Posts tonen met het label Gezelle | Guido. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gezelle | Guido. Alle posts tonen

16 augustus 2024

Een beschaafde columnist aan het woord

Lang geleden, toen kranten en weekbladen nog beschaafde columnisten hadden die ook echt konden schrijven, hadden we in

de stukjes van Karel van het Reve (1921-1999). In de postuum verschenen bundel ACHTERAF vind je er honderdzevenenveertig, en zeker wie zelf wel eens een stukje wil schrijven kan die beter vooraf een voor een lezen.

Om jullie op smaak te brengen, lezers, heb ik er eentje overgetikt (ik denk niet dat het mag, maar vertrouw erop dat de Erven Karel van het Reve me geen puntig mes door de keel zullen rammen).

Van het Reve heeft het over de beïnvloeding van schrijvers door hun oudere collega’s, en hij geeft een paar voorbeelden. Van Heine leerden we gelukkig al dat er in de kunst geen plagiaat bestaat, en dat die kwalificatie voortkomt uit een romantische overschatting van originaliteit. Van hem mag een kunstenaar zijn honing uit duizend bloemen bereiden, en dat mogen dus ook zowel Elsschot als Gorter en Gezelle van de grote Karel van het Reve: 


GESTAMP EN GERATEL

In het gedicht ‘Aan Rika’ vertelt Piet Paaltjens (1835-1894) hoe de trein waarin hij zat voorbijgereden werd door een sneltrein, en in die sneltrein zat een meisje dat hij maar heel kort zag. ‘De kennismaking kon niet korter zijn.’ Of zij echt Rika heet en hoe hij dat weet, vertelt de dichter ons niet. Hij verwijt haar dat ze het rijtuig ‘niet heeft opgerukt’ (hij bedoelt, denk ik, dat ze de coupédeur niet heeft opengerukt) en hem niet om de hals gevallen is. En dan komt de laatste strofe:

                  Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
                  Maar, Rika, wat kon zaalger voor mij zijn,
                  dan, onder hels geratel en gestamp,
                  Met u verplet te worden door één trein?

Dat gedicht met die trein werd voor het eerst gepubliceerd in 1867. In 1923 verscheen Elsschots verhaal Lijmen. In dat verhaal probeert Karel Boorman telefonisch contact op te nemen met de firma Korthals en Zonen in Gent:

      ‘Hij zocht even in het telefoonboek, kwam naast mij zitten, belde de Centrale op en sloot de ogen.
     “Brussel,” zei een neusstem.
     “Gent!” riep Boorman, naar het toestel snappend als een hond naar een been.
       Er volgde een gegorgel, dan een bruisen als van de zee en daarop een hels gestamp en geratel.’ 

Dat ‘hels gestamp en geratel’ van Elsschot komt uit het ‘hels geratel en gestamp’ van Piet Paaltjens. Daar kan, geloof ik, geen twijfel over zijn, al is Elsschot zich daar misschien helemaal niet bewust van geweest.

Ander voorbeeld. Een jaar of wat geleden las ik – ik weet niet meer in welk gedicht – van Guido Gezelle de regel ‘Miserere, mensen, miserere’ (Heb meelij, mensen, heb meelij).

‘Toen ik dat las, herinnerde ik me dat ik lang geleden ergens bij Herman Gorter de regel was tegengekomen ‘Jubilate, mensen, jubilate!’ (Juicht, mensen, juicht!)

Een soort theologisch-wereldbeschouwelijk debat: Gezelle, als gelovig katholiek, wijst op de eeuwige ellende van deze wereld, terwijl Gorter als gelovig marxist juist zeker weet dat de mensheid eerlang ontzettend gelukkig zal worden. Ook hier is voor mij geen twijfel mogelijk: Gorter schreef dat ‘jubilate’ als reactie op Gezelles ‘miserere’.

Niet altijd liggen de zaken zo duidelijk. Neem datzelfde Lijmen. Boorman probeert Laarmans over te halen bij hem in dienst te treden: Laarmans wordt redacteur van Boormans Wereldtijdschrift, eerst tegen een salaris, dan krijgt hij de helft van de winst en na twintig jaar is de hele onderneming van hem, ‘en dan ben je pas vijftig’.
En dan komt de passage waar het mij om gaat: ‘ “Ik ben vijftig,” sprak hij met klem. “Nu, op dit moment, zoals ik hier zit.” ’

Dezer dagen, herlas ik Treasure Island (Schateiland) van Robert Louis Stevenson, voor het eerst gedrukt in 1883. Ik kwam bij de passage waar de held, een jongen van een jaar of twaalf, per ongeluk een gesprek afluistert en hoort hoe Long John Silver (die met het houten been) leden van de bemanning tot zeerovers probeert te maken. En in de loop van dat gesprek zegt Silver: ‘I’m fifty, mark you.’ (Ik ben vijftig, let wel.)

Bewijzen kan ik het niet. Maar ik heb zo’n vermoeden dat die woorden bij Elsschot zijn blijven hangen toen hij Treasure Island las.

(6 juni 1992)

Achteraf
© 1999 Erven Karel Van het Reve, Amsterdam
Uitgeverij G. A. van Oorschot
Bij dezelfde uitgever ook in deel 7 van het Verzameld Werk
bezorgd door Lieneke Frerichs, Elma Drayer en Nop Maas

13 november 2018

Kan de mens vooruitdenken?


Er woedt zoals men weet deze dagen een strijd in Londen, niet zozeer rond die Brexit waar het Nieuws het vaak over heeft, maar om het wereldkampioenschap schaken. Deze strijd heeft niets verborgens, integendeel, je kunt elke zet van de partijen live meemaken, bijvoorbeeld op de site van Chess24. En wat meer is: je krijgt er ook deskundige commentaar bij van grootmeesters, een soort duiding als je wil, maar dan van mensen die er echt iets van afweten. En het gaat ook niet over sentimentele voorkeuren van die duiders, maar over echte zetten die al gedaan zijn, en over zetten die als gevolg daarvan op het bord nog zouden kunnen verschijnen.
Nu kun je zeggen, ja schaken, maar op die suffe opmerking heeft destijds grootmeester Hans Ree al geantwoord: 'Er wordt wel eens gezegd dat wij zo in ons spel verdiept zijn dat we de wereld niet kennen, maar je weet wat een onzin dat is. Ons spel is een microkosmos waarin zich de wereld haarscherp spiegelt. Wie van alles een beetje weet, weet niets, maar wie één ding goed bestudeert, weet genoeg voor alles.'

Holland verlicht
     1998, Uitgeverij L.J.Veen, Amsterdam/Antwerpen, p.10

De vier al gespeelde partijen zijn in remise geëindigd, maar dat betekent niet dat er weinig gebeurde. Soms had wereldkampioen Carlsen de betere kansen, en de volgende keer weer uitdager Caruana. En ergens maakte grootmeester Svidler, een Rus, de opmerking dat het in een bepaalde stelling moeilijk was om een ‘plan’ te ontwikkelen. En toen zei me daar vanuit Moskou de eveneens Russische grootmeester Aleksandr Grisjtsjoek iets dat me bijzonder beviel:

Pjotr Svidler: Yeah it’s like, it's this weird situation where nothing is really threatened, but you still dislike your position and you would like to have a plan... to do something.
Alexander Grisjtsjoek: The p-word, yeah?
Svidler: Yeah.
Gristsjoek: I think Gustafsson, he doesn’t allow people to use the word ‘plan’ in a chess sense.
Sopiko Guramishvili: Yeah ...yeah, I’ve heard that word as well.
Svidler: Really?
Guramishvili: Yeah.
Grisjtsjoek: Actually I completely agree with him in this. Plans do not exist. As I mean, there are some ideas, yes they exist, but… and then, ok, when you’ve played lots of ideas in the game you can say: ok, it was my plan. But not beforehand. It’s like, I don’t know, it's like ‘What is your plan in life?’ I mean, this is like impossible to answer. I mean, until your life actually happens.
Svidler: Deep! I will go as far as to say profound. Profound things being explained live on air here.
Guramishvili: Now we need ideas!



