Posts tonen met het label Kelek | Necla. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kelek | Necla. Alle posts tonen

20 november 2015

De Islam: geweld of hervorming


Aanslagen in Parijs

Moslims wijzen met ontzetting de gewelddaden af die in naam van hun religie zijn begaan – maar dat alleen volstaat niet. De sociologe Necla Kelek verlangt een eigentijdse interpretatie van het geloof.

De verschrikking van de barbaarse aanslagen door de islamisten in Parijs zit bij iedereen diep, en meteen al hoort men van zogenaamde islamexperten in de talkshows dat dit alles met de islam niets te maken heeft. Al even weinig als de stenigingen in islamlanden zoals Iran, en de zweepslagen in Saudi-Arabië iets met deze religie te maken kunnen hebben. Openlijk waarschuwen mooipraters ervoor om die daden de moslims in de schoenen te schuiven. En ook de vluchtelingen mag men niet te zeer ergeren, want anders zouden ze kunnen radicaliseren. De Islamitische Staat wordt voor krankzinnig verklaard. Met krankzinnigen moet men zoals bekend voorzichtig omspringen, anders worden ze gevaarlijk.

Klaarblijkelijk wil men geen heldere analyse van de toestand, omdat de consequenties niet in het eigen wereldbeeld passen. Men nodigt de godsdienstlerares Lamya Kaddor uit, die niet had opgemerkt dat er in haar klas leerlingen zaten die zich op het pad van de jihad hadden begeven. Nu zou het aan haar zijn om uit te leggen waarom de islam geen schuld treft. Hamed Abdel-Samad daarentegen, die juist een grondig werk over Mohammed heeft afgeleverd en de stelling verdedigt dat moslims zich eindelijk eens moeten bevrijden en voor hun religie verantwoordelijkheid nemen, die wordt over het hoofd gezien. Men wil het niet weten. Bijgevolg zal alles ook enkel nog erger worden.

In de media en de politiek heerst er een mentaliteit die enerzijds het eigen volk voor geen cent vertrouwt, en anderzijds van vreemden die nog nooit een zweem van religieuze vrijheid hebben gekend genezing verwacht van het eigen schuldgevoel. Uiteraard is men tegen de terreur-islam van IS. Maar in de praktijk er iets tegen ondernemen is niet voor meteen. Voor mij is het zo dat in de intellectuele openbaarheid zich in wezen gewoon dat voltrekt wat Michel Houellebecq in zijn roman «Soumission» beschreven heeft.

De islam heeft als religie gefaald. En dat al van in het jaar 622 in Mekka. Mohammed kon de inwoners van Mekka niet overtuigen van zijn deels mystieke openbaringen, en moest zich in Medina terugtrekken. Daar vervelde hij tot krijgsheer en werd zijn boodschap een machtsideologie. Hij en zijn volgelingen begonnen er nu mee, naar het heet in naam van Allah de wereld te veroveren en de tegenstanders te vernietigen. Dat hebben zij met veel succes gedaan, en hun ideologie was lange tijd aan de winnende hand. Wat IS doet, verschilt in principe niet veel van wat de machthebbers van Saudi-Arabië of Iran doen: zij gebruiken de koran als wapen. De koran is het rokende pistool.

Moslims overal ter wereld zijn ontsteld over wat in zijn naam gebeurt. Maar zij doen niet echt iets om hun geloof te bevrijden van de politieke ideologie. Men distantieert zich niet van de verzen in de koran die oproepen tot moord op andersgelovigen. Er bestaat geen theologie die vragen stelt bij de rol van de profeet als krijgsheer. Maar aangezien de islam om het even wat kan zijn, is hij datgene wat in de naam ervan geschiedt. Op hun daden mag je hen beoordelen. Anders gezegd: de islam is wat hij is, en niet dat wat men erover zegt of wat men ervan wenst.

De islam kan enkel tot een religie worden, als hij zich seculariseert. Als hij het geloof niet voor machtskwesties misbruikt. Er zouden moskeeën moeten komen waarin mannen en vrouwen, kernfamilies dus, gezamenlijk zouden kunnen bidden, en waarin de vrouwen niet afgezonderd werden. De moskeeën hebben de plicht, of zouden die moeten hebben, om hun religie als een onderdeel van de burgerlijke samenleving te beleven. Zolang moskeeën aan jonge mannen de verticale maatschappelijke scheiding voorhouden tussen mannen en vrouwen, en de samenleving opdelen in gelovigen en ongelovigen, zolang ontzeggen zij zich de toegang tot de burgerlijke samenleving. De moslims moeten deze religieuze revolutie zelf maken, en zich bevrijden van hun ideologen, voorgangers en bedienaars. Wat er in hun naam in de moskeeën omgaat, moet hen een zorg zijn. De Europese samenleving mag en moet dit kunnen verwachten, zoals zij zichzelf het wegwerken van de dictatuur tot doel heeft gesteld.

Tot het zover is moet zij zich tegen de politieke islam teweerstellen. Niet enkel met bezweringsformules over waarden, maar heel praktisch. Zolang de moslims deze opgave niet aankunnen, moeten er grenzen zijn aan de vrijheid van godsdienst. Er blijft geen andere mogelijkheid over, dan hun verenigingen, moskeeën, koranscholen te controleren. De verenigingen moeten openbaar maken wie hen financiert, en wat daar gepredikt wordt. De moslims moeten nu bewijzen dat zij vreedzaam zijn. Er is geen algemene verdachtmaking van moslims, maar het vermoeden van onschuld geldt ook niet meer.

24 oktober 2010

Necla Kelek kent nog het juiste perspectief

.
Vrijdag had de Frankfurter Allgemeine een schitterend artikel van Necla Kelek, de Duitse journaliste die u hier vaker las, want al sinds 2005 vertaal ik af en toe een stukje. Deze keer voorziet zij een redevoering van de Bondspresident van enkele bedenkingen:


De Republiek der Gelovigen volgens Bondspresident Wulff


Voor het Turkse Parlement gaf de Bondspresident een sterk staaltje van bagatellisering weg, en tegelijk deed hij een goed woordje voor een terugkeer van de religie in de politiek. Zijn toespraak was historisch vals, en stelde de seculiere Republiek ter discussie. De media merken enkel wat er aan de oppervlakte is geschied.

Een repliek van Necla Kelek

Toen ik zag met welke voorzichtige passen Christian Wulff in Ankara in het Turkse Parlement naar het spreekgestoelte ging, was mijn indruk niet dat hier een president van de Duitse Bonds-republiek aantrad. Die tastende korte schreden, een blik die niet gericht was op wat voor hem lag, maar enkel strak voor zich uit keek. Hij leek bevreesd te zijn voor een verkeerd woord. Wellicht was hij te fel onder de indruk van de martiale façade van het Anit Kabir in Ankara, het mausoleum van Atatürk, dat groter is dan de Akropolis van Athene, waar hij kort daarvoor een krans had neergelegd. Of van de militaire optocht, waarbij hij als smoes diende om voor de eerste keer een gesluierde presidentsvrouw te laten aantreden. Het was een voorzichtige man die ik achter de lessenaar zag staan.
Zijn rede –snel en zonder intonatie afgelezen– begint met enkele terugblikken op de Duits-Turkse geschiedenis, die “de ontwikkeling van onze naties steeds weer verrijkt hebben”. Zo beschrijft hij de militaire betrekkingen en de wapenbroederschap van het Hoge Poort en het Keizerrijk;  Keizer Wilhelm, die in de strijd tegen Engeland op de “islamitische kaart” inzette, de Duitse militairen die in de Eerste Wereldoorlog als wapenbroeders vochten, en wier “verrijking” er onder meer in bestond dat zij logistieke steun gaven aan de Jonge Turken bij de organisatie van de genocide op de Osmaanse Armeniërs. De etnische zuivering was de premisse voor de stichting van de Turkse Republiek, zonder christenen en joden, zonder de “ongelovigen” dus.
Een bijzonder woord van dank richtte Wulff tot de Turken die in 1933 werk boden aan bijna duizend leden van de “Noodgemeenschap der Duitse Wetenschappers”, die onder de nazi’s een beroepsverbod hadden gekregen.
Onvermeld liet hij daarbij dat vanaf 1940, de tijd van de hoogste nood, deze regeling niet meer gold voor joden, maar enkel nog voor diegenen die een Ariërbewijs konden voorleggen. De opvolger van Atatürk, president Ismet Inönü, verklaarde dat Turkije geen asiel bood aan “mensen die elders ongewenst waren”. Tot zover het historische deel van deze redevoering.

Bagatellisering op het hoogste niveau
Na enkele algemeenheden over de internationale toestand, komt Christian Wulff op het bijzonder belangwekkende thema van de Turken in Duitsland. Zeer open brengt hij successen en problemen ter sprake, noemt “vasthouden aan staatsuitkeringen, criminaliteits-cijfers, machogedrag, onderwijs- en werkweigering”, die echter “beslist niet enkel problemen met inwijkelingen zijn”, en in één adem voegt hij er nog aan toe: “Niemand wordt verplicht of verondersteld zijn culturele identiteit te verloochenen.”
Wie als argumentatie een dergelijke combinatie van pure gemeenplaatsen neerzet, en deze aldus aan de analyse onttrekt, versluiert meer dan hij benoemt. Wie sociale fraude onschuldig voorstelt als “vasthouden aan staatsuitkeringen”, die kan niet in ernst ervan uitgaan dat de oproep aan de migranten om zich aan de geldende regels te houden, ook doorgezet kan worden. Dat is de bagatellisering van problemen, op het hoogste niveau.
De zinsnede “Turkije kan laten zien dat islam en democratie, islam en rechtsstaat, islam en pluralisme geen contradicties hoeven te zijn” dient kritisch gelezen te worden, dat willen we de president goed aanrekenen. “Kan laten zien” drukt als vorm een mogelijkheid uit, geen realiteit, want in werkelijkheid zijn in Turkije zowel de Grondwet als de toepassing ervan nog zeer ver verwijderd van wat in Europa verstaan wordt onder een civiele samenleving of rechtsstaat. Als dat de betekenis was, dan had hij concreter moeten zijn.

