15 april 2015

Een Frans rapport dat uit zijn as herrezen is


'Wie met vuur speelt, verbrandt zich', meent de Parijse rapper Booba (geboren in Boulogne-Billancourt, 1976) in het blad Le Parisien. 'Ik ben verwonderd dat het niet eerder is gebeurd, want het was niet de eerste keer dat de tekenaars de profeet hadden afgebeeld. In het leven moet je de gevolgen van je keuzes aanvaarden. Wie in Australië aan een kust vol witte haaien woont, en men zegt je dat, en je weet het, en je gaat toch door met zwemmen elke dag, als je dan op een dag door een witte haai gepakt wordt, moet je dat aanvaarden.'
De vergelijking met die haaien is gewaagd en zou niet aan iedereen vergeven worden, maar aangezien Booba zelf moslim is, zal het nog net kunnen.
Toch vermoed ik dat er destijds met de republikeinse opvoeding van die jongen iets is misgegaan. In 2003 al – Booba was dan van school af – moet de Franse president Chirac hebben ingezien dat er problemen waren met sommige leerlingen in sommige scholen in sommige wijken en, heel logisch: hij liet een commissie oprichten. Zijn minister van onderwijs vroeg daarop aan tien inspecteurs-generaal en speciale opdrachthouders om verschillende departementen te bezoeken om er waarnemingen te doen. Dat deden zij, en in juni 2004 leverden ze een rapport van 18 000 woorden in. In de inleiding zegden ze dat hun conclusies niet veralgemeend mochten worden, want ze hadden vooral des quartiers sensibles, 'kwetsbare buurten' bezocht. Het was in Frankrijk niet overal even erg, maar in sommige wijken was het wellicht zelfs nog erger dan wat zij gezien hadden, omdat er een onwil was om te rapporteren. Hun besluit was dat men krachtig diende in te grijpen.
Zoiets is vervelend voor ministers en, op zich ook weer heel logisch: men verkoos het rapport in een lade op te bergen.
Maar toch dook het weer op. De laatste jaren en vooral maanden wordt er meer en meer naar verwezen. Le Rapport Obin kent een tweede leven. Er zijn kostbare jaren verloren gegaan, lees je nu, en dat komt omdat men verkoos – op alle niveaus, van de onderwijzer tot de minister – de werkelijkheid niet te zien.
Dit rapport zou in zijn geheel vertaald moeten worden, want al gaat het over het Frankrijk van tien jaar geleden, er staan dingen in die misschien toch herkenbaar zijn, en onze politici en journalisten stof tot nadenken zouden leveren. Hieronder enkele passages die de uitgangspunten van het rapport, en de eerste indrukken van de auteurs betreffen:


De tekenen en uitingen van religieuze overtuigingen in de schoolinstellingen
Rapport voor de Minister van Nationale Opvoeding,
Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
Rapport présenté par Jean-Pierre Obin

Onze benadering van de schoolinstellingen was eerder etnologisch (observeren, vervolgens beschrijven) dan normatief. Temeer omdat bij veel personeelsleden en verantwoordelijken de uitingen van religieuze overtuigingen onder een soort verdringing of algehele ontkenning lijken te vallen, en dit op elk niveau, dat van de klas, de inrichting, de academie: over het algemeen begon iedereen met te verklaren dat we niet de moeite van de verplaatsing hadden moeten nemen, want er viel niets waar te nemen: in niemand zijn klas, zijn school, of in de sector die onder zijn verantwoordelijkheid stond, was er iets aan de hand.
Onze bevindingen spraken deze verklaringen vooraf heel vaak tegen. Na afloop van onze werkzaamheden lijkt het ons duidelijk dat wat deze materie betreft de informatie heel slecht circuleert binnen de nationale onderwijswereld, en dat we met de grootste waarschijnlijkheid mogen vermoeden dat de waarnemingen, zoals in dit rapport opgetekend, allicht onder de werkelijkheid blijven zoals die zich in de instellingen in kwestie voordoet. Zozeer is bij veel leraars, pedagogische adviseurs en directies de neiging aanwezig om, wat dit onderwerp betreft, een deel van hun professionele werkelijkheid te verbergen. [...]
Het komt hierop neer dat de houding van de academische autoriteiten, al naar de periodes en de verantwoordelijken, fluctueert tussen enerzijds de bezorgdheid om elk conflict te vermijden, en zeker elke media-aandacht, en anderzijds de wil om zich tegen de schendingen van de neutraliteit te verzetten [van het staatsonderwijs: laïcité]. [...]
In het ergste geval constateert men dat instellingen er echt als versterkte burchten uitzien, zoals ze in de achtergestelde buurten van de grote Latijns-Amerikaanse steden voorkomen, afgerasterd, met prikkeldraad bovenaan, ingangssluizen en videobewaking. Deze instellingen besteden veel tijd en energie om zich af te schermen van een omgeving die als extreem agressief wordt gezien, en dat allicht soms ook is. De grootste preoccupatie van de schoolhoofden is het controleren van de leerlingen, en de ordehandhaving. De preoccupatie van de leraars is hun veiligheid, en hun overplaatsing: in een van de bezochte instellingen was de gemiddelde anciënniteit van de leraren minder dan drie jaar. In dergelijke situaties voelt men zich machteloos. [...] Meerderen onder hen hebben ons gezegd dat ze een les moesten afbreken, of zelfs dat ze ervan afzagen om aan een programmadeel te beginnen, waarmee ze, niet altijd bewust, aan preventieve autocensuur deden. Nog verontrustender is het dat andere leraars, en meer dan je zou denken, omdat ze menen dat de leerlingen 'hun eigen religie niet kennen', het als hun taak beschouwen om hun religieuze opvoeding bij te werken, vaak zonder te beseffen wat voor draagwijdte dit heeft. Zonder aarzelen doen zij dan uitspraken over een orthodoxie, en moedigen ze een theologie aan die zijzelf compatibel achten met de moderniteit en de democratie, en gaan ze in tegen opvattingen die ze als bijgelovig beschouwen of die een 'integristische' lezing van de heilige teksten inhouden. Zo raakt men op drift en men mag dit als een 'theologisering' van de leerinhoud definiëren. [...] Maar vele leraars voelen in de eerste plaats ontreddering en verwarring. Om hun taak aan te kunnen of gewoon om verder les te kunnen geven, en slecht voorbereid als ze vaak zijn om deze situaties het hoofd te bieden, aan hun lot overgelaten zonder richtlijn of steun, schipperen deze leraars met de principes, de jongsten in het bijzonder, of ze verzinken in relativisme. [...] Anderen weer, murw geworden, houden zich gedeisd en wachten op hun overplaatsing.

13 april 2015

Filosofen geven elkaar soms, niet altijd gelijk


Finkielkraut, Sloterdijk en Serres

Levert onderricht in klassieke cultuur autochtonen voorkennis op?
Op de beurs mag dat niet, maar cultuur is toch geen commerce?

'Pessimisten geloven dat er een catastrofe op komst is. Ik deel hun optimisme niet. De catastrofe is er al. Voor de rest ben ik heel gelukkig.'
Zo eindigt het gesprek dat Alain Finkielkraut had met enkele redacteurs van het Franse weekblad Le Point, en waaruit ik een paar fragmentjes haal en vertaal. Hij heeft het over onderwijs, elitevorming, de teloorgang van de klassieke cultuur, de bijhorende gelijkschakeling van alle mogelijke culturen, en aan het eind ook even over 'diversiteit'. Het zijn misschien niet de belangwekkendste fragmenten, maar dat leg ik nu uit.
Eerst was ik namelijk niet van plan om uit dit zeer recente interview te vertalen, maar wel uit het destijds in 2003 door Chirac nog bestelde onderwijsrapport, bekend als het "Rapport Obin". In Frankrijk is het nu heel actueel geworden, nadat het jarenlang in het Ministerie van Nationale Opvoeding te rijpen heeft gelegen, allicht in een stille en koele wijnkelder.
Wat Finkielkraut hieronder zegt, staat niet los van wat Obin tien jaar geleden al schreef, maar dat stuk is voor morgen:


Alain Finkielkraut: Vandaag wil links de erfgenamen [van de klassieke cultuur en van de republikeinse gedachte] laten oppakken wegens voorkennis. En, in hun ijver om komaf te maken met het elitarisme, willen ze het Latijn en Grieks, te weten de klassieke cultuur uit de middelbare school laten verdwijnen. Anders gezegd, links beweert net het tegenovergestelde van Marc Bloch, die aan de vooravond van de bevrijding schreef: 'Wij vragen een zeer breed openstaande middelbare school. Haar rol is de vorming van de elites, ongeacht afkomst of financiële middelen. Aangezien dit onderwijs niet langer (of niet opnieuw) een klasse-onderwijs mag zijn, zal selectie geboden zijn.' Voor de democratische gevoeligheden is dit republikeinse taalgebruik inmiddels kwetsend geworden. In dit tijdperk van strijd tegen de discriminaties overheerst een totaal verschillende opvatting over openheid. Nu geldt: voor iedereen een diploma, en de aanwezigheidspolitiek triomfeert.
Le Point: Wat is voor u de grootste fout van de socialisten? Hun bekering tot het liberalisme, zoals Régis Debray denkt? Of hun cultureel gauchisme?
Alain Finkielkraut: Voor mij zit de grootste fout in hun schoolpolitiek. Het anti-elitarisme wat onderwijs betreft, richt onherstelbare schade aan.
Le Point: Bent u niet een ongeneeslijke conservatief?
Alain Finkielkraut: Ik leg me niet neer bij de gevestigde orde, te weten dat het lot van elkeen al vastligt door zijn afkomst, en dus zou ik me eerder als progressief willen omschrijven.* Maar betekent de oorverdovende intrede van een post-nationale en post-literaire samenleving dan een vooruitgang? Als de kunst van het lesgeven omgevormd wordt tot een receptenboekje "hoe je klas in toom te houden", is dat vooruitgang? Is algemene argwaan vooruitgang? Moeten we blij zijn als we de Petites Poucettes** van het derde millennium de klassieke teksten achter zich zien laten, terwijl ze frenetiek op hun tablets kijken? Is het Frankrijk van "daarna" echt geciviliseerder dan het Frankrijk van daarvoor? Die cruciale vragen mogen niet meer gesteld worden, want "daarvoor", dat was vóór de diversiteit. Elke nostalgie is bijgevolg racistisch en valt onder de rechter.
____________

