Posts tonen met het label Bomans | Godfried. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bomans | Godfried. Alle posts tonen

3 november 2024

Laat hoorngeschal weerklinken!

 Sint Hubertus, wiens naamdag vandaag valt en met prachtig hoorngeschal gevierd wordt, is de patroonheilige van de jagers (wel met Sint Sebastiaan als concurrent). Hij is ook de schutsheilige van paarden en honden, en beschermt ons tegen hondsdolheid. Na een mondain leven had hij zich bekeerd, toen bij een jachtpartij een hert met een lichtend kruis tussen zijn geweitakken niet was weggevlucht, maar zich juist naar hem had toegewend. Een wonderlijke gebeurtenis die vóór hem ook Sint Eustachius had meegemaakt.

Het mag dus niet verwonderen dat baron Munchausen iets gelijkaardigs beleefde, maar dat verhaal stond hier eerder al.
Dat een kersenboom op een hertenkop kan gedijen is aannemelijk want de baron had het dier ooit met kersenpitten beschoten, maar, vroeg de baron zich af: hoe in ’s hemelsnaam was destijds dat kruis op de kop van Sint Hubertus’ hert geraakt?

Als man van de Verlichting gelooft hij niet in wonderen, evenmin als Raspe trouwens, en dus zoekt hij een redelijke verklaring. Hij vindt die niet, en houdt het bij een veronderstelling:

Who knows but some passionate holy sportsman, or sporting abbot or bishop, may have shot, planted, and fixed the cross between the antlers of St. Hubert's stag, in a manner similar to this? They always have been, and still are, famous for plantations of crosses and antlers; and in a case of distress or dilemma, which too often happens to keen sportsmen, one is apt to grasp at anything for safety, and to try any expedient rather than miss the favourable opportunity. I have many times found myself in that trying situation.

Wie weet, of niet een fervente vrome jager, of een op jagen beluste abt of bisschop, het kruis op een soortgelijke manier tussen het gewei van Sint-Hubertus' hert heeft geschoten, geplant en gefixeerd? Zij hebben altijd al bekendgestaan, zelfs nu nog, voor het planten van kruisen en hoorns.* En in een noodgeval of bij een dilemma, wat verwoede jagers zo vaak overkomt, neem je voor je veiligheid toch om het even wat te baat, en beproef je elk middel, liever dan een mooie kans te missen. Meermaals heb ik mij in die benarde situatie bevonden.

Bij Godfried Bomans lezen we:

En wie weet, of niet een jagende abt of bisschop in vroeger tijden het Hubertus-kruis op een dergelijke manier op die hertekop gekregen heeft? Zijn zulke prelaten soms niet bedreven in het planten van kruizen tussen stekels? En dan: neemt een mens niet liever elk middel te baat dan in een mislukking te berusten? Zo althans vergaat het mij.

Bomans vertaalt onderhoudend, maar vrij en soms heel beknopt. Mogelijk moest dat zo van de uitgever, of het was zijn eigen keuze, maar hier geeft hij bijna een resumé: hij laat het verschil weg tussen fervente jagers (zoals de baron) en liefhebbers (zoals die sporting abten en bisschoppen) en zijn lezer verneemt ook te weinig over Munchausens distress en dilemma. Wat verder die stekels mogen betekenen is mij een raadsel.

Karel van het Reve zei dat een vertaler moet vertalen 'wat er staat'. Een strenge eis die weliswaar geen letterlijkheid inhoudt, maar toch de richting uitgaat van wat de Fransen un sourcier noemen, een vertaler die getrouwheid aan de bron het belangrijkste vindt. Aan de andere kant vinden we dan le cibliste, die de brontekst naar zijn hand zet, in het belang van de verstaanbaarheid, de elegantie van zijn eigen tekst of het gemak van de lezer, zijn doelwit. Het blijft een dilemma.

__________

* 'Antler' is 'gewei', of 'Geweih' in het Duits, en niet 'hoorns'. Maar Bürger vertaalt: Denn diese Herren waren ja von je und je wegen ihres Kreuz- und Hörnerpflanzens berühmt und sind es zum Teil noch bis auf den heutigen Tag. Brouwers vertaalt: Deze heren waren immers zeer bekwaam in het kruis- en hoornplanten en zijn dat trouwens voor een deel tot op de huidige dag nog steeds. Nu was Duits natuurlijk ook Raspes moedertaal, en dat
Hörnerpflanzen, hoorns zetten zal ook bij hem gespeeld hebben. Umberto Eco omschreef vertalen als dire presque la même chose, en daar heb ik in dit geval vrede mee.