Schokkende analogie
Het opvallendst was aan het eind van de redevoering het betoog over de islam in Duitsland en de christenen in Turkije. Aan de opmerking die twee weken geleden viel, “De islam hoort zonder twijfel in Duitsland thuis”, voegt hij een spiegelbeeld toe: “Het christendom hoort zonder twijfel in Turkije thuis”. Als betrof het hier de twee zijden van één medaille. Laten we nog buiten beschouwing dat de moslims in Duitsland geen “minderheid” zijn, maar deel uitmaken van deze samenleving, en met bijna 3000 gebedshuizen en evenveel voorgangers religieus net zo goed verzorgd worden als de christenen. Maar de christenen in Turkije zijn nog steeds een onderdrukte minderheid, die zich in het Oosten van het land achter hoge muren verborgen moet houden, en waarvan de kerken vaak enkel als musea te bezoeken zijn. En zoals alle niet-Sunnieten staan zij aan discriminaties bloot.
Deze beide zaken over een kam scheren is schokkend en vals. Hier worden retorisch niet enkel granaatappels met poires williams vergeleken, hier heeft de Bondspresident begrip en lof voor de terugkeer van de religie als politieke categorie, en praat hij deze terugkeer goed. Zijn wij dan geen Duitsers of Turken, maar eerst en vooral christenen, joden of moslims? geen burgers, maar gelovigen of ongelovigen? Is dat de boodschap van de ProChrist-katholiek Christian Wulff?
Als de terugkeer van de religie in de politiek de presidentiële boodschap uit Ankara is, dan staan wij in onze staat voor een nieuwe godsdienstoorlog. En in het diepe Turkije heeft de President hem met een eenvoudige redevoering ontketend.
.

26 januari 2010

Gebruiksaanwijzing voor islamverstaanders

.

ESSAY
Hamed Abdel-Samad

Is islamofobie het nieuwe antisemitisme? Daarover is een debat ontbrand. Maar wie moslims werkelijk ernstig neemt, moet islamkritiek beoefenen.

Hoe doe je precies een islamcriticus een muilkorf om? Mocht u in het geval verkeren dat u allergisch bent voor islamkritiek, en om beroepsredenen, of op ideologische gronden, of eenvoudig omwille van intellectuele traagheid geneigd bent tot het verdedigen van de islam, dan zal volgende gebruiksaanwijzing uiterst nuttig voor u zijn.

Is de criticus een niet-moslim, dan hebt u makkelijk spel.
Aangewezen hier, is een afmattingstactiek: u verwijt hem zijn gebrekkige kennis van de islam, u praat over de heterogeniteit en de veelzijdigheid van de jongste abrahamitische religie, en vraagt hem over welke islam hij het heeft. Al snel verliest hij het overzicht in het labyrint van islamitische rechtsscholen en stromingen, en het debat loopt vast in zand.
Het verwijt van islamofobie hoeft niet lang uit te blijven. Maar wat u weer niet moet doen, is het woord “racisme” in de mond nemen. Beter kunt u de islamcriticus laten aanvoelen dat dit wel degelijk is wat u bij hem vermoedt.Spreekt u hem over stemmingmakerij, over applaus dat van de verkeerde kant komt, en over het koren op de molen van de xenofobie. En, nog voor hij u tegenspreekt herinnert u hem aan de verschrikkelijke gebeurtenissen van 70 jaar terug in Duitsland. In die dagen waarschuwden de antisemieten voor de judaïsering van Europa, net zoals de islamofoben vandaag waarschuwen voor de islamisering van het Avondland. Echter, het woord “holocaust” zult u liever niet gebruiken.
Een vermelding van de Koude Oorlog hoort wel op het programma te staan. Want tenslotte is na het “rode” en het “gele” gevaar nu het vijandbeeld van de islam aan de beurt, zodat de nood aan een schrikbeeld bij de Europeanen gelenigd kan worden, en de contouren van de Europese identiteit scherper getekend.
Nauwelijks iemand die zal merken dat uw argumentatie wat roestig is omdat u valse vergelijkingen maakt en de tegenstander heel de tijd met zijn eigen trauma’s hebt beziggehouden zonder maar iets te zeggen over wat er echt op het spel staat.

Deze tactiek werkt zo goed als altijd, of het moest zijn dat de islamcriticus zelf moslim is, en weet waarover hij het heeft. In dat geval haalt het verwijt van racisme of van gebrek aan kennis van de islam natuurlijk niets uit.
Dan moet er stevig toegetast worden. Val hem aan op zijn integriteit. Hij moet wel een pathologische zelfhater zijn die met zijn kritiek op de islam een afrekening met zijn cultuur beoogt. Snuffel wat rond in zijn biografie, een schandvlek is altijd wel te vinden. En als hij een vrouw is, dan is die natuurlijk emotioneel, wispelturig, en naast de kwestie.

Na het minarettenverbod van de Zwitsers, en de verijdelde moordaanslag op Kurt Westergaard, had ik de hoop dat er eindelijk een onverkrampte strijdcultuur zou ontstaan, waarbij diepgravende debatten mogelijk werden over thema’s als islam en migratie. Mijn hoop kreeg vleugels door enkele mediaberichten in de islamitische wereld, die deze keer niet poogden om de woede-industrie aan te zwengelen, maar tot bezinning en terughoudendheid aanspoorden. Het Egyptische weekblad “al-Youm al-Sabea” stelde in een kritisch artikel zelfs de vraag welke zonden van de moslims, ergens ter wereld, deze afwijzende houding tegenover de islam in Europa konden veroorzaakt hebben. Zelfs bijdragen van een “ketter” als ik werden afgedrukt. Ginds heeft de islamkritiek schijnbaar vruchten afgeworpen en onder moslims een denkproces op gang gebracht over de eigen tekorten.

En in Europa? Er waren wel een paar uiterst zeldzame islamkritische bijdragen in de de mainstream media, maar mijn vrees werd al gauw bewaarheid: in Europa staat men sneller klaar met een muilkorf dan met gelijk welk tegenargument.
Enkel de 14de januari al, publiceerden de “Süddeutsche Zeitung” (SZ) en de Berlijnse “Tagesspiegel” twee bijdragen, die net zo goed van eenzelfde persoon hadden kunnen zijn.In het SZ-artikel met als titel “Onze haatpredikers” vergelijkt Thomas Steinfeld islamcritici als Henryk Broder en Necla Kelek, met de door hen bekritiseerde islamfundamentalisten. De tekst lijkt helemaal –minstens wat de teneur betreft– een kopie te zijn van de bijdrage van Claudius Seidl in de "Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung" (FAS) van 10 januari. Daar waren de haatpredikers zelfs “heilige krijgers”. Vooral Seidl zijn slotwoord vond ik amusant. Aansluitend op een citaat van Voltaire schreef hij: “Ik ben op hun hoofddoek niet gesteld, maar ik zou mijn leven ervoor inzetten, dat zij zich kleden kunnen zoals ze dat zelf willen.” Zo vat hij zijn beperkt begrip van vrijheid samen.
Binnen zijn eigen logica mag je Seidl eigenlijk als “hoofddoekmartelaar” betitelen. Dit gezegd, zou hij zijn leven heel zeker niet opofferen om een moslimvrouw in Duitsland in staat te stellen een zelfgekozen leven te leiden, ver weg van de strenge morele denkbeelden van de moslimgemeenschappen. Over haar zou hij in de FAS nooit een artikel schrijven, al werd zij door haar eigen broer in naam van de eer vermoord, want zulke “oriëntaalse toestanden” zijn zijn columnisten-jihad niet waardig.

In de “Tagesspiegel” van 14 januari verwondert Andreas Pflitsch zich over de scherpe islamkritiek voortkomend uit moslimrangen, en noemt hij deze “de koude oorlog van de Verlichten”. De geschriften van een aantal islamcritici, zoals de in de VS levende islamwetenschapper Ibn Warraq, voorzitter van de Centrale Raad van Ex-moslims, van Mina Ahadi, en van de schrijver van dit stuk, beschouwt Pflitsch als “het plompe oprakelen van oude ressentimenten”, dat met het programma van de Verlichting niet verward dient te worden.
Wat mijnheer Pflitsch tussen de regels door wilde zeggen, is volgens mij: “Bepalen wat kritiek is, en wat Verlichting, dat komt nog altijd aan ons toe. Moslims die weten hoe ze zich moeten uitdrukken, en die het heft in handen nemen, die zijn er niet en horen er niet te zijn, en daarom moeten wij Duitsers dit voor onze rekening nemen, om de moslims tegen zichzelf te beschermen.”
Nee, bedankt mijnheer Pflitsch, ik genees mijzelf!