De mooie Sopiko Guramishvili presenteert het programma. Ze besloot hier ook mooi en riep de mannen tot de orde: spreek over zetten! Zijzelf is meester (weliswaar ook 'vrouwelijk grootmeester', maar dat wil ik als rechtgeaarde feminist eigenlijk niet vermelden: bij de mannen is zij internationaal meester, niet niks dus).

En mochten mijn lezers die opmerking van Grisjtsjoek een filosofische gemeenplaats vinden, dan zou ik toch willen opmerken dat het schaakspel een eindig spel is, met vierenzestig velden die bij het begin van de partij ook nog eens voor de helft vol staan, en dus met beperkte mogelijkheden, zij het dat die beperking voor de menselijke geest een oneindigheid is: Chess is a sea in which a gnat may drink and an elephant may bathe, zegt het oude Indische spreekwoord ...dat wellicht dateert van 1949.
Als het daar al niet lukt! Dus Ree had gelijk als hij zegde dat schaken een beeld van de grote werkelijkheid kan geven, en dat bewijzen ook de drie voorbeelden hieronder, waarin achtereenvolgens een mier, een bij, een veugelke en een hagedis hem en Grisjtsjoek bijtreden:

Die Ameise kennt die Formel ihres Ameisenbaues, die Biene die ihres Stockes (wenn sie sie auch nicht nach Menschenart kennen, so kennen sie sie doch in ihrer eigenen Art, und mehr ist ja nicht nötig), aber der Mensch kennt seine Formel nicht.
           F.M. Dostojewski
           Bei gebotener Gelegenheit, vier Lektionen.
           Erläuterung der Puschkinrede.
           Literarische Schriften.
           Moeller van den Bruck, 1923, R.Piper & Co. Verlag.

Ah! als ‘t veugelke Gods zyn neste bouwt en hairke voor hairke by een raapt, en maakt en fatsoeneert naar zyn eigen lyf en gemakkelykheid, ‘t en weet het toch niet voor wien dat het zulk een schoon wiegske bereidt en welkdanige lieve jongskes, als’t een keer zomer en schoon weer wordt, daar in zullen te piepen liggen.
           Guido Gezelle
           Proza en Varia
           Frank Baur, 1950, Standaard Boekhandel,



Kein Mensch denkt, es fällt nur dann und wann den Menschen etwas ein, solche ganz unverschuldete Einfälle nennen sie Gedanken, und das Aneinanderreihen derselben nennen sie Denken. Aber in meinem Namen können Sie es wiedersagen: Kein Mensch denkt, kein Philosoph denkt, weder Schelling noch Hegel denkt, und was gar ihre Philosophie betrifft, so ist sie eitel Luft und Wasser, wie die Wolken des Himmels, ich habe schon unzählige solcher Wolken, stolz und sicher, über mich hinziehen sehen, und die nächste Morgensonne hat sie aufgelöst in ihr ursprüngliches Nichts; – es gibt nur eine einzige wahre Philosophie, und diese steht, in ewigen Hieroglyphen, auf meinem eigenen Schwanze.
         Heinrich Heine
           Reisebilder IV: Die Stadt Lucca (1830)
           Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
           Ernst Elster, 1893, drittter Band.

« La méthode, c’est le chemin, une fois qu’on l’a parcouru, » zei nog de sinoloog Marcel Granet.

11 februari 2014

Afgeleide literaire roem


Algemeen gesproken zal wie zelf geen boeken schrijft weinig kans maken om zich in het geheugen van het nageslacht te nestelen. Dit is onrechtvaardig, maar zo is het. Desnoods kun je misschien een beroemde misdadiger worden, of een beroemde voetballer, of een beroemde filmspeler maar ook dan is het geheugen kort.
Literaire roem blijft de beste verzekering. Hoe moet je die verwerven als je zelf niet schrijft?

Hier kunnen we te rade gaan bij Salomon Heine, destijds bankier in Hamburg en na Rothschild de rijkste man van Duitsland. Zijn neefje Heinrich was in 1830 naar Parijs uitgeweken en leefde daar van zijn pen. Hoogstens twee of drie keer per week ging hij naar de opera, en vooraf of nadien werd er iets gegeten in een goed restaurant. Alles bijeen een armoedig bestaan dus.
Zijn oom had hier begrip voor en bezorgde hem een flinke toelage, op te nemen in het Parijse filiaal van Rothschild. Die toelage was een beetje aan de krappe kant vond Heinrich, maar hij schreef voor zijn oom toch het onsterfelijke gedicht : “Das neue israelitische Hospital zu Hamburg” (te vinden in “Neue Gedichte”). 
Salomon had met zijn onmetelijke geldmiddelen namelijk (de eerste regel van het gedicht) “Ein Hospital für arme, kranke Juden” laten bouwen. En Salomon kon tegen een stootje want wat Heinrich hem nadien schreef, dat nam hij met de glimlach: dat oompje nog zo rijk mocht zijn, zijn enige kans op onsterfelijkheid waren de gedichten waarin hij, arme Heinrich, Salomon roemde. Heinrich zou gelijk krijgen en Salomon wist dat.

Wat wil nu het geval? Al pleeg ikzelf geen opmerkelijke misdaden en voetbal ik niet, terwijl ik ook geen boeken schrijf, toch is in literaire zin mijn voortbestaan verzekerd. Tweevoudig verzekerd zelfs, want in het jongste boek van Benno Barnard, kom ik tot mijn genoegen enkele malen voor. Niet dat ik Barnard hiervoor nodig had, want tien jaar geleden al schreef Pol Hoste het volgende, zo goed als geheel op waarheid berustende verhaal: 

In Brussel nam ik eens de trein naar Gent. Niets bijzonders. Al verteld. Twee reizigers maakten kennis met elkaar op het perron van het centraal station. De trein bracht hen niet naar de aangekondigde bestemming. Waar ze uitstapten was het station gesloten. Tien uur, en winteravond.
‘We kunnen het gedicht niet meer zien,’ zei ik. Alle lichten zijn gedoofd, ijsbloemen op de ruiten. We besloten ons wat op te warmen in café De Lustige Reizigers. Het bleek het lokaal van een duivenmaatschappij. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Maatschappij der Belgische Spoorwegen. 
Met de laatste trein keerden we terug naar de plaats van vertrek en maakten van onze ontmoeting gebruik om orde op zaken te stellen. Ik vermeld de torso’s in de gangen van het Belgische parlement en de Nederlandse Academie voor Taal- en Letterkunde. Ik vermeld het geoxideerde, in brons uitgevoerde gedicht van Guido Gezelle in de wachtzaal van het spoorwegstation Denderleeuw en de groen, bruin gerookte, kale hoofden boven de schaakborden in hotel Den IJzer te Gent. Leopoldisten.
‘Weet u dat men heeft geweigerd om te veronderstellen dat hij Heine zou hebben gelezen?’
‘Bedoelt u dat er een verband zou kunnen zijn tussen zijn Kerkhofblommen en Les Fleurs du Mal?’
‘Ik heb het over Heine. Men is niet eens bereid om zelfs maar in overweging te nemen dat de mogelijkheid zou bestaan dat Gezelle Heine heeft gelezen. Al heb ik daar bewijzen voor gevonden.’
Gezelle? Ik denk niet dat mijn moeder ooit heeft geprobeerd om haar rationele overwegingen te scheiden van haar waandenkbeelden. […]

Montréal
Carnet II
Prometheus, Amsterdam 2003,  pp.154-5

Misschien vindt u dit een duister gesprek en ziet u het verband niet, lezer, maar het heeft echt plaatsgevonden in de trein toen. Pol Hoste en ik waren op weg naar Gent, vanuit Brussel Centraal, maar door een verkeerde aankondiging op het perron waren wij “verdwaalde reizigers” geworden en zaten we in een trein op weg naar, ik meen Charleroi.
Ons gesprek navertellen is uitgesloten. Wat ik kan zeggen: het was een lang gesprek want wij zijn uiteindelijk via Moeskroen nog net voor sluitingstijd in Gent Sint-Pieters geraakt. Gezelle en Heine waren een tijdje onze metgezellen. En ook het Schrijverke en de Libelle.