8 oktober 2024

Munchausen bij Raspe, Bürger, Bomans, Brouwers en Hermans

In Londen verscheen in 1785 Baron Munchausen's Narrative of his Marvellous Travels and Campaigns in Russia. Dat boekje verscheen anoniem, maar de Duitser Rudolf Erich Raspe had het geschreven – geldnood had hem daartoe gebracht: de eerlijkste drijfveer voor een auteur zei iemand – en in de snel opeenvolgende drukken vulde hij zijn verhaal aan met nieuwe avonturen. Zoals u hiernaast ziet, bracht Dover Publications Inc. Mineola, New York, in 2005 een prachtige uitgave van de tekst, zoals die in 1865 was verschenen bij Cassel, Petter, and Galpin, London and New York. ($15.95)

Gottfried August Bürger bracht al in 1786 de Duitse vertaling, Wunderbare Reisen zu Wasser und zu Lande: Feldzüge und lustige Abenteuer des Freiherrn von Münchhausen, en voegde daar avonturen van weer eigen vinding aan toe. Een prachtige uitgave is die van Manesse Verlag, 1978, Zürich.

Godfried Bomans heeft Raspe vertaald in 1974, samen met enkele aanvullingen van Bürger, en hij klonk vanzelfsprekend bomansiaans maar bleef toch nog dicht bij de tekst. Heel genietbaar.

Jeroen Brouwers vertaalde getrouw Bürger (1978) want diens baron is geestig, zei hij in zijn nawoord, en die van Raspe humoristisch. Een onderscheid dat hij bij Willem Frederik Hermans vandaan had, maar anders dan Hermans prefereert Brouwers de geestige baron. Voor mij onbegrijpelijk.

Raspe laat (bij Dover) zijn baron na enkele straffe avonturen bijvoorbeeld toegeven: Notwithstanding all my courage, notwithstanding the speed, the cleverness, the readiness of my horse, I was not always successful. Ondanks al mijn moed, ondanks de snelheid, de schranderheid, de paraatheid van mijn paard, was ik niet altijd succesvol.

In de uitgave van John Carswell, de meest accurate, zegt de baron het korter: But gentlemen, for all that; I was not always succesful.

Bürger begreep hem niet: Trotz aller meiner Tapferkeit und Klugheit, trotz meiner und meines Pferdes Gewandtheit und Stärke gings mir in dem Türkenkriege doch nicht immer nach Wunsche. Brouwers vertaalt: Niettegenstaande al mijn dapperheid en inventiviteit, niettegenstaande mijn eigen snelheid en die van mijn paard, mijn vindingrijkheid en kracht, ging het mij in de oorlog tegen de Turken toch niet geheel naar wens.

De baron zet zichzelf hier in het zonnetje, en zijn paard krijgt een bijrolletje. Dan vraag je je toch af hoe iemand de breedsprakige Bürger kan verkiezen boven Raspe?

Hermans zegt in een esseej dat Raspe's gelaagde stijl in zijn tijd gewoon niet begrepen werd (behalve in Engeland dan, want het succes was daar ogenblikkelijk):

De zwarte humor van de baron Von Münchhausen

Wat Baron Munchausen’s Narrative tot het meesterwerkje maakt dat het is, komt uitsluitend uit de koker van Raspe. […]
Ook de beroemde bewerking van Bürger, waardoor Munchausen aan zijn oorspronkelijk vaderland teruggegeven werd, en de naam het Von, een h. en de in het Engels overbodige Umlaut herkreeg, vertroebelt de toon van het origineel. Bürger, zomin als iemand anders in zijn tijd, bleek gevoelig voor de grandioze stijl van het origineel. […]
De tekst van Bürger is geestig, die van het oorspronkelijk humoristisch. […]
Het meesterlijke ligt om te beginnen in de toon en het karakter van de baron zoals die in de eerste edities zijn. Deze toon is nergens grappig, of geestig of ironisch, zelfs op een uitzondering na niet sarcastisch. De toon is deftig, kortaangemeten, maar niet haastig: stijf, zeer baronachtig kortom.
Deze zo hyperfantastische geschiedenissen worden verteld alsof het eigenlijk allemaal vanzelf spreekt, alsof dit allemaal eigenlijk de moeite niet loont er woorden aan vuil te maken. Men heeft de indruk dat een niet nader genoemde aanwezige de baron na lang aandringen tot vertellen heeft overgehaald en dat hij zich hoffelijk, maar toch wel verveeld kwijt van de taak zijn gasten bezig te houden.
Alle animo ontbreekt deze baron.

Raspe's baron is inderdaad niet de opschepper die de nadrukkelijke Bürger van hem maakt, en daardoor werkt bij hem the suspension of disbelief feilloos. Je gelooft zijn verhalen!