Zulke stukken zullen wel goedbedoeld zijn, want zij komen vanuit de nobele toren van de cultuur van het slechte geweten, en niet vanuit de praktijk. Maar zij helpen noch ons om tot een eerlijk debat te komen, noch helpen zij de moslims om uit hun eigen lethargie te ontsnappen. Integendeel, zulke aantijgingen bevestigen de hardnekkige samenzweringstheorieën, en cementeren vele moslims in hun slachtofferrol.
En je kunt ook veel islamkritiek overtrokken vinden of provocerend. Ik persoonlijk ga niet akkoord met alles wat mevrouw Kelek of de heer Broder zeggen. Maar hun islamkritiek houd ik niet voor het hoofdprobleem van de islam, maar voor een spiegel van dat probleem.
De islam heeft een probleem met zichzelf, met zijn ambities, en met zijn voorstelling van de wereld. En de tijd snelt hem voorbij. Relativisme en wonden likken, zijn daar slechte recepten tegen.

Een oud Egyptisch spreekwoord zegt: “De ware vriend doet mij wenen, en weent samen met mij. Geen vriend is het, die mij aan het lachen brengt, maar in zijn binnenste mij uitlacht.”
Wie moslims werkelijk ernstig neemt, moet aan islamkritiek doen. Wie met hen een gesprek onder gelijken wil voeren moet eerlijk met hen zijn, in plaats van hen als kreupelen te behandelen. Het is al erg genoeg als iemand mensen voor kreupel houdt die dat niet zijn. Maar erger nog is het, als hij aanstalten maakt om voor hen uit te gaan hinken, en een gebrek te veinzen, in de illusie dat hij op die manier solidair met hen is.
.

11 december 2009

Gerhard Schröder moet zich wat vertild hebben



Een recht op minaretten?
De vadsige vrede van Gerhard Schröder

In Die Zeit van gisteren schrijft de oud-kanselier over “Het recht op torens”, en hij zegt: .“Het Zwitserse bouwverbod voor minaretten toont aan dat de kijk van Europa op de islam nog altijd het stempel draagt van angst en onwetendheid.” . Een antwoord.

De bekendste wijze gek van de Arabische wereld is Nasreddin Hodscha. Hij zou in de dertiende eeuw in Anatolië geleefd hebben, en onder Turken worden zijn avonturen vandaag nog doorverteld. Het gaat zo: Nasreddin kwam een theehuis binnen en verkondigde: “De maan is nuttiger dan de zon.” De mensen waren verbaasd en vroegen, hoezo? “Omdat wij ’s nachts het licht veel meer nodig hebben.”

Met zijn lucide inzichten betreffende de islam, doet het artikel van Gerhard Schröder over het Zwitserse minarettenverbod mij aan deze wijze man denken.
De vroegere kanselier schrijft over de maan: “De islam is geen politieke ideologie, maar een vreedzame religie. Dat leert de koran.” En als bewijs legt hij een dwaalspoor: “Het waren geen islamitische staten die zich aan de beide wereldoorlogen van de voorbije eeuw hebben bezondigd.”* Dat van die wereldoorlogen heeft ook niemand beweerd, maar hoe zit het met de Heilige Oorlog, die sinds zijn uitvinding in de zevende eeuw de helft van de toenmalig bekende wereld met zijn zwaard onderwierp, en die pas duizend jaar later, in 1693 voor Wenen, door de Polen gestopt kon worden? Leerde de koran dat?


Dubbele maatstaf
Tilman Nagel en Bassam Tibi, twee van de meest vooraanstaande islamexperten van onze tijd, deden hun opzoekingen, en doceerden in Göttingen, vlakbij Schröder. Beter dan ik hadden zij het hem kunnen uitleggen: islam betekent overgave aan de enige god. Hij omvat geloof, cultuur, levensbeschouwing en politiek. Zijn leer kent geen scheiding van Staat en Religie. Hij is ongetwijfeld ook een politieke ideologie, zelfs als Schröder dit graag van tafel geveegd wil hebben. Er zijn seculiere, verlichte moslims, maar de islam zelf kent tot dusverre geen Verlichting, en maakt de Mensenrechten ondergeschikt aan de richtlijnen van de sharia, het islamitische recht, zoals ook uit de Cairo-verklaring van de islamitische staten blijkt.
Wat Schröder schrijft over de minarettenkwestie is zonder meer discriminerend – voor seculiere moslims hier en bijvoorbeeld in Turkije.
Hij beschrijft de waarde van de democratie en de Verlichting vol-komen correct als “universeel”,  en tegelijk mag dat niet betekenen, “culturele en religieuze verschillen terzijde willen schuiven.” Ja, hoe zit het nu? In de controverse met de islam gaat het net om funda-mentele vragen, om de vrijheid van het individu, die religieus en cultureel bijvoorbeeld door het dwanghuwelijk ingeperkt worden, en om het afwerpen van religieuze betutteling. Schröder legt een dubbele maatstaf aan en relativeert.


Berekend relativisme
Je hebt enerzijds de Europeanen, die de Verlichting voor zich in pacht hebben genomen, en aan de andere kant de moslims, die zo ver nog niet zijn, en van wie je niet kunt verlangen dat zij de Mensen-rechten zouden eerbiedigen en toelaten, of dat zij in hun land kerken zouden toelaten.
Over de mannenvriendschap van Schröder met Erdoğan of over de hoop op democratie geen kwaad woord, maar de vrouwen in Turkije worden onder de AKP-regering alsmaar verder in de marge van de samenleving geduwd, het huis in dus.
Nog slechts één vrouw op vier heeft een beroep. Vóór Erdoğan was dat nog een op drie.  Maar dat lijkt Schröder niet zo belangrijk, want voor hem zijn het “de zeldzame gevallen van dwanghuwelijken” en het “hoofddoekenverbod” die het moeten ontgelden voor het slechte imago dat de moslims hebben. Het dagelijkse leven van de moslims lijkt de “Zeit”-auteur enkel bekend van de nieuwsberichten.
Zijn houding is die van een machthebber, die problemen relativeert en waarden formuleert als die in de politieke berekening passen. Deze houding heeft niet enkel de sociaaldemocratie en het sociaal werk decennia lang ook in de integratiepolitiek verkondigd. De moslim-migranten, daar ging men van uit, zijn nog niet zo ver, wij mogen van hen niet te veel eigen verantwoordelijkheid eisen.


Afgrenzing van de civiele samenleving
De moslims hebben recht op moskeeën en minaretten. Het referen-dum in Zwitserland over een verbod daarop was een angstkreet, een tragische beslissing. Er is amper een Zwitser namelijk die het recht bestrijdt van de moslims om hun religie te beleven, en zo goed als iedereen erkent het recht van de Zwitsers zelf, om uit te maken op welke manier zij met elkaar willen leven. Tragisch is de situatie hier-door, dat er op een legitieme manier een beslissing werd genomen over een zaak die er helemaal niet toe doet. Moslimorganisaties, de Turkse regering, en nu ook Schröder menen dat er over de vrijheid van godsdienst is gestemd, en dat er een minderheid werd gediscri-mineerd. Zulke critici van Zwitserland sloven zich uit in plaatsver-vangende schaamte voor het volk en voor Europa. Feitelijk willen zij niet de discussie over de islam aangaan maar, zoals altijd, die over de schuld van Europa.
Ook in Duitsland doen islamverenigingen aanvragen tot het bouwen van moskeeën. Er zijn 150 moskeeën met of zonder minaret gepland of in aanbouw. Meestal zijn het afkooksels van Osmaanse Sinan-moskeeën met koepel en minaret, helemaal zoals die in tienduizend-voud in Anatolië staan, waarlijk geen “architectonische wonderwer-ken”. Ook architectonisch heeft er geen integratie plaats. Hoogst zelden verneemt men wat er in die moskeeën zo nodig staat te gebeuren, of wie ze financiert. Meestal worden geen sacrale ruimten gepland, maar islamitische centra.
De moslimgemeenschap heeft problemen met een civiele, burgerlijke maatschappij. Een open dialoog over dat “wat” de islam is,  vindt namelijk niet eens plaats in de islamconferentie, er komt enkel ter sprake “hoe” een groep moslims de islam wenst te beleven, bijvoor-beeld met moskeeën en hoofddoeken, met de symbolen van de halve maan en het zwaard.


Systeem en geloof
Het echte “achtertuintje” is de afgrenzing tegenover de open civiele maatschappij. Het wantrouwen van de Zwitsers tegenover moskee-verenigingen komt ook voort uit de samenzwering die in de moskeeën beoefend wordt.  Zelfs de Zwitserse regering weet niet wat er in de moskeeën gepredikt wordt. Van de moslims vernemen de Zwitsers even weinig als de Duitsers. Maar ook dat zal onder de vrijheid van godsdienst vallen.
Dat de islam een “systeem” is, en niet enkel het geloof in één god, wil ook Schröder liever niet begrijpen, en opnieuw zijn het de Europea-nen en hun media die moeten veranderen, en die de moslims met “andere ogen” moeten bekijken. Met deze alweer enkel tot het Westen gerichte eis, valt de oud-kanselier ons, seculiere moslims, in onze strijd met de bewakers van de islam in de rug aan.
Ik weet niets van gasleidingen af, en dus schrijf ik er ook niet over. Ik schrijf over de islam en die is, Gerhard Schröder mag het van mij aannemen, niet dat wat men bij de schaduw van de halve maan ziet. Als Anatolische emigrante wil ik met de staatsman de wijsheid van Nasreddin delen: Hodscha ging altijd achterwaarts op zijn rijdier zitten, omdat hij niet in dezelfde richting wilde kijken als zijn ezel.