17 juni 2006

Over Thesissen en Tijdschriften

.
Dit artikel gaat wel degelijk over Freya en haar thesis, en over onverkwikkelijkheden als Knack en Meulenaere en Van Cauwelaert, maar eerst hebt u recht op een grappig stukje uit een vervloden tijd.

De opbrengsten van de edele wetenschap, uit de diepten van de menselijke geest door moeizaam vorsingswerk opgedolven, blijven vaak lange tijd in verborgen vertrekken onberoerd liggen; voor de bezitter zijn zij tot nut noch tot lust, en voor diegene die hen ontbeert blijven zij onbekend of ontoegankelijk. Zo kan het voorkomen dat menigeen, in duidelijke of in duistere nood verkerend, te midden van zijn schatten verhongert. Alle wetenschap is niets meer dan het metaal waarmee men in het leven betaalt; op zich is het ongenietbaar en geeft het enkel een trekkingsrecht op genot; pas door het uit te geven verkrijg je de tegenwaarde. Maar de goudstaven der waarheid, door rijken van geest in dikke boeken neergelegd, zijn niet dienstig om in de kleine dagelijkse behoeften van de onbemiddelden te voorzien. Die bruikbaarheid bezit enkel het aangemunte weten.
De tijdschriften zijn het die deze muntstukken aanmaken; geslagen uit de opbrengst der inzichten, onderhouden zij het wisselverkeer tussen leer en toepassing. Enkel zij brengen de wetenschap tot leven en voeren het leven tot de wetenschap terug.
Ook hun laakbare zijde mag niet onaangeroerd blijven. Welmenenden zullen graag en gewillig, en om kwaadwillige spot de pas af te snijden, toegeven dat – der houdbaarheid terwille – tijdschriften net zo min als munten het kunnen stellen zonder de toevoeging van onedele metalen; niets echter kan een zaak ontwaarden als het de bruikbaarheid ervan vergroot. Waarlijk, het koper dat door de dagbladen onder het volk wordt gebracht is meer waard dan al het goud in de boeken.
Laat het zo zijn dat vele waarheden enkel in omloop raken als zij eerst gemengd werden met dwaling, en dat vaak een correct oordeel pas ingang vindt als het vastgeknoopt zit aan een vooroordeel, toch zullen na verloop de zaken die niet deugen op de bodem neerslaan, en zal enkel het goede overeind blijven.

Ludwig Börne, 1818

De Duitse banneling Ludwig Börne – protestantse naam van Juda Löw Baruch (Frankfort 1786 - Parijs 1837) – had in 1818 een tijdschrift gelanceerd, De Weegschaal, en het uittreksel komt uit zijn programmaverklaring. Zijn tijdschrift moest een soort logboek van de samenleving worden, en het zou bespreken: de civiele maatschappij, de wetenschap en de kunst; maar vooral: „...die heilige Einheit jener drei.“

Nu over Freya en Meulenaere en Van Cauwelaert, en over dat blad Knack waar zoveel om te doen is. Eerst zeggen: ik lees het zo goed als nooit. Ook De Morgen sla ik altijd over (op een recent proefabonnement van één maand na, maar ze hadden toen pech met die schietpartij in Antwerpen: hun berichtgeving was pure stemmingmakerij, en een overschrijving kunnen zij dus vergeten). Humo is mij al jaren onbekend. Misschien ben ik te oud geworden voor die bladen, want vroeger las ik ze nog wel.
Over die laatste twee, De Morgen en Humo: hun puberale, sentimentele, maar vooral verzonnen en immorele berichtgeving over de zaak van Notaris X, vervolgens over Dutroux en Regina Louf heeft voor mij de deur dichtgedaan. Hun redacteurs leken niet de eerste begrippen van een democratische rechtsstaat te kennen. Minstens één verzonnen interview verscheen er bijvoorbeeld in De Morgen. Een compleet verzonnen interview gedrukt à la une, en op de volle breedte.
Er is geen weg terug voor deze kwaliteitsjournalisten, ook niet als achteraf hier of daar halfslachtig schuld werd bekend. Als lezer kun je, en moet je veel vergeven, maar three strikes and you're out.
Knack was iets minder slecht dacht ik vaak, en af en toe wijst iemand mij op een bepaald artikel, en dan lees ik dat plichtsbewust. Maar wat hun wonderknaap Meulenaere nu presteert hadden ze aan die andere twee bladen moeten overlaten.
Ik heb even die thesis van Freya bekeken, vijf minuten, haar wetenschappelijke goudstaaf, en toen vroeg ik mij af wat Koen Meulenaere heeft bezield om dat ding in ernst te lezen. Aan De Morgen wordt onzorgvuldigheid en sensatiezucht verweten begreep ik in vogelvlucht. Tja, wie dat nog niet wist.
Het lijkt mij een thesis als een andere, very forgettable.
Wat ik weer niet begrijp is dat Freya klacht neerlegt. Zij moest onze brave Koen juist dankbaar zijn, want tenslotte is de aandacht nu helemaal verschoven naar een onnozelheid, en worden haar leugens over de mazout, afgelegd voor de Kamer, naar de achtergrond gedrongen. Dat is pas politiek dienstbetoon zou ik denken, want bij die verklaringen was de democratie zelf in het geding, en de ministeriële verantwoordelijkheid. Akkoord, het was niet aan haar om ontslag te nemen als eerst Onkelinx en Dewael, en Reynders en De Gucht, en Lizin enzovoort dat ook niet deden toen zij aan de beurt waren. En er is tenslotte Guy Verhofstadt die alles netjes afdekt, altijd, want binnenkort valt voor hem het doek en hij wil nog even genieten. Wat betekent in dat perspectief een leugen voor het Parlement?
Niets zeggen de democratische partijen én de media, hun media. Tenslotte mogen zulke zaken in Amerika en Engeland ook zullen we maar denken. Wat echter niet mag, is (onbewezen) fouten maken in je studententijd.
Ik zal een voorspelling wagen: Freya trekt die klacht in, maar daar zal eerst nog wat tijd over gaan. Meulenaere heeft zijn staart tenslotte al ingetrokken, en gelijk heeft hij, want de bewijslast ligt bij hem en …of zij die thesis nu geschreven heeft ofwel een ander, ik weet het niet maar alvast het voorwoord zou wel eens van haar hand kunnen zijn. Meulenaere zal moeilijk kunnen volhouden, en dat zal Freya's advocaat ook niet ontgaan zijn, dat de zin waarin zij haar gynæcoloog bedankt: ."die mij op onnavolgbare wijze doorheen [sic] mijn zwangerschap heeft geloodsd [sic]" ...uit de pen van een stielman komt.

Hoe denkt Van Cauwelaert hierover? Als hoofdredacteur is hij verantwoordelijk voor wat zijn hofnar vertelt, en het siert hem wellicht dat hij die verantwoordelijkheid niet bij het eerste briesje laat varen. Maar zijn motieven zijn natuurlijk gekleurd.
Ik geloof dat hij paars haat (om de verkeerde, puur partizane redenen) en dat zijn haat hem op een slecht spoor heeft gezet. Zijn magazine, maar dat wisten wij al, bevat geen edele metalen, enkel koper en nikkel, en dat is niet wat Börne onder een deftig blad verstond.
.

26 januari 2006

Stadsdichter Bart Moeyaert en het politiek programma van de Dichter


Vandaag in De Standaard, op p.23 (Cultuur & Media), stelt de journalist Karel Verhoeven aan de nieuwe Antwerpse stadsdichter Bart Moeyaert volgende vraag:
Lanoye, Nasr, Moeyaert. Stadsdichters zijn blijkbaar linkse schrijvers. Wat zou dat geven, een rechtse stadsdichter in Antwerpen?
Moeyaert begint snel, en houdt dan even in; er was een kleine aarzeling zegt Verhoeven:

Ik denk niet dat een dichter rechts kan zijn. (aarzelt even) Ik ken geen enkele goede rechtse dichter.
Wat kan er Moeyaert toch hebben doen aarzelen? Wij hebben er het raden naar. Al flitste hem misschien een soortgelijk lijstje van dichters door het hoofd, als wat hieronder volgt? Het is inderdaad niet eenvoudig om daar een zwakkeling uit te halen, maar misschien zocht Moeyaert tijdens zijn aarzeling naar de meest linkse onder hen?