Willem Frederik Hermans
Het sadistische universum
Amsterdam, 1964
Uitgeverij de Bezige Bij

Godfried Bomans
De wonderbaarlijke avonturen
van Baron von Münchhausen
met prenten van Gustave Doré
1980, Van Holkema & Warendorf – Bussum
Standaard Uitgeverij – Antwerpen

Gottfried August Bürger
Wonderbare reizen te land en ter zee
veldtochten en vrolijke avonturen
van de Baron von Münchhausen
zoals hij deze in de kring zijner vrienden
met de fles onder handbereik zelf pleegt te vertellen
In het Nederlands vertaald door
Jeroen Brouwers
Van nieuwe illustraties voorzien
door William D. Kuik
1978, Amsterdam ⸱ Uitgeverij de Arbeiderspers

Singular Travels, Campaigns
and Adventures of Baron Munchausen
by R. E. Raspe and Others
Edited and with an introduction by John Carswell
Illustrated by Leslie Wood
London, The Cresset Press MCMXLVIII

Oud Goud

30 september 2024

Een briefje aan Joël de Ceulaer


De paus en zijn kerk aanvallen is in onze dagen ongevaarlijk, beetje goedkoop, wat afgezaagd zelfs. Een atheïst die niet in god gelooft (om met padre da Costa te spreken) laat zich daar niet mee in, en al zal hij vanzelfsprekend kritiek hebben, hij zal in geen geval naar onbehouwen, en bijgevolg futiele termen en vergelijkingen grijpen. Tenslotte zijn hier ook niet veel katholieken meer – wat er nog rest is ongevaarlijk en we hebben wel andere zaken aan ons hoofd.
In de achttiende eeuw, tot zelfs halfweg de negentiende was dat nog anders. Wie toen kritiek had op de kaloten moest omzichtig te werk gaan. Goede schrijvers grepen naar de satire als wapen, maar ze waren wel zo verstandig om dat niet met zoveel woorden aan te kondigen.


Talloze voorbeelden kun je geven, en een van hen is de Duitser Rudolf Erich Raspe. Raspe is de auteur van Baron Munchausen's Narrative of his Marvellous Travels and Campaigns in Russia, een klein boekje, small 8vo.
Hij schreef het in Cornwall, waar hij als geoloog en mineraloog voor de mijnbouw werkte. Raspe was een Europees bekende wetenschapsman, een professor met vele publicaties op zijn naam, en een kind van de Verlichting.*
Het werk werd in Londen in 1785
anoniem gepubliceerd. De Engelse lezers waren op slag verkocht, en aan de snel opeenvolgende uitgaven voegde Raspe telkens enkele avonturen toe. Alles wat hem ergerde nam hij op de korrel, net als de baron, die verwoede jager.

Als Munchausen op weg naar Sint Petersburg, na een barre nacht met meters sneeuw, op een kerkhof ontwaakt en zijn paard aan de kerktoren ziet bengelen, want alle sneeuw was weggesmolten, pakt hij zijn pistolen en schiet het halster van het paard kapot. De baron staat op gewijde grond, schiet op de kerk, op het kruis van de weerhaan, en zet zijn tocht bedaard verder.

De dag voordien nog had hij een arme Pool in een greppel zien liggen, verstijfd van de kou, en al was hijzelf even verkleumd, hij gooide zijn mantel over hem heen. 
In de grappige Bomansvertaling lezen we:
Terstond klonk er een stem uit de hemel, die sprak: ‘Ik mag verdoemd zijn, mijn zoon, als ik je dit niet vergelden zal.’
Raspe schreef inderdaad: “I'll be damned my son if I do not reward it in time.”  In de Amerikaanse uitgave echter viel de term damned weg: You will be rewarded, my son, for this in time.” Voor hen had Raspe zich te ver gewaagd met zijn verwijzing naar Sint Maarten en die hemelse stem.**

Later, in een jachtavontuur, had hij al zijn munitie voor die dag vermorst, en zag tegen de avond een prachtig hert. In arren moede beschiet hij het nog met een kersenpit maar het dier ontkomt. En zie, datzelfde hert ontmoet hij later weer, en tussen zijn geweitakken groeit een kersenboom.
Zoals wij weten had lang vóór de baron ook de aanvankelijk nog heidense Hubertus bij de jacht een hert gezien, met tussen zijn gewei niet een kersenboom maar een stralend kruis. Hubertus bekeerde zich terstond, werd later bisschop en zelfs heilig. De baron weet dat ook, en vraagt zich af waar dat hert dan mee beschoten moet zijn, maar het antwoord op die vraag laat hij aan de lezer over.
____________
* Lid van de Royal Society, kende bijvoorbeeld Benjamin Franklin en James Watt, schreef over geologie en vulkanologie, vertaalde Lessings Nathan der WeiseNathan the Wise: a Philosophical Drama, London, J. Fielding, 1781. Leibniz vertaalde hij uit het Latijn want wetenschappelijke kennis moest voor iedereen toegankelijk worden. Meer over deze bijzondere man in:



Der Münchhausen-Autor Rudolf Erich Raspe
Wissenschaft - Kunst - Abenteuer
Andrea Linnebach, Hg.
Euregioverlag, Kassel 2005


** Jeroen Brouwers vertaalde: 'De duivel moge me halen, ouwe jongen, maar dit blijft niet onbeloond.' Zowel Brouwers als Bomans steunen mede op de Duitse uitgave (1786) van Gottfried August Bürger (1747-94).

10 december 2023

Islamofobie = ziekelijke schrik voor de islam


In Frankrijk kun je goed de temperatuur meten van wat er in heel Europa komt. Hun regering is islamofoob... en alleen voor ongeletterden betekent die term iets anders dan wat de titel hier zegt.

Recent waren er weer enkele islammoorden in dat land, maar als Marine Le Pen die in het parlement ter sprake wil brengen wordt ze aasgier, lijkenpikker, charognarde genoemd, zelfs door regeringsleden. Zij zien geen verbanden, geen samenhang en spreken bij voorkeur over losse, zij het vanzelfsprekend betreurenswaardige faits-divers.* Minister Gérald Darmanin had het ooit over l’ensauvagement d’une partie de la société, de verwildering van een deel van de samenleving, maar dat deel ook bij naam noemen was te veel gevraagd.

Op vragen komt nooit antwoord, hoe beleefd ook gesteld: er wordt alleen gescholden. Le Pen beklaagde zich daarover vanmorgen op CNews en Europe1, bij Sonia Mabrouk.

Sonia Mabrouk: Maar als u het woord neemt, dan stelt u hun inactiviteit, hun onvermogen aan de kaak. Tja, dat ze dan niet antwoorden: wel bedankt en voortaan zullen we...
Marine Le Pen: Natuurlijk grijpen ze niet in, maar wij, de oppositie, zijn er precies om hen te zeggen: wij denken dat jullie niet doen wat nodig is.
Stéphane Dupont: Vindt u niet dat u die feiten van maatschappelijk belang, zoals u ze noemt, politiek uitbuit?
Marine Le Pen: Maar wát betekent politiek dan voor u? Wat betekent politiek, als het niet gaat om het aanpakken van problemen waar mensen dagelijks mee te maken hebben, en hen antwoorden bieden? Wat betekent politiek voor u? Is het iets waarbij je in een salon thee drinkt in het gezelschap van technocraten die net zijn afgestudeerd aan de ENA?
Sonia Mabrouk: Verstaat Élisabeth Borne dát onder politiek’?
Marine Le Pen: Natuurlijk is dat voor Élisabeth Borne politiek. Het bewijs? Ze beseft niet eens dat onveiligheid een realiteit is in ons land.
Sonia Mabrouk:Een gevoel. Een gevoel van onveiligheid.’ [Eerste minister Borne zei dat]
Marine Le Pen: Ze heeft het nog steeds over een gevoel van onveiligheid, net als Lionel Jospin in zijn tijd.
Stéphane Dupont: Denkt u dat ze, in dat opzicht, haar eigen land niet kent?
Marine Le Pen: Maar... ze kent het ook niet, of anders gezegd: ze zijn zo bang te moeten erkennen dat ze verantwoordelijkheid dragen voor de situatie ...en dan komt het nog het beste uit om zaken gewoon te ontkennen. Zolang ze de situatie ontkennen, hoeven ze niet te zeggen: ‘Ja, inderdaad, de toestand is catastrofaal en wij zijn medeschuldig.
Want op dat moment, neemt een politiek verantwoordelijke zijn verantwoordelijkheid. Waar gaat het immers heen als niemand ooit nog verantwoordelijk is? En dus moeten zij wel optreden, voilà. Maar de realiteit is dat zij de feiten ontkennen, en door het maatschappelijk feit te ontkennen, proberen zij in werkelijkheid zichzelf af te schermen, en hun eigen verantwoordelijkheid en hun eigen lediggang te ontkennen.

______________ 

* Zoals Godfried Bomans opmerkte in zijn Pieter Bas‘Heeft de heer Lohmeijer wel aan het Verbindend Principe gedacht?’