De sociologe Necla Kelek liet laatst het boek verschijnen: “Bitterzoet geboorteland, bericht uit het binnenste van Turkije”.


Text: F.A.Z., 11.12.2009

* Zoals een lezer van Die Zeit opmerkt, lijkt Schröder niet te weten dat Turkije in de Eerste Wereldoorlog aan Duitse zijde streed, en de djihad verklaarde aan de Serviërs in Kosovo. Ook moet het hem ontgaan zijn dat in de Tweede Wereld-oorlog de Arabieren, Albanezen, Kosovaren en Bosniërs met Hitler meevochten.

8 april 2009

Necla Kelek is nog eens een verfrissende auteur voor Dirk Verhofstadt, Hussein Obama en anderen

.

.
6 april 2009



Waar stuurt Turkije op aan?

Fel aan het twijfelen gebracht door de moderniseringen
worstelt het land met zijn positie
tussen het Westen en de Oriënt

Turkije maakt vandaag een diep verscheurde indruk. In elkaar overlopende identiteiten, die tegelijk echter ook tegenstrijdig zijn, drukken hun stempel op het land, dat tegelijk modern en archaïsch, seculier en mohammedaans, Europees en Anatolisch is. Het land bederft zijn toekomst, omdat het niet openlijk de problemen van het verleden, en niet werkelijk die van het heden aanpakt.
Necla Kelek

“Ik zie iets, dat jij niet ziet. En dat is Turkije.” .Westerse, in het bijzonder Europese waarnemers valt het duidelijk zwaar om goed zicht te krijgen op de toestand van dit land. Met enkel toekijken en rationeel beoordelen is het wezen van deze maatschappij maar moeilijk te doorgronden. Moeilijk, omdat Turkije –zoals de Oriënt in het algemeen– gekenmerkt wordt door een eigen culturele en politieke identiteit.
Trots, eer, schande, respect
zijn categorieën volgens welke men politiek bedrijft, en die hebben dezelfde functie als in Europa. Net zo zijn er slagwoorden zoals effectiviteit en duurzaamheid. Maar, ook zijn er irrationaliteit of “delikanli”. Naar betekenis vertaald: dol bloed, wat wil zeggen dat er een rol is weggelegd voor puberende jongelui. Echter, “delikanli” slaat niet enkel op jonge mannen die in hun ontwakende mannelijkheid gekke dingen doen. Het is tegelijk een verklaring en verontschuldiging die gebruikt wordt als mannen in toorn, of uit machtsvertoon hun vrouwen slaan of om zich heen schieten, of als er politiek wordt bedreven op basis van emotie.

Onverwerkte geschiedenis
Terwijl men laatst nog op het economisch wereldforum in Davos enigszins pijnlijk bedremmeld zweeg bij het op- en aftreden van minister-president Erdoğan, vierden bij zijn thuiskomst duizenden Turken in de straten als een held hun “sultan” Erdoğan, die aan de Israëli en de Europeanen even had laten zien wat delikanli betekent.
Turkije lijkt een twijfelende samenleving te zijn geworden, die zich misbegrepen voelt, en die snakt naar zulke tekenen. Volgens een recente BBC-enquête wantrouwen er intussen al meer dan vijftig procent van de Turken de EU, en meer dan zestig procent de VS. Zij houden het bij het spreekwoord “Behalve de Turken heeft een Turk geen vriend”.
In de jaren vijftig hebben Alexander en Margarete Mitscherlich een analyse gemaakt van de Duitsers, en zij spraken over “psychosociaal immobilisme”, terwijl de diepere oorzaken in de onverwerkte geschiedenis van het land lagen. Dat kon ook voor Turkije wel eens een rake diagnose zijn, want dat is een land dat nog altijd niet openlijk zijn verleden, noch zijn huidige problemen onder ogen neemt.
Turkije is een land dat bol staat van geschiedkundige restanten, onder meer antieke, Griekse of Romeinse sporen, maar het wil of kan die schitterende historische ressources niet als een kapitaal zien. Zelfs het complexe erfdeel van het Osmaanse Rijk wordt verheerlijkt, en in de geschiedenisboeken wordt het zo voorgesteld, als hadden er vóór de totstandkoming van de Turkse natie geen andere etnische groepen bestaan.
Die Turksheid is daarbij nog eens een definitie die afkomstig is van Duitse en Hongaarse etnologen aan het eind van de XIXde E., die met inzet van heel de oriëntaalse vertelkunst door de Jonge Turken als nationaal gedachtebouwsel werd geformuleerd. De Turkmeense stammen, die in het Osmaanse Rijk meer een dienende dan een heersende rol hadden, en nauwelijks de helft van de bevolking uitmaakten, werden gestileerd tot de oerstam van Anatolië, en hun geschiedenis als de vormende factor.

Volk zonder wortels
De rol van de andere volksgroepen werd uit de geschiedenis van Anatolië weggedrukt. De Armeniërs, Grieken werden uitgeroeid of verdreven; Koerden, Tsjerkessen overgeplaatst; de soennitische islam opgelegd aan alevieten en sjiieten; Arameeërs, christenen, alle minderheden gemarginaliseerd. Dat alles vanuit de idee een natie tot stand te brengen, en Anatolië als een eenheid in stand te houden. Wellicht zijn vandaag de Turken zo nationalistisch, omdat zij in hun binnenste beseffen dat hun voormalige veelvolkerenstaat, per slot enkel door de vlag nog bijeengehouden wordt.
Begin 20ste E. hadden de Jonge Turken binnen Turkije een politiek van volksverhuizingen gevoerd, met als doel te verhinderen dat er ergens nog meer dan tien procent etnische niet-Turken zouden wonen. Met de industrialisering begonnen er ook een aanhoudende plattelandsvlucht en migratie. Het resultaat was dat metterdaad de helft van de bevolking op een verschillende plek verbleef dan waar de generatie daarvoor geboren was. De Turken zijn in meerdere opzichten een volk zonder wortels. Voor een flat in een der metropolen, verlaten de boeren zonder weemoed hun land. De voornaamste migratiestromen gingen naar de grote concentratiepolen Istanboel, Ankara en Izmir, en bijna vijf miljoen Turken leven in het buitenland.
Ook de andere hervormingen van Atatürk waren waarlijk revolutionair, gaande van de taal, over het alfabet, tot de invoering van het Zwitsers Burgerlijk Wetboek in het Turks, en zij hebben de maatschappij op haar kop gezet. De islam werd onder staatscontrole gebracht, en in de plaats daarvan werd na de dood van Atatürk het Kemalisme staatsdoctrine.
Sedert 1950, de regeerperiode van de later terechtgestelde minister-president Menderes, is de islam weer in opmars, wordt de kemalistische politiek stukje bij beetje weer ingetrokken, en de eertijds gecontroleerde religie wordt opnieuw de Leitkultur van de Turken.
Eén ding echter werd ook door Atatürk niet van de Europeanen overgenomen – en wel de idee van het individu met eigen verantwoordelijkheid, van de burgerlijke samenleving. Wie de Turkse Grondwet leest, stelt vast dat hij alle grondrechten uit Westerse grondwetten daar terug kan vinden, maar dat zij aan een principiële beperking onderhevig zijn. De grondrechten altegader gelden wel – maar onder het feitelijke voorbehoud dat zij de familie, het land, de Turksheid geen schade berokkenen.
Patriarchale structuren, archaïsche zeden, de controle over het individu vanuit de groep, de familie, de clan, dat alles is ook niet na Atatürk nog ter discussie geweest. En zo bleef het “wij”, de pre-democratische structuur van de Osmaanse maatschappij, het grote samenlevingsverband –religieus geformuleerd de umma– als maatschappelijke identiteit zijn gelding behouden.

“Wij” tegen de vreemdelingen
Atatürk was het lichtend voorbeeld van het republikeinse kamp. En deze kemalistische umma wordt nu niet, zoals men in het Westen hoopt, afgelost door een burgerlijke beweging, maar door een andere oervader, het voorbeeld van de profeet Mohammed. De islamitische beweging komt van onderen op, en werkt met zekerheden die om geen motivering vragen, maar die ongevraagd gegeven zijn.
Dat deze beweging de democratische regels in aanmerking neemt, en vele zaken beter aanpakt dan de zelfvoldane Kemalisten, valt toe te juichen maar dat mag niet ons er toe verleiden om aan te nemen dat hier een stap in de richting van de vrijheid wordt gezet. En evenmin moeten we ons laten verleiden tot het klasseren van zaken zodra ze in wetteksten zijn gegoten.
De weeffout in de Turkse republiek was en is dat zij niet op burgers gesteund gaat, maar op de collectiviteit. Zoiets ontneemt vele mensen de kansen op zelfontplooiing en vrijheidsrechten. En ook moeten wij er aan herinneren dat vrijheden benut kunnen worden, om vrijheden af te schaffen.
Als Turken het over hun eigen land hebben, onder elkaar of met vreemden erbij, dan spreken zij over “wij”. Wij hebben met voetballen gewonnen, wij hebben dit jaar minder condooms gebruikt, wij zijn beledigd, enzovoort. Bekritiseer je concrete voorvallen, of stel je er vragen bij, dan geldt het principe dat een buitenstaander dit geen donder aangaat. Bij discussies die niet te vermijden zijn, wordt een blokkade opgeworpen en wordt geen standpunt ingenomen. Het duidelijkst is dat bij de kwestie van de genocide op de Armeniërs, maar ook bij kritiek op de regering wordt deze regel op de voet gevolgd, zoals de twist van Erdoğan met de mediagroep Doğan aantoont.
Een samenleving die het nodig vindt om zich met behulp van de staatsmacht af te schermen tegen het vrije woord, kan onmogelijk met zichzelf in het reine zijn. Onbekwaam tot bijleren, infantiel, blijft zij met haar bewustzijn in een soort kooi steken, lost zij de problemen niet op, maar regelt die met machtsmiddelen, en beticht critici zo nodig van verraad.

