Posts tonen met het label literatuurkritiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label literatuurkritiek. Alle posts tonen

11 mei 2026

Zweig zwetst


Een goede dertig jaar geleden las ik veel Stefan Zweig, en zijn laatste boek was meteen ook het beste: Die Welt von Gestern. Maar nu herlas ik nog eens wat hij in Drei Dichter ihres Lebens te vertellen had over Casanova, en dat is nogal tegenstrijdig. In de voetnoot die u hieronder ziet – en die ik onvertaald heb gelaten, maar het beeldje wordt leesbaar als u erop klikt – noemt hij diens Histoire de ma Vie een van de grote werken van de Weltliteratur,* én klaagt hij tegelijk aan dat er in 1928 nog geen betrouwbare tekst van Casanova ter beschikking was.
Inderdaad berustte het manuscript bij de zedige, kuise uitgever Brockhaus die er een opgeschoonde Duitse vertaling van had laten maken (door zekere Schütz), die op haar beurt weer naar het Frans werd vertaald door zekere Laforgue (1826-1838). Tot zijn ergernis moest Zweig het stellen met die tweedehandse en vaak zelfs aangedikte vertaling. Un texte remanié, zeggen Igalens en Leborgne in hun schitterende uitgave.
Wát laat Zweig dan toe om verderop zo negatief te oordelen over Casanova als auteur, en hem in vergelijking met Stendhal en Tolstoi op uiteraard de laagste, de primitieve trap te plaatsen? Niets denk ik, hoe geleerd en hoogdravend het allemaal ook klinkt. Het gebeurt misschien niet vaak, maar hier zwetst Zweig.

Casanova, Stendhal, Tolstoj, deze drie namen – ik weet het – lijken op het eerste gezicht eerder onverwacht dan geloofwaardig bij elkaar te horen, en men zal zich op het eerste gezicht niet kunnen voorstellen op welk vlak een losbandige, amorele filou en dubieuze auteur als Casanova, naast een heroïsche ethicus, een zo volmaakte schepper als Tolstoj kan staan.
Inderdaad betekent dit samenzijn in een boek ook niet dat ze op hetzelfde intellectuele niveau naast elkaar staan; integendeel, deze drie namen symboliseren drie niveaus, dus een hiërarchie, een steeds hogere vorm van wezenlijk hetzelfde type. Ze vertegenwoordigen, ik herhaal het, niet drie gelijkwaardige vormen, maar drie opklimmende niveaus van precies dezelfde creatieve functie: de zelfpresentatie.
Casanova vertegenwoordigt uiteraard alleen de eerste, de laagste, de primitieve trap, namelijk de naïeve zelfpresentatie, waarbij een mens het leven nog gelijkstelt aan uiterlijke zintuiglijke en feitelijke beleving, en onbevangen verslag doet van het verloop en de voorvallen van zijn bestaan, zonder deze te beoordelen, zonder zichzelf te doorgronden.
Met Stendhal bereikt de zelfpresentatie al een hogere trap, de psychologische. Hij neemt geen genoegen meer met het loutere verslag, het simpele curriculum vitae: het ik is nieuwsgierig naar zichzelf geworden, het observeert het mechanisme van zijn eigen drijfveren, het zoekt de motieven van zijn handelingen en nalatigheden, de dramaturgie van de ziel. Daarmee begint een nieuw perspectief: het kijken met twee ogen naar het ik, als subject en object, de dubbele biografie van binnen en buiten. De waarnemer observeert zichzelf, de gevoelsmens onderzoekt zijn gevoel – niet alleen het wereldse, maar ook het psychische leven komt artistiek in beeld.
In het type Tolstoj bereikt deze zielsmatige zelfbeschouwing dan haar hoogste niveau doordat ze tegelijkertijd ook ethisch-religieuze zelfpresentatie wordt. De nauwkeurige waarnemer beschrijft zijn leven, de precieze psycholoog de opgewekte reflexen van het gevoel. Maar daarbovenop staat een nieuw element van de zelfbeschouwing, namelijk het onverbiddelijke oog van het geweten, dat elk woord op zijn waarheid, elke gezindheid op haar zuiverheid, elk gevoel op zijn blijvende kracht beoordeelt. De zelfweergave is, boven het nieuwsgierige zelfonderzoek uit, een morele zelftoetsing geworden, een zelfoordeel. Door zichzelf te presenteren, vraagt de kunstenaar niet langer alleen naar aard en vorm, maar ook naar de zin en waarde van zijn aardse bestaan.
______________
* Term van Goethe, in zijn gesprek met Eckermann van 31 januari 1827 (Inseluitgave 2015, p. 211).