* Peter Sloterdijk treedt hem in de Wiener Zeitung bij: [...] ik denk dat vandaag de conservatieven de progressieven zijn. In de optiek van vandaag is bewaren een bijna revolutionaire houding geworden. Zo zonderling staan de zaken nu, omdat diegenen die snelheid willen maken overal aan het stuur zitten.
** Hij verwijst naar een pamflet van de filosoof Michel Serres, académicien net als Finkielkraut zelf. Serres is een optimist en zegt dat er «een nieuwe mens» geboren is. Hij noemt die Petite Poucette (een gefeminiseerd Klein Duimpje), omdat deze mens ertoe in staat is met zijn/haar duimpje sms'jes te versturen. De leerlingen zijn tegenwoordig ondergedompeld «in een tsunami van veranderingen. We zien vandaag een immense ommekeer, vergelijkbaar met het einde van het Romeinse Rijk, of met de Renaissance.»

8 april 2015

Lof der onvolledigheid


Al na anderhalve bladzijde legt een lezer een roman soms weg. Ik bezit een aantal van die romans. Maar er zijn ook schrijvers die na anderhalve bladzijde zelf ermee ophouden. Heine deed dat, vele anderen ook, en Stendhal deed het vaak.

De grote kenner van Stendhal, wijlen Victor Del Litto verzamelde alle aanzetten tot romans die ons hebben bereikt, en bij elkaar is dat nog een flink boek geworden. Natuurlijk voorzag Del Litto die stompjes van commentaren en toelichtingen. Bij de roman die hieronder in zijn volledigheid te lezen is, horen bijvoorbeeld zes bladzijden schitterende commentaar.
Maar in zekere zin zijn zulke aanzetten soms toch volledig. Dat hangt van de grootte van de auteur af.
Wat moet de lezer na de drie hoofdstukken die we hebben, nog vernemen van bijvoorbeeld de “Rabbi van Bacharach” van Heine? »Der Schluß und die folgenden Kapitel sind, ohne Verschulden des Autors, verloren gegangen«, zegt hij, maar niemand is verplicht alles te geloven wat Heine vertelt.
En wat moeten we van Mme Tarin tenslotte nog vernemen, als we weten dat ze als lijk “mooier was dan ze ooit was geweest”?


Histoire de Madame Tarin
Le 21 de décembre 1836, Mme *** accourut rue Caumartin au n° 13 et demanda d’un air fort troublé à voir sur-le-champ Mme Tarin son amie intime. La portière dit à Mme *** que la femme de chambre et la cuisinière de Mme Tarin étaient en commission et avaient dit en sortant que leur maîtresse ne voulait recevoir personne.
Mme *** insiste.
– Savez-vous bien, dit-elle à la portière, que Mme Tarin est peut-être morte au moment où je vous parle? J’ai des raisons pour vous parler ainsi.
Enfin la portière se laisse persuader. On frappe à la porte de Mme Tarin. Pas de réponse. Après un quart d’heure on se détermine à enfoncer la porte. Tout l’appartement était dans l’ordre ordinaire, on arrive à la chambre à coucher: les châles, les robes étaient distribués sur les meubles.
On approche du lit, Mme Tarin y était couchée. Elle était morte, pale comme à l’ordinaire et plus belle qu’elle ne l’avait jamais été. Mme *** se jeta sur le corps inanimé de son amie. Une heure auparavant elle avait reçu par la poste une lettre dans laquelle Mme Tarin avouait les choses que nous allons raconter. Par cette lettre Mme Tarin disait à son amie qu’elle lui faisait don de son grand châle noir, de telle robe, etc.
Mme Tarin était mariée à un notaire de Périgueux nommé M. Pigeon, honnête bourgeois de qui elle avait eu deux enfants. La fortune de ce ménage pouvait s’élever à 160 000 francs.
En 1835, Mme Pigeon qui avait au suprême degré l’art de persuader et de séduire engagea son mari à venir à Paris. Elle lui avait fait entrevoir plusieurs moyens fort probables d’augmenter leur fortune et de donner une belle éducation à leurs enfants. Elle pensa que le nom ridicule de Pigeon serait un obstacle, et se fit appeler Mme Tarin du nom de sa mère.


3 april 2015

Een lijfgeur doet niet altijd, of iedereen braken


Aan de VUB hebben ze een prof die, in biologische termen gesproken onder de menselijke soort dient ingedeeld te worden. Niet vér eronder, met wat we de laatste twee dagen allemaal te lezen kregen op Twitter &c., maar toch eronder. Of beter nog misschien: ernaast, in een zijtak. De taxonomie houdt immers geen waardeoordeel in: een zwijn, een hond, een aap, een stinkdier, een mestkever, voor biologen zijn het allemaal beestjes.
“Elias” heet het wezen waar we het hier over hebben. “Willem Elias”, in de mooie binominale nomenclatuur die we aan Linnaeus mogen danken.

Deze man –laten we hem gemakshalve zo noemen, al zullen scherpslijpers misschien liever hominide of iets dergelijks gebruiken– deze man waar geen normale mens aan tafel naast zou willen zitten als er nog gegeten moet worden, vanwege zijn zurige lijfgeur misschien, is zo te zien volkomen aanvaardbaar in het VUB-milieu, en trouwens in nog een paar andere.

Blijkbaar zijn de wasems die hij afgeeft niet voor elke mens ondraaglijk. Sommigen houden er zelfs van. Zo zie je maar hoe verschillend ons reukorgaan op prikkels kan reageren. Allerlei omstandigheden kunnen een invloed hebben, gewoontes, affiliaties misschien, verwantschappen en dergelijke. Stercus cuique suum bene olet, elk riekt graag zijn eigen stront, merkte Erasmus al op.
In ieder geval, de tweet die ons onderzoeksobject heeft geschreven vandaag, kreeg direct zestig “likes”. U leest hem zelf maar, maar mocht u tot het menselijk ras behoren, the human race, to which so many of my readers belong, om met Chesterton te spreken, dan kunt u beter eerst een anti-emeticum slikken.


22 maart 2015

Populisme, wat mag het toch zijn?


“Waarom populistisch en gemeen geen scheldwoorden zijn”, heet een boek van Ludo Abicht (Houtekiet 2012), en daarin hij legde hij logischerwijze uit wat de titel zegt. Dit had moeten volstaan, en toch blijven weldenkende, zij het hardleerse journalisten, politici en Vlaamse auteurs begrippen als populistisch welgemutst gebruiken. Niet enkel deze term trouwens, want ook “uiterst rechts”, “fascistisch”, “racistisch” &c. halen zij geregeld uit hun gereedschapskistje.


Aangezien de herhaling behaagt en tot lering strekt –bis repetita placent– kan het misschien geen kwaad om hier een herhalingsles te laten geven door Chantal Delsol (1947), Franse filosofe die zich met de ideeëngeschiedenis inlaat. Recent was zij bij Finkielkraut te gast.
Van haar is: «Le Populisme et les Demeurés de l’Histoire», Paris/Monaco, Le Rocher, 2015 («demeurer» mag hier zowel «wonen» als «overblijven» betekenen), en eerder schreef ze al «La nature du populisme ou les figures de l'idiot», Les éditions Ovadia, Nice 2008. De stijlfiguren die idioten gebruiken. Blijkbaar kan ook in Frankrijk de herhaling geen kwaad.