Een militaire democratie
Ik heb Turkse politici, en ook feministes meegemaakt die in Turkije onder zeer ongunstige omstandigheden hun werk doen, zich inzetten tegen het patriarchaat en tegen archaïsche gebruiken, maar die tegenover buitenlanders geen oren hebben naar al deze dingen. De Turkse schrijfster Ayfer Tunc sprak kort geleden, bij een debat in het Goethe-instituut in Istanboel, over de “twee gezichten” van de Turken en van Turkije.
Het ene gezicht is, dat naar buiten toe de eenheid verdedigd wordt tegen alles en iedereen, het andere laat voor het eigen volk geen maatschappelijke of sociale verantwoordelijkheid zien, maar beperkt zijn interesses tot de engere kring van verwanten en bekenden. Voor waarnemers is nog een andere moeilijkheid dat met vreemden, gelijk waar zij vandaan komen, niet vrijmoedig gesproken wordt, en dat zelfs een lid van de eigen gemeenschap bepaalde zaken niet in twijfel behoort te trekken, als die door ouderen zo werden beschikt, of nog als zij tot het gebied van het evident verbodene behoren.
De Turkse democratie is geen burgerdemocratie maar een militaire. Atatürk was soldaat, en dacht in militaire categorieën van vriend en vijand. Als hij over de industrie sprak, leek het wel of hij had het over de infanterie. Bijgevolg werd de staat georganiseerd zoals een leger, en werd er geregeerd met bevelen en tucht. De Republiek is een creatie van officieren die het uniform voor een kostuum hebben ingeruild, en die ook vandaag nog waken op hun Staat.
Het Turkse leger is als van ouds de meest invloedrijke kracht in de maatschappij, een staat in de staat, en in elk geval is het leger de grootste ondernemer van het land en legt het beslag op bijna veertig procent van de staatsbegroting.
De regering van Erdoğan heeft deze structuren overgenomen. Zij poogt enerzijds met de militairen overeen te komen, anderzijds hun macht te beperken. De gerechtelijke onderzoeken tegen de krachten van de Turquie profonde –de uit politie- en legerkringen stammende nationalistische groep “Ergenekon”– zijn een hefboom om de nationalisten met hun eigen wapens te verslaan. Omdat op het niveau van de partijen het leger over geen grote politieke invloed meer beschikt –de “eigen” partij, de CHP, heeft zichzelf immers gemarginaliseerd­– is het aangewezen op schikkingen met de machtsbewuste AKP, en zoekt het naar punten van overeenkomst.
In Turkije hadden laatst gemeenteraadsverkiezingen plaats, en daalde er over de steden en gemeenten een ware regen van sociale weldaden neer. De regeringspartij liet meel en wasmachines uitdelen, er werden waterputten gestoken, straten aangelegd, moskeeën gebouwd, beloftes gedaan. Correspondenten zien in het betoog en in de initiatieven van de AKP generlei onredelijke religieuze motieven, en ook geen verdoken “islamistische agenda”.
Maar zoals zo vaak in Turkije, zijn woorden en daden twee paar schoenen. Inderdaad luistert de AKP naar het volk, in tegenstelling tot de republikeinse CHP, en bekommert zij zich om woningbouw, om de gezondheidszorg, watervoorziening. De resultaten zijn zichtbaar, en succes bij de verkiezingen volgt. Ook al omdat de AKP consequent het nepotisme beoefent.
Niet dat dit laatste een uitvinding van Erdoğan zou zijn – in de oriëntaalse politiek was de eigen clientèle bedienen altijd al het systeem. Tegenwoordig zijn de begunstigden de geloofsbroeders en -zusters. Bij indienstnemingen en benoemingen, van kleuteronderwijzeressen tot aan de universiteitsprofessor, van de kioskhuurder tot de piloot, bij openbare aanbestedingen en privatisering van staatsinstellingen: er wordt consequent over gewaakt dat de prebenden in de juiste, lees religieuze handen terechtkomen.
Stilaan is er in elk wegrestaurant een gebedsruimte. Fabrieken die geïnteresseerd zijn in overheidsopdrachten, worden onomwonden aangespoord tot stortingen aan de AKP, om gebedsruimtes in te richten enz. Op dit terrein heeft er sinds de ambtsaanvaarding van Erdoğan een groot programma van herverdeling plaats. Op termijn zal dit religieuze nepotisme het land sterker veranderen dan de wetsaanpassingen aan de EU-normen ooit zouden vermogen.
Want het zal gaan zoals het altijd gaat. De wet legt de huwbare leeftijd op achttien jaar, maar in het land is er niemand die zich daar zorgen over maakt. Bij een enquête in een stad in centraal-Anatolië stelt men dan lapidair vast dat tachtig procent van de meisjes en vrouwen op hun achttiende al gehuwd wáren, de jongsten op hun twaalfde, zonder dat zich een of andere instantie daarom bekommert. Zij worden per imamhuwelijk getrouwd, en desnoods wordt de verbintenis later gelegaliseerd.

Op naar Europa?
Vanuit eigen economische middelen valt de aalmoezenpolitiek van de AKP niet te financieren, en als de weldaden niet, zoals in het jaar 2000, in een financiële ineenstorting mogen eindigen, dan heeft Turkije nood aan vrijgevige partners.
De mogelijke EU-steun en economische betrekkingen met Europa zouden Turkije economisch wellicht kunnen redden. En al wijst het kiespubliek van de AKP de VS en Europa af, toch zal de AKP er alles aan doen om met Europa tot zaken te komen.
Sinds de Cuba-crisis van 1961 zetten de VS in op Turkije. Ze haalden Turkije in de NAVO binnen, en laten niet na om de Europeanen Turkije als partner
aan te bevelen.
Voor de regering Obama lijkt, net als voor de Bushregering, de
gematigde islam van de AKP overeen te stemmen met hun berekeningen. Amerikaanse media, zoals de Turkse journaliste Ece Temelkuran constateerde, spreken niet langer over Turkije als “de enige seculiere en democratische staat in het Nabije Oosten”, maar over de enige democratische staat met een islamitische regering”.
Voor de AKP zijn dat zaken die hen goed uitkomen. De Verenigde Staten,
geopolitiek gezien, hebben Turkije nodig als sterke en stabiele militaire macht in het Nabije Oosten. Turkije van zijn kant heeft, om economische en financiële redenen, Europa dringend nodig.
De VS zullen Turkije ondersteunen bij het proces van zijn toetreding tot de EU, en zij gaan er van uit dat Europa voor de kosten zal instaan.
Abdullah Gül heeft voor maart zijn bezoek aan Brussel aangekondigd. Wij snappen wel waar hij zich vrolijk over zal maken.


De Duits-Turkse publiciste Necla Kelek onderzoekt in het bijzonder parallelle gemeenschappen, islam, integratie en Turkije. Opzienbarend waren haar boeken: Die fremde Braut, ein Bericht aus dem Inneren des türkischen Lebens in Deutschland (2005), Die verlorenen Söhne (2006) en Bittersüsse Heimat (2008).
De tekst hierboven is een referaat dat zij hield voor het NZZ-Podium «Türkei».

.

18 maart 2009

Moslims misbruiken het begrip racisme

.
15 maart 2009


De moslimorganisaties bagatelliseren niet enkel het begrip racisme,
ze slaan ook munt uit die gruwelterm.
Het is een dooddoener tegen kritiek en versluiert de eigen ressentimenten.

Necla Kelek

De mens wordt als moslim geboren, en als dat niet het geval is dan doet de islam hem het aanbod om dit menselijk tekort door bekering weg te werken. Elk kind van een moslimvader is naar islamitische zeden bij zijn geboorte moslim, want moslim-zijn is in de ogen van de gelovigen de natuurlijke staat van de mens. Uittreden kun je uit deze religie niet, tenzij je de dood met aansluitend de hellevaart op de koop toe neemt.

Het individu is bij geboorte moslim, zoals een andere grote oren heeft of blond haar. Het komt hem niet toe een beslissing te nemen omtrent deze stand van zaken, want die is om zo te zeggen door God gegeven. Kritiek op hem uitbrengen vanwege deze bijzonderheid of dit stigma, is bijgevolg discriminerend, want moslim-zijn is het oorspronkelijke privilege van de mens, en een moslim kan het niet helpen dat hij moslim is.