Drei Dichter ihres Lebens
Casanova-Stendhal-Tolstoi
1928 im Insel-Verlag zu Leipzig

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013-2018

17 maart 2026

Chantal Thomas over de auteur Casanova

 Ik neem alles terug wat ik na veertien bladzijden even dacht over het boek van Chantal Thomas. Wat zij hier in twee zinnen zegt over de auteur Casanova en de bijna drieduizend bladzijden van diens Histoire de ma Vie is onverbeterlijk.

Casanova a le talent de saisir en une phrase la qualité d’une vie, son génie ou sa limite insurmontée. De préférence à l’individualité d’un personnage, toujours incertaine, et qui, de plus, ne lui paraît peut-être pas une unité de mesure intéressante, il sait fixer une configuration d’événements qui produisent le portrait unique d’une existence.

Casanova bezit het talent om in één zin de essentie van een leven te vatten, het genie ervan of de onoverstegen limiet. In plaats van de individualiteit van een personage, altijd onzeker en wellicht ook geen interessante maatstaf wat hem betreft, weet hij een reeks voorvallen vast te leggen die het unieke portret van een bestaan vormen.

Casanova
Un voyage libertin
Gallimard, 2022, Collection Folio, p. 282
1985, Éditions Denoël

10 maart 2026

Een mens moet soms zijn kalmte bewaren

 

Bijna had ik een achteraf gezien steengoed boek al na veertien bladzijden in een hoek gegooid. De schrijfster ervan, Chantal Thomas, de l’Académie française, had het daar over zekere Maurice Heine die iets over Giacomo Casanova had gezegd. Ook op pagina 363, in het naamregister, komt Maurice voor.*

Nu had Heinrich naast drie broers, Karl, Gustav en Maximilian, wel een zwager die Moritz heette, maar voor zover het iemand heugt heeft die nooit iets verteld over Casanova en diens Histoire de ma Vie.

Heinrich wel, in de derde van zijn Briefe aus Berlin, 1822: Meiner Geliebten möchte ich es nicht empfehlen, aber allen meinen Freunden. Ik ben niet geneigd het mijn geliefde aan te bevelen, maar wel al mijn vrienden.

Hij verklaart: Es ist keine Zeile in diesem Buche, die mit meinen Gefühlen übereinstimmte, aber auch keine Zeile, die ich nicht mit Vergnügen gelesen hätte. Er staat geen regel in dit boek die met mijn gevoelens overeenstemt, maar ook geen regel die ik niet met plezier heb gelezen.**

Gelukkig vermande ik mij bijtijds, en las het boek van Chantal Thomas helemaal uit. Het is echt heel goed, en behandelt naast vele andere zaken –de Revolutie, waar Casanova met afschuw naar keek, syfilis, wat hij een kleinigheid vond– bijvoorbeeld ook de drukgeschiedenis van Histoire de ma vie, die eerst verscheen in een opgeschoonde Duitse vertaling, dan in een Franse uitgave van Jean Laforgue (Heine heeft deze gelezen) waarin Casanova's taal werd 'gecorrigeerd' en de erotische scenes flink uitgezuiverd en soms zelfs aangedikt, terwijl de complete, oorspronkelijk Franse tekst op zich liet wachten tot in de twintigste eeuw, maar nu in al zijn pracht te bewonderen is.