AF : Waarin verschilt de populist van de democraat als hij zich op het volk beroept, Chantal Delsol?
CD : Dank u wel en goede morgen. Ik geloof inderdaad dat er in de voorbije eeuwen, en in de voorbije anderhalve eeuw meerdere malen een objectieve definitie van populisme is gegeven. Wanneer kan men van een objectieve definitie spreken? Wel, als er mensen zijn die op een bepaalde term aanspraak maken. Dit is hier niet het geval. Ongeveer niemand eist hem voor zich op, behalve inderdaad als boutade, maar op een manier…
AF : Misschien als uitdaging?
CD : Ja, als uitdaging of als provocatie…
AF : Zoals tenslotte Marine Le Pen zegt «je suis populiste», net als Mélenchon.*
CD : Mélenchon evengoed, juist, maar je kunt zeggen dat niemand zich erop beroept, dus in wezen is het een belediging, een scheldwoord, het is een woord dat men iemand toeslingert, en dus een subjectieve term. Nu betekent dat nog niet dat er geen achterliggende definities kunnen zijn, maar het lijkt me in dit geval dat de term ons meer leert over diegenen die beledigen dan over de beledigden. Desnoods misschien, allicht zelfs, over de afbakening van wat beiden onderscheidt.
Wat mij betreft, wat ik in mijn boek heb willen doen, is kijken wie “uitgemaakt wordt voor”, want tenslotte wordt men uitgemaakt voor populist. Men is geen populist, men wordt ervoor uitgemaakt. Dus: wie wordt er voor populist uitgekreten, en wie zijn die vele mensen die “worden uitgekreten”? Enkel zo kan men trachten tot een objectieve definitie te komen, in de mate dat zoiets mogelijk zou zijn, we zullen het er straks nog over hebben. Maar wat het volk betreft, u vroeg wat het verschil was tussen het volk van het populisme en het volk van de democraten. Wel: het volk van het populisme is een slecht volk, het volk van de democraten een goed volk. En hierbij houdt het denk ik op, aangezien dit allemaal zeer subjectief is. In wezen is Links volks, en Rechts populistisch. Zo is het toch? Maar goed, dit is een beetje… ik gooi dit op tafel en we zullen het er nog over hebben.
AF : Kortom, de definitie van populisme zegt u, Chantal Delsol, kan niet objectief zijn en…
_________
*Jean-Luc Mélenchon (1951), was senator, minister en EU-parlementslid, verliet in 2008 de PS en stichtte de “Parti de gauche (PG)”. Bij de presidentsverkiezing in 2012 haalde hij 11%.




AF : En quoi l’appel au peuple du populiste diffère-t-il de celui du démocrate, Chantal Delsol?
CD : Merci, bonjour. Je crois qu’effectivement il y a eu dans les siècles, le siècle et demi précédent à plusieurs reprises une définition objective du populisme. Quand peut-on dire qu’il y a une définition objective? Et bien, quand il y a des gens qui se revendiquent d’un terme. Ici ce n’est pas le cas. Pratiquement personne ne s’en revendique, sauf effectivement par boutade, mais d’une manière…
AF : Par défi peut-être?
CD : Ou par défi, voilà, ou par provocation…
AF : Comme Marine Le Pen dit finalement «je suis populiste», de même Mélenchon.
CD : De même Mélenchon, exactement, mais on peut dire que personne ne réclame cela, donc au fond «populisme» c’est une injure c’est une épithète injurieuse, c’est un mot que l’on jette et donc c’est un terme subjectif. Alors ça ne veut pas dire que derrière il ne peut pas y avoir des définitions, mais il me semble que dans ce cas-là c’est un terme finalement qui donne plus de renseignements sur ceux qui injurient que sur ceux qui sont injuriés. À la limite peut-être, probablement d’ailleurs, sur la définition qui peut séparer les deux.
Alors moi, ce que je me suis attachée à faire dans mon livre, c’est regarder qui est «traité de». Parce qu’au fond on est traité de populiste. On n’est pas populiste, on est «traité de». Donc, qui est traité de populiste, et quels sont les liens entre tous ces gens qui sont «traités de»?
Il n’y a que comme ça qu’on peut essayer d’avoir une définition objective, si tant est qu’on puisse l’avoir, on en reparlera tout à l’heure. Mais en ce qui concerne le peuple, vous avez posé la question quelle est la différence entre le peuple du populisme et le peuple des démocrates? Et bien le peuple du populisme c’est un mauvais peuple, le peuple des démocrates c’est un bon peuple. Et comme tout ça est très subjectif, je pense qu'il faut s’arrêter là. Au fond la Gauche est populaire et la Droite est populiste. Au fond c’est quand-même ça, mais enfin bon, c’est un peu… je jette ça sur la table, on va en reparler.
AF : Voilà, donc la définition du populisme dites-vous Chantal Delsol, ne peut pas être objective et…

20 maart 2015

Een realistische socialistische kijk op het barbarendom


Najet Mizouni is professor publiek recht aan de Université Paris 8 Saint-Denis, en bestuurslid van de Parti Socialiste in Parijs. Bij Yves Calvi analyseert zij de beweegredenen van de terroristen in Tunis en elders. Calvi leidt al meer dan tien jaar de debatten voor het programma C dans l'air op France 5.

Najet Mizouni: Ik vond dat er een continuïteit zat in de acties. Het begon in Timboektoe, vervolgens was er het joods museum in Brussel, dan het museum in Irak (ja, Mosoel), Mosoel. Voor mij zat die continuïteit in de vernietiging van alles wat pre-islamitisch is. Al wat voor hen kwam. Met andere woorden, vóór hen was er niets, zo eenvoudig is het.
Yves Calvi: U wil beweren dat we met een barbarendom te maken hebben dat het bewust (ja, bewust) op alle plekken van culturele betekenis gemunt heeft?
Najet Mizouni: Dat is het opzet, voor mij is het een, ik zou zeggen massief vernietigingsproject van de pre-islamitische beschaving. Voor hen heeft er niets bestaan en na hen zal er trouwens evenmin iets bestaan. Voor mij ging het om drie symbolen: ten eerste werd de beschaving aangevallen, en die moet geliquideerd worden. Ten tweede is het zo dat toerisme een van de belangrijke inkomstenbronnen van de Tunesische economie is, en ten derde werd er een zware slag toegebracht aan de machthebbers, want men heeft het niet verteerd dat deze jonge democratie de islamisten eruit heeft gezet, en we weten heel goed dat deze wahhabieten niet kunnen aanvaarden dat de islamisten de macht uit handen hebben gegeven.

Najet Mizouni: Je pensais à la continuité de l’action. Elle a commencé à Tombouctou, elle est passée par le musée juif de Bruxelles, on est passé au musée en Iraq, (oui, Mossoul) Mossoul. Pour moi c’était une continuité de la destruction de tout ce qui est antéislamique. Tout ce qui est avant eux. C’est-à-dire qu’avant eux il n’y a rien, et après rien.
Yves Calvi: Vous voulez dire qu’il y a une barbarie qui vise volontairement (oui volontairement) les lieux de culture?
Najet Mizouni: C’est un projet, pour moi c’est un projet de destruction massive j’allais dire, c’est un procès de destruction de la civilisation antéislamique. Rien n’a existé avant eux, et d’ailleurs rien n’existera après eux. Pour moi il y a un triple symbole: un, c’est la civilisation qui est attaquée, qu’il faut liquider. Deuxièmement, le fait que le tourisme est une des ressources essentielles de l’économie tunisienne, et troisièmement donner un coup fort au pouvoir, parce qu’on n’a pas accepté cette jeune démocratie qui a viré les islamistes, et on sait très bien que ces wahhabites n’acceptent pas que les islamistes aient accepté de quitter le pouvoir.


15 maart 2015

Schrijven en schrijven is twee


Een boek dat begint met een klungelachtige, kamerbrede, hulpeloos gelede en encyclopedische zin, lees je als lezer niet.
Toch krijg je soms zo’n boek, natuurlijk niet van vrienden maar bijvoorbeeld wel als Boekenweekgeschenk. Daar is geen ontsnappen aan, en je koopt dan wel een Leys, of een Melville, of een Simenon, of een Stendhal, of een Hermans, maar een dunne Verhulst krijg je er gratis bij. Een krat Champagne heb je al, en nu nog een Corapilsje erbovenop.


Uit nieuwsgierigheid las ik die eerste Verhulstzin toch. Hij is hiernaast te zien, en de lezer kan het beeld vergroten, maar hem uittikken was me te veel. Hij is …ik zal niet zeggen slechter, maar toch even slecht als die zin waar destijds Lanoye nog een prijs voor kreeg

In Souvenirs d’égotisme legt Stendhal uit (impliciet vanzelfsprekend, zonder het echt te doen) hoe je moet schrijven. Het komt hierop neer: eerst en vooral moet je verstand hebben, en ten tweede grappig zijn (ja, er bestaan Vlamingen die zelfs Geert Hoste grappig vinden, maar dat bedoel ik niet).
Hij beschrijft een tocht door de Alpen. De koetsier had hem verzekerd dat het niet uitmaakte mocht hij, Stendhal, verongelukken maar hij was ervoor beducht dat toekomstige klanten afgeschrikt konden worden als ze vernamen dat een passagier van hem ergens in een ravijn was gestort. De Gotthardpas was toen net opengemaakt voor koetsen: daarvoor konden enkel ruiters en voetgangers hem passeren.

