Posts tonen met het label Rawie | Jean-Pierre. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rawie | Jean-Pierre. Alle posts tonen

13 juli 2026

Even natrappen, naar het voorbeeld van Messi


In zijn pas verschenen boek, met allemaal stukjes die eerder in de krant stonden, maakt de dichter Jean-Pierre Rawie een opmerking die Dhooge&Meganck, de gebuisde architecten van het Gravensteen, niet graag zullen lezen (mochten zij hem überhaupt lezen).
Niet dat deze heren geen lessen hebben getrokken uit hun debacle: ze gaan nu zelfs schuil onder een andere naam. Hun verleden wordt uitgewist, ongeveer zoals ze ook met dat Time Castle de geschiedenis wilden wissen:

Onder de nieuwe naam WONDERSTAD presenteert het bureau zich
met een aangescherpte visie op architectuur en stedenbouw.

Waren zij met dat aanscherpen een paar jaar eerder begonnen, dan hadden de Gentenaars een hoop geld gespaard.

Rawie nu, met zijn aanstootgevende opmerking. Hij had het Castello di Duino nabij Triest bezocht, waar Rainer Maria Rilke inspiratie vond voor zijn Duineser Elegien.

De dichter schrijft dat hij al langer van Rilke houdt dan die zelf heeft geleefd. Mij zijn die gedichten soms te hermetisch, en ik lees vaker leerdichters zoals Lucretius of Pope of Boileau. Daar steek je nog wat van op! Maar laten we een man met meer smaak aan het woord:

Weliswaar was me bekend dat het kasteel, strategisch op een over de Adriatische Zee uitziende rots gebouwd, in de Eerste Wereldoorlog goeddeels was verwoest, maar het is zo vakkundig herbouwd dat je daar, zelfs als je het weet, niets van merkt.


Jean-Pierre Rawie
Gebonden aan de waarheid
2026 Prometheus Amsterdam, p.58


22 oktober 2022

Jean Pierrre Rawie en de filosoof Saloustios


Julianus Apostata was de laatste Romeinse keizer die het antieke heidendom beleed en het oprukkende christendom bestreed. Hij deed dat niet met wreedaardige middelen maar vertrouwde op overtuigingskracht, en ook vond hij dat priesters belastingen moesten betalen zoals iedereen.

Hijzelf was christelijk opgevoed, maar toen hij de jaren van verstand had bereikt verwierp hij deze nieuwe leer. Wel vond hij het nodig het voorvaderlijke geloof te moderniseren, het had een opfrissingsbeurt nodig en moest op redelijke gronden stoelen.

Daarbij kwam zijn vriend, de filosoof Saloustios, ook een verdediger van het voorvaderlijke geloof, hem te hulp.

Dit alles speelde in de vierde eeuw, maar veel tijd voor zijn plannen was Julianus niet gegund. In een oorlog met de Perzen sneuvelde hij op zijn éénendertigste, getroffen door een vijandelijke speer.

Ik val u hiermee lastig, lezer, omdat ik net bij Jean Pierre Rawie een zin las die mij aan deze filosoof Saloustios deed denken:

“Een theoloog wiens naam me ontschoten is, stelde eens dat wat in de Bijbel staat niet echt gebeurd, maar wel waar is. Tussen wie dat begrijpen en degenen die het onzin vinden, zal het nimmer goed komen, vrees ik.”

Wat Saloustios schreef gaat weliswaar niet over Bijbel, maar over de avonturen van de antieke goden:

“Al deze gebeurtenissen hebben nooit plaatsgehad, maar zijn eeuwigdurend: het verstand ziet alles ineens, terwijl het woord het ene na het andere opsomt.”

Ταύτα δε εγένετο μεν ουδέποτε, έστι δε άεί· και ο μεν νους άμα πάντα ορά, ο δε λόγος τα μεν πρώτα τα δε δεύτερα λέγει.

Ik denk dus dat de ons onbekende theoloog van Rawie de heidense Saloustios moet gelezen hebben.

Saloustios
Des Dieux et du Monde, IX, 8
Σαλουστιου περι Θεων και Κοσμου
Gabriel Rochefort, Paris, Les Belles Lettres 2003, p.5

Jean Pierre Rawie
Hebben we hiervoor tachtig jaar gevochten
Oktober 2022, Prometheus, Amsterdam, p.51

5 juli 2021

Een aanval gepareerd?

.

Piet Schrijvers maakte in 2019 een prachtige vertaling van Martialis’ epigrammen (voor Athenaeum–Polak&Van Gennep). De verzen zijn onberijmd. In de inleiding zegt hij voor die vorm te hebben gekozen omdat rijm en metrum ‘gedateerd’ zijn. En hij bekritiseert dus eerdere vertalingen die daaraan vasthielden:

‘Welke dichter gebruikt na de Vijftigers nog vormvaste strofen met rijm (afgezien van een enkele archaïserende, al of niet ironische sonnettenbakker en de illustere Ida Gerhardt als uitzondering op de regel)? Rijmende vormvaste coupletten komt men heden ten dage nog bijna uitsluitend tegen in kinderrijmpjes of light verse; de drie genoemde bloemlezingen met hun rijm en vormvastheid bieden dan ook onvermijdelijk een ietwat gedateerde en kinderlijke Martialis.’