Chantal Thomas
Casanova
Un voyage libertin
Gallimard, 2022, Collection Folio
1985, Éditions Denoël


___________
  * Dat die echt heeft bestaan wist ik niet voor Rik Van Cauwelaert me dat zei daarnet. Maurice Heine, essayist en uitgever, citeerde blijkbaar zijn naamgenoot! Dat had Chantal Thomas wel mogen zeggen, dan had ik me niet zo opgewonden.
** We moeten zo'n uitspraak in haar tijd zien: er was toen nog geen Internationale Vrouwendag. Zo heeft tijdgenoot Alexandr Poesjkin een verhaal over een bijeenkomst in een datsja, waar op de schoorsteenmantel een essay van Balzac lag: Physiologie du mariage. Het werd discreet verwijderd voor de dames binnenkwamen, want dit gevoelige onderwerp in haar bijzijn behandelen vonden de mannen ongepast.

6 januari 2016

Stendhal geeft raad aan een jonge auteur


Henri Beyle, Stendhal zeggen we, kreeg in 1833 in Parijs een manuscript overhandigd van een vriendin, madame Gaulthier. Het was een roman van haar hand, getiteld Le Lieutenant, en zij wilde graag het oordeel kennen van de auteur van Le Rouge et le Noir. Stendhal moest toen meteen weer naar Italië vertrekken in diplomatieke dienst, hij was consul. Zijn Parijse vakantie zat erop. In Italië las hij het manuscript op zijn gemak.
En al was hij onder de indruk van de vrouw, en misschien wat verliefd, voor de criticus in hem vond haar schrijftalent toch geen genade. Vanuit zijn standplaats schreef hij een brief. De twee zijn na deze brief goede vrienden gebleven – mevrouw Gaulthier was blijkbaar niet rancuneus – maar romans heeft ze tot aan haar dood in 1853 niet meer geschreven. Zelfs moet zij het manuscript vernietigd hebben, want het is helaas nooit teruggevonden.

Civita-Vecchia le 4 mai 1834

Ik heb De Luitenant gelezen, chère et aimable amie. Hij zal helemaal herschreven moeten worden, en u moet zich daarbij voorstellen dat u een Duits boek aan het vertalen bent. De taal is wat mij betreft vreselijk nobel en nadrukkelijk; ik heb wreedaardig met inkt geklad. Geef niet toe aan luiheid; want tenslotte schrijft u enkel om te schrijven, voor u is dat een verzetje. Dus, alles in dialoogvorm zetten, het hele slot van het tweede cahier: Versailles, Hélène, Sophie, de aanstellerijen in het wereldje. – In verhalende vorm valt dat allemaal zwaar. De ontknoping is alledaags. Olivier lijkt op het grote geld te jagen; prachtig in het echte leven, want bij zichzelf denkt de toeschouwer dan: «Bij die man wil ik wel eens dineren»; als lectuur is het minderwaardig. – Ik heb een andere ontknoping voorgesteld. – Zoals u merkt ben ik trouw gebleven aan onze afspraken; geen enkele consideratie voor de eigenliefde. – In uw familienamen moet minder “de” staan, en duid uw personages ook niet aan met hun doopnaam. Zegt u Louis, als u over Crozet spreekt? – U zegt Crozet waar u dat hoort te zeggen. In elk hoofdstuk moeten minstens vijftig superlatieven geschrapt worden. Zeg nooit: «De brandende passie van Olivier voor Hélène». De arme romancier moet proberen om in die brandende passie te laten geloven, maar hij mag haar nooit benoemen: dat gaat in tegen de kiesheid.
Bedenk dat er onder rijke lui geen passies meer voorkomen, tenzij die voor de gekwetste trots. Als u zegt: «De passie die hem verslond», vervalt u in de kamermeidenroman zoals M. Pigoreau die in duodecimo drukt. Maar voor kamermeiden bevat de Luitenant dan weer te weinig lijken, ontvoeringen en andere dingen die in de romans van vader Pigoreau vanzelfsprekend zijn.