Volledigheid, zo kun je Stendhals Voltairiaanse recept misschien ook samenvatten, is de kortste weg naar verveling.
En voor we verdergaan met die Alpentocht: op een andere plek beschrijft hij tegen zijn zin een salon waar, zoals de lezer intussen vernomen heeft al veel is omgegaan, maar hij doet dat door middel van een tekening:

J'ai oublié de peindre ce salon. Sir Walter Scott et ses imitateurs eussent sagement commencé par-là, mais moi, j'abhorre la description matérielle. L'ennui de la faire m'empêche de faire des romans.
La porte d'entrée A donne accès à un salon de forme longue au fond duquel se trouve une grande porte toujours ouverte à deux battants. […]

Terug naar de Alpen voor enkele aanvullingen bij zijn reisverslag:
Le lendemain, je m'embarquai en bien mauvaise compagnie: des officiers suisses faisant partie de la garde de Louis XVIII, qui se rendaient à Paris.
(Ici 4 pages de descriptions de Altorff à Gersau, Lucerne, Bâle, Belfort, Langres, Paris: occupé du moral la description du physique m'ennuie. Il y a 2 ans que je n'ai écrit 12 pages comme ceci.) Die vier bladzijden zijn er nooit gekomen: La France et surtout les environs de Paris m'ont toujours déplu, ce qui prouve que je suis un mauvais Français et un méchant, disait plus tard Mlle Sophie... (belle-fille de M. Cuvier). Mon cœur se serra tout à fait en allant de Bâle à Belfort et quittant les hautes si ce n'est belles montagnes suisses pour l'affreuse et plate misère de la Champagne.
Que les femmes sont laides à ..., village où je les vis en bas bleus et avec des sabots.

Misschien zijn er mensen die mijn exemplaar van het boekenweekgeschenk willen hebben? Het is in mint condition.

13 maart 2015

Twee clowns en één oud vrouwtje


De ontmoeting van twee fantasten, van twee clowns die hun eigen verhaaltjes geloven, kan niet anders dan vermakelijk zijn.

De ene, Jan Fabre hoef ik niemand voor te stellen: iedereen kent hem als de man die in het Antwerpse Park Noord door zeven man werd overvallen, daarbij in zijn nieren werd getroffen, en van welk avontuur Jan naderhand geen aangifte heeft willen doen, misschien omdat zeven een heilig getal is en de nieren in de Bijbel al uitvoerig aan bod kwamen (bv. Klaagliederen 3:13 Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan).
De andere fantast waar we het over zullen hebben, was net te gast bij Kathleen Cools in Reyers Laat. Bernard-Henri Lévy, BHL heet hij, en behalve voor zijn witte hemden staat die man ervoor bekend dat hij in zijn onschuld wel eens onbestaande filosofen citeert. Interessant is dat ook Bernard-Henri zich net als Jan op oorspronkelijk Bijbelse beeldspraak beroept om zijn verhaaltjes kracht bij te zetten. Dadelijk zal Karel van het Reve uitleggen waarom zulke jongens als Bernard-Henri en Jan ongeloofwaardig zijn, en merkwaardig genoeg heeft hij daar een stokoud wijfje voor nodig. Maar eerst de transcriptie en vertaling van wat BHL zo kinderlijk bijeenbazelde over een nieuw oud wijfje:

BHL: Moi j'aime la Belgique, je suis un, un...
KC: Pourquoi?
BHL: Pourquoi? À cause de Baudelaire. Enfin, je l'aimais déjà avant. Mais j'ai passé plusieurs mois de ma vie entre Bruxelles, Namur, Charleroi, sur les traces du dernier Charles Baudelaire. Ce très grand poète français, peut-être le plus grand, a passé les deux, les derniers mois de sa vie consciente ici en Belgique, et il y a vingt ans, j'ai écrit un roman qui s'appelle «Les derniers jours de Charles Baudelaire», et qui essayait de reconstituer presque heure par heure cette dernière vie de Charles Baudelaire. Et là, je suis vraiment tombé amoureux de ce pays. (KC: Oui) Je connais Bruxelles par cœur (KC: Oui?), je connais Namur très bien, et il y a cette chose extraordinaire : le roman, mon livre sur les derniers jours de Charles Baudelaire commence à l'église Saint-Loup de Namur, puisque c'est là que Baudelaire a été frappé comme il disait par 'le vent de l'aile de l'imbécillité'. C'est là qu'il a eu son espèce de choc d'aphasie.
KC: Et c'est là où Rops l'a amené.
BHL: Il était avec Félicien Rops. Et Félicien Rops est l'un des deux témoins de cette foudre qui tombe sur Baudelaire. Et à l'époque où j'écrivais mon roman, je suis venu très souvent à Namur, pour visiter l'église, pour moi c'était un lieu majeur. Elle était fermée pour restauration. Et donc je l'ai racontée, je l'ai décrite et j'ai décrit la scène sans l'avoir connue, par la pure imagination de l'écrivain. Et la première fois où j'y suis entré, c'est il y a quelques mois, avec Joanna De Vos et Jan Fabre, pour la préparation de cette exposition. Et là ce qui était... c'est là où on voit la puissance de la littérature ou de l'art, c'est que, cette église que j'avais racontée sans la voir, que j'avais vue sans la regarder, et bien elle était exactement comme je l'avais écrite. Et je suis entré dans cette église avec Jan Fabre, je me suis dirigé presque aveuglément, alors là vraiment les yeux bandés, et guidé par le cochon de la littérature et de l'art. Je me suis dirigé jusqu'à un point de l'église, et là je me suis arrêté. Je ne pouvais plus faire un pas en avant, je ne pouvais plus faire un pas en arrière. J'ai été comme bloqué à cet endroit. Et quand je suis ressorti, j'ai demandé à la petite dame qui était là et qui s'occupe des visiteurs, je lui dit, est-ce que vous savez à quel endroit le poète Charles Baudelaire a été foudroyé? Elle me dit «si, venez», et elle m'emmène et c'était l'endroit où je venais d'être coincé.
KC: Donc c'était très émouvant.
BHL: Donc pour moi c'était très bouleversant et je dois cette grande émotion littéraire, je la dois à Jan Fabre, et je lui dois beaucoup d'autres choses, je lui dois les merveilles qui il y a dans ce livre, et les merveilles que vous allez tous voir à Namur à partir de samedi. Mais je lui dois personnellement cette rencontre avec moi-même.



BHL: Ik houd van België, ik ben een, een..
KC: Waarom?
BHL: Waarom? Vanwege Baudelaire, enfin van hem hield ik daarvoor ook al. Maar ik heb vele maanden van mijn leven tussen Brussel, Namen en Charleroi doorgebracht, in het voetspoor van de late Charles Baudelaire. Deze heel grote Franse dichter, misschien de grootste, heeft de laatste maanden van zijn bewuste leven hier in België doorgebracht. En twintig jaar geleden schreef ik een roman die "De laatste dagen van Charles Baudelaire" heet en die tracht om, bijna van uur tot uur, dat laatste stukje van het leven van Charles Baudelaire weer samen te stellen. En toen ben ik echt verliefd geworden op dit land. Brussel ken ik vanbuiten, Namen ken ik heel goed. Het bijzondere is dat die roman, mijn boek "De laatste dagen van Charles Baudelaire", begint aan de kerk van Saint-Loup in Namen. Het is immers daar dat Baudelaire getroffen werd door wat hij noemde "de wind van de vleugelslag der imbeciliteit". Het is daar dat hij een soort afatische schok heeft gekregen.
KC: En het is daar dat Rops hem naartoe heeft gebracht.
BHL: Hij was bij Félicien Rops. En Félicien Rops is een van de twee getuigen van die bliksem die Baudelaire trof. En in de periode dat ik mijn roman schreef ben ik heel vaak naar Namen gekomen, om die kerk te bezoeken. Voor mij was dit een zeer belangrijke plek. Maar ze was gesloten voor restauratie. En dus heb ik die kerk beschreven en die scene verteld, zonder ze gekend te hebben. Louter op basis van de verbeelding van de schrijver. En, de eerste keer dat ik er binnenging, was een paar maanden terug met Joanna De Vos en Jan Fabre, ter voorbereiding van deze tentoonstelling. En wat er toen... en hier zie je de kracht van de literatuur of de kunst, is dat die kerk die ik beschreven had zonder ze te zien, die ik had gezien zonder ze te bekijken, wel, zij was exact zoals ik het had neergeschreven. Ik ben die kerk binnengegaan met Jan Fabre, bijna blindelings, met de ogen nu inderdaad geblinddoekt, maar geleid door het varken van de literatuur en de kunst ben ik op een punt in de kerk afgegaan, en daar ben ik blijven staan. Ik kon geen stap meer vooruit, ik kon geen stap meer achteruit. Het was alsof ik op die plek vastgespijkerd stond. En bij het buitengaan, heb ik aan het vrouwtje dat daar stond en dat zich met de bezoekers bezighoudt, gevraagd: Weet u op welke plek de dichter Charles Baudelaire neergebliksemd werd? Ja, zei ze me, komt u mee. Ze nam me mee, en het was dezelfde plek [slaat met vuist op tafel] waar ik pas nog vastgeklonken had gestaan.
KC: Dat was dus wel heel ontroerend!
BHL: Voor mij was het dus zeer aangrijpend, en die grote literaire emotie heb ik te danken aan Jan Fabre, en ik ben hem voor nog veel andere zaken schatplichtig, zoals voor de prachtige werken die in dit boek staan, en de wonderlijke dingen die u allemaal vanaf zaterdag in de tentoonstelling in Namen zult zien. Maar persoonlijk ben ik hem dankbaar voor deze ontmoeting met mezelf.