Dante
Goethe
Gezelle
Poesjkin
Brassens
Baudelaire
Housman
Kipling
Bloem
Rawie
Eliot
Reve


"Wát er precies bij het dichterschap komt kijken, weten wij niet", had Moeyaert beter kunnen antwoorden, "...en dat lijkt mij juist een gelukkige omstandigheid. Maar dat uw categorieën links en rechts ter zake zouden doen, is onwaarschijnlijk Karel!" . En Bart had kunnen doorgaan: . "Een dichter, of die nu links of rechts is, slim of dom, kort of lang: hij moet mooie en deugdelijke waar leveren. Laten wij de categorieën toch zinnig houden, beste vriend. De dichter moet niet álles zijn en kunnen! Een dode collega van mij zei het beter dan ik het zelf kan: mais pour l'amour, on ne demande pas aux filles d'avoir inventé la poudre."


.

7 april 2005

Rik Van Cauwelaert en Guido Gezelle

.
Logebroeder” is een woord waar vele Vlamingen een diepe veneratie voor hebben. Het woord is geen kerklatijn maar het staat op dezelfde hoogte.
Ik las nu in het blad “Knack” –die Engelse titel wordt meestal halfbegrepen, ook op de redactie denk ik, maar dat is een historie waar ik u verder niet mee wil vervelen: in de tijd dat dat blad werd gesticht gingen nog de liedjes van de Beatles voor kosmische openbaringen door, en het was dus maar normaal dat Halbwüchsigen voor een Engels-klinkende titel kozen– in dat blad Knack dus las ik een artikeltje, vijfhonderd woorden of zo, van de hand van Rik Van Cauwelaert, hoofdredacteur. (6 april, p.38)
Behalve het genoemde woord “logebroeder” staat er nog, in volgorde: “vrijmetselaarsloges”, “georganiseerde vrijzinnigheid”, “achtbare meesters”, “loge”, “medebroeders”, “ateliers”, “loge-instanties”, “broeders”, en als afsluitend rijm nogmaals “logebroeder”. Ruw geschat is dat 2 procent van het artikel.
Dit is misschien een gelegenheid om het psychiatrische woord "fixatie" te gebruiken. Het kan zelfs meer dan 2 procent zijn, want zelf ben ik geen ingewijde noch geïnteresseerde, en dus sla ik wellicht bepaalde termen over.
Guido Gezelle in zijn tijd vertoonde soms ook die fixatie, maar dat was toen nog beter te verklaren, en bovenal, Gezelle was dan grappig, alleen in zijn omschrijvingen al : framasons, matsenaars, metsenaarsdiendere, vryheidhaters, liberaters, averechtsen, koolbranders, progressisten, herbakkers, jakebyns, solidairen, schoeljedairen, den grooten oosten, de gedoken klomp, ’t gedoken gewichte dat alles doet scheef gaan. Én in zijn analyses: [...] dat er in ons land alreeds vier duizend vrymetselaarslogiën bestaan. Er zyn maar 86 steden [...] Te Brussel alleen tellen ze tien duist framassons en honderd duist heel ’t land door [...] de francmaçonnerie werkt met handen en voeten om al wat goed en waar is te vernielen [...] het onderaardsch en donker gespuis, dat de wereldhorloge altyd tracht te doen scheef gaan [...] In Vlaanderen wilt men vlaamsch, en te Moorseele Moorseelsch, maar geen vreemd gespuis dat alles naar de bakkerye zou slepen om het te herbakken. Iedereen kent uwen stryd tegen den godsdienst en uwen haat op de priesters. [...] Waar zy hunne jaarlykse (donker) messen en andere diensten doen verrichten en wete ik niet juist: ’t is ievers in den oosten, zegt men, dat de bazen wonen: de dienders zouden moeten in den westen convoelje houden [= sluikvergadering van slecht volk — Frank Baur]. Gezelle zat inderdaad soms op een weer, maar hij kon schrijven en bleef onder de 2%-norm!

Deze Rik Van Cauwelaert kent u wellicht beter als de ernstige man die op KanaalZ wekelijks te zien is in ernstige gesprekken met Vlaamse "topmanagers". U kent het soort wel: Real Software, Lernout&Hauspie, Picanol, j’en passe. Rik kent ze allemaal, en hij voert zijn gesprekken op een voet van gelijkheid. He is in the know, zoals ze bij Knack zeggen. Die KanaalZ-kwestie is voor hun hoofdredacteur hoogstens een Schnabbel, en niemand weet of hij daarvoor wordt vergoed.
Nu meen ik dat Van Cauwelaert in zijn artikeltje een sterker argument had gehad, als hij niet op die weer van de Loge was blijven steken. Dat was namelijk helemaal niet zijn onderwerp. Rik wilde het feit aanvallen dat een VRTjournalist een debat had geleid of gemodereerd tussen twee politici, en dat dat debat was ingericht door een veroordeelde partij. (In tweede orde stoorde het hem dat die journalist daar een betaling voor zou hebben ontvangen.)
Hij schrijft: "En die partij werd – voor wie het vergeten mocht zijn – vorig jaar in Gent veroordeeld wegens racisme". En iets verderop herhaalt hij (bis repetita placent is zijn devies) : "... de wegens racisme veroordeelde partij...".
Wat Van Cauwelaert al direct vergeet is dat niet die partij is veroordeeld, maar enkele vzw's. Een spijtige slordigheid voor een beroepsman, op de rand van het journalistieke fatsoen. Het spreekt vanzelf dat Van Cauwelaert het arrest goedkeurt, en dat hij zich niets gelegen laat liggen aan de negatieve commentaren die erbij verschenen, ook van ongebonden juristen. Verder zou ik hem eens willen horen vertellen of een dergelijk vonnis, en de wet waarop het steunt, ook in de ons omringende landen mogelijk zou zijn. En of hij zulke wetgeving in het algemeen gesproken een gunstige zaak vindt voor de burgerlijke samenleving. [*]
Ook zit er een kleine inconsequentie in zijn vaststelling dat Dedecker dat debat met Dewinter "met een straatlengte" heeft gewonnen. Daar moeten met andere woorden vrije meningen verkondigd zijn? Was het debat dan toch niet zo verwerpelijk?
Maar kom, Rik spreekt liever over die geheimzinnige loge. Hier kan Gezelle hem echter geruststellen: Zyt maar gerust, Deze van hier boven gebiedt en bestiert alles; het kwaad zwemt wel nu en dan ne keer boven, ja’t, maar ’t is om het ongeloof en de ondeugd ne keer loon naar werken te geven; onthoudt het vriendjes: God slaat om te genezen, en steken de framaçons en de revolutiemakers voor eenigen tyd den kop boven, ’t en zal voor niet lange zyn, ze zullen al gauw gedaan hebben met zaaijen, want roert Garibaldi, Mazzini etc., aan onzen Heiligen vader Pius IX, Dezen van hier boven zal al gauw hunne schelmeryen verpletteren, en hun achteruit doen trekken.