LEUWEN
of
De leerling weggestuurd van de École Polytechnique*

Ik zou die titel nemen. Hij verklaart de vriendschap of de band van Olivier met Edmond. De figuur van Edmond, de toekomstige academicus, is het meest oorspronkelijke in de Luitenant. De kern van de hoofdstukken is waarachtig; maar de superlatieven van wijlen M. Desmazures bederven alles. Vertel me dat alsof u mij een brief schreef. Lees de Marianne van Marivaux, en Quinze-cent-soixante-douze van M. Mérimée, zoals je een tovermedicijn inneemt, om u te genezen van die provinciale gekunsteldheid.**  Om een man, een vrouw, een plek te beschrijven, denk altijd aan iemand, aan iets dat echt bestaat. Ik ben helemaal vol van de Luitenant die ik net uit heb. Maar hoe bezorg ik u dit manuscript terug? Er moet een gelegenheid zijn. Waar die gevonden? Ik zoek het uit.
Schrijf mij een brief vol eigennamen.***  – De terugkeer uit vakantie is een nogal triest moment; ik zou drie niet al te slechte bladzijden kunnen schrijven over dit thema. Je bedenkt dan: zal ik leven, zal ik oud worden ver van mijn vaderland, of van het vaderland? dat is meer naar de mode. Ik breng al mijn avonden door bij een markiezin van negentien lentes, die meent dat ze vriendschap voelt voor uw dienaar. Wat mij betreft is zij als een goede canapé, heel comfortabel. Helaas! verder niets, meer is mij niet gegund; en wat veel erger is, meer verlang ik ook niet.



Ik las deze prachtige brief in het voorwoord dat Henri Martineau, een van de grote Stendhaliens, schreef bij zijn tweedelige uitgave van Lucien Leuwen (Monaco, 1945, Éditions du Rocher), die ik voor vijftien euro kocht bij het Profijtelijk Boekske in Antwerpen, een genummerde editie die ik nog helemaal moest opensnijden want het exemplaar was nooit aangeraakt.



______________

* De eerste zin van de postuum uitgegeven Lucien Leuwen luidt: «Lucien Leuwen avait été chassé de l’École Polytechnique pour s’être allé promener mal à propos, un jour qu’il était consigné, ainsi que tous ses camarades: c’était à l’époque d’une des célèbres journées de juin, avril ou février 1832 ou 1834.»
** Stendhal zelf las af en toe enkele artikelen in de Code Civil voor hij zich aan het schrijven zette: pour prendre le ton, als medicijn.
Hier schrijft hij : «…pour vous guérir du Phébus de province.»
PHÉBUS, subst. masc. Littér., vieilli. Style obscur, ampoulé et alambiqué. Donner dans le phébus; Diseur de phébus. Écrivain ou orateur au langage obscur et alambiqué.
*** Simenon later las graag in telefoonboeken en vond daar zijn eigennamen, en veel inspiratie.

12 juli 2015

Literaire kritiek


De wereld is oud, maar een mens denkt dikwijls dat alles maar echt bestaan heeft sinds zijn eigen geboorte. In zekere zin is dat ook zo, maar neem nu literaire kritiek. Ik lees dat zo goed als nooit, al van bij mijn geboorte niet, maar het bestaat al veel langer.
In Les Caractères (1696) dat ik plots wilde lezen, waarom weet ik niet, schreef La Bruyère iets heel grappigs, over Rabelais, een auteur die nu helemaal geconsacreerd en gesacraliseerd en bijgezet is, maar die toen een onderwerp van gesprek was:

Marot et Rabelais sont inexcusables d’avoir semé l’ordure dans leurs écrits: tous deux avaient assez de génie et de naturel pour pouvoir s’en passer, même à l’égard de ceux qui cherchent moins à admirer qu’à rire dans un auteur. Rabelais surtout est incompréhensible: son livre est une énigme, quoi qu’on veuille dire, inexplicable; c’est une chimère, c’est le visage d’une belle femme avec des pieds et une queue de serpent, ou de quelque autre bête plus difforme; c’est un monstrueux assemblage d’une morale fine et ingénieuse, et d’une sale corruption. Où il est mauvais, il passe bien loin au-delà du pire, c’est le charme de la canaille; où il est bon, il va jusques à l’exquis et à l’excellent, il peut être le mets des plus délicats.

Grotere lof is ondenkbaar, en vooral die "charme de la canaille" vond ik grappig.