Bij Karel van het Reve, in deel zeven van het Verzameld Werk (Van Oorschot, 2011) op de pp. 485-6 lezen we zoals beloofd over weer andere, en nog oudere wijfjes die moeten dienen om een verhaal geloofwaardigheid te verlenen. Bij hem ging het om een verslag dat hij had gehoord van de gebeurtenissen in Moskou, toen de aanhangers van Jeltsin barricades opwierpen voor het Witte Huis aldaar. De verslaggever meldde:

"Ik brak bijna in tranen uit toen een heel oud vrouwtje met een boodschappentas naar de barricade toeliep, haar tas neerzette, zorgvuldig uit die tas drie bakstenen haalde en op de barricade legde. Ze sloeg een kruis en ging weg."
Een indrukwekkend tafereel. Maar toch dacht ik meteen: "Waar heb ik dat oude vrouwtje meer gezien?" Ik herinnerde me drie keer.
Een Engelse officier die in 1943 in Zuid-Italië aan land ging en met zijn jeeps het land in trok, vertelt in zijn memoires, hoe hij en zijn mannen in ieder dorp door juichende Italianen begroet werden. "In een van de dorpen kwam een oude vrouw op ons af met een kan water en een ei, alles wat ze bezat, zei ze, want ze was heel arm."
Ga je nog verder in de geschiedenis terug, dan kom je bij het oude vrouwtje dat een bosje hout kwam leggen op de brandstapel van de ketter Jan Hus, toen die op 6 juli 1415 door christenen verbrand werd wegens een theologisch meningsverschil. "O heilige eenvoud," moet Hus toen geroepen hebben.
Het bij mijn weten eerste optreden van dat oude vrouwtje vinden we in de Heilige Schrift, Marcus 12;41-44: "En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin. En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort. En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben. Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar gansen leeftocht."
Als ik de geschiedenis van de staatsgreep van Janajev en de zijnen moest opschrijven, dan zou ik heel voorzichtig zijn met dat oude vrouwtje. Ze houdt zich soms honderden jaren koest, maar als de historische situatie het maar even toelaat komt zij tevoorschijn met dat penningske, dat brandhout, dat ei of die bakstenen.

Achteraf, 9 november 1991

Misschien moet Bernard-Henri in het vervolg toch eens naar andere getuigen uitkijken, en Jan zelfs naar om het even welke getuige.

7 maart 2015

Tocqueville, Condorcet en nog een paar anderen



Ik heb geen zin om het allemaal te transcriberen en te vertalen, maar hier is de (gemonteerde en sterk ingekorte) audio van "La Tyrannie de la majorité", uitzending van France Culture. Je hoort een perfecte, zij het oude definitie van het begrip "cordon sanitaire", en zelfs van "cordon médiatique":



5 maart 2015

Geen soumission, ook niet in verhulde vorm


Het congres van de Canadese muzelmannen wil dat de overheid het dragen van de boerka in de openbare ruimte verbiedt. Dat is mooi, maar de argumenten die ze hiervoor geven zijn naast de kwestie: er staat volgens hen niets in de koran dat vrouwen ertoe zou verplichten om hun gelaat te bedekken, en het dragen van de boerka is bovendien verboden in de grote moskee van Mekka, een van de heiligste plaatsen van de moslimwereld.

«Le Congrès estime qu'il n'y a rien dans le Coran qui oblige les femmes à se couvrir le visage. Il souligne également que le port de la burqa est proscrit à l'un des sites les plus sacrés du monde musulman, la Grande Mosquée de La Mecque.»

Blijkbaar gaan die mannen ervan uit dat, mocht er in de koran toch iets dergelijks gestaan hebben, of als het reglement in Mekka iets anders had verteld ...dat de beschaafde wereld zich daar dan wél naar had moeten schikken?
Zo werkt het hier niet: wij burgers bepalen de wet en niet iemand zijn Mohammed of Allah.

3 maart 2015

Haat zit in één kamp, en nog wel het verkeerde


Zekere Ayfer Erkul schrijft voor De Morgen, en op p.18 had zij een artikeltje dat de stilistische pijn van politiek correcte journalisten goed laat zien. Journalistieke meningen, of in het beste geval mededelingen inhoudelijk aanvechten is nooit goed mogelijk – dat blijft een spelletje van morele aard – maar stilistische kenmerken hebben iets dat losstaat van deugden en ondeugden.

Zij schrijft over Frankrijk: “De peilingen laten ook de polarisatie zien die heerst in het land sinds de aanslagen op Charlie Hebdo in Parijs. Is er enerzijds een beweging die pleit voor vrije meningsuiting maar tegen haat, dan verkiezen de aanhangers van Le Pen de autoritaire en antimigratiehouding van het FN.”

Let wel: die aanslagen op zich waren geen uiting van een bepaalde polarisatie, want die is er pas achteraf gekomen. Voor Ayfer, die in haar volgende zin een bewonderenswaardige en tegelijk verwonderlijke grammaticale maîtrise vertoont, zijn de zaken klaar: je bent ofwel een hatelijk individu ofwel niet, en voor vrije meningsuiting zijn is goed, en haat is slecht.
Heel redelijk standpunt, dat helaas slechts in één kamp voorkomt. Uit haar grammaticale constructie (misschien bijgeschaafd door een Hercules van de eindredactie) meen ik echter te moeten afleiden dat voor de volgelingen van Marine Le Pen haat juist heel acceptabel is, en dus ook voor heel veel Fransen. En wat er nog bijkomt: diezelfde Fransen stemmen vaak voor het Front National.
Verwonderlijk is dit laatste niet als je weet dat ze daarbovenop nog “autoritair” zijn (een moeilijk woord), en “antimigratie”. Hier bedoelt Ayfer allicht “anti-immigratie”, maar dat kan ook een ingreep van de Hercule van de eindredactie zijn geweest.

2 maart 2015

Vooringenomen nog voor het spektakel begint


Moeilijk is de vraag of een bepaald boek of een bepaalde auteur het lezen waard zouden zijn. “Meestal niet” is een redelijk antwoord, maar lost het probleem niet op.
De onrechtvaardige opmerking destijds van Karel van het Reve, dat je ook een hekel kunt hebben aan auteurs waar je nog nooit één letter van gelezen hebt, is volkomen correct maar helpt ons ook niet verder. Het is zelfs nog erger dan wat hij zegt.
Zo voel ik me ontzettend schuldig als succesauteurs, mensen die in journalistieke lijstjes voorkomen en dan prijzen winnen, mij altijd weer ongemerkt voorbijgaan. Van een hekel is hier geen sprake: de titels van hun geschriften, evenmin als hun namen zelf worden in mijn geheugen opgenomen. Voorkeuren en grillen vallen niet te meten.
Soms kan een goede beginzin waar iemands oog op valt, een twijfelende ziel nog over de streep trekken. “Call me Ishmael” is bijvoorbeeld geen slechte beginzin. Maar over eerste zinnen is al veel geschreven, en daar zullen we het niet over hebben.

Sterker nog dan een goede beginzin, voor mij althans, is een waarschuwing vooraf van de auteur, een soort bijsluiter die hij geeft: «À n’imprimer que dix ans au moins après mon départ, par délicatesse pour les personnes nommées. Cependant les 2/3 sont mortes dès aujourd’hui.» 
[Mag maar gedrukt worden als er minstens tien jaren over mijn verscheiden zijn heengegaan, dit uit fijngevoeligheid jegens de personen wier naam valt. Ook al zijn twee derden ervan vandaag al dood.]
Stendhal schreef dit boven zijn manuscript van “Souvenirs d’Égotisme”, souvenirs die beginnen in juni 1832, in Rome.
Dat tweede zinnetje deed het voor mij.
Ik begin nog maar, maar dit is een schitterend boek!

24 februari 2015

Bezigheidstherapie doet bejaarden goed



Iemand die “structurele en constructieve alternatieven” wil formuleren tegen het populisme, doet er goed aan onmiddellijk met een paar voorstellen voor de draad te komen. Eerst nog een denktank oprichten om te zien of daar misschien iets uitkomt, zoals Jean-Pascal Labille dat graag wil doen, is minder aangewezen. Dan mag die denktank ideologisch nog zo verscheiden zijn als zijn “Ceci n’est pas une crise”, het blijft een slecht idee.
Natuurlijk, niemand zal betwisten dat het op zich waardevol is om de ideologische verschillen tussen bijvoorbeeld de skiënde motard Louis Michel, tekenaar Pierre Kroll en pandaliefhebber Eric Domb te willen overbruggen, maar op zich volstaat dit niet. Ook ruiken die Luddieten die prof.dr.sc.pol.Elchardus erbij wil betrekken wat belegen. Bijna zo belegen en onnozel als die Magritteslogan zelf.
Anderzijds: zo’n nieuwe denktank kan iemand wel aan het denken zetten. Ik bedenk nu bijvoorbeeld dat als Elchardus, Michel, Maystadt, Dom, Kroll, Goossens &c. wérkelijk goud konden maken, en er dus een goed recept voor hadden, ze dat ook zouden doen.
Nu lijkt het erop dat ze enkel willen leuren met toekomstige formules om goud te maken.