Nu heb ik de indruk dat Jean Pierre Rawie hierop heeft geantwoord in Een luchtbel in een vluchtige rivier (bij Prometheus – geen Martialis: Rawie vertaalt hier dichters van de twaalfde tot de twintigste eeuw). Misschien nam hij de term ‘sonnettenbakker’ wel persoonlijk?

'Bij het vertalen dient men – daar ben ik van overtuigd – de vorm van het origineel zoveel mogelijk te respecteren. Een rijmend gedicht hoort ook in vertaling te rijmen, en een sonnet of een rondeel moet een sonnet of een rondeel blijven. Een letterlijke woord-voor-woordvertaling biedt steun bij het lezen van het oorspronkelijke vers, maar levert geen zelfstandig kunstwerk op. Dat is namelijk wel de bedoeling; een goede vertaling beoogt een verrijking te zijn van de Nederlandse letterkunde, een gedicht dat er nog niet was. […]

Tegenwoordig spreekt men van light verse, dat van een geheel andere orde zou zijn dan ‘echte poëzie’. Beschaafdere tijden kenden dat onderscheid niet, en in sommige landen, zoals Engeland, diskwalificeert een dichter zich niet als hij naast ernstig werk ook offert aan de vrolijke muze. T.S. Eliots hilarische kattengedichten, waarop de musical Cats is gebaseerd, verhinderden niet dat hem de Nobelprijs werd toegekend.

Te onzent kan een dichter zich niet veroorloven de schijn van luchthartigheid te wekken, want dan wordt hij onverbiddelijk tot de niet meer serieus te nemen grappenmakers gerekend. Toen ik mijn eerste gedichten publiceerde, schrok ik zelf een beetje van de zware onderwerpen die daarin aan de orde kwamen, en bezigde ironie teneinde enige afstand te scheppen (pas later zag ik in dat de vorm al genoeg voor distantie zorgde). Het heeft jaren geduurd voor ik het daardoor opgeroepen stigma van oppervlakkigheid kwijt was; ik had immers slechts een ‘beperkte thematiek’, want ik schreef alleen maar over dood, drank en liefde.

Het is in dit verband belangwekkend erop te wijzen dat in perioden van barbarij en vormloosheid in de poëzie het altijd de ‘lichte’ dichters – én de vertalers – zijn geweest die de verstechniek voor volgende generaties hebben gered. Niettemin maken virtuozen op dat gebied als N.E.M. Pareau, Kees Stip, Ivo de Wijs en Driek van Wissen voor de schriftgeleerden geen deel uit van de Nederlandse dichtkunst. Het is alsof men Heine niet tot de Duitse literatuur zou rekenen omdat je vaak moet grinniken als je hem leest.'

_______________

Noot van 24 october: Rawie was inderdaad op zijn teen getrapt las ik in zijn pas verschenen 'Hebben we hiervoor tachtig jaar gevochten'.


29 juni 2021

Martialis troost onbegrepen dichters

.

Moderne dichters hoor je wel eens klagen, of je leest het ergens dat ze hun producten niet aan de straatstenen kwijtraken. Terwijl zij nochtans heel doorvoeld dichten. Maar niet allemaal klagen ze gelukkig.

Bijvoorbeeld Jean Pierre Rawie klaagt niet, maar verklaart: ‘De ontoegankelijkheid van veel eigentijdse poëzie wordt veroorzaakt door de behoefte koste wat het kost origineel te willen zijn. Er zijn dichters die lijken te denken dat ze als ze wartaal uitkramen meer kans maken oorspronkelijk te zijn, maar dat is allerminst zeker, er is ook oneindig veel wartaal geschreven.’

En ja, Rawie zelf is een ouderwetse, stielvaardige, metrische, rijmende dichter. Mensen met slechte smaak zijn er met hopen, en juist zij lijken dingen als rijm en metrum op prijs te stellen. Kinderachtig, maar daar valt niets aan te doen. Vormvaste verzen onthouden zij namelijk beter, en vaak zijn dat wat oudere gedichten.

Maar laat dit onze misschien wat minder stielvaardige, rijm-, metrum- en interpunctieloze dichters niet tot wanhoop drijven. Zij moeten wat geduld oefenen: na hun dood zullen ze wellicht roem oogsten.
Moge volgend epigram van de helaas wél vormvaste Marcus Valerius Martialis (¿40?-104 p.Chr.n) hen hierbij een troost zijn. Hij beantwoordt een vraag van Regulus, een vriend van hem:

‘Hoe te verklaren dat roem aan levenden wordt geweigerd
en dat een lezer zelden zijn tijdgenoten waardeert?’
Regulus, dat zijn natuurlijk de manieren van doen van de afgunst,
die nu eenmaal wat oud is boven wat nieuw is verkiest.
Zo zoeken wij ondankbaar Pompeius’ oude schaduw,*
zo prijzen oude mannen de armzalige tempel van Catulus**
Ennius werd in Rome gelezen toen Vergilius leefde
en de dichter Homerus werd door zijn tijdgenoten bespot.***
Zelden hebben theaters geklapt voor een bekroonde Menander,****
Corinna was de enige die haar Naso heeft gekend,*****
Jullie, mijn kleine bundels, wees toch niet ongeduldig:
als roem na de dood arriveert, heb ik volstrekt geen haast.