Dat lijkt in ieder geval het simpele patroon van de argumenten die de Coördinerende Raad van Moslims (KRM) gebruikt, de koepelorganisatie van de islamverenigingen in Duitsland, en van de Interculturele Raad, een samengaan van vakbonden en andere “antiracisten”. Zij roepen vandaag op tot een “Internationale Week tegen het Racisme”: .“Islamvijandigheid is vandaag de sterkst verbreide vorm van racisme in Duitsland” laten zij weten.

Nu zou je je vrolijk kunnen maken over het simplisme van de argumentatie (wat evenwel eens te meer het verwijt van racisme zou afroepen), als niet deze kwestie politiek gesproken zo waanzinnig was. Waanzinnig omdat hier het hoogste orgaan van de islam in Duitsland de moslims als slachtoffers van racisme afschildert, zonder ook maar één bedenking te verdoen aan het gevaar dat er schuilt in het dusdanig bagatelliseren van begrippen.
“Onder islamvijandigheid verstaan wij”, zo zeggen de organisatoren in hun oproep, “ als moslims kleinerend beoordeeld worden, en discriminatie bepleit wordt”. Het hoofddoekenverbod voor leraressen bijvoorbeeld wordt in deze betekenis als discriminerend beoordeeld, en is bijgevolg racistisch.
De poging om over het wezen en de praktijk van de islam, over zijn zeden en uitwassen de discussie te beletten door kritiek of afwijzing als “racistisch” te bestempelen, toont aan hoezeer de argumentatie van de islamverenigingen en de zogenaamde antiracisten ideologisch van aard is. De gruwelterm “racisme” wordt een knuppel tegen kritiek.

In de Turkse kranten en op de staatszender TRT –intussen inhoudelijk volledig door de AKP gedomineerd– wordt elke dag uitvoerig bericht over de zogenaamde discriminaties tegen moslims, vooral in Europa. De toon tegenover Duitsland en Europa wordt alsmaar beschuldigender, het lijkt wel, of er is een gericht opzet om de moslims uit de Europese samenleving te weren. Elke dag houdt men de landgenoten voor: kijk maar, jullie zijn ongewenst.
Islamfunctionarissen die aan de ene kant in alle mogelijke staatsraden en conferenties zitten, en de integratiepolitiek mee bepalen, klagen er breedsprakig over dat zij in Europa uitgesloten worden.
Het Turkse dagblad Hürriyet schrijft er dagelijks over, hoe verschrikkelijk de Turken in Duitsland er aan toe zijn, maar het geeft tegelijk ook tips hoe men Duitsland kan binnenkomen zonder dat men hoeft aan te tonen een cursus Duits te hebben gehad. Namelijk: je wordt zwanger.
In het Turks is er een spreekwoord dat zegt: “De kat die niet bij het eten raakt, zegt dat het bedorven is”. Op die manier kan men zich ook aan een dialoog onttrekken, door kritiek als belediging te bestempelen, en aan de bevolking een vijandbeeld te suggereren omdat de eigen concepten falen.

Omdat dergelijke campagnes vanuit Turkije naar Duitsland worden getransporteerd door het regeringsgetrouwe Ditib [Diyanet İşleri Türk İslam Birliği], is het verklaarbaar dat de KRM, waar de Ditib een stevige vinger in de pap heeft, deelneemt aan dergelijke “racisme”-campagnes.
Waanzin is het ook, omdat de KRM en de Interculturele Raad uit die “racistische” discriminatie openlijk munt slaan. Racisme is, zoals nazisme en antisemitisme, het sleutelwoord om bijvoorbeeld belastinggeld te werven. Wie er in slaagt om racisme, antisemitisme én islamkritiek en -vijandigheid in één adem te noemen, die heeft al een flinke stap gezet om zijn koranscholen en moskeebesturen te financieren met middelen uit de Fondsen tegen Rechts-radicalisme.
Enkele projecten, opgestart met als bedoeling te zorgen voor opleidingswerk tegen racisme, kregen op deze wijze een “andere bestemming”. Organisatoren die bijscholing aanbieden inzake antifascisme, breiden hun werkingsveld uit tot de “islamofobie”.

Met graagte betonen moslims in dit verband (bij andere gelegenheden minder graag) hun verbondenheid met de joden. Waar zij graag toe willen oproepen, is om “Abrahamische teams van joden, moslims en christenen” naar universiteiten en scholen te sturen, met de boodschap: “islam betekent vrede, en vrijwillige overgave aan god”.
Met parolen als “Toenadering tussen de Volkeren en Tolerantie” wordt gepoogd om de “slachtoffers van racisme en discriminatie schouder aan schouder” te krijgen, ook al zijn er geen verbanden wat de oorzaken betreft, want de uitgangsposities verschillen dag en nacht. Onder het motto “Wij geloven allemaal in de ene God, en worden door de Duitsers gediscrimineerd”, postuleert men een pseudosolidariteit.

Natuurlijk moeten wij het over racisme in Duitsland hebben, en opkomen tegen discriminatie. Maar de islamorganisaties moeten dan allereerst de eigen stoep vegen, en eens kritisch navragen hoe zovele, zogenaamd tolerante en vredelievende moslims zoal over de Duitsers denken.
Wie ooit kan meepikken hoe een groep moslims, jongens, meisjes, mannen of vrouwen over Duitse meisjes praat, of over Duitsers zonder meer, of over de joden, die zal snel zijn tong kwijt zijn als hun verwerping en verachting hem in het gezicht slaan.
Niet enkel de uitbarstingen van de familie van de zustermoordenaar Obeidi na het vonnis in Hamburg zijn het, die een schel licht werpen op deze wereldbeschouwing.

Een campagne tegen racisme en nationalisme in de rangen van de islamverenigingen, een opknapbeurt van de verhouding met christenen, joden en “ongelovigen”, een opheldering van de verstandhouding met de Duitsers, of met de minderheden in hun eigen herkomstlanden, dat alles zal geen thema zijn voor enkele weken, maar voor generaties.
NECLA KELEK kommt zum taz-Kongress am 18./19. April in Berlin. Infos unter: www.taz.de/30jahre
[Kelek wordt gelukkig goed beschermd, zoals Rushdie, Hirsi Ali, of Wilders en nog zovele anderen, want islam betekent immers niet altijd vrede]
.

26 september 2008

Nederlandse reactie op de Kelek-vertaling uit de FAZ

.
Geachte mijnheer Van Fraechem,

Ik neem met u contact op naar aanleiding van het volgende: eind juli is in de Frankfurter Allgemeine Zeitung een artikel van de hand van mevrouw Kelek verschenen, waarin zij spreekt over de onlangs (onder meer in Berlijn) gelanceerde Europese Campagne tegen Huwelijksdwang en waarin zij uit het boekje dat hierbij gedistribueerd is, citeert. Naar ik heb begrepen heeft u dit artikel vertaald voor de site 'Inflandersfields'.

Nu is het zo dat wij (als auteurs van het boekje en betrokkenen bij het project) ons niet herkennen in de weergave van mevrouw Kelek. Zij heeft citaten dusdanig uit de context gehaald, dat zinnen die in het boekje fungeren als uitleg van bepaalde fenomenen, worden voorgesteld als legitimaties daarvan. Dit weerspiegelt geenszins de werkelijke bedoelingen van de auteurs en van het Rotterdamse project en de Europese campagne. Wij hebben daarop dan ook een brief geschreven naar de FAZ, die medio augustus is geplaatst. Dezelfde brief heb ik via de genoemde site ook als reactie gestuurd, maar voor zover ik heb achterhalen, is deze niet gepubliceerd.

[…] Bijgaand stuur ik u deze toe. Aangezien de site claimt dat het kritisch volgen van de media de taak van een weblogger is, nemen wij aan dat dit voor alle media, dus ook voor het artikel van mevrouw Kelek, geldt. Wij zouden het dan ook op prijs stellen als u onze bijdrage alsnog zou kunnen plaatsen.

Graag verneem ik uw reactie.

Met vriendelijke groet,

Marianne Vorthoren


Geachte mevrouw Vorthoren,

eerst wil ik u bedanken voor de reactie, die bewijst dat u en uw stichting blogs ernstig nemen.

Vanzelfsprekend publiceer ik uw antwoord. Daar hoefde ik het antwoord bij wijze van spreken niet eens voor te lezen, want of ik het met een reactie eens ben speelt niet. Zo vind ik de bewering: "Daarbij komt dat ook de islam het sluiten van een huwelijk onder dwang of enigerlei vorm van druk verbiedt." verregaand naïef, en om eerlijk te zijn, intellectueel onverdedigbaar. Huwelijksdwang (wellicht verkiest u met een minder lelijk woord "gearrangeerd huwelijk") is bij islamieten, zoals iedereen weet, gewoon de regel. Helaas is dat vandaag ook in Europa het geval.

Of "de islam" die praktijk dan "verbiedt" is een heel teer punt. Ephimenco zei terecht dat "de islam" enkel bestaat als het de moslims goed uitkomt, maar "foetsie" weer weg is, van zodra iemand ook minder aangename aspecten wil aankaarten.

Dit gezegd: ik vertaal, gewoon op eigen houtje, diverse artikelen op mijn persoonlijke blog (overigens zonder mij om auteursrechten te bekommeren, want de belangen zoals ik die zie, zijn hier van een andere orde), en meestal dupliceer ik die ook op de (losse) groepsblog van 'Inflandersfields', wat veel lezers oplevert.

Ik doe dat vertaalwerk omdat ik weet dat in Duitsland, Engeland, Frankrijk en elders een debat plaatsheeft, dat in mijn land (om redenen die met het cordon sanitaire te maken hebben, en die ik u verder bespaar) niet mogelijk is in de traditionele media.