20 februari 2015

De kwestie Tuymans


Of Tuymans mooie tempels opricht, zou ik durven betwijfelen, maar als dat toch het geval zou zijn, krijgt hij de steun van Heinrich Heine:


Niets toch is idioter dan dat verwijt van plagiaat, in de kunst is er geen zesde gebod,* de dichter mag overal zijn slag slaan waar hij materiaal voor zijn werk vindt, en zelfs volledige zuilen met uitgewerkte kapitelen mag hij zich toe-eigenen, tenminste als de tempel prachtig is die hij daarmee stut. Dit heeft Goethe zeer goed begrepen en voor hem zelfs Shakespeare. Niets is idioter dan de vereiste dat een dichter al zijn stof uit zichzelf zou trekken; dat zou dan originaliteit zijn. Ik herinner me een fabel waarin de spin met de bij spreekt, en haar het verwijt maakt dat zij voor haar wassen constructie, en voor de honing die zij daarin bereidt, het materiaal uit duizend bloemen bijeenzoekt: “maar ik”, voegt zij er triomfantelijk aan toe, “ik trek heel mijn kunstige web in originele draad uit mezelf”.


Aber nichts ist thörichter als dieser Vorwurf des Plagiats, es gibt in der Kunst kein sechstes Gebot,* der Dichter darf überall zugreifen, wo er Material zu seinen Werken findet, und selbst ganze Säulen mit ausgemeißelten Kapitälern darf er sich zueignen, wenn nur der Tempel herrlich ist, den er damit stützt. Dieses hat Goethe sehr gut verstanden, und vor ihm sogar Shakespeare. Nichts ist thörichter als das Begehrnis, ein Dichter solle alle seine Stoffe aus sich selber herausschaffen; das sei Originalität. Ich erinnere mich einer Fabel, wo die Spinne mit der Biene spricht und ihr vorwirft, daß sie aus tausend Blumen das Material sammle, wovon sie ihren Wachsbau und den Honig darin bereite: “ich aber”, setzt sie triumphierend hinzu, “ich ziehe mein ganzes Kunstgewebe in Originalfäden aus mir selber hervor”.

Über die französische Bühne,
Vertraute Briefe an August Lewald, sechster Brief.
(Geschrieben im Mai 1837, auf einem Dorfe bei Paris)
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.527.
_____________________

* “Du sollst nicht stehlen” ist das siebente Gebot. [Elster]


19 februari 2015

Geen orde uit chaos, zegt Guy


Eén ding kan niet meer worden betwist, Guy Verhofstadt weet nu, anders dan enkele jaren geleden, waar Libië ligt. Dichter bij Italie dan velen denken, verklapt hij ons (in De Morgen, die krant die wel eens van racisme wordt verdacht).
En in Libië gaat het niet voorspoedig want er heerst chaos. Hijzelf is daar niet door verrast, want die chaos is er al sinds de val van Kadhafi, en een staatsman van zijn kaliber laat zich niet verrassen. Sinds die val (eigenlijk de moord op Kadhafi, maar “val” klinkt ruim zo goed) vragen “de Libiërs”, blijkbaar allemaal mensen die hij goed kent, om hulp.
Die chaos zelf komt niet op zijn rekening, al was Guy een hevige voorstander van die "val", nee die is voor rekening van de Europese landen die daarna niet naar hem hebben willen luisteren.
En uit chaos kun je niet zomaar orde scheppen, zegt hij nog, maar Guy zal in de klas nooit goed opgelet hebben, want zijn deelwoorden zijn nog niet wat ze zouden moeten zijn.


Correctie! waarschijnlijk betreft het een stupiditeit van een Morgenredacteur, want in het artikel gebruikte Guy de noemvorm. De rest van wat hij beweert slaat evengoed nergens op, maar dat "geschept" is allicht niet van hemzelf.

18 februari 2015

Pas d'amalgame s'il vous plaît!


Pastoors zijn de enigen die het volk ter beschikking staan om het wat moraal bij te brengen, zei Stendhal in Le Rouge et le Noir, en zonder hen kwam daar niets van terecht. Hij vond dit geen ideale toestand en cynisch sprak hij de hoop uit: zullen kranten ooit hun rol kunnen overnemen? Le journal pourra-t-il jamais remplacer le curé?
Dit is geen ijdele hoop geweest. Vandaag beschouwen kranten het als hun hoofdtaak om de lezer te sensibiliseren en op het rechte pad te brengen. Parallel doet ook de overheid haar duit in het zakje, en zet zij velerlei campagnes en programma's op. Bij de vleet vindt men zelfs nieuwe zonden uit, dagelijkse zowel als doodzonden. Vlees eten, of suiker eten zijn dagelijkse zonden. Sigaretten roken ook. Maar lezers die bijvoorbeeld een amalgaam zouden maken van begrippen als islamisme en islam, verkeren in doodzonde. Pas d'amalgame! In Frankrijk is de term al tot één woord, we zullen zien zelfs tot een eigennaam versmolten.

Alleen oudere lezers zullen bij het woord nog aan de tandarts denken, en daarom is enige etymologische uitleg gepast. In de tijd van de alchemisten was het, zoals later dus voor de tandartsen, een zachte verbinding van kwik met bijvoorbeeld lood of zilver of goud, al stond hen enkel de alchemisten dan ook wel de vleselijke verbinding van man en vrouw voor de geest.*
Wie hiermee nog niet tevreden is moet dieper zoeken, van het Arabisch over het Latijn, tot bij de Grieken: μάλαγμα, málagma, van μαλάσσω, week, soepel, zacht maken.
Het spreekt dat een gezonde denkwijze iets dergelijks uitsluit en enkel met zuivere stoffen werkt. Ter verbreiding van de zuivere leer spannen onze overheden, samen met onze journalisten zich dan ook in, sommigen zullen zeggen ad nauseam.

In het volgende interview legt Finkielkraut dit alles wat beter uit, en ik heb enkele knipjes aangebracht, maar hier staat het Youtube-filmpje.

Élisabeth Lévy: Recht op een huis van de Geschiedenis van Frankrijk hebben niet, maar ter compensatie krijgen we als het ware wel een Huis van de Franse Misdaden?
Alain Finkielkraut: Ja, en meerdere musea, straks per gemeente één. Maar ik ben mij ervan bewust dat als ik me zo uitdruk, mijnheer of madame Padamalgame daar heel driftig van worden. Dus voor mijnheer of madame Padamalgame uitbarsten, zou ik willen zeggen dat ik er wel voor oppas om islam en islamisme te verwarren, maar dat, juist om te beletten dat het ene in het andere verglijdt, de Europese politiek er meer en meer toe zal neigen, en dit ten koste van autocensuur, om de gevoeligheid van de mohammedanen te ontzien. Daar stevenen we op af. Maar ik stel ook vast, als gevolg van dit wijdverbreide klimaat van verzoening, geruststelling of vergelijk, dat men onze eigen wetten niet meer durft te doen respecteren, meer bepaald het verbod op de boerka in de openbare ruimte. En meer en meer zal men de godsdienstvrijheid, te weten de Mensenrechten inroepen om deze abdicatie te rechtvaardigen. En dan worden onze zeden en gewoonten langzamerhand opgegeven voor onze rechten, wat mij betreft een niet zo fraai programma.
Élisabeth Lévy: Eigenlijk is het onze geschiedenis die men opoffert.
Alain Finkielkraut: Onze zeden en gewoonten, onze zeden, en akkoord, ook onze geschiedenis zoals we die vandaag spontaan beleven. Onze zeden: je bedekt je aangezicht niet in de publieke ruimte. Eén zaak staat vast: Europa verandert, en dat veranderen heeft te maken met zijn verandering van bevolking. Deze vaststelling is zonneklaar, maar niettemin taboe want voor ons zijn mensen inwisselbaar. We beseffen het niet altijd, maar ik meen dat onze denkbeelden verwijzen naar de onbekende soldaat. Hij, en ik citeer Ernst Jünger, wiens verdienste het is dat men hem kan vervangen, omdat achter elke gesneuvelde zijn aflosser al klaarstaat als reservist. En zeker, de oorlog van 1914 heeft ons genezen van het nationalisme, maar niet van de onbekende soldaat. We hebben hem gemondialiseerd. Vandaag belichaamt hij onze idee van de mens. Maar zo lopen de zaken nu eenmaal niet, mensen zijn niet inwisselbaar, niet vervangbaar. En hoe lang zal het duren, voor we de conclusie trekken uit onze economische vergissing en bereid zullen zijn om te verzaken aan dit antropologische model van de onbekende soldaat? Maar vandaag heeft het antiracisme zich ten dienste gesteld van deze economische vergissing. De industriëlen, patroons, ondernemers blijven op dat denkspoor, zoals ook de technocraten van de Europese Unie en de Verenigde Naties. En uitgerekend diezelfden die zogenaamd kritiek hebben op het kapitalisme zitten met hun argumentatie op één lijn met die van de ergste kapitalisten, en meer dan dat, met dit antiracistische programma dat ze vurig verdedigen, leveren ze hen een onverhoopt alibi.