17 juni 2012

Philippe Herreweghe over lectuur, en over de collegejaren

Philippe Herreweghe bij Friedl' Lesage op Radio1 deze ochtend.


Over Bomans, Carmiggelt, Jongens en Wetenschap... en ook even over mij, wat me natuurlijk bijzonder veel plezier deed. Even waren wij weer 16.
En inderdaad, ik leerde hem Bomans kennen. "Geen literatuur!" kreeg ik als commentaar van een leraar, op een -verplichte- bespreking van een zelf uitgekozen boek, misschien wel "Buitelingen" of "Nieuwe Buitelingen", maar daartegenover staat weer dat Philippe mij Brassens leerde kennen, op 45-toertjes, en dat was toen ook nog geen geaccepteerde auteur.



.

5 oktober 2011

Brulapen

.
 “The Dutch are a very rude sort of people”, oordeelde Baron Munchausen. Rudolf Erich Raspe liet hem dat zeggen in zijn meesterwerk “The Travels and Surprising Adventures of Baron Munchausen” (1785).
Godfried Bomans vertaalde die zin heel mooi met: “Een grof volkje, die Hollanders!” (Kruseman, ’s Gravenhage, 1967; verlucht met etsen van Gustave Doré).
Je leest of hoort dat vaak, dat Hollanders onbehouwen zijn, grofgebekt, luidruchtig, brutaal. Ook Vlaamse kerktorenjournalisten schrijven graag over de ruwe zeden in Nederland. Dat is een fenomeen van de laatste jaren menen zij, en het is allemaal begonnen met Theo van Gogh, Pim Fortuyn en nu Geert Wilders. Het moet hier niet dezelfde kant opgaan! Maar zij hebben geen recht van spreken.
.
Hetzelfde kan niet gezegd worden van de Baron. Die had moeten ondervinden dat sommige van zijn avonturen op spottend ongeloof ontvangen werden in het zeevarende Holland. Zo was op een van zijn zeereizen zijn schip lekgeslagen: “Gelukkig was ik de eerste om het ongerief te ontdekken. Ik vond een gat van wel een paar voet in doorsnee en het stemt mij nu nog tot diepe voldoening, dat schip en bemanning hun behoud te danken hebben aan een schitterende gedachte, die mij plotseling te binnen schoot. Ik stopte het gat namelijk met mijn eigen gat en dit in een flits, zonder zelfs mijn broek uit te trekken. Zij, die menen dat dit met een dergelijk hol onmogelijk is, dienen te bedenken dat ik uit Hollandse ouders gesproten ben.” (Bomans)

Iets later schreef ook Heine ongunstig over de Hollanders, vooral over de ruige klanken van hun taal. In de grensstreken had dat Hollands zelfs een kwalijke invloed op het Duits aldaar: “Je kunt in de spraak van de Düsseldorfers al een overgang bemerken naar het kikvorsgekwaak van de Hollandse moerasgronden. Om de dooie dood wil ik hier de merkwaardige schoonheden van de Hollandse taal niet ontkennen, alleen moet ik toegeven dat mijn oren er niet naar staan.”
.
En over inhoud gesproken: een recente grofheid die ook in Vlaamse kranten uitgebreid aan bod kwam, was de zin: “Doe eens normaal man!”
Maar deze zin valt nog mee, toch? Zeker als je hem vergelijkt met wat laatst een Vlaamse journalist op de radio wist te vertellen.
Die man had geconstateerd dat de economie in de VS slecht draaide en, vond hij, dat moest je als volgt uitdrukken: “Dat land gaat naar de kl...”  Of Nederlandse journalisten iets dergelijks de huiskamer in mogen slingeren betwijfel ik.
Natuurlijk, dit is puur Vlaamse taalonmacht, de noodgreep van een man die de uitdrukking “screwed up” ergens gehoord zal hebben.
.
Nog een stuk onmachtiger was op Radio1 de grapjas Patrick De Witte: “Ronald Janssen staat te veel in de schijnwerpers. Lag het aan mij dan was het vonnis nu al klaar. Ronald Janssen zal eerst door een vakkundige grimeur een koeienkut op het gezicht geschminkt krijgen, en daarna worden losgelaten in een weide vol bronstige stieren.
.
Geef mij de Hollandse grofheid maar, liever dan zo’n voorspelbaar vulgaire, humorloze brulaap.



Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

10 februari 2010

Lang leve de filosoof Jean-Baptiste Botul

.
Het is deplorabel maar waar. Wie meent dat er in de filosofie nooit eens gelachen kan worden heeft gelijk. En die eindeloze ernst en droefgeestigheid van filosofen gaat een mens op den duur tegenstaan.
Uitzonderingen op de regel zijn er altijd, zo leert ons de filosofie, en dus bestaan er toch ook grappige filosofen. Schopenhauer is een goed voorbeeld, maar Augustinus in zijn tijd kon ook geestig uit de hoek komen. En Baltasar Gracián niet te vergeten, al vermaande deze jezuïet juist diegenen die voortdurend geestigheden willen verkopen. Dan word je aan het eind niet meer ernstig genomen, waarschuwde hij. Er zijn nog voorbeelden te noemen, maar algemeen gesproken vormen filosofen toch een trieste, zeurderige bende, zelfs als ze het over hun zogenaamd vrolijke wetenschap hebben.

Dan is het avontuur dat de filosoof Bernard-Henri Lévy deze week overkwam een welkome afwisseling. Weliswaar gaat het bij Bernard-Henri niet om een geestigheid die hijzelf zo bedoeld had (waartegen Gracián immers waarschuwt), maar helaas om een onbedoelde beestigheid, om pure bêtise.
Zeker, de lezers hier weten dat BHL strikt genomen geen filosoof is, maar in de wereld rondom ons zijn er nog velen die denken van wel. Yves Desmet bijvoorbeeld loopt hoog op met de man, en als hij iets van hem hoort dan herhaalt hij dat ook, ook al werd er dertig jaar geleden al ernstig gewaarschuwd voor die jongen. Vidal-Naquet schreef in 1979 dat hij in hem niet meer zag dan “un médiocre candidat au baccalauréat”. Hij staafde dat met enkele afgrijselijke, beschamende, bloedstollende blunders van BHL, feiten die de man niet kent, zaken die hij verdraait. Maar misschien werd Vidal-Naquet niet op alle redacties goed gelezen.

Nu heeft deze BHL zonet weer een boekje gepubliceerd, en onvervaard neemt hij daarin niets minder dan de Aufklärung zelf op de korrel, meer bepaald dus Immanuel Kant.
Ik heb zijn boekje niet gelezen, het is er pas morgen, en ik weet bijgevolg niet of hij ook de modeterm “verlichtingsfundamentalisme” bezigt, maar aangezien BHL eerder al partij koos voor de UCK van de moslims in Kosovo, en luidkeels Amerikaanse bombardementen op Belgrado afriep en goedkeurde (met even later applaus van Desmet vanzelfsprekend), zou de term althans van enige suite dans les idées getuigen.

In een boekje dat ik wél gelezen heb, lang geleden, en dat Pieter Bas heet, vertelt Godfried Bomans dat onder Leidse studenten het nog eens voorkwam dat laat op de avond in de sociëteit iemand uitriep: “Kant kletst!”, en dan veel bijval oogstte.
Iets dergelijks heeft nu BHL in Parijs ondernomen, maar helaas voor hem en voor zijn bewonderaars liet Bernard-Henri het niet bij een zatte kreet in een café.

Ter staving van zijn aanval op Kant zoekt BHL steun bij een andere filosoof (op zich een eerbaar en aanbevelenswaardig procedé), namelijk bij de relatief onbekende Jean-Baptiste Botul (1896-1947), auteur van o.m. La vie sexuelle d'Emmanuel Kant (conférences «retrouvées» par Frédéric Pagès), vertaald als Das sexuelle Leben des Immanuel Kant, een Reclam-boekje. Van deze auteur Pagès verschenen meer werken, bijvoorbeeld Landru, précurseur du féminisme: Correspondance inédite, 1919-1922, of Métaphysique du mou, waarin Botul de aard van het begrip “malsheid”, of “weekheid” ontrafelt:

En 1938 Botul crée et explore le concept de mouïté. Il en tire des idées étonnantes, qui bouleversent la phénoménologie ambiante, sur l’Être, le néant, la charcuterie, le fromage, les seins des femmes, le transport des valises et les années trente.
In 1938 creëert en onderzoekt Botul het concept 'weekheid'. Hij puurt er verbluffende ideeën uit, die de doordeweekse fenomenologie overhoophalen betreffende het Zijn, het Niet-zijn, de charcuterie, de kaas, de borsten der vrouwen, het transporteren van valiezen en de jaren dertig.