Bij mijn vertaling, zoals altijd, heb ik nagestreefd om mevrouw Kelek nauwkeurig weer te geven, met zo min mogelijk kleuring van mijn kant (en mijn lezers krijgen ook altijd de oorspronkelijke tekst te zien, zodat zijzelf alles kunnen controleren).
Ik volg haar artikelen al jaren, omdat ik geloof dat zij een klare kijk heeft op wat islam in de praktijk betekent.

Zij wordt met de dood bedreigd, dat zal u niet onbekend zijn, en leeft onder bescherming.

Met de meeste hoogachting,

Marc Vanfraechem


[Reactie van SPIOR, eerst gericht aan de FAZ]

Geachte dames en heren,

Naar aanleiding van het artikel van mevrouw Kelek in de Frankfurter Allgemeine d.d. 29 juli 2008, willen wij graag het volgende opmerken: het Rotterdamse initiatief tegen gedwongen uithuwelijjking is een gezamenlijk initiatief van de stad Rotterdam en de koepelorganisatie SPIOR. De citaten die mevrouw Kelek gebruikt, zijn ontleend aan stukken uit de handreiking van het Rotterdamse initiatief, die het fenomeen huwelijksdwang wetenschappelijk verklaren, maar, in tegenstelling tot hoe mevrouw Kelek het presenteert, geenszins de positie van het initiatief of van de samenwerkende partnerorganisaties weergeven. Het kan mevrouw Kelek, aangezien zij zowel het boekje heeft gelezen als de bijeenkomst in Berlijn heeft bijgewoond, moeilijk ontgaan zijn, dat wij het als een mensenrecht beschouwen dat ieder mens zijn of haar eigen partner kan kiezen. Daarbij komt dat ook de islam het sluiten van een huwelijk onder dwang of enigerlei vorm van druk verbiedt.

Wij raden een ieder aan, die oprecht geïnteresseerd is om het fenomeen gedwongen uithuwelijking te begrijpen, en meer over de mogelijkheden weten wil hoe men gezamenlijk huwelijksdwang kan bestrijden en het recht van een ieder op eigen partnerkeuze en persoonlijke autonomie kan versterken, onze handreiking te lezen en zelf een oordeel te vormen.

Marcia Albrecht – ketenregisseur ‘Eergerelateerd geweld’ gemeente Rotterdam, co-auteur van de handreiking
Dr Edien Bartels – cultureel antropoloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam, co-auteur van de handreiking
Drs Marianne Vorthoren – coördinator van het SPIOR-project en redacteur van de handreiking
.

29 juli 2008

Hand in hand tegen huwelijksdwang ?

.

Vrijheid gaat aan wetten voorbij?

Necla Kelek

Toen ik in 2005 in mijn boek “De vreemde bruid” er op wees dat moslimvrouwen worden uitgehuwelijkt – gearrangeerd of onder dwang – en dat zij in Duitsland als echtgenoten geïmporteerd worden, kwam er protest van de kant van moslims, van Turken en van hun politieke vrienden. Mij werd toegedicht dat ik alleenstaande gevallen opblies, en politica’s van Turkse origine lieten openlijk weten dat zij uit liefde getrouwd waren, enkel maar om mij te bewijzen dat dwanghuwelijken, noch met hun cultuur, noch met de islam enig uitstaans hadden. Migratiewetenschappers eisten “gerechtigheid voor moslims” en verdedigden importhuwelijken, als zijnde een reflex op de restrictieve immigratievoorwaarden.
Inmiddels is het onomstreden dat hier in dit land jaarlijks duizenden moslimvrouwen en -mannen door hun familie in een huwelijk gedwongen worden. De vrouwenhuizen en consultatiebureaus zitten vol, omdat jonge mensen vrezen dat zij uitgehuwelijkt zullen worden tijdens de vakantie in het thuisland van hun ouders.

Hand in hand tegen huwelijksdwang?

De islamitische gemeenschap werd door de publieke opinie genoopt zich te rechtvaardigen, niet enkel voor deze kwestie, maar ook voor de zogenaamde eremoorden, en het geweld binnen huwelijk en gezin. Geen mens neemt hun herhaalde soort van gebedsmolenspreuk nog ernstig, “dat dit met de islam niets van doen heeft.” Nu poogt Tariq Ramadan, pionier van een “Europese islam”, dit tij te keren voor de moslims. Samen met de Rotterdamse islamverenigingen, en met de Berlijnse vereniging “Inssan” – die dicht bij de Moslimbroederschap staat – én met de steun van de Berlijnse integratieambtenaar Günter Piening draagt hij zijn steentje bij tot het initiatief “Hand in hand tegen huwelijksdwang”.
Het betreft hier een poging om intussen zelfbewuste moslimmeisjes onder controle te krijgen, en hen moslimadvies te geven, zodat zij niet langer hun toevlucht zoeken in officiële adviesbureaus of vrouwenhuizen, en aldus voor Allah verloren gaan. De actiegroep heeft zich in Berlijn-Kreuzberg gepresenteerd, en een brochure het licht laten zien met in acht talen hun argumenten.

Niet in naam van de islam

Nieuw daarin, en toe te juichen, is de bekentenis door moslims en islamverenigingen dat dwanghuwelijken een probleem zijn in de moslimgemeenschap. Natuurlijk wordt dat gerelativeerd, en voert men aan dat er zich in boeddhistische, hindoeïstische en christelijke maatschappijen ook wel eens neteligheden voordoen. Gedwongen huwelijken zouden geen probleem van de islam zijn, maar van de cultuur. Dit onderscheid tussen cultuur en religie moet de religie behoeden voor openlijke verantwoording en voor kritische zelfreflectie. Ramadan en anderen argumenteren dat de woorden van Allah en de daden van de profeet feilloos zijn, en dat enkel de mens soms fouten maakt. Op die manier blijft de islam verschoond van de misdaden begaan in zijn naam.
Het besef dat religie en cultuur samen een “cultureel systeem” vormen, en dat men ze niet als van elkaar gescheiden kan zien, wordt hier, hoe absurd ook, juist door moslims ontkend terwijl zij tegelijkertijd de scheiding van religie en dagelijks leven, van religie en politiek afwijzen. Dwanghuwelijken zouden on-islamitisch zijn, zou Mohammed al verkondigd hebben. Dat Mohammed zelf de zesjarige Aïsha huwde, kan niet als misbruik gelden, of als gedwongen huwelijk, maar wordt op de bijeenkomst met Ramadan afgedaan als een “anekdote”, die enkel tot doel heeft om de islam te discrediteren. Het centrale koranvers met betrekking tot het huwelijk, “Huw de vrijgezellen uit”, Sura 24, vers 32, ontbreekt bij deze argumentatie. Daar staat namelijk niet “Vrijgezellen, treed in het huwelijk” – hetgeen zou betekenen dat mensen zelfstandig het recht bezaten om een huwelijk te sluiten –, maar met de uitspraak “Huw de vrijgezellen uit” wordt de huwelijkssluiting zaak van de familie en de gemeenschap.

Lof van de grootfamilie

Interessant is het, hoe Ramadan en zijn aanhangers het begrip familie definiëren. Er wordt niet het kerngezin bedoeld, bestaande uit moeder, vader en kinderen, maar de grootfamilie, de stam. Zo ontstaat uit de gemeenschap der moslims, de umma, een familiecultuur. In de brochure staat het zo te lezen: “In een familiecultuur is de familie belangrijker dan het individu. De familie vormt de eenheid, en wordt aldus door de andere families uit de sociale omgeving als een volwaardig en gelijkwaardig geheel erkend (…). Ieder individu dient in het belang van de familie te handelen.” Is dat niet het geval, dan wordt eer der familie gekwetst: “In de groep is de eer een gemeenschappelijk bezit, waar alle familieleden verantwoordelijkheid voor dragen, ongeacht hoe de hiërarchie binnen de familie is geregeld.”
Ramadan en zijn leerlingen pogen aan de grondrechten en de waarden van de Europese burgerlijke maatschappij een andere draai te geven. Zij ontzeggen aan het individu het zelfbeschikkingsrecht, definiëren de mens als gemeenschapswezen en niet als individu, bepleiten het systeem van de “schaamtemaatschappij”, met inbegrip van een funeste interpretatie van de notie eer. Nergens in het boekje wordt aan het individu de vrijheid gelaten om zelf te beslissen of hij wil huwen of niet. “De familie vormt de kern van islamitische gemeenschap, en het huwelijk is in de islam de enig toegestane vorm waarin een familie kan gesticht worden.” Het beleven van de eigen seksualiteit is niet geoorloofd.