Élisabeth Lévy: On n’a pas droit à une maison de l’Histoire de France, en revanche on a droit à une maison des crimes français en quelque sorte?
Alain Finkielkraut: Oui, et plusieurs musées, un musée par municipalité bientôt. Alors je sens, je sens quand je m’exprime ainsi, que la moutarde monte au nez de monsieur ou de madame Padamalgame. Alors donc, avant que monsieur ou madame Padamalgame n’explosent, je voudrais dire que je me garde bien de confondre l’islam et l’islamisme, mais que pour empêcher le glissement de l’un vers l’autre, la politique européenne va tendre de plus en plus, et au prix de l’autocensure, à ménager la susceptibilité des musulmans. C’est vers cela que nous allons. Mais je constate aussi, du fait de ce climat général, soit d’expiation, soit d’apaisement ou d’accommodement, que on n’ose pas faire respecter nos propres lois, notamment l’interdiction du voile intégral dans l’espace public. Et on invoquera de plus en plus la liberté religieuse, c’est-à-dire les Droits de l’Homme, pour justifier cet abandon. Et là, nos mœurs sont en train d’être sacrifiés à nos droits, et ce n’est pas un très beau programme à mes yeux.
Élisabeth Lévy: C’est-à-dire notre histoire, en fait c’est notre histoire qu’on sacrifie.
Alain Finkielkraut: Nos mœurs, nos mœurs, nos mœurs. Oui voilà, notre histoire mais telle qu’elle est vécue spontanément aujourd’hui. Nos mœurs: on ne se voile pas le visage dans l’espace public. Une chose est sûre: l’Europe change, et ce changement a avoir avec son changement de population. Ce constat est évident, il est pourtant tabou, parce que pour nous les hommes sont interchangeables. Nous ne savons pas toujours, mais je crois que notre philosophie spontanée est celle du soldat inconnu. Celui, et je cite Ernst Jünger, dont la vertu réside dans le fait qu’on puisse le remplacer et que derrière chaque tué, la relève se trouve déjà en réserve. Alors bien sûr la guerre de quatorze nous a guéris du nationalisme, mais pas du soldat inconnu. Nous l’avons mondialisé. Il incarne aujourd’hui notre idée de l’homme. Mais précisément, les choses ne se passent pas de cette façon, les hommes ne sont pas interchangeables, ils ne sont pas remplaçables. Et combien de temps faudra-t-il pour que nous tirions les conséquences de notre erreur économique, et que nous soyons capables de renoncer à ce modèle anthropologique du soldat inconnu? Mais l’antiracisme d’aujourd’hui s’est mis au service de cette erreur économique. Les industriels, les patrons, les entrepreneurs continuent de penser ainsi, et les technocrates de l’Union européenne ainsi que des Nations Unies. Mais précisément, ceux-là mêmes qui, disons critiquent le capitalisme alignent leurs arguments sur ceux des pires capitalistes et plus que d’aligner leurs arguments ils leur donnent un alibi inespéré avec cette cause antiraciste dont ils sont les ardents défenseurs.


* zie «De matrimonio et conjunctione», traktaat waarin de man met het kwik en de vrouw met het zilver wordt gelijkgesteld, en de vereniging dezer beiden geprezen: «Natura laetatur quando sponsus cum sponsa copulatur».

16 februari 2015

Een dichter verklaart meer dan een economist


Engeland zat destijds, we spreken van de jonge negentiende eeuw, diep in de schulden. Vandaag is het de beurt aan Griekenland.
Of die twee dingen vergelijkbaar zijn weet ik niet, maar als je uitleg vraagt aan economisten, academici, politici, bankiers &c. zul je moeten vaststellen: zoveel hoofden, zoveel zinnen. Misschien is het probleem te ingewikkeld, of de economie is niet echt een wetenschap, maar een antwoord blijft uit.
In elk geval, een verstandiger idee lijkt het mij om bij zulke moeilijke vraagstukken als de openbare schuld niet bij economisten, maar meteen bij een dichter, een ziener te rade te gaan.

Als kleine jongen las Heinrich Heine in de krant vaak over de immense Engelse schuldproblemen, en over de worstelingen van hun achtereenvolgende prime ministers. Dezer lot was zwaarder zelfs dan dat van de grootviziers in het langwerpige Constantinopel, waar hij ook over las. Zij werden op last van de sultan wel eens met het zijden koord vereerd, als het met de financiën te slecht ging.

Later maakte Heine een reis naar Engeland, en hij deed daar vanzelfsprekend verslag van: zijn Englische Fragmente (1828). Het volgende fragmentje komt uit hoofdstuk VII. Die Schuld.

Schulden ebenso wie Vaterlandsliebe, Religion, Ehre usw. gehören zwar zu den Vorzügen des Menschen — denn die Tiere haben keine Schulden — aber sie sind auch eine ganz vorzügliche Qual der Menschheit, und wie sie den Einzelnen zu Grunde richten, so bringen sie auch ganze Geschlechter ins Verderben, und sie scheinen das alte Fatum zu ersetzen in den Nationaltragödien unserer Zeit.

Schulden, net als vaderlandsliefde, religie, eer enzovoort, behoren weliswaar tot de uitverkorenheden van de mens – de dieren hebben immers geen schulden – maar ze zijn ook een uitgelezen kwaal van de mensheid, en zoals zij de enkeling te gronde richten, zo storten ze ook volledige geslachten in het verderf, en in de nationale tragediën van onze tijd schijnen zij de plaats van het oude Fatum in te nemen.

Nu mag u verder lezen in de krant van vandaag, beste lezer.

12 februari 2015

In het Hiernamaals geen communautair gekibbel


Nu de laatste getuige van de verschijning van de Maagd Maria in Beauraing op haar eenennegentigste is overleden, en wij al bijna dertig jaar, namelijk sinds Verviers 1986 op een nieuwe verschijning wachten, lijkt het wel een geschikt moment om te wijzen op het taalevenwicht dat door de Heilige Maagd altijd min of meer is gerespecteerd. Er waren ongeveer evenveel verschijningen als apparitions. Ook had Zij haar allereerste optreden heel passend voor de hoofdstad gereserveerd.

Natuurlijk, in Beauraing verscheen Zij drieëndertig keer, wat de balans sterk doet doorslaan naar de francofone kant, maar ik ben bereid dit als één manifestatie te beschouwen. Wel valt op dat 1933 een uitzonderlijk vruchtbaar jaar is geweest, met als gemiddelde één verschijning of apparition per maand.

Kerkelijk erkend in België zijn: 1911, Brussel – 1932, Beauraing – 1933, Banneux, Berchem (A’pen), Etikhove, Herzele, Houlteau-Chaineux, Malen, Olsene, Onkerzele, Tubeke, Verviers, Wielsbeke, Wilrijk – 1936, Ham-sur-Sambre – 1952, Gerpinnes – 1966, Luik – 1967, Bohan – 1970, Limal – 1973, Mortsel – 1986, Verviers.

Iemand zou uit deze opsomming een puntenwolk moeten puren, in de hoop dat wij op basis daarvan een enigszins betrouwbare voorspelling krijgen van de volgende plaats en datum van afspraak.

7 februari 2015

Uitkijken met dat twitteren, Björn!


Ik las net die tweet van Björn Soenens over het VTM-nieuws, tweet die hijzelf snel weer verwijderd heeft, maar helaas en onvermijdelijk te laat.
Blijkbaar weet Björn, die om gotweetwelke redenen hoofd van de vrt-nieuwsdienst is geworden, niet zo goed hoe Twitter werkt. Het gaat daar om privéconversaties, moet hij gezegd hebben.
En al kun je hier van een betreurenswaardige onwetendheid spreken, toch siert die onbevangenheid hem. Vraag je het mij, dan treft Björn weinig schuld: Ik heb de naam VTM nergens expliciet vermeld, las ik in De Morgen. 
En ja, akkoord ...voor de geletterde mens zal een overbodig, of toch ondoordacht woord als “expliciet” volstaan om Björn onder te brengen bij het soort mensen dat kan spreken noch lezen, laat staan schrijven. Maar het zijn verzuurde types die over stijlkwesties beginnen en als iemand als antwoord schrijft “de juiste zender” is dat voor sommigen misschien duidelijk genoeg, maar met “expliciet” stond Björn voor ogen dat hij het woord "VTM" niet met zoveel letters geschreven had. Ik meen dat we hem hierin mogen volgen.

Maar, zult u vragen, hoe gaat het dan bij bevorderingen en assessments echt in zijn werk? Kijk, in zijn algemeenheid valt op die vraag niet te antwoorden. Er zullen voorafgaande voorwaarden en veronderstellingen zijn, maar meer weet niemand ervan.
Wel is in dit verband The Peter Principle een begrip dat je vaak hoort noemen: iemand kan een bepaald, eenvoudig ding goed, liefst zelfs heel goed en dan gaat men er redelijkerwijs van uit dat hij een iets ingewikkelder taak ook wel zal aankunnen. Daar valt weinig tegenin te brengen, al komt het helaas meer voor dat zo’n man dan overweldigd wordt door de nieuwe taak die men hem op de schouders heeft gelegd. Ze gaat hem te boven, hij is er niet tegen opgewassen, ze overstijgt hem om zo te zeggen. 
Let wel: zoiets gebeurt dan terwijl die assessoren dat Peter Principle goed kennen, want bijna altijd verstaan zij wat Amerikaans.