3 december 2009

Code du Duel

 .
Meestal leidt het lezen van een boek tot het lezen van weer een ander boek. De lezer zelf heeft in dit proces nauwelijks inspraak. Tenminste, dat is mijn gevoel en misschien ook het uwe, lezer. Boekenprogramma’s, lijstjes, succes, modes, grote oplages, verfilmingen: het speelt allemaal niet. Een krantenrecensie, blog- of tijdschriftrecensie kan eigenaardig genoeg soms wel een rol spelen.
Als ik nog even voor mijzelf mag spreken, ik ken maar één regel: boeken die je per se gelezen moet hebben, komen het huis niet in. Ook komen hun titels en auteursnamen mijn kop niet in. Dat is geen snobisme of iets dergelijks. Het is zelfs geen opzet, al is het natuurlijk wel zo dat boeken die in lijstjes voorkomen kort daarop door iedereen vergeten zijn. Je kunt deze loop der dingen betreuren, en er zit inderdaad een bepaalde helaasheid in, maar zo is het. Zelfs boeken waarvan ikzelf vind dat ik ze allang gelezen had moeten hebben, blijven jaar na jaar onaangeroerd liggen.

Anderzijds kan een boek zich wel door puur toeval aandienen. Nu viel mij door puur toeval een boekje in handen met als titel: “Code du Duel, een strafrechtelijke analyse van het duel in de 19de eeuw”, van de hand van Joost Van Damme, advocaat en schermer.
Het wordt geen bestseller. Heel serieuze analyse, met verwijzingen naar ordonnantiën, verordeningen, wetten, reglementeringen, en heel mooi uitgegeven, met een indeling niet enkel in hoofdstukken maar ook nog in genummerde paragrafen. Zoiets behaagt.
Merkwaardig dat een tekst als deze van Van Damme voor een leek als ik niet enkel leesbaar is, maar nog eens aangenaam.
Op dit moment heb ik het boekje voor de helft uit, en dus lijkt het ogenblik me geschikt, lezer, om u te zeggen waarom ik de andere helft direct ook wil lezen. Mag het onderwerp passé lijken, op de een of andere manier is het me dunkt toch aan de orde, en op dit blog kwam het trouwens eerder ter sprake.
De feitelijkheid, de droogte van de mededelingen van de auteur zijn de grote charme van zijn tekst. Wat betekent fantasie tenslotte naast de gewone werkelijkheid? Droge feiten zijn vaak grappig. Laten we de schrijver zelf aan het woord:  §59.

Ook het duel tussen de Leuvense studenten Delbecq en Naveau in 1774 is vermeldenswaardig.
Delbecq en Naveau voerden in februari 1774 in de herberg “’t Papegaaiken” een verhitte discussie omtrent de juiste Latijnse vertaling van de zin “de vos is de koning der dieren”. Naar de mening van Naveau en Delbecq was niet de leeuw doch wel de vos de koning der dieren. Moest het nu “vulpes est rex animalium” zijn dan wel “vulpes est regina animalium”? De gemoederen liepen hoog op en wat begon als een gemoedelijk debat, ontaardde al snel in een hevige scheldpartij. De volgende avond, in de herberg “Den Blaesbalck”, bleken de gemoederen nog niet bedaard. Tot driemaal toe vroeg Delbecq zijn tegenstander om met hem naar buiten te gaan, zodat ze hun meningsverschil op straat konden uitvechten. Naveau weigerde echter: hij vond het beneden zijn stand om zich te gedragen als een ordinaire straatjongen. Daarop eiste Delbecq genoegdoening en prompt daagde hij zijn tegenstander uit tot “un duel au pistolet”. Naveau aanvaardde de uitdaging. In de nacht van 26 februari 1774, de dag nadien, begaven beide studenten zich ter hoogte van de toenmalige Brusselse poort (tussen de oude en de nieuwe Brusselse poort), waar ze zich op een afstand van 6 passen tegenover elkaar opstelden. Ze richtten hun pistolen en vuurden tegelijkertijd. De haan van het wapen van Naveau blokkeerde. De kogel uit het wapen van Delbecq trof Naveau’s rechterarm.
Een strafrechtelijke analyse
van het duel in de 19de eeuw
Joost Van Damme
Brussel, Larcier, 2009, pp. 24-5