Guido Gezelle
Proza uit ‘T JAER 30
in: Proza en Varia
dundrukuitgave van 1951, NV De Standaardboekhandel
tekstbezorging: Prof.Dr.Frank Baur

[*] On peut avoir des lois mauvaises; il ne suffit pas de dire qu'une loi est une loi, pour dire qu'elle est bonne; voilà une des fautes des économistes. Ils établissent le despotisme légal. Dieu nous en préserve, si les lois sont mauvaises, et souvent elles le sont.
(Ferdinando Galiani, 1771)

17 oktober 2004

Staf Nimmegeers over Verlichting en islam... en bij de eerste gelegenheid over zichzelf

.
het begon met een mailtje dat ik aan de eerwaarde heer Nimmegeers stuurde, omdat hij blijkbaar niet goed besefte wat hijzelf had geschreven in zijn column, en ik hem daar graag op wilde wijzen, want het is nooit plezierig om een goedmenende mens te zien sukkelen. Ik schreef dus aan Staf en Standaard:

't en zal Staf!
In de Standaard van vandaag schrijft priester-schrijver en SP.A-senator Staf Nimmegeers, in zijn kolommetje “Weg van Brussel”:


De tijd zal, zoals steeds, bepaalde vormen van obscurantisme wel genezen, zoals dat ook bij ons gebeurde. Waakzaamheid blijft steeds geboden. Kaalgeschoren bepruikte joodse vrouwen, moslimvrouwen in boerka en een kerk zonder vrouwen en met gebrandmerkte homo's, vrijmetselaarsloges met al dan niet vermeende intriges: het moet eruit, het gaat eruit, misschien trager dan we verhopen, met ups en downs, maar 't en zal!

Deze wat lukraak aandoende opsomming getuigt niettemin van Stafs zin voor evenwicht, maar in zijn goedmoedige ijver schrijft hij helaas iets anders dan wat hij bedoelt... misschien, in het vervolg Staf, eerst om raad vragen bij collega priester-schrijver Gezelle? Die kan haarfijn uitleggen wat ’t en zal juist betekent, en dat soort zaken moet je eens horen uitleggen want met de tijd alleen komt zulk een inzicht niet.


Ik kreeg het volgende antwoordje:

Friday, October 15, 2004
----- Original Message -----
From: Staf Nimmegeers
To: Marc Vanfraechem
Sent: Saturday, October 16, 2004 12:28 PM
Subject: RE: goedmenendheid volstaat niet

Beste mijnheer Vanfraechem
Dank voor uw aandachtig lezen van mijn column.
Guido Gezelle was telefonisch niet te bereiken en de einderadacteur van de opiniebladzijde is in dezelfde val gelopen als ikzelf.
Ons Standaardnederlands is blijkbaar niet meer dan van de heer Gezelle.
Hartelijk
Staf Nimmegeers
http://www.stafnimmegeers.be/

Omdat ik nu vond dat hij ook wel iets had mogen zeggen over mijn andere, impliciete opmerkingen, over lukraak en zo, besloot ik om onze man in duidelijker bewoordingen toe te spreken

Beste heer Nimmegeers,
ik ben een groot bewonderaar van Gezelle, de dichter én de polemist, zoals u zal hebben gemerkt in mijn briefje waarin ik u erop wees dat ‘t en zal iets anders betekent dan wat u dacht. Maar ik bewonder niet alle aspecten van Gezelle, inzonderheid deel ik een bepaald “particularisme” van hem niet.
Wat ik wel bewonder is het volwassen debat dat er in Nederland en Frankrijk en Duitsland plaatsheeft over, zovele onderwerpen. In Vlaanderen is er nauwelijks een debat die naam waard, en als er een dreigt te ontstaan dan wordt het vlug een halt toegeroepen door de welmenendheid. Ik zie u schrijven:


Wordt het echter mode om in naam van een zogezegd 'verlicht denken' alles wat op verscheidenheid of anders zijn slaat bot de kop in te drukken, dan haak ik af. Het eindeloos geouwehoer over sluiers, gearrangeerde huwelijken en vrouwen als fabrieken van baby's moet maar eens ophouden.

...en dan ben ik jaloers op het intellectuele peil en de morele integriteit in de ons omringende landen.
Om te beginnen: het past een pastoor niet om over de Verlichting te spreken, laten we wel wezen! De hypocrisie van een Danneels is al te doorzichtig, en komt logischer­wijs neer op ongehoorzaamheid aan het pauselijk leergezag en ontrouw aan zijn eigen geloften, die geloof ik ook de uwe zijn. Want als hij, of een andere pastoor de ideeën van de Verlichting graag wil aanhangen, dan moeten zij vooraf en expressis verbis een aantal katholieke leerstellingen verwerpen.
Ik hoef het niet te zeggen: wat mij betreft zijn alle monotheïsmen gelijk verwerpelijk, zowel in moreel opzicht als in het perspectief van enige intellectuele coherentie. Ik beoordeel zulke fenomenen enkel op hun gevaarlijkheid. Ik lig bijgevolg niet wakker van het jodendom hier, of de katholieke kerk hier. En ik bewonder hun kerken, synagogen, schilderijen, muziek, gedichten, gregoriaanse en orthodoxe gezangen, klaagzangen, ik verafgood de Statenvertaling, zelfs ben ik gevoelig voor voorlezingen uit de koran, wat je op het internet zo mooi kan horen, met simultaan een engelse tekstbalk en al, door verschillende lezers, elk in een eigen stijl. Ik ben zelfs bereid om te zeggen dat ik geloof dat alle schoonheid een soort religiositeit veronderstelt; tenminste ik ken geen andere ontroering, zelfs niet in bed.
Maar dat er niet meer zou mogen geouwehoerd worden over de hoofddoek?
Kijk mijnheer, ook in zulke zaken betaamt het een pastoor om zijn bek te houden (ik mag aannemen dat we elkaar hiermee hebben gevonden in éénzelfde taalregister?). Beeldt u zich echter in dat een vertegenwoordiger van de roomse kerk het morele recht heeft om wie dan ook het zwijgen nog op te leggen? Ook u mag natuurlijk spreken, maar decus est et scire tacere: het is passend om te weten waar je er beter het zwijgen toe doet ...om even terug te vallen op een register dat mij beter ligt.
Over de hoofddoek is geloof ik Ayaan Hirsi Ali beter dan u geplaatst om te oordelen, of Chahdortt Djavann, en die twee mensen getuigen, of confesseren van de fundamentele onmenselijkheid van de islam. Djavann: J’ai porté dix ans le voile. C’était le voile ou la mort. Je sais de quoi je parle. Kan u dat ook zeggen: ik weet waar ik het over heb? Toch niet met uw sigaartjes in een Brusselse straat te zitten smoren zeker? In een ander boekje stelt Djavann gewoon vast: À l’origine de l’islamisme il y a l’islam. Zij wéét dat een brave, gedomesticeerde vorm van de islam een illusie is.
Er is geen vergelijking met het christendom dat wij nog kennen, maar door analogie geloven velen dat de islam ook wel iets dergelijks zal zijn, zodat ze er au fond geen zaken mee hebben. Brave zielen! Naar mijn mening is er tussen de islam en énig christendom dat wij hebben doorstaan niet eens een vergelijking, en ik reken inclusief de prelaten die ervoor zorgden dat in 1766 in Abbeville een negentienjarige jongen die zijn rug naar de processie had gekeerd… de tong werd uitgerukt, en hem vervolgens enkele ledematen werden afgehakt, en dat daarna de genadige onthoofding volgde, voor hij werd verbrand. C’est le sang humain légèrement répandu, c’est la torture, c’est le supplice de la langue arrachée, de la main coupée, du corps jeté dans les flammes, qui est abominable et exécrable. Misschien moet die Danneels …en die Nimmegeers er Voltaire eens op naslaan voor ze over de Verlichting, laat staan over de Franse Revolutie beginnen. Ik stel voor dat onze Godfried –niet zichzelf de tong uitrukt– maar een krans neerlegt bij het monument van de chevalier de la Barre. Ik kan hem zonodig de weg wijzen.