Nu mag u over bovengenoemde kwestie denken wat u wil, lezer, maar ik ben geneigd om de schuld voor die ongelukkige tweet, en voor het verwijderen ervan niet bij Björn zelf, maar precies bij die assessoren te leggen.
Ik wed dat zij niet eens weten dat Clausewitz al in 1832 net hetzelfde had gezegd als hun Peter.
„Wir müssen immer wieder darauf zurückkommen, daß nichts gewöhnlicher ist als Beispiele von Männern, die ihre Tätigkeit verlieren, sobald sie zu höheren Stellen gelangen, denen ihre Einsichten nicht mehr gewachsen sind […].“

Vom Kriege
Hinterlassenes Werk des Generals Carl von Clausewitz

----------------
P.S. een aandachtige lezer merkt me op dat Björn het onderscheid niet kent tussen jij en u, verder dat content een ontoelaatbaar woord is voor een baas van het Nieuws, en nog verder dat iemand die Björn heet, te jong moet zijn om een belangrijke redactie te leiden (dat laatste had hij berekend met Wimbledonstatistieken).

5 februari 2015

«Être Charlie» zal niet volstaan


Zes stellingen over de wereldvreemdheid van onze bestuurders:
«être Charlie» zal niet volstaan

1) Vandaag trouw zijn aan Charlie, betekent breken met de eensgezindheid en de oppervlakkige weldenkendheid, breken met de identificatie van «Je suis Charlie». Die slogan rammelt in elk van zijn termen. Het draait niet om 'ik', maar om 'wij', hetgeen het verschil uitmaakt tussen de individuele identificatie van een 'toeschouwer' en een politieke reactie, die per definitie collectief is. Het gaat ook niet om 'zijn', waarbij men zich via een denkbeeldige identificatie in de plaats van het slachtoffer stelt. Het gaat om 'handelen' en wel ageren tegen hen die zichzelf onze vijanden noemen. En vervolgens gaat het niet enkel om Charlie, maar ook over politiemensen en joden, om vrije mensen dus die als burgers van de Franse staat als dusdanig erkend zijn. Het zijn de Fransen en Frankrijk die werden aangevallen. Het antwoord moet op dat vlak liggen. «Nous sommes français», en omdat wij Fransen zijn verdedigen wij Charlie, en alle anderen die in hun recht om in Frankrijk te leven zijn aangevallen.

2) Wij zijn Fransen, en wij hebben vijanden die bij naam genoemd moeten worden. Het gaat niet om een strijd tegen het terrorisme, een abstractie die toelaat om de vis te verdrinken. Terrorisme is een middel dat gebruikt wordt door onze vijand. Die term volstaat niet om onze vijand te kenmerken. Onze vijand is het islamisme, en zelfs dat is te algemeen, vanwege de concurrentie en rivaliteit tussen verschillende groepen islamisten, met de steun van verschillende staten. Deze vijanden slaan niet vandaag toe omdat ze tot voor kort daartoe nog niet in staat waren, maar omdat ze ertoe besloten hebben. Het komt erop aan, uit te leggen waarom ze tot dat besluit zijn gekomen. Zij namen dat besluit omdat ook wij met hén in oorlog zijn, en aan de Fransen had men duidelijk moeten maken welke risico's we namen en waarom. Dit is niet gebeurd. Terrorisme is geen meteorologisch verschijnsel dat men even met een 'code oranje' kan bezweren. Men moet ermee ophouden de Fransen voor imbecielen te verslijten.

3) En ook als de vijand benoemd is, het islamisme, zal ter indijking het niet volstaan om de terroristische variant ervan te bestrijden. Terrorisme is immers maar een van de middelen die het islamisme aanwendt om zijn project tot een goed einde te brengen, en ook dat project dient men te benoemen, en het is goed en wel de islamisering van onze samenleving. Het moest eens gedaan zijn met iedereen 'islamofoob' te noemen (een term die op de ideeënmarkt gelanceerd werd door Khomeiny, om alle kritiek op de islam en het islamisme de kop in te drukken, en die domweg overgenomen werd in de geaccepteerde taal van media en politiek), iedereen die werkt om dit heerszuchtige project, want dat is het, ter kennis te brengen en aan te klagen. Terreur is enkel het complementaire luik van het islamiseringsproject 'van onderuit', dat de mislukking van de assimilatie in de republiek aanwendt, en zich in de plaats ervan aandient. Wat voor krediet kunnen we voortaan nog geven aan politici die beweren het terrorisme te bestrijden, zonder dat zij de voedingsbodem van de islamisering aanpakken?

4) Het zal niet volstaan om te zwaaien met het taboe van het 'amalgaam', om het heel reële risico op een burgeroorlog in ons land te neutraliseren, risico dat deels al werkelijkheid is. Het eerste dat onze politieke elite had moeten doen, in tegenstelling tot datgene waartoe zij zich allemaal verplicht achtten, was niet het zwaaien met het gevaar van het 'amalgaam', maar wel het Franse volk feliciteren met zijn geduld en mildheid, juist omdat het nooit, tot nog toe, heeft toegegeven aan het amalgaamdenken. Want eerst komt het de Franse moslims toe te bewijzen dat het amalgaam tussen islam en islamisme niet pertinent is. Al meteen in de eerste reacties na de feiten aan de niet-mohammedaanse Fransen vragen om geen 'amalgaam' te maken, wat zowel F. Hollande als N. Sarkozy en M. Le Pen deden, was de verantwoordelijkheid omgooien en de bewijslast omkeren. Waarom zouden de Fransen beslagen moeten zijn in de islam, en instaan voor het moeilijke onderscheid tussen islam en islamisme? Aan de muzelmannen zelf, per definitie beslagen in de islam, komt het toe zich niet met islamisme te amalgameren, en met woord en daad aan hun medeburgers te laten zien dat er geen reden is voor angst, en dat het amalgaam inderdaad ongegrond is. Dit haastige en unanieme discours, dat waarschuwde voor het risico op amalgaamdenken is dubbel problematisch. Het is een teken van een bepaalde lafheid ten opzichte van de Franse moslims, die men niet met de rug tegen de muur zet door hen te verplichten in te gaan op het problematische verband tussen islam en islamisme. Het is alsof men hen, door meteen al te af te kondigen dat er geen verband bestaat, de moeite van een hervorming wilde besparen. Het is ook een teken van minachting voor het Franse volk, waarvan men de intelligentie ontkent, en dat men op voorhand ervan verdenkt een amalgaam te zullen maken nog voor dit heeft plaatsgehad.

5) Misschien is Charlie wel het symbool geworden van de Franse vrijheid. Voor mijzelf ben ik er niet van overtuigd dat het altijd een voorbeeld van die vrijheid is geweest. Vrijheid is geen losbandigheid en onverantwoordelijkheid in de schoot van een moederlijke en beschermende Staat, ook al is die Gaullistisch. Deze historie heeft iets tragisch en hegeliaans. Als Charlie het symbool is geworden van een waarachtige en bewonderenswaardige vrijheid, als het bewondering heeft afgedwongen en nieuwe lezers heeft gewonnen, is dit wel sinds de affaire met de karikaturen in 2006. Omdat het toen de islamistische meester is tegemoet getreden, en de handschoen heeft opgenomen, is Charlie vrij geworden. Tragisch is de ironie van de Geschiedenis hier, want Charlie heeft toen, om zichzelf te kunnen blijven, opnieuw aanknoping moeten zoeken met waarden die ver afstonden van zijn soixante-huitard anarchisme. Het heeft zijn vrijheid moeten bewijzen in doodsgevaar, en de vrijheid moeten erkennen van dezen die hen lange tijd hebben beschermd, niet lang genoeg helaas: de politiemannen. Hen die ze vroeger bespotten met hun stupide slogan CRS-SS [Compagnie républicaine de sécurité - mv] ... Al diegenen die menen dat «être Charlie» kan doorgaan voor een publicitaire slogan, genre «touche pas à mon pote» [handen af van mijn makker - mv] of «gewaarborgd biologische teelt», zijn onbekwaam om de mate te zien waarin de voorwaarden tot uitoefening van de vrijheid zijn gewijzigd. Zij hebben de les niet begrepen die men uit dit tragische gebeuren dient te halen, en die een pagina omslaat in onze geschiedenis, de pagina van het linkserige gebrek aan verantwoordelijkheidszin.

6) Hoe kan men een oproep tot nationale eenheid ernstig nemen, afkomstig van diegenen, links zowel als rechts, die al veertig jaar niets anders hebben gedaan dan deze onderuithalen? Nationale eenheid zal geen product zijn van morele verontwaardiging, en van een massa die samenkomt om daar lucht aan te geven. Het volk is niet de menigte of de massa, maar een bepaalde omgangsvorm waarin men zich dag na dag één voelt in de banale woorden en daden van het gewone leven, een 'common decency' zoals Michéa dat zou noemen, in navolging van Orwell, en die onze elites verwoed hebben willen vernietigen tussen de klemschroef van ongecontroleerde immigratie en ongebreideld, individualistisch consumentisme. Het volk is niet de menigte of de massa, maar de uitoefening van een collectieve soevereiniteit door middel van een Staat die naam waardig, dit wil zeggen, in staat om zijn onafhankelijkheid te bewaren, en daarvan is de veerkracht ook al gebroken door de beate EU-adepten die nu plots, en al even beaat ontdekken dat ze 'Charlie zijn', terwijl ze al de tijd niets hebben gedaan om dat te bewijzen, door bijvoorbeeld gewoon de Franse vrijheid te verdedigen, die de vrijheid van Charlie om Charlie te zijn omvat.





http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html