Martialis
Verzamelde epigrammen, Boek V,10
Vertaald, ingeleid en toegelicht door Piet Schrijvers
Athenaeum–Polak & Van Gennep Amsterdam 2019
 _________ 
 
* Zuilenhal uit de eerste eeuw v.Chr.
** Jupitertempel op het Capitool, door Catulus in 62 v.Chr. herbouwd na een brand.
*** In de oudheid verspreidden zich legendes over de zwerftochten en armoede van Homerus.
**** Slechts enkele van zijn talrijke komedies kregen een prijs.
***** Deze voorstelling over Ovidius’ onbekendheid als dichter wordt allerminst door Ovidius zelf bevestigd! Hij zegt wel dat Corinna’s identiteit alleen hem bekend was. D.R. Shackleton Bailey (vertaler voor de Loeb-editie) geeft: I suspect that M.’s memory played him false.

30 mei 2021

Er is vertalen en vertalen


En soms komt het voor, zelden maar het komt voor, dat een vertaler even geniaal is als zijn auteur. Ik schrijf hieronder een paar zinnen over van Jean Pierre Rawie:

Het zal voor menigeen als een verrassing komen, maar Giovan Battista Marino, tijdgenoot van Shakespeare en Cervantes, was de beroemdste schrijver van de zeventiende eeuw. In heel Europa, van Portugal tot Polen, werd zijn werk bewonderd en geïmiteerd, en tot zijn adepten behoorden Lope de Vega, John Milton en onze Constantijn Huygens. […]

Jaren geleden moest ik een paar maanden in een revalidatieoord doorbrengen. Ik zonderde me uit lijfsbehoud zoveel mogelijk van mijne medelijders af, en kortte de tijd met het vertalen van een aantal gedichten van Marino en zijn discipelen, waaronder het in die omstandigheden extra toepasselijke grafschrift van een arts:

Impunito ammazzai molte persone,
morte al fin mi punì de’ miei misfatti;
ma devea perdonarmi di ragione,
poi ch’io tanti servigi l’havea fatti.

Ik kostte velen straffeloos het leven,
de dood rekent mij nu mijn falen aan;
maar die zou mij dat juist moeten vergeven,
na alles wat ik voor hem heb gedaan.




Jean Pierre Rawie
Een luchtbel in een vluchtige rivier
2021 Prometheus Amsterdam

22 maart 2021

Laat alle hoop varen


Wellicht, lezer, kent u nog niet de uitgeverij Blossom Books, gevestigd in Utrecht, in Nederland dus, al laat de naam anders vermoeden. Het moet een heel ‘inclusieve’ uitgeverij zijn want op hun site zien we zesenzestig auteurs en vertalers, waaronder zes mannen.

Iets meer vrouwen dus, en een daarvan is een zekere Lies Lavrijsen die een deel van Dantes Divina Commedia heeft vertaald: het Inferno. Ik hoorde haar zaterdag in de Interne Keuken van Sven Speybrouck en Koen Fillet, waar zij toelichting gaf bij wat zij als vertalen beschouwt.

‘In samenspraak met de uitgever’ had Lavrijsen besloten om de dichter Dante enige manieren bij te brengen, en ongepaste verzen van hem onvertaald te laten.

Lies en haar uitgever willen met hun boek namelijk een boodschap overbrengen. Dat mag echter niet de boodschap van Dante zelf zijn, horen we, omdat wij over veel dingen tegenwoordig anders en beter denken dan de middeleeuwers. Dante moet dus niet met zijn, maar met onze tijd meegaan, vinden ze bij Blossom Books.

Bovendien was, net toen haar boek bijna klaar was, ‘daar in Frankrijk een leraar onthoofd’ door een mohammedaan – Samuel Paty heette de ongelukkige man, maar zijn naam kwam niet over haar lippen. Een spijtig voorval in een ander land mag de pret niet bederven.

Lies heeft wel meer problemen met namen, want in haar ‘vertaling’ besloot zij ook de naam ‘Mohammed’ weg te laten. Deze pedagoge hoopt op die manier ook jongeren ertoe aan te zetten Dantes Inferno te lezen. Daar wens ik haar veel succes bij, al vrees ik dat de jongeren die zij zo tactvol behandelt niet veel boeken lezen – te oordelen naar de oplages die in moslimlanden het licht zien.

Ernstige mensen zullen De goddelijke komedie misschien toch liever in een betrouwbare vertaling lezen, en keuze is er genoeg, zowel in proza als in dichtvorm. Wie weet immers of juffrouw Lies niet nog meer passages heeft opgeschoond naar eigen fijngevoeligheden? En wat Blossom Books betreft: zijn hun andere vertalingen ook eigentijds bijgewerkt?

Of Liesje met haar gehakkel een goede beurt heeft gemaakt in de Interne Keuken betwijfel ik overigens, want het begon al met de opmerking van Sven: ‘Koen, je zei daarnet iets over cancellen…’ en het eindigde met de opmerking dat de lezer bedrogen wordt en inderdaad misschien liever de echte tekst zal lezen.