Natuurlijk is dat hele christendom tegenwoordig ongevaarlijk in Europa! die godsdienst is door de scheiding van Kerk en Staat –tien eeuwen geleden was de aanzet daartoe– en vervolgens door de Reformatie, en eindelijk door de Verlichting inderdaad gedomesticeerd en tot enige rede gebracht. Maar als Danneels het vandaag heeft over een Revolutie die de islam nodig heeft –of azo abeetje nodig heeft– dan hoor ik enkel een bedeesde en in de hoek geslagen intellectuele sukkel die stilletjes hoopt dat het met zijn godsdienst zijn tijd nog wel zal duren. Meer stelt dat gedachtegoed niet voor. In zijn doodsnood wil Danneels de argumenten van zijn eigen grafdelvers nog tot de zijne maken, ten koste van het laatste schaamtegevoel.
Ik bedoel maar: ook onder de dekmantel van uw beider ecclesiastische obese bonhomie ...kan een echte vrijzinnige, iemand die geen lid is van enige door u genoemde vereniging, zijn schaapjes nog wel herkennen hoor!
Over ernstige zaken gesproken: als zijnde onnozel verwerp ik uw veronderstelling dat bepaalde obscurantismen vanzelf wel zullen verdwijnen. Ik ben een Burger, en wat u daar vertelt is een senator niet waardig, maar goed u bent verkozen. Toch, u moet enig benul van geschiedenis hebben mag ik veronderstellen: er is nog nooit een obscurantisme enkel met de tijd verdwenen. Uw woordgebruik is significant, en ik begrijp u, zulk een woordeke zet uw kuddeke aan tot passiviteit. Per slot van rekening wordt er van Hierboven bestuurd. Helaas heer Nimmegeers, u zit niet meer aan de knopjes van de vluchtsimulator van uw god. Er komt helemaal géén gedomesticeerde islam in de tijdsschaal die u en ik kunnen overzien.
Een Algerijnse generaal zei ooit in een openhartige bui: Cet islam modéré, je ne vois pas de quoi ils parlent! Er is inderdaad maar één rechte islamleer. Hen kun je geen hypocrisie verwijten, en katholieken kunnen enkel jaloers toekijken zeker?
Waar wij burgers van Europa echter recht op hebben is: een Europees straatbeeld. Er moeten een aantal minimale eisen worden gesteld. Ik heb er niet voor gekozen om in Anatolië te wonen, net zomin als ik de Anatoliërs wens te europeaniseren, gesteld dat zoiets mogelijk zou zijn en zij dit zelf ook zouden overwegen. Nee, hier zijn we in Europa, en ook de symbolen van onze cultuur zijn belangrijk.
U wil het debat smoren, eerwaarde heer Nimmegeers, maar het debat over het openlijk dragen van de symbolen van een cultuur die de onze op termijn, maar zonder omwegen wenst af te schaffen: bij dat debat bent u niet van tel.
Citoyen Nimmegeers, ik begrijp u ook ten dele hoor, u meent het ongetwijfeld goed, maar tracht niet de aandacht af te leiden van de werkelijke wereld, want er is er geen andere.
Mijn burgerlijke groet,
Marc Vanfraechem



Hoe Nimmegeers discussies wil afsluiten
(iedereen die van een kort zondagspreekje houdt zal hier aan zijn trekken komen)

----- Original Message -----
From: Staf Nimmegeers
To: Marc Vanfraechem
Sent: Sunday, October 17, 2004 7:46 PM
Subject: RE: goedmenendheid volstaat niet
Beste
Mijn column heeft u wel erg geraakt en houdt u blijvend bezig.
Ik eerbiedig uw levensbeschouwing tenvolle, mijn beste vrienden zijn trouwens niet gelovig (lees mijn boek met Yves Desmet, 'Gesprekken in Jeruzalem', Lannoo).
Dat ik niet over de Verlichting zou mogen spreken doet me denken aan een zeer dogmatische houding die trouwens ook uit de meeste van uw woorden en woordkeuze spreekt.
Veel lezen, veel reizen, veel contact met andere mensen (ook andersdenkenden) is een suggestie voor u, dezelfde suggestie die ik ook geef aan conservatieve katholieken.
Want evenals u, leven zij niet toekomstgericht, blijkbaar is die houding niet aan hen besteed.
Discussie gesloten.
Hartelijk
Staf Nimmegeers


Ik heb hem enkel dit nog geantwoord, al was natuurlijk "de discussie" gesloten:

----- Original Message -----
From: Marc Vanfraechem
To: Staf Nimmegeers
Sent: Sunday, October 17, 2004 6:24 PM
Subject: Re: goedmenendheid volstaat niet


ik stel vast dat u elk inhoudelijk argument terzijde schuift
dat u mij een pastoorspreekje geeft waarin u enkele suggesties doet, die ik niet nodig heb
dat u graag inhoudloze termen als "toekomstgericht" en dergelijke hanteert
en dat u vooral graag discussies wil afsluiten




Gedenkplaat in Parijs (nabij Montmartre) en de Rue du Chevalier de la Barre

23 september 2004

Het lot van zovele Premiers...

.

Uittreksel uit de Englische Fragmente (1828), van Heinrich Heine
vertaald en geannoteerd

Vroeger zaten in de wereld de dingen simpeler in elkaar, en fijngevoe­lige dichters vergeleken de staat toen met een schip, en de eerste minister met zijn stuurman.[1] Maar nu is alles veel gecompliceerder en ingewik­kel­der geworden; het gewone schip van staat is nu een stoomboot en de minis­ter moet niet meer aan een eenvoudig roer staan, maar moet als verant­woorde­lijke ingenieur in het onderschip afdalen, tussen het kolossale machine­werk; hij on­der­zoekt angstvallig elk ijzeren stangetje, elk radertje dat een hapering zou kunnen vertonen, dag en nacht staart hij in de laaiende vuur­haard, en hij zweet daarbij van de hitte en de zorgen — dat alles in de volle wetenschap[2] dat bij het geringste abuis van zijn kant, de grote ketel zou kunnen springen, en bij die gelegenheid zou het schip met man en muis ver­gaan. De kapitein en passagiers ondertussen, kuieren rustig op het bovendek; rustig fladdert de vlag aan de zijmast, en wie de boot zo rustig ziet lopen, die heeft er geen benul van wat voor gevaarlijke machinerie, en wat voor grote zorg en nood er in haar romp schuilgaan.[3]

Ontijdig weggemaaid zinken zij neer, de arme verantwoordelijke inge­nieurs van het Engelse staatsschip. Roerend is de vroege dood van de grote Pitt,[4] roerender nog de dood van de nog grotere Fox.[5] — Ook Perceval[6] zou mee aan de normale ministerziekte zijn gestorven, als er geen dolksteek was geweest die hem nog sneller liet verscheiden. Het was ook diezelfde ministerziekte die Lord Castlereagh[7] zó tot vertwij­feling bracht, dat hij zich in North-Gray, in het graafschap Kent, de keel oversneed. Ook Lord Liverpool[8] zeeg neder in dood en verdwazing. Can­ning, de goddelijke Canning, hadden we al zien neerzinken,[9] vergif­tigd door aartsconservatieve lasterpraat terwijl hij als een zieke Atlas het ge­wicht van de aardbol torste.
De één na de ander worden zij in West­min­ster onder de grond gestopt, die arme ministers. Dag en nacht nadenken moeten zij, in dienst van de koningen van Engeland, terwijl diezelfden zon­der gedachten en goed in het vlees er maar op los leven en stokoud worden.


Wat mag toch deze grote zorg zijn, die de Engelse ministers dag en nacht door het hoofd spookt en hen doodt? Haar naam luidt: the debt, de schuld.