Dat alles moet voor BHL zeer overtuigend geklonken hebben, en blakend van zelfvertrouwen schrijft hij over Kant:

Ou bien encore Kant, le prétendu sage de Königsberg, le philosophe sans vie et sans corps par excellence, dont Jean-Baptiste Botul a montré, au lendemain de la Seconde Guerre mondiale, dans sa série de conférences aux néo-kantiens du Paraguay que leur héros était un faux abstrait, un pur esprit de pure apparence - et cela à deux titres au moins: le concept de monde nouménal où s’entend l’écho d’une jeunesse spirite, vécue parmi les ombres et les limbes, dans un royaume d’êtres énigmatiques et accessibles par la seule télépathie; l’idée, ensuite, des catégories de l’entendement, la manie du transcendantal, l’obsession de catégories rigides fonctionnant comme un corset et qui semblent parfois là pour contenir une folie souterraine, donner forme au flux chaotique des sensations, faire barrage à la confusion mentale dont les biographes savent, aujourd’hui, qu’elle le menaçait plus qu’aucun autre - Kant, ce fou furieux de la pensée, cet enragé du concept, dont toute la Critique de la raison pure pourrait se lire, dans ce cas, comme le récit d’un drame intime, une autobiographie secrète et cryptée…Pourquoi est-ce que je dis tout cela ?...

Of nog Kant, de zogenaamde wijze van Königsberg, bij uitstek de filosoof zonder lijf en zonder leven, van wie Jean-Baptiste Botul heeft aangetoond, vlak na de Tweede Wereldoorlog, in zijn reeks voordrachten voor de neo-Kantianen van Paraguay, dat hun held een abstracte vervalsing was, een loutere schim en verschijning – en dat om minstens twee redenen: het concept van de noumenale wereld [Platoons-Kantiaanse term voor “idee”, een “Ding an sich”, dat we ons enkel geestelijk kunnen voorstellen, los van zijn zintuiglijke verschijningsvormen of fenomenen], waarin wij de echo kunnen horen van het spiritisme van zijn jeugd, die hij beleefde tussen schaduw en schemer, in een koninkrijk van raadselachtige wezens die zich enkel telepathisch lieten benaderen; vervolgens de idee van de categorieën der rede [van de ratio, het vernuft], de manie van het transcendentale, de obsessie met strakke categorieën die als een korset functioneerden, en die er soms enkel lijken te zijn om een ondergrondse gekte in toom te houden, om vorm te geven aan de chaotische stroom van gewaarwordingen, een dam op te werpen tegen die geestelijke verwarring, waar de biografen vandaag van weten dat deze hem meer dan wie ook bedreigde – Kant, die razende gek van de gedachte, die bezetene van het concept, wiens hele Kritiek van de Zuivere Rede je kunt lezen als, in dit geval, het relaas van een innerlijk drama, een geheime en versleutelde autobiografie …Waarom vertel ik dit alles? …

Ja, waarom vertelt BHL zoveel? .omdat hij niet wist dat zijn filosoof Jean-Baptiste Botul, een verzonnen personage was van een echte filosoof, en journalist bij de Canard Enchaîné,. Frédéric Pagès* ?
Of misschien gewoon omdat hij zijn geparfumeerde bek niet kan houden?
_____________________
* «Il n’a jamais été établi explicitement que Botul n’a pas existé et il n’est donc pas à exclure qu’un jour, l’histoire rende raison à Bernard-Henri Lévy», commentait hier Frédéric Pagès.
"Er is nooit ondubbelzinnig aangetoond dat Botul niet heeft bestaan, en dus kun je niet uitsluiten dat op een dag de geschiedenis Bernard-Henri Lévy gelijk geeft", was gisteren de commentaar van Frédéric Pagès.



le quistre intégral

22 januari 2009

Ook de journalistiek ontsnapt niet aan automatisering

.

Weinigen zullen het de moderne vrouw misgunnen dat haar leven een stuk comfortabeler is geworden door de uitvinding van allerlei machines, meer bepaald de automatische was- en vaatwasmachine. Of de droogkast. Eerder al had zij de naaimachine gekregen, waar toen van Ostaijen de lof van heeft gezongen.

Maar hoe delicaat was en vaatwas ook mogen zijn, het blijven relatief eenvoudige mechanische taakjes. Al een stuk ingewikkelder is aardappelen schillen, of wortelen, schorseneren, rammenassen en asperges. Hier voldoen geen volautomatische machines, omdat zij vooralsnog niet precisie en grondigheid met de gewenste zuinigheid weten te verenigen. Hier speelt de verwarrende veelheid der te verwerken vormen.
Wel zijn er, zoals hiernaast te zien, al sinds geruime tijd halfautomatische toestelletjes van Zwitserse makelij op de markt, die grote voldoening schenken. Hun goede werking vereist geen noemenswaardige kracht, wel nog een scherp oog alsook fijne vingers en een tere motoriek. Node, en slechts ten koste van grote verspillingen kunnen wij deze laatste missen.