Noot van 29 maart: Henry Wadsworth Longfellow vertaalde de Divina Commedia, en dit zei hij over zijn vertaalwerk: 

De enige verdienste van mijn boek is dat het precies weergeeft wat Dante zegt, en niet wat de vertaler zich voorstelt dat hij had kunnen zeggen als hij een Engelsman was geweest. (...) De taak van een vertaler is het om weer te geven wat de auteur zegt, niet om uit te leggen wat hij bedoelt; dat is het werk van de commentator. Wat een auteur zegt en hoe hij het zegt, dat is het probleem van de vertaler.

The only merit my book has is that it is exactly what Dante says, and not what the translator imagines he might have said if he had been an Englishman. (…) The business of a translator is to report what the author says, not to explain what he means; that is the work of the commentator. What an author says, and how he says it, that is the problem of the translator.

Ik meen dat juffrouw Lavrijsen en haar uitgever Blossom Books dit beter hadden kunnen lezen voor ze zich aan beschavingswerk begaven.

____________________

Noot van 13 juli 2026In "Gebonden aan de waarheid", het jongste boek van Jean-Pierre Rawie (Prometheus), lezen we op p.185, onder de titel "Foute Boeken":

In de Hel van Dante wordt de scheurmaker Mohammed opgevoerd, die voor straf bij herhaling van zijn kin tot zijn kruis wordt opengereten, zodat zijn ingewand uit ‘de droeve drekbuidel' zijns lichaams hangt. In een recente Nederlandse vertaling is deze passus weggelaten.
Eigenlijk is de wereldliteratuur niet meer te lezen.


28 oktober 2017

Een goede stielman vindt klanten bij de vleet


Vandaag bestaan er Latijnse vertalingen van Asterix, en van Kuifje ook meen ik. Misschien zijn er nog wel meer zulke lofwaardige pedagogische inspanningen geleverd. Zowel Kuifje als Asterix zijn echter prozawerken, en of het nu nog voorkomt weet ik niet maar vroeger werden ook gedichten vertaald, in Latijnse verzen. En omgekeerd werden klassieke gedichten vanzelfsprekend naar de volkstalen vertaald.
Nu is het geen geheim dat moderne poëzie niet verkoopt, terwijl in vroegere tijden een goede dichter zich na enkele successen een statige woonst kon laten bouwen. Daar zijn voorbeelden van. Altijd echter hadden die mensen grote stielkennis in huis, precies omdat zij in hun leerjaren klassieke dichters hadden geïmiteerd, of in vers en rijm omgezet.

Genieën als John Dryden (1631-1700) of Alexander Pope (1688-1744) waren zulke vaklui.* Mere poets and mere musicians are as sottish as mere drunkards are, who live in a continual mist, without seeing or judging anything clearly, vond Dryden. Zoals een muzikant eerst een instrument moet leren bespelen voor hij anderen lastigvalt, zo ook moet een dichter eerst de taal in zijn vingers krijgen. Wellicht doet het hem geen kwaad als hij eerst uitprobeert of hij rijm en metrum aankan, of zijn taalkennis daartoe al volstaat.

Pas in hun latere werken waagden de grote vakmannen zich aan vrije verzen, zoals Shakespeare het hen had voorgedaan. They discumbered themselves from rhyme. De kracht van hun blank verse komt dan voort uit rijmen die er niet meer staan, en de lezer of toehoorder beseft niet dat ze ontbreken.
Wie echter begint met het neerschrijven, in interpunctieloze kolommetjes, van losse diepzinnigheden en poëtische gevoeligheden, zo iemand mist die kracht, en zijn poëzie verkoopt bijgevolg niet want mensen zijn niet gek.
Over een rijmende dichter als bij ons Jean-Pierre Rawie doen vrije verzenjongens soms neerbuigend, misschien ook omdat zijn werk wél verkoopt. Dat het ook gewoon goed is, merken zij blijkbaar niet op.

Dryden vond dat het rijm obfuscation verhinderde – een term die je op zeven manieren kunt vertalen: vertroebeling, beneveling, wazigheid enzovoort. Hij preciseert dit met een beeld dat uit de vogeljacht komt: Since it bounds and circumscribes the fancy. For imagination in a poet is a faculty so wild and lawless, that, like a high-ranking spaniel, it must have clogs tied to it, lest it outrun the judgement. (opdracht bij The Rival Ladies, 1664)
Kluisters dus, om leeg geschreeuw te voorkomen.

Een verrassend effect van vakkundig rijm is nog dat het plaats bespaart!
Zekere William Dobson, van Oxford, had in 1634 grote faam verworven met een vertaling in Latijnse verzen van de Solomon van Matthew Prior – een werk dat wij nu niet meer hoeven te kennen, zeg ik maar – en Alexander Pope vroeg hem daarop of hij hetzelfde wilde doen met zijn Essay on Man – een werk dat onze aandachtige lectuur verdient.
Dobson begon aan die taak, maar staakte al snel zijn pogingen, on account of the impossibility of imitating its brevity in another language.
Dat is wel een opmerkelijke reden, want het Latijn staat juist bekend om zijn brevitas. Inderdaad had Alexander Pope voor de versvorm gekozen omdat die hem toeliet zijn gedachten korter uit te drukken dan mogelijk was in proza. Al vond hij in alle nederigheid dat Jonathan Swift daarin beter was dan hijzelf, want die kon:
                            …in one couplet fix
               As much sense as I can in six.