Een soort islamitisch huwelijksadvies

En de rood-rode Berlijnse integratiecommissaris Piening wil graag, zoals hij op de bijeenkomst zei, “leren van Rotterdam”? .Ziet de Senaat dit dan ook zo? .Tariq Ramadan zei in Rotterdam onder andere: “Vrijheid is niet die vrijheid, die anderen van ons willen.” Wat hij bedoelt is: ieder beschikt over zijn eigen vrijheid, aan gene zijde van de wet. – Een interessante variant, om de sharia als vrijheid te bestempelen. Hij wil het ook niet meer over integratie hebben, want de moslims zijn wat hem betreft een deel van de multiculturele samenleving, in dewelke alle religies én hun denkbeelden gelijk zijn, en wier eigen regels aanvaard dienen te worden. Dat echter de Europese samenleving de grondrechten van het individu desnoods beschermt tegen elke groep, religie of zelfs tegen de Staat, wordt naar best vermogen over het hoofd gezien.
Op die manier wordt onder het motto “Tegen het dwanghuwelijk” eenvoudigweg aan islamitisch huwelijksadvies gedaan. Daarbij wordt uitdrukkelijk het gearrangeerde huwelijk als model aangeprezen, ook al erkent men dat dwang daar vaak bij te pas komt. “Een huwelijk is bijgevolg altijd een verbond tussen twee familiegroepen (…). Omdat een huwelijk een verbond tussen families is, zoeken de families die partners uit, die het beste bij elkaar passen, precies ook met het oog op een zo goed mogelijk verbond tussen de families.” Tegen gemengde huwelijken wordt gewaarschuwd: “Een moslimjongen kan weliswaar een christelijk meisje huwen, maar een moslimmeisje mag niet huwen met een christelijke jongen.

Tegen de dwang tot huwen

Het huwelijk is de halve religie” luidt een andere uitspraak die aan Mohammed wordt toegeschreven. In dat licht gezien, is Ramadans argumentatie propaganda voor de moslimse dwang tot huwen. Want zonder de gehuwde vrouw, en zonder de controle van mannen over de vrouw, kan een moslimsamenleving niet functioneren. Om die reden is dit initiatief een oplichterij met gebruikmaking van valse etiketten. Er moet één grondregel gelden: huwelijken van jongeren onder de achttien dienen principieel veroordeeld te worden als zijnde gedwongen. Aan elke jonge mens, die in de situatie komt dat hij tegen zijn wil door zijn ouders uitgehuwelijkt kan worden, dient de bescherming van de maatschappij gewaarborgd te zijn.
Vrouwenadviescentra en vrouwenhuizen, zoals Papatya, of die van de schrijfster Serap Cileli, “Peri – de goede fee”, of “Hatun en Can” zijn eerlijke antwoorden op het probleem van de dwanghuwelijken. De wet die gedwongen huwelijken bestraft, moet ten langen leste in de Bondsdag besproken en aangenomen worden. Wij zijn allen gesommeerd om gevallen van dwanghuwelijken aan te klagen en er klaarheid over te brengen, zodat politici zich niet telkens opnieuw laten vangen door imagocampagnes van islampredikanten.

De citaten komen uit het boekje “Hand in Hand tegen Huwelijksdwang” van de Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR), Rotterdam.

F.A.Z. 29 juli 2008

_____________

Noot van de vertaler:
- Toen Necla Keleks boek Die fremde Braut verscheen, besteedde de Nederlandse Omroep daar natuurlijk aandacht aan. Op hun site kun je onder meer lezen: Kelek is vanwege haar opvattingen al diverse malen met de dood bedreigd.
- De citaten die Kelek hierboven geeft, heb ik gewoon vertaald uit de tekst van de FAZ, zonder de oorspronkelijke, wellicht Nederlandse bewoording te hebben gezien.

.

25 april 2007

Nadenken gaat nog het best in de schaduw

.
Met het overvloedige goede weer van de laatste weken, lezer, heeft de zonneschijn iets van zijn gebiedende karakter ingeboet. Ik neem aan dat ook voor u de terrasjes en fietstochtjes geen dagelijkse plicht meer zijn, zodat wij met een gerust hart de steengoede Perlentaucher nog eens kunnen raadplegen. Ik vertaal:

Wat integratie betekent voor Moslims

Deze week komen de afgevaardigden van de Islamconferentie voor de tweede keer samen in hun werkgroepen. Het gaat over de integratie van de moslims en bijgevolg over de verhouding van de religie –de islam dus– tot de samenleving, en om mensenrechten die ondeelbaar zijn, ook voor moslimvrouwen en -mannen.
Er wordt gedebatteerd over Europese waarden, als de vrijheid van godsdienst en de seculiere staat.

In een bijdrage voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung zet de publiciste en sociologe Necla Kelek (Die fremde Braut) de premissen uiteen, waar deze gesprekken onderhevig aan zijn. Zonder kritisch debat over de historische context, over de koran, over de islamitische zeden en gewoonten, de vijandigheid tegenover vrijheid en het collectivistische maatschappijmodel dat de islam nastreeft, zal er van integratie van moslims in Europa niets in huis komen. Islamwetenschappers als Tariq Ramadan wrijft zij vrouwvijandigheid aan, en een streven naar een Tegenverlichting die de Europese moderniteit wil islamiseren, en het Westen bezoedelen.


Pogingen om “de Europese moderniteit te islamiseren”

“De islam zelf”, schrijft Kelek, “heeft in de 1400 jaar van zijn geschiedenis zo goed als geen wortels kunnen slaan in Europa. Hij kent geen individualiteit, zijn mensbeeld is niet toegerust voor de moderne wereld, want deze heeft behoefte aan individuen met een eigen verantwoordelijkheid. […] De islam bedoelt niet enkel een geloof te zijn, maar beoogt als religie een éénheid van levenswijze, geloof, wetten en politiek. Dat staat haaks op secularisering.” Het dilemma van de islam, schrijft de sociologe: “is dat hij wel een persoonlijke weg naar spiritualiteit kan leveren, waarbij niemand het innerlijke leven van een persoon zal betwisten, maar dat de individuele moslim zich gedráágt als een groepslid dat aan de gemeenschap verantwoording is verschuldigd, en waarbij dier eigen opvattingen als allesomvattend gelden.”
Necla Kelek keert zich tegen Tariq Ramadan, professor islamstudiën aan de universiteit van Oxford [*], die zij beschrijft als een prominente “vertegenwoordiger van de antiVerlichting en de restauratie van de islam”. “Zoals voor Khomeiny zijn ook voor Ramadan de Westerse waarden niets anders dan gesels van het imperialisme”, schrijft de auteur, en zij citeert de Oxfordgeleerde: “De Westerse levenswijze speelt in op, en houdt zich in stand door, verleidingen die aansporen tot de meest natuurlijke en primitieve instincten van de mens: maatschappelijk succes, machtsstreven, vrijheidsdrang, bezitsdrang, seksuele noden enz.” Ramadan zou pogen “de Europese moderniteit te islamiseren”.

Het zelfbeeld van Europa staat ter discussie

Na een kritiek van de “School van Ankara”, een islamitische hervormingsbeweging voorgestaan door de Diyanet, het Turkse ambt voor islamzaken, en door de feministische koranexegese, zoals ontwikkeld door Fatima Mernissi en Nahed Selim, komt Kelek tot een bespreking van de “Mensenrechtenverklaring van Cairo” op 5 augustus 1990, ondertekend door 45 ministers van Buitenlandse Zaken van de Islamitische Conferentie, het hoogste wereldlijke college van de moslims.
“Anders dan in democratische grondwetten” schrijft zij, “is hier van het individu geen sprake, maar van het collectief, van de umma, de gemeenschap der gelovigen. Consequent doorgaand, kent deze Verklaring enkel dié rechten aan moslims toe, die in de koran vastgelegd zijn, en – geheel volgens de shari’a – merkt zij enkel zulke daden als misdaden aan, die ook door de koran en de sunna als dusdanig beoordeeld worden.”
Over de islam in Europa spreken, besluit Necla Kelek, houdt in dat men uiterst grondig over het zelfbeeld van Europa spreekt. Als er voor de “islamcultuur” een plaats wordt opgeëist, dan gaat het om vrijheid, secularisering en om mensenrechten. “Kunnen wij”, vraagt zij, “zoals Tariq Ramadan eist, het aan de moslims overlaten om ‘zelf te beslissen’ wat integratie voor hen inhoudt?”


Het volledige artikel is te lezen in het F.A.Z.-feuilleton van vandaag.

P.S. Die "Mensenrechtenverklaring van Cairo" bevat 25 artikelen, met allerlei lovenswaardige zaken erin, het gaat soms zelfs over vrouwenrechten, maar de laatste twee artikelen lijken mij iets af te doen aan de 23 voorgaande:

Article 24: All the rights and freedoms stipulated in this Declaration are subject to the Islamic Shari'ah. (alle rechten en vrijheden zoals in deze Verklaring gestipuleerd, zijn onderhevig aan de islamitische shari'a)

Article 25: The Islamic Shari'ah is the only source of reference for the explanation or clarification to any of the articles of this Declaration. (de islamitische shari'a is de enige referentie om de artikelen van deze Verklaring uit te leggen of uit te klaren)


Tja, we zijn er nog niet hé jongens!

_______________

[*] Over dat professoraat van deze Tariq valt nog wel één en ander te zeggen: hij is helemaal geen "Oxfordprofessor" zoals ook de Frankfurter schijnt te geloven. In Genève mag Tariq zichzelf dan professor noemen, maar in Oxford werd hij enkel uitgenodigd voor gastcolleges : "Oxford's new visiting Professor" werd hij in Engelse kranten voorgesteld, en dat lijkt mij al gek genoeg.
Cfr. wat Bassam Tibi hierover te zeggen heeft op de Perlentaucher: "Tariq Ramadan [...] der sich selbst falsch als Oxford-Professor vorstellt (er ist dort nur zeitlich begrenzt als Fellow - eine Fellowship ist keine Professur; so geht er auch mit anderen Fakten um)"
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html