Schulden, juist zoals vaderlandsliefde, religie, eer enzovoort, behoren weliswaar tot de menselijke prerogatieven — dieren hebben immers geen schul­den — maar tegelijk zijn ze uitgerekend een kwaal voor de mens­heid; en zoals zij de enkeling te gronde kunnen richten, zo bewerken zij ook de ondergang van hele geslachten, en in onze tijden schijnen zij in de nationale tragediën wel de plaats in te nemen van het oude Fatum. En­ge­land kan dat Noodlot niet ontlopen, haar ministers zien de verschrik­kin­gen naderbij komen, en ze sterven in de vertwijfeling der onmacht.
_________

[1] Horatius, 14e Ode uit het eerste boek.
O navis, referent in mare te novi fluctus? &c.
O schip, zullen verse golven u de zee weer indrijven? &c.
[2] H. gebruikt hier het redengevend voegwoord sintemalen, wat ook in zijn tijd alleen nog in ironische betekenis voorkwam; bij ons gebruikte Gezelle later sintemaal nog wel, maar hij stond wat alleen; "in de volle wetenschap dat", leek mij acceptabel en ironisch.
[3] Rudyard Kipling dichtte bijna zeventig jaar later het prachtige McAndrew’s Hymn, wat een gelijkaardige scène in het ruim van een schip beschrijft, en getuigt van dezelfde weberiaans-protestantse arbeidsmoraal; het is een soort aanroeping, van een Schotse scheepsingenieurrr en begint zo:
          Lord, Thou hast made this world below the shadow of a dream,
          An’, taught by time, I tak’ it so——exceptin’ always Steam.
          From coupler-flange to spindle-guide I see Thy Hand, O God—
          Predestination in the stride o’ yon connectin’-rod.
          John Calvin might ha’ forged the same —enorrmous, certain, slow—
          Ay, wrought it in the furnace-flame——my “Institutio.” […]
[4] William Pitt, de jongere, (1759-1806); conservatief eerste minister, 1783–1801 en 1804–1806; wist “het Britse vertrouwen” te herstellen na de Amerikaanse revolutie, en stelde zich daarna teweer tegen de ideeën van de Franse Revolutie. "Oh, my country! How I leave my country", waren zijn laatste woorden, want zelfs na Trafalgar was Napoleon te land nog iedereen de baas.
[5] Charles James Fox (1749-1806), de rivaal van Pitt, stierf een paar maand later; op zijn negentiende al parlementslid, groot redenaar; democratisch gezind; steunde de Amerikaanse kolonisten; vond dat de eerste minister niet door de koning maar door het parlement moest worden gekozen, wat na hem ook de regel werd; zijn laatste daad was een wetsvoorstel om de slavenhandel te verbieden.
[6] Spencer Perceval (1762-1812), Tory van de Pitt-school; eerste minister in 1809; economische depressie en sociale onrust; vooral de Luddieten, die de nieuwe mechanische weefgetouwen vernietigden, werden aangepakt — met tientallen doodstraffen — waartegen Byron, in the House of Lords, heel aangrijpend protesteerde; werd door een wisselagent, zekere John Bellingham neergeschoten, niet gestoken zoals H. zegt.
[7] Robert Stewart (1769-1822) Viscount Castlereagh; vanaf 1821, dood van zijn vader, 2nd Marquess of Londonderry; eerst Whig dan Tory; schitterende diplomaat; populair ook op het continent, wegens zijn strakke houding tegenover Napoleon; vertegenwoordigde Engeland op het Congres van Wenen (1814-15) waar hij het concept van the concert of Nations verdedigde, wat nogal eens aan Metternich wordt toegeschreven; pleegde zelfmoord toen hij vreesde (terecht of onterecht) dat zijn homoseksualiteit in de openbaarheid zou worden gebracht.
[8] Robert Banks Jenkinson (1770-1828), 2nd Earl of Liverpool, Baron Hawkesbury of Hawkesbury; werd kleurloos genoemd, maar bleef toch vijftien jaar eerste minister (zulke dingen komen voor!); vond dat bekwaamheid ook in aanmerking moest worden genomen bij benoemingen, niet alleen afstamming en invloed, en wilde dus dat de scherpzinnige Canning hem zou opvolgen, waarbij de koning en de aristocratie dwars lagen; moest ontslag nemen na een hersenbloeding, vandaar die verdwazing, Blödsinn, van de tekst.
[9] In een eerder fragment, niet vertaald.



3 januari 1999

Het Afschrijverke ?


Voor een goed begrip is het nuttig om vooraf volgende twee gedichten te lezen (Libelle en Schrijverke), maar eigenlijk gaat het me alleen om twee versregels.


Es tanzt die schöne Libelle
Wohl auf des Baches Welle;
Sie tanzt daher, sie tanzt dahin,
Die schimmernde, flimmernde Gauklerin.

O krinklende winkelende waterding,
met ’t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ’t waterke gaan!


(dit artikel verscheen in 1998 in: Gierik&Nieuw Vlaams Tijdschrift)