In zijn inleiding op An Essay on Man legt Pope alles duidelijk uit: This I might have done in prose, but I chose verse, and even rhyme, for two reasons. The one will appear obvious; that principles, maxims, or precepts so written, both strike the reader more strongly at first, and are more easily retained by him afterwards; the other may seem odd, but is true, I found I could express them more shortly this way than in prose itself; and nothing is more certain, than that much of the force as well as grace of arguments or instructions depends on their conciseness.
Dit had ik ook in proza kunnen doen, maar ik koos voor vers, en zelfs voor rijm, om twee redenen. De eerste ligt voor de hand: principes, stelregels, of voorschriften in versvorm treffen de lezer meteen, en hij onthoudt ze naderhand ook makkelijker. De tweede reden zal misschien vreemd klinken, maar is toch juist. Ik merkte dat ik op deze manier een idee korter kon uitdrukken dan in proza, en niets is zekerder dan dat veel van de kracht en de charme van argumenten of instructies afhangt van hun beknoptheid.


Dat Pope naast verbluffend taalvaardig – je wordt met verstomming geslagen – ook bijzonder grappig is, deed helaas een andere lievelingsdichter van me, namelijk Alfred Edward Housman van het wondermooie en berijmde A Shropshire Lad, nog in 1933 zeggen dat there was a whole age of English in which the place of poetry was usurped by something very different which possessed the specific name of wit.


Daarmee bevestigt hij in elk geval dat Pope grappig is, en Housman zei later ook andere dingen: possibly the most perfect long poem in the language, noemde hij diens The Rape of the Lock.

__________
* Dan mag Oscar Wilde nog lichtzinnig gezegd hebben: There are two ways of disliking poetry, one way is to dislike it, the other is to read Pope.

1 mei 2013

Willem-Alexander vertelt


Tot voor kort kenden de meesten onder ons, Belgen, Willem-Alexander enkel als de man van de mooie Maxima. Enkelingen hadden misschien ook weet van hun drie mooie dochtertjes.

Maar hier volkomen onbekend is het, dat deze Willem-Alexander het als zijn plicht beschouwde om zijn kindjes elke avond, terwijl zij in hun bedjes lagen, een stukje uit de Vaderlandse Geschiedenis te verhalen. Het schoolse onderwijs vertrouwde de prins namelijk niet, en zeker geschiedenisles gaf hij liever zelf want, vond hij: 

Dat alles is zoals het is,
komt voort uit de geschiedenis. 

Deze prinselijke vertellingen zouden voor altijd verloren zijn gegaan –wij zouden er nooit iets van vernomen hebben– als niet de dichters Jean-Pierre Rawie en Driek van Wissen ze voor ons hadden opgetekend.
Ze deden dat in drie bundels. Eerst in “De Opkomst van de Nederlandse Republiek”, dan in “De Gouden Eeuw” en tot slot in “Van Willem III tot Willem III”, dat begint in 1672 en eindigt in het revolutiejaar 1848.
Die eerste twee deeltjes zijn uitverkocht. Ze verschenen bij Bert Bakker, 2005 en 2007. Prometheus gaf deel drie uit, en dat is nog voorradig. Samengenomen hebben wij nu de “Rijmkroniek des Vaderlands”.
Door het schielijk overlijden van Driek van Wissen in 2010 komt er helaas geen vierde boekje meer, maar in deel drie geeft Willem-Alexander aan ons Belgen een afdoende verklaring voor de Secessie van 1830: omdat het hun aan brein ontbrak”.
En hij verduidelijkt: 

 …in Brussel liep het schorem
na het horen van een opera

(waarin opstandig zaad gezaaid
en luidkeels oproer werd gekraaid)
zomaar de straat op. En het tuig
ging met gesakker en gejuich
zich aan misplaatst geweld te buiten:
gestenigd sneuvelden de ruiten… 

Willem III had de noodlottige scheiding van Zuid en Noord wellicht nog kunnen voorkomen, als niet de snode Franse koning Louis-Philippe toen had ingegrepen:

Hij wilde tussenbeide komen
en koos als Fransman arrogant
de Belgische verkeerde kant.
Zo raakten wij, de prins ten spijt,
de helft van onze natie kwijt
en stortte buitenlandse druk
de Belgen in het ongeluk,
want tot op heden zitten die
nog met de Duitse dynastie
von Sachsen-Coburg opgescheept
waarmee geen echte Belg echt dweept,
er eventjes van uitgegaan
dat echte Belgen echt bestaan. 

En dan brengt Willem-Alexander een hommage aan een klassiek vers:

Toch werd het Zuiden zonder reden
wreed van het Noorden afgesneden,
maar niet het snijden deed zo’n pijn
als wel het afgesneden zijn.


20 april 2011

Verzenmakers of Dichters?

.
In deze column zal bisschop Roger van G. onvermeld blijven.
Ter compensatie, en om toch enigszins aansluiting te vinden bij de verhalen in de kwaliteitspers, komt Laurent de B. wel aan bod, weze het zijdelings en incognito.
 