Een machine bedenken die zelfstandig nog moeilijkere taken aankan, lukt voorlopig niet, al zijn er uitzonderingen. Schaken bijvoorbeeld is voor de automaat nauwelijks nog een probleem. Ook de sterkste man wordt met gemak verslagen. En laat dit spel schier eindeloos veelzijdig zijn –a sea in which a gnat can drink and an elephant can bathe– door zijn wiskundige eindigheid is het de mindere van de aardappel en de wortel.

Marc Reynebeau, de gevierde publicist, historicus, columnist en moderator, heeft laatst een daad van zelfverloochening gesteld en een vermetele poging ondernomen om zijn eigen vak te automatiseren, de journalistiek, en specifiek de duiding die algemeen als de belangrijkste tak wordt beschouwd.
Reynebeau heeft vier politieke speeches laten bespreken door een grafisch programmaatje, Wordle,
een leerrijk speeltje van de informatica zoals hij het zo mooi noemt – en Wordle is u, lezer, niet onbekend want hiernaast in de linkerkolom is bij wijze van grap al enkele maanden een voorbeeld te zien.
De toespraken komen van Martin Luther King, William Jefferson Bill Clinton, George Dubya Bush en natuurlijk van Barack Hussein Obama, en Wordle kan niet enkel hun woorden tellen en van volgorde laten veranderen, maar het zet de talrijkst voorkomende woorden ook groter, of vetter, of in een andere kleur, wat vaak een fraai resultaat geeft.
Op die manier laat Reynebeau ons ontdekken dat Clinton dikwijls het woord “moeten” gebruikte, en dat Bush gedurig over vrijheid sprak, King trouwens ook, maar bij hem betekende dat woord iets anders meldt Reynebeau.
We zien hier onmiddellijk dat het menselijk oog, net zoals bij het Zwitserse aardappelschilscalpelletje, een onmisbare rol blijft spelen, en in zoverre moeten wij Reynebeau’s poging tot automatisering voorlopig als ontoereikend beschouwen.

Obama gebruikt meer genuanceerde woorden, is een stuk menselijker dan de drie overigen, en hij is niet eens zwart voegt Reynebeau scherpzinnig toe, maar half-wit: ...zijn moeder was tenslotte een blanke vrouw uit Kansas 'witter' kan haast niet. Obama is niet zozeer 'zwart' (een term die elke rasvermenging als niet-blank, onzuiver en dus zwart aanziet), maar, laat ons zeggen, 'bicultureel'.
De begrippen “ras” en “cultuur” lijken voor hem wel inwisselbaar, een fout die meen ik Wordle niet zou maken. Ook is zijn poging om Obama wél zwart van buiten te laten, maar hem wit van binnen* te maken, nogal stuntelig en volslagen overbodig, en ook dat ligt niet aan zijn speeltje van de informatica.

Verderop laat Reynebeau Obama een dwaasheid zeggen die ik in de toespraak zelf niet had gehoord: …want zie, daar stond hijzelf toch maar mooi 'de heiligste aller eden' af te leggen, die als nieuwe president.
Marc, die zijn speeltje wellicht pas 's morgens had begroet, heeft zich in zijn enthousiasme voor Wordle laten meeslepen. Feit is dat lidwoorden, bepaald of onbepaald, in Wordle worden weggelaten. Ze zijn te frequent en zouden anders altijd winnen en vet afgedrukt worden.
Obama zei heel iets anders, en formeel wél, maar naar betekenis gebruikte hij geen superlatief. Wat hij zei was: ...a most sacred oath.**

Om te besluiten: aangezien de redacties veel moeten besparen is een mate van automatisering wellicht niet te vermijden, maar goed interpretatiewerk blijft voorlopig noodzakelijk. En wat nog minder kan gemist worden is accuratesse bij het citeren ...maar dat behoort tot de verslaggeving, traditioneel het zwakke punt van kwaliteitsjournalistiek.

_____________
* . . De Laatste Zoen

De zoen van negers en van negerinnen
Is hier zo zwart gemaakt dat naar het schijnt
De negerzoen uit Nederland verdwijnt
Al is zo’n zoen wel lekker wit van binnen.

Dus moet ik maar iets anders lekkers zoeken.
Gelukkig viel mijn oog op jodenkoeken.


Driek van Wissen
Dichter des Vaderlands

** Godfried Bomans heeft ooit een mooi essay geschreven over de verschillen tussen het Engels, Duits en Nederlands, wat betreft het gebruik van superlatieven en verkleinwoorden. Alleen weet ik niet meer in welk boek. Als ik mij goed herinner noemde hij het Engels de taal van het understatement, Duits die van het overstatement, en Nederlands was de nuchterheid zelve.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html