Gezelle 1860

Gezelle moet Heine gelezen hebben. Het is aannemelijk dat hij ooit Die Libelle onder ogen heeft gehad.
Chronologisch past het: de Vlaamsche Dichtoefeningen zijn van 1858 en Die Libelle verscheen voor het eerst in 1854 (twee jaar voor Heine zou sterven). Vóór 1858 heeft Gezelle nooit met diezelfde klanken gespeeld, naar mijn weten. Later wel, hij citeert dan zichzelf: "die pinkelende winkelende oogskes daar", uit "Slaapt, slaapt, kindtje slaapt" [1], door Jozef Boets –onzeker– op 1858-60 gedateerd. Ander voorbeeld: "Hij hinkelde, hij winkelde, hij kronkelde, hij krinkelde, op een been!" [2], door Boets –eveneens onzeker– op 1861 gedateerd.
Guido Gezelle, dat weten we, las alles wat hem onder ogen kwam. Hij vertaalde nogal wat gedichten, voor het merendeel Engels, maar hij was zeker niet alleen anglo­fiel: op vele plaatsen (bij De Averulle en de Blomme, bijvoorbeeld) geeft hij aan: "uit het Duitsch"; elders zegt hij: "Op nen duitschen leest". Hij had blijkens zijn Verantwoordinge bij de Dicht­oefeningen, Hoffmann von Fallersleben gelezen. Sa­men met zijn lieve­lings­leerling Eugeen van Oye las hij Novalis. Kunnen daar niet een paar onschuldige gedichtjes uit Heines Buch der Lieder tussengeslopen zijn? Hugo Verriest kreeg, in de klas van Gezelle in Roeselare, Klopstock te lezen. Gezelle heeft, zegt hij zelf, Duitsland ook bezocht [3]. Een enkele keer heeft hij zelfs in het Duits gedicht.
In zijn uitvoerige studie [4] signaleert Herman Uyttersprot niets van een Heinereceptie bij Gezelle. Uyttersprot ging nochtans, zoals hij zelf zei, op Parallelenjagd tot bij de kleinste DII MINORES. En hij vond ook hier en daar invloeden – meestal bij Vlaamse goden die wij al lang niet meer kennen. Ook recente auteurs over Gezelle vermelden –voor zover ik weet– nergens Heine.
Nochtans kon Gezelle het werk van Heine zeker kennen. In 1857 was er anoniem een reeks Liederen naar H.Heine verschenen in de almanak van het taalminnend genootschap ’t Zal Wel Gaan [5]. Mogelijk van Vuylsteke zegt Uyttersprot. Stond Die Libelle daartussen? Een andere entree tot zijn werk zou bijvoorbeeld de Génestet kunnen geweest zijn: die was zeer onder de indruk van Heine en vertaalde hem. Gezelle was een bewonderaar van de Génestet. In Nederland werd Heine wel veel gelezen in die dagen.
Gezelle heeft de linkse, Fransgezinde, "goddeloze" Heine toch maar gelezen, kan men zich indenken –hij kon daar als echte dichter niet omheen– maar hij zal dat, als goede flamingante katholiek liever niet aan het klokzeel gehangen hebben. Hij had daar redenen voor: Heine werd in die dagen als zedeloos beschouwd, noch min noch meer (en als jood viel hij automatisch onder allerlei vooroordelen).
Een anonieme criticus schreef in De Kunstkronijk (Ne­der­land,1863): «Er behoort misschien eenigen moed toe om te spreken over een man, wiens werken behoren tot de categorie, dont la mère ne permettra pas la lecture à sa fille [...].» [Uyttersprot 1953].
Conrad Busken Huet (1826-1886), die Heine zeer bewonderde, herinnert zich dat in de dagen zijner jeugd het lezen van Heines gedichten gelijkstond met "het uitsteken van de hand naar verboden vruchten".
"Wer Heine las, hielt das geheim, weil er sich an Anarchie und Verspottung des Heiligsten, an Zügellosigkeit und Gotteslästerung mitschuldig fühlte. Mit Heines Gedichten zu Bett zu gehen, war verbrecherisch." Hij was een Venus­priester, Bacchusdienaar, vorstenhater en hemelstormer, zegt Nop Maas in Heine war ein Holländer [6].
Maar heeft Gezelle, behalve hem gelezen, Heine ook nagevolgd? onbewust misschien? Moeilijk te zeggen [7], alhoewel... is het waarschijnlijk dat twee contemporaine dichters schrijven met dezelfde klanken, in hetzelfde ritme, over hetzelfde beest bijna, en dan toch onafhankelijk zouden zijn? Er zijn klanken blijven nazinderen, laat ons dat aannemen.
Ik wil evenwel ook de thema’s met elkaar verbinden, zij het niet in gelijkenissen maar in diametrale tegenstellingen.
Het Schrijverke speelt in een eeuwige, vóórmoderne wereld. Heine, de dichter, kent en bemint die wereld ook –hij noemt zichzelf de laatste grote zanger van het woud– maar hij heeft hem al wenend verlaten. Voor Gezelle is die wereld nog niet weg, hij wil hem juist vasthouden. Denkt hij echt dat zoiets nog kan? De horizonten van Parijs lieten dat niet meer toe, maar die van Brugge, van Kortrijk, van Roeselare?
Daarmee hebben beiden een maatschappelijk, politiek programma. Gezelle en Heine schrijven vaak politieke verzen, zijn trouwens ook allebei journalisten, maar ze zijn elkaars tegenvoeters. Heine strijdt voor sociale emancipatie en vooruitgang in bladen zoals de Augsburger Allgemeine Zeitung, of de Revue des Deux Mondes. Gezelle verafschuwt "de religie van ’t progrès", en vecht bijvoorbeeld in zijn blad ’T Jaar 30 terug – niet dat Gezelle echt op de artikelen van Heine zou geantwoord hebben, of deze zelfs maar gelezen zou hebben (er is tenslotte de tijdsdécalage) maar hij antwoordt natuurlijk wel op een stroming, op geestverwante artikelen.
Illustratief is wat beiden te zeggen hebben over de groeiende rol die kranten spelen. Heine in 1828 (twee jaar voor Gezelle geboren wordt): "Es ist die Zeit des Ideenkampfes, und Journale sind unsre Festungen". Gezelle ziet het belang van kranten eveneens, en meer dan dertig jaar later kan hij het zich in Vlaanderen nog permitteren om te zeggen: "[de gazetten] Die moeders van ’t kwaad en styfmoeders van ’t goed." De mensen moeten dat niet lezen, kranten zijn de wapens van de Antichrist, zoals Bismarck zal zeggen.
Iets anders nu: tot op een zeker punt, daar waar het schrijverke "zijne oorkes recht", vind ik Gezelles gedicht sterker, misschien, nauwelijks paradoxaal, door de beperktheid van zijn thematiek: hij kijkt met een vergrootglas. Met die "oorkes" wordt de vergroting mij wat te sterk. Het beeld van dat schrijverke dat zijn preek afsteekt is eventjes, lichtjes, net iets te ver..­­­. Maar wat voorafgaat is groot.
Die Libelle is juist niet een van Heines grote gedichten (zo kon de verwantschap bijna anderhalve eeuw verborgen blijven; anderzijds, als Gezelle een minder bekend gedicht van Heine gelezen heeft, is het aannemelijk dat hij er meer gelezen heeft [8]). Heine is hier wat hij altijd is: grappig, erotiserend, politiek, klagerig, ironisch, witzig, complex. Alles tegelijk. Gezelle is eenvoudiger, heeft minder dimensies, en juist dat is zijn kracht. De afstandelijkheid van de ironie, de ongesublimeerde erotiek en nog een paar van die zaken hebben nooit tot de poëtische wereld van Gezelle behoord.
Uyttersprot zegt dat Heine "eigenlijk een mens van de 20e eeuw is!"; »Er ist das vorweggenommene Beispiel des modernen Menschen.« zegt Heinrich Mann... Nog vele andere critici, van Max Brod over Ludwig Marcuse tot Gerhard Höhn [9], spreken over die verbluffende moderniteit.
Achteraf gezien kan men Heine, zou ik zeggen, een postmoderne mens noemen. Wel, laat dit wat sterk uitgedrukt zijn, niettemin blijkt uit Heines hele œuvre dat hij, in één grote sprong de moderniteit al voorbij was. Hij kent de onvermijdelijkheid van de vooruitgang, de redelijkheid en de wenselijkheid ervan, maar ziet tegelijk dat de mensheid aan een wankel avontuur begonnen is. Hij kan geen omvattend antwoord geven op de vragen van zijn tijd en hij spot met systeembouwers. Hij heeft wel fragmentarische antwoorden –"patchwork, Lappenwerk" heeft men opgemerkt– hij zet soms een groots verhaal op, maar maakt het niet af. Hij gelooft dan al niet meer in Grote Verhalen. Heine schrijft over alles en nog wat, heeft een geweldige "stofhonger". Zovele onderwerpen heeft hij aangeraakt, dat men hem wel themaloos genoemd heeft. Grove vergissing: er is wel degelijk een bindteken – de ideologie, de (post-)moderniteit, de versnippering zelf.
Men kan beide gedichten dus, met enige goede wil, als politieke geschriften lezen: Heines gedicht als schotschrift (libelle) en Gezelles gedicht, zoals al de gedichten van deze monoliet, als propaganda (fidei).
Heine heeft het over de verleidelijke Franse ideeën van vrijheid en revolutie. Daarvoor had hij de Duitse bodem verlaten en was hij in ballingschap gaan leven – al vond hij zijn ballingschap in Parijs lange tijd best verteerbaar. "Libelle" staat ook voor "Liberté", toch?
Daarnaast dan Gezelles onwereldse wereldbeeld: zoals gezegd het tegendeel van nieuwlichterij. Zijn ideaal is statisch, niet emancipatorisch. Van de moderniteit omarmt Gezelle alleen het nationalisme. Met een lelijk woord, hij is aartsconservatief, en daarbij zeer combattief.
Dat laatste is Heine ook, maar alhoewel hij strijdt als de dappersten (hij zegt het zelf), hij kampt zoals Ogier de Deen, die al slaapwandelend de Saracenen versloeg. Heine vecht tegen beter weten in. En hij weent al op voorhand om de onvermijdelijke nederlagen.
Gezelle kent dat soort dubbelheid niet en daarmee komt hij –niet in de chronologie, maar in de geschiedenis, zoals in het alfabet– vlak vóór Heine.
________________________


[1] Kleengedichtjes, Laatste XXIII, n°17.
[2] Rijmreken, Nageldeuntjes, Spakerlingen, etc., n°44.
[3] Frank Baur, Gezelle's Proza en Varia, Groningen 1950, p.400.
[4] Heinrich Heine en zijn invloed in de Ne­der­landse letter­kunde, Oudenaar­de 1953.
[5] van Oye werd later, aan de Gentse universiteit, ac­tief lid van 't Zal. Hij las daar niet alleen Heine, maar begon zelfs à la Heine te dichten.
[6] in: Ich Narr des Glücks, hrsg. Joseph A. Kruse, Metzler 1997, S.238.
[7] Het zou natuurlijk helemaal mooi zijn als ik ook nog andere citaten uit Heines werk bij Gezelle zou teruggevonden hebben. Mijn probleem hier is, dat ik wel de hele Heine gelezen heb, maar niet alles van Gezelle. Ook is het niet zo zeker of de juiste versregel van Heine mij wel te binnen zou schieten, mochten er nog andere dingen bij Gezelle te vinden zijn.
[8] Het beeld van de kever (of vlinder) die zijn vleugels verbrandt aan een kaars, zou van Perzische inspiratie zijn. Zie Halbmond, Kreuz und Schibboleth, Heinrich Heine und der islamische Orient, van Mounir Fendri, Hoffmann und Campe, Heinrich-Heine-Verlag, 1980 (Heine-Studien). Belangstelling voor de mohammedaanse wereld was ook Gezelle niet vreemd. Kan ook dat een invalshoek geweest zijn?
[9] Men leze zijn Heinrich Heine un intellectuel moderne, PUF/Perspectives Critiques, 1994.
. 

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html