Over poëzie gaat dit verhaal, want vorig jaar verscheen bij Prometheus in Amsterdam het derde deel van de Rijmkroniek des Vaderlands, het grote leerdicht van de Groningers Jean-Pierre Rawie en Driek van Wissen. Samengeteld 5674 verzen zijn het. En laat mij zeggen: de Ilias, driewerf zo dik, is lang niet zo komiek.
 
In het algemeen”, schreef George Orwell in 1942, in zijn inleidend essay bij het verzamelde werk van Rudyard Kipling, “is in onze cultuur het woord ‘poëzie’ al voldoende om vijandig gegrinnik op te wekken, of in het beste geval een soort ijzige afkeer, zoals de meeste mensen die voelen bij het horen van het woord God”.
Maar Kipling is bij het Engelse lezerspubliek altijd populair gebleven, zelfs vandaag nog, en Orwell sprak met grote bewondering over hem. Over zijn technische vaardigheid, zijn gedrevenheid.
Toch noemde hij Kipling “a good bad poet”, of nog “a versifier”. Dat klinkt slechter dan het is, want bijvoorbeeld Dryden en Pope waren voor velen evengoed verzenmakers, geen dichters.
 
Als het zo zit, zou je Rawie en Van Wissen ook goede slechte dichters kunnen noemen, verzenmakers, pure ambachtslui. Populair zijn ze in elk geval, want hun eerste twee boekjes van 2005 en 2007 waren snel de deur uit. Een verschil met de bloedserieuze Kipling is dat Rawie en Van Wissen naast leerzaam ook altijd grappig zijn. “Een welkome aanvulling op onze inburgeringscursussen en onderwijsprogramma’s van scholen en universiteiten”, zoals ze zelf zeggen van hun kroniek.

Helaas, een vierde deeltje komt er niet, door het schielijk overlijden van Driek van Wissen vorig jaar. Wij hebben dus “De Opkomst van de Nederlandse Republiek”, dan “De Gouden Eeuw”, en nu “Van Willem III tot Willem III”, dat begint in 1672 en eindigt in het revolutiejaar 1848. De Belgische secessie van 1830 komt ruim aan bod:

…in Brussel liep het schorem na
het horen van een opera
(waarin opstandig zaad gezaaid
en luidkeels oproer werd gekraaid)
zomaar de straat op. En het tuig
ging met gesakker en gejuich
zich aan misplaatst geweld te buiten:
gestenigd sneuvelden de ruiten…

Willem had de noodlottige scheiding van Zuid en Noord nog kunnen voorkomen, als niet de snode Franse koning Louis-Philippe had ingegrepen:

Hij wilde tussenbeide komen
en koos als Fransman arrogant
de Belgische verkeerde kant.
Zo raakten wij, de prins ten spijt,
de helft van onze natie kwijt
en stortte buitenlandse druk
de Belgen in het ongeluk,
want tot op heden zitten die
nog met de Duitse dynastie
von Sachsen-Coburg opgescheept
waarmee geen echte Belg echt dweept,
er eventjes van uitgegaan
dat echte Belgen echt bestaan.

Iets verderop brengen onze verzenmakers nog een hommage aan een echte dichteres:

Toch werd het Zuiden zonder reden
wreed van het Noorden afgesneden,
maar niet het snijden deed zo’n pijn
als wel het afgesneden zijn.


Gepubliceerd in de Knack van vandaag.

19 mei 2009

Nogmaals Jean-Pierre en Driek !

Over het martelen van krijgsgevangenen, soldaten of combattanten, kun je van mening verschillen. Sommigen zijn voor, anderen weer tegen. Ook kan één persoon, bij wisselende omstandigheden, er nu zus en later weer zo over denken.
Bijvoorbeeld Mitterrand was een enthousiaste voorstander destijds –we spreken nu van zijn tijd als Ministre de l'Intérieur, tijdens de guerre d’Algérie. Maar later, als president was hij geloof ik tégen. Een opdracht tot moord kon eventueel nog net, bijvoorbeeld met de Rainbow Warrior, maar moorden is nog geen martelen.
Ik zou zijn redenatie eens precies moeten natrekken, misschien in die biografie van Vincent Gounod, maar in elk geval: il n'y a que les fous qui ne varient jamais, en gek was François niet.

Van Bush, Cheney, Rumsfeld, Rice, Bliar &cs. weten we dat ze sterk geloofden in hun goede recht om te martelen –the gloves had to come off– en voor dat martelen hadden ze, zoals al hun historische voorgangers, ook een subtiel vocabularium ontworpen: “enhanced interrogation”, “an alternative set of procedures”, “specific techniques” &c.

Wat Barack Hussein Obama nu doet is deze “procedures” weliswaar afkeuren in theorie, maar in de praktijk wil hij de schuldigen in geen geval voor de rechtbank zien, ook niet als zij persisteren, en openlijk hun opvattingen blijven verkondigen zoals bv. een Dick Cheney dat doet:

"No regrets. I think it was absolutely the right thing to do," he said on CBS television, adamant that techniques decried by critics as torture were essential to break the resistance of captured extremists.

