mindfulness of mondvolheid, die niettemin stevig staat in zijn geloof dat hij ongelovig is, en die ook even geloofde zelf hoofdredacteur te zullen worden van een weekblad maar sindsdien veel naar zijn tv kijkt. Zo veel zelfs dat hij tenslotte er zelf op kwam, gezeten achter zijn pc en voor zijn boekenkast.

Het is spijtig lezer, dat wij hier enkel klank hebben want het bewegende tv-beeld met al die kraaknette, ongeschonden ruggetjes van zijn boeken was sterker:



Bon, zonder beeld dan: iedereen is blij mag ik ongetwijfeld zeggen, als hij een mooie verbogen vorm te horen krijgt zoals "ten overvloede" want met verbuigingen gaat het vaak mis. En toch, hier had ik Joël liever "ex abundantia" horen gebruiken.
Zijn redenering staat als een huis, daar gaat het niet over, en een kleine week geleden was ze ook nog geen irrelevantie, maar zoals een dichter zei: "in het Latijn, kan het niet gelogen zijn".
Joël zijn bewijs ten overvloede had erbij gewonnen als hij even naar de taal van Vermeersch en De Wever had teruggeschakeld.

o-o-o-o-o

noot van 12 februari: ten behoeve van diegenen die met een IPad lezen, en dus geen mp3-bestanden kunnen horen, transcribeer ik wat Joël vertelt in het bovenstaande klankfragment:
"Bart De Wever, de burgemeester van Antwerpen, en de belangrijkste partijvoorzitter, euh voorzitter van de grootste partij van Vlaanderen, verlegt een grens in het neutraliteitsdebat, en het neutraliteitsdebat zal in onze diverse samenleving alleen maar belangrijker worden. Dat is een van de redenen waarom die uitspraken bijzonder nieuwswaardig waren. Het feit dat we er al vijf dagen over bezig zijn, bewijst dat, euh ten overvloede ook hé."
Ik zou ook de andere redenen voor die nieuwswaardigheid graag van hem vernomen hebben, maar dat is wellicht voor een volgend interview.


5 september 2012

Dallas

.
Vanaf 1979 hield Karel van het Reve op de Nederlandse Wereldomroep zijn landgenoten in de Overzeese Rijksdelen op de hoogte van wat er in het vaderland omging. Hij deed dat 12 jaar lang en zijn radiopraatjes duurden telkens drie of vier minuten. Hij sprak over alles: Haagse politiek, Amsterdamse politiek, journalistiek, de Elfstedentocht, krakers, het Nederlandse volkskarakter, de universiteit, naaktstranden, soms ook over televisieprogramma’s.

Omdat ik nu –via Linda De Win en Joël De Ceulaer– op twitter lees dat de serie Dallas weer op de buis is (dat heette toen zo), en ik hun beider enthousiasme zie, geef ik een klacht die Karel van het Reve toentertijd had over deze serie:




De meeste van zijn radiopraatjes staan in de bundel Luisteraars! (van Oorschot, 1995), maar eigenaardig genoeg ontbreekt dit stukje. Elke journalist en elke schrijver zou er meen ik goed aan doen, als hij deze tekst zelf maar eens transcribeerde.
.

25 juli 2012

Joël en de optatief

.
Journalisten gebruiken courant de stellende wijs, de indicatief. Als voorbeeldzin kan dienen: “Dat is er gebeurd.” Ook ingewikkelder zinnen als: “Ik meld dit nu, omdat het zonlicht niet te ontkennen valt, maar liever zwijg ik over zulke zaken”, horen bij de stellende wijs, zelfs al wordt in het tweede zinsdeel niet veel opzienbarends gesteld.
Inhoudelijke aspecten en grammatica kunnen ver van elkaar staan, en dat mag tegen het gevoel ingaan maar er is niets aan te doen. Dus ook een zin als: “Zo horen wij de feiten te interpreteren, liefst nog voor we weten wat die feiten echt zijn”, staat helemaal in de stellende wijs.

Toegegeven, dat laatste voorbeeld, al is het helemaal in de indicatief, komt aardig in de buurt van de zogenaamde imperatief, de gebiedende wijs. Dat zit zo: als een sergeant roept: "Rust!" of als een baasje tegen zijn hond zegt : “Lig!” of “Pak!”, dan zijn dat imperatieven. Die zijn meestal kort. Bij een goede hond hoeft het baasje soms zelfs helemaal niets te zeggen. Het beest reageert al op een eenvoudige blik of een gebaar, een soort impliciete imperatieven.
Maar die wijs gebruiken verstandige journalisten zelf nooit. Niet dat zij geen imperatieven zouden kennen of begrijpen, integendeel, maar zij hebben die wijs wijselijk verinwendigd, geïnterioriseerd. Er komt in hun geschriften niets van aan de oppervlakte. Hun journalistieke geweten gebruikt hem dus wel op de achtergrond, maar de lezer merkt niets.
Er bestaan nog moeilijkere wijzen, en die gebruiken sommige journalisten weer wel. We spreken hier over de conjunctief of subjunctief of aanvoegende wijs, en over bijvoorbeeld ex-Knack, nu Standaardjournalist Joël De Ceulaer.
Hier een voorbeeld van zijn hand:



Voor de vervoeging maakt het geen enkel verschil, maar die conjunctief of subjunctief van hem voelt zelfs aan als een optatief of wensende wijs. Natuurlijk, dit is twitter en bijgevolg kort op de bal en kort door de bocht.
Ik weet trouwens niet of ook Joël deze mooie journalistieke wendingen gebruikt met die bal en die bocht, want daarvoor zou ik zijn rubriek moeten lezen, over de tv-programma’s die hij de week daarvoor bekeken heeft, en als je die niet zelf hebt gezien, heb je daar weinig aan, net zoals je op de trein of in de kroeg sommige gesprekken niet goed kunt volgen.
En of Joël met zijn optatief goed beseft wát hij juist wenst, weet ik evenmin. Dat zijn bedoelingen edel zijn, betwijfel ik geenszins maar om de een of andere reden vermoed ik dat hij over het onderwerp hoofddoeken nog niet veel achter de kiezen heeft. Weet de man wel waar hij het over heeft?
Om Joël hier een helpende hand te reiken, stuurde ik hem twee verwijzingen op, uittreksels uit twee boekjes van de Parijse antropologe Chahdortt Djavann (Bas les voiles! Gallimard 2003, en Que pense Allah de l’Europe? 2004).
Dat eerste boekje begint zo : «J’ai porté dix ans le voile. C’était le voile ou la mort. Je sais de quoi je parle.»
Ik hoop dat onze twitterende man er iets aan heeft, en het zijn tenslotte heel dunne boekjes zodat hij nog ruim tijd zal overhouden voor zijn tv-programma’s.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html