De auteur meldt ons nog in voetnoot, dat een meer uitgebreid verslag van de gebeurtenissen te vinden is in:
D. Raeymaekers 
Pour fuyr le nom de vilayn et meschant
Het duel in de Zuidelijke Nederlanden:
aspecten van eer en oneer in de Nieuwe Tijd
2004, Leuven, onuitg., p. 44

24 februari 2007

Op zijn Vlaams ne keer

.
Het Verdriet van België is één zaak, maar dat mag ons het Verdriet van de Vlaamse Schrijvers niet laten vergeten. Die mannen worden in Nederland bijna niet gelezen schrijft De Standaard.
Bij die krant hebben ze een dagelijks rubriekje waarin elk om beurt de redacteurs aan zichzelf een vraagje mogen stellen, en meteen ook het antwoord geven. Dat is handig en snel. Het rubriekje is altijd bovenaan te vinden, pal in het midden van de krant en bijgevolg verdeeld over twee aansluitende pagina’s – toch na verwijdering van een aantal katernen die u voor latere lectuur zult bestemmen. Het rubriekje is overigens herkenbaar genoeg want er staan geen foto’s bij, of hoogstens een kleintje.

Vandaag was het de beurt aan Jeroen Overstijns, die normaal De Standaard der Letteren leidt, maar vandaag even uit zijn katern mocht stappen. En zoals dat past in een duidingsrubriek verklaarde hij mij eindelijk waarom Nederlanders geen Vlaamse auteurs lusten.
Maak u niet ongerust lezer, het wordt niet ingewikkeld. Misschien dat u op deze weblog al eens een overtollige of hinderende bijzin hebt gezien, maar in een vlot krantenartikel komen die niet voor. Overstijns bewijst kort en goed dat qua verklaringskracht zelfs werkwoordloze zinnen niet hoeven onderdoen voor een doorwrochte periode.

Ze lusten ons daar weer niet, meneer
Waarom Nederlanders geen Vlaamse boeken lezen
Nederlanders lezen onze boeken niet. Dat ligt gevoelig. Maar het is niet erg.Droefheid is ons lot. Want slechts twee Belgen vind je in de top honderd van meest gelezen boeken van 2006 in Nederland. Twee Belgen, én de Snoecks. Dat qua Vlaams monument kan tellen. Maar toch. Sabine Dardenne, onze hoogst genoteerde, staat pas op 42. Een Waalse dan nog. Snoecks volgt even verder en De engelenmaker van Stefaan Brijs sluit de rij op 76. […]

Overstijns gaat nog door, maar na deze enkele alinea begreep ik al veel. Die auteurs lijken in spiegelbeeld wellicht op hun critici! Bonnet blanc et blanc bonnet.
Ik heb van Vlaamse auteurs eigenlijk nog nooit een boek gekocht, maar dat was enkel omdat ik hen soms op de radio had bezig gehoord, of op de televisie, en dan stond hun ondermaatse Nederlands mij altijd tegen. Onzeker woordgebruik en smerige dictie. Hun subtaaltje heeft nooit mijn interesse kunnen wekken. Vaak kennen zij niet eens correct dialect vermoed ik, en dus koop ik hun boeken niet. Niemand verder die zich aan hun smoutebollentaal lijkt te storen, maar voor mij: Leve de Nederlanders.
Soms hoor je ook uitzonderingen. Over Van Istendael had ik het bijvoorbeeld niet, maar dat is ook een halve Hollander, en zijn boeken lees ik wel. Hemmerechts zou misschien ook in die categorie vallen als zij niet zo nadrukkelijk een behaagzieke bakvis was.

Maar of zulder dat nu zelf kunnen inschatten of niet, de stijl van criticus Overstijns is dodelijk voor alle Vlaamse auteurs. Terwijl het nochtans kan voorkomen dat een criticus je overhaalt om een onverwachte auteur in huis te halen. In de Volkskrant, of was het de NRC, las ik twintig jaar geleden een recensie die mij de Onegin in de vertaling van Jonker heeft doen lezen. Die recensent zijn naam weet ik niet meer, maar hij heeft mij toen verplicht om dat boek te kopen. Hij vond de vertaling overtreffend goed, en zelf schreef hij ook ernstig Nederlands.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html