"I'm convinced, absolutely convinced, that we saved thousands, perhaps hundreds of thousands, of lives," Mr Cheney said, arguing again that Al Qaeda was bent on attacking a US city with a nuclear device.
Beetje schooljongensachtig misschien om met grote getallen te willen aankomen – en met dat “nuclear device” wordt Dick helemaal ridicuul. Voor zijn beweringen kan hij zich trouwens enkel beroepen op geheime documenten.
In de wetenschap worden theorieën die een beroep doen op hidden variables gewoonlijk weggelachen, en elders klinken ze minstens goedkoop. Wil Dick Trom ons echt doen geloven dat Al Qaeda, met hun aanslagen van 11 september, de Amerikanen eerst wilden waarschuwen voor hun nucleaire dreiging, zodat de verrassing niet al te groot zou zijn? Zulk een aanpak is in de militaire geschiedenis zeer zeldzaam en hij zou getuigen van een ouderwetse ridderlijkheid.

Overigens is er altijd nog de vraag, of martelen ook iets nuttigs oplevert. Het is immers bewezen dat gevangenen die gemarteld worden gelijk wát kunnen bekennen, en wat schiet je dan op?

In het gedichtfragment hieronder kunnen wij dit fenomeen waarnemen. Er wordt een –mislukte– aanslag op Willem van Oranje beschreven. Zekere Hans Hanszoon koesterde dit snode plan:

[...dus ging]
Hans Hanszoon Willems gangen na
en toen hij die was nagegaan
dacht hij zijn slag te kunnen slaan

tijdens de godsdienstoefening,
want als de prins ter kerke ging
zat hij steeds op dezelfde stoel.
Dus kocht Hans buskruit met het doel
een gang te graven met een schop
en dan door één druk op de knop
de hele boel te doen ontploffen.
Maar door de nachtwacht aangetroffen
’s nachts op het kerkhof met een spade
zag hij zijn voorbedachte daden
ontijdig in de kiem gesmoord,
en ingerekend en verhoord
ontkende de schavuit eerst alles
zoals wel vaker het geval is
bij lieden die niet willen deugen.

Maar toen men eenmaal zijn geheugen
professioneel had opgefrist

bekende hij als terrorist
tenslotte alles wat men wou:
hij toonde niet alleen berouw
over wat hij met Willem voorhad,
maar ook, nu men hem eenmaal doorhad,
verklaarde hij de moordenaar

te zijn van Jan van Schaffelaar,
Floris de Vijfde en Don Juan,
van Bonifatius en van
de Gorinchemse martelaren.
Hij werd door de gerechtsdienaren
natuurlijk op zijn woord geloofd,
ter dood veroordeeld en onthoofd.

Zo zie je dat ook in die dagen
het stellen van de juiste vragen
de waarheid boven tafel bracht
net zoals nu. Ook in de jacht
op hedendaagse terroristen
–of ze nu moslim zijn of christen–
gaat het vooral om waarheidsvinding
als wapen tegen de verblinding
van allerlei geloofsfanaten:
Door stevig op ze in te praten
tijdens een doelgericht verhoor
slaan op de duur de meesten door.


Voor wie proza boven poëzie verkiest, is dit de versie van P.C. Hooft:

Ten ingaan van Lentemaant lestleeden, bedroegh een Vries, geheeten Aukema, eenen Hans Hanszoon, koopman tot Vlissinge; en meldde, uit hem verstaan te hebben, hoe hy, door bezondren haat gevat op den Prins, dien in d'een' oft d'andre maniere dacht te verdelghen. Dat Hans, in een' kelder onder 't stadthuys, daar zyne Doorluchtigheit gewoon was te herberghen, etlyke tonnen buskruids meinde te zetten, om ze aan te steeken wen zy maaltydt hielde: oft in de kerke, ontrent het gestoelte des Prinsen, een' myne te graaven, en kruyds genoegh, daarin verborghen, te doen slagh maaken door een loopend vuur, als het pas gaave: oft in een huys, gehuurt teeghen oover de Fransche kerk tot Middelburgh, drie oft vierhondert gelaade mosketten te leggen, om ze te lossen op den Prins en zyn gezelschap, in 't voorby gaan: oft eyntlyk, zoo geen van drien gelukken wilde, met eyghen handt, waar hy zyn schoonst zaaghe, zyne Doorluchtigheit om te brengen; en Vlissinge in 's vyands gewelt te stellen. Dit verhaalde de aanbrenger, teffens getuygh, en enkel. Waaroover Hans, gevangen zynde, alles loochende. Doch, scherpelyk ondervraaght, bekende hy 't stuk, en van 't zelve gehandelt te hebben met den Spaanschen Ambassadeur in Vrankryk: werd derhalven onthalst, zyn hooft op een' staak en de veste der stadt geplant.


Ach, veel wat vroeger is gebeurd,
moet ethisch worden afgekeurd!


.

16 mei 2009

Vaderlandse Geschiedenis

.
Iedereen weet dat er zaken zijn die je in gezelschap beter kunt nalaten, of die je tenminste wilt onderdrukken. Flatulentie valt daar zeker onder, maar ook het uitspreken van bepaalde woorden. “Poëzie” is er zo een.

Laat je deze term onverhoeds vallen, in een vrolijk gezelschap, dan ontmoet je blikken waarin medelijden, ontzetting, zelfs afgrijzen en walg te lezen staan. Een Engelsman –ik weet niet meer wie– vergeleek het effect met dat van het woord “god”.
Ik vind dat niet onbegrijpelijk. Het gemoraliseer en de navelstaarderij die tegenwoordig voor poëzie doorgaan kun je een mens niet aandoen. Zelfs een kleine droefgeestige haiku kan al snel te veel worden.

Nu had ik hier nochtans graag een gedicht ter sprake gebracht dat 3944 regels beslaat, en moraliserend van aard is. Bovendien is het een leerdicht, over Vaderlandse Geschiedenis.
Gelukkig werd het door twee verzenmakers geschreven, en niet door wat tegenwoordig zoal voor dichters doorgaat. Meer in de traditie dus van versifiers als bv. Dryden, Pope of Kipling, die ook onpoëtische thema's gebruiken, en woorden en wendingen die nog naar dagelijks brood smaken, en geen sentimentele of geëffemineerde luchtjes afgeven.

Onze twee dichters spreken in hun gedicht overigens niet zelf, maar geven het woord aan prins Willem-Alexander – die u beter zult kennen als de man van de mooie Maxima.
Deze Willem-Alexander is blijkbaar een goede vader, want zijn kinderen vertelt hij voor het slapengaan verhaaltjes uit de geschiedenis van hun land. Immers het onderricht in de scholen, vindt hij, laat wat dit betreft te wensen over, en tenslotte:
“Dat alles is zoals het is, komt voort uit de geschiedenis”.

Op het punt waar wij zullen invallen, is vader al bij de Tachtigjarige Oorlog aanbeland …en geeft hij zijn kinderen terloops een actuele beschouwing mee, waar wij allen straks in het kieshokje wellicht ons voordeel mee kunnen doen:

Binnen de Staten-Generaal
besloot men zich niet andermaal
met vreemde snuiters in te laten.
Dat was verstandig van de Staten,
want Nederland werd soeverein
en zo behoort het ook te zijn:
men moet niet naar het pijpen dansen
van Duitsers, Engelsen of Fransen.
Laat die zelfingenomen buren
maar mooi hun eigen land besturen –
wij blijven liever ongemoeid.
Wien Neêrlands bloed in d’aders vloeit,
van vreemde smetten vrij, die ziet
zo’n buitenlander liever niet
die onze lakens uit komt delen.
En hier, ondanks mijn officiële
staatkundige onschendbaarheid,
wil ik sub rosa aan je kwijt
(het blijft tenslotte entre nous)
dat ik dat eenwordingsgedoe
hier in Europa niet zie zitten.
Dat Fransen, Duitsers, Belgen, Britten
eenzelfde lijn ooit zouden trekken
is toch te zot en van de gekke!
Want ondanks alle goeie wil
blijft er een wereld van verschil.
Wat hebben Tsjechen en Slowaken
bijvoorbeeld met elkaar te maken?
Of Zevenburgers met Roemenen?
Straks staan de Turken nog voor Wenen
wanneer je ze een vinger geeft!
[…]

P.S. Bij een volgende gelegenheid kom ik nog terug op dit leerdicht, en wel met een passage waar zelfs Obama iets aan zal hebben.

Jean-Pierre Rawie & Driek van Wissen
Rijmkroniek des Vaderlands
De opkomst van de Nederlandse Republiek (2005)
De Gouden Eeuw (2007)
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam

.

26 januari 2006

Stadsdichter Bart Moeyaert en het politiek programma van de Dichter


Vandaag in De Standaard, op p.23 (Cultuur & Media), stelt de journalist Karel Verhoeven aan de nieuwe Antwerpse stadsdichter Bart Moeyaert volgende vraag:
Lanoye, Nasr, Moeyaert. Stadsdichters zijn blijkbaar linkse schrijvers. Wat zou dat geven, een rechtse stadsdichter in Antwerpen?
Moeyaert begint snel, en houdt dan even in; er was een kleine aarzeling zegt Verhoeven:

Ik denk niet dat een dichter rechts kan zijn. (aarzelt even) Ik ken geen enkele goede rechtse dichter.
Wat kan er Moeyaert toch hebben doen aarzelen? Wij hebben er het raden naar. Al flitste hem misschien een soortgelijk lijstje van dichters door het hoofd, als wat hieronder volgt? Het is inderdaad niet eenvoudig om daar een zwakkeling uit te halen, maar misschien zocht Moeyaert tijdens zijn aarzeling naar de meest linkse onder hen?


Dante
Goethe
Gezelle
Poesjkin
Brassens
Baudelaire
Housman
Kipling
Bloem
Rawie
Eliot
Reve


"Wát er precies bij het dichterschap komt kijken, weten wij niet", had Moeyaert beter kunnen antwoorden, "...en dat lijkt mij juist een gelukkige omstandigheid. Maar dat uw categorieën links en rechts ter zake zouden doen, is onwaarschijnlijk Karel!" . En Bart had kunnen doorgaan: . "Een dichter, of die nu links of rechts is, slim of dom, kort of lang: hij moet mooie en deugdelijke waar leveren. Laten wij de categorieën toch zinnig houden, beste vriend. De dichter moet niet álles zijn en kunnen! Een dode collega van mij zei het beter dan ik het zelf kan: mais pour l'amour, on ne demande pas aux filles d'avoir inventé la poudre."


.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html