21 april 2014

Le Monde Diplomatique maalt BHL heel fijn


Dezer dagen willen enkele heetgebakerde Russische parlementsleden Michail Gorbatsjov laten vervolgen omdat hij de Sovjet-Unie heeft laten uiteenvallen. Dit mag ons verwonderen want voor doorgewinterde historisch-materialisten als zij is het moeilijk vol te houden dat één man de loop van de geschiedenis zou hebben bepaald. Materiële ontwikkelingen in hun dialectische verbanden bepalen deze loop namelijk.
Laten we gevoeglijk aannemen dat de rechtszaak zal doodlopen, zelfs in het geval dat Gorbatsjov zich een volslagen idiote advocaat zou uitkiezen.

Ernstiger is wat Gorbatsjov zelf de zeventiende maart aan het persbureau Interfax liet weten, na het referendum in de Krim:
De Krim mag destijds onder de Sovjetwetgeving aan Oekraïne zijn toegevoegd [...], zonder dat de bevolking om haar mening werd gevraagd, vandaag heeft dit volk besloten om deze dwaling recht te zetten. Men moet dit feit erkennen, in plaats van sancties aan te kondigen.

Ik meen niet dat de volkstribuun van het Maidanplein, onze flapuit Verhofstadt dit standpunt graag gelezen zal hebben, waarbij ik voor het gemak even ervan uitga dat hij het gelezen heeft.
Maar in Frankrijk hebben ze een flapuit die nog veel beroemder is, namelijk de zondagsfilosoof Bernard-Henri Lévy. Die man is zoals iedereen weet een pathologische leugenaar, een fantast die graag verslag uitbrengt van gebeurtenissen die hij niet gezien heeft en erger nog, filosofen citeert die nooit hebben bestaan, zoals Jean-Baptiste Botul (1896-1947).
Je vraagt je af hoe mensen een dergelijke kwast nog ernstig kunnen nemen. Nochtans is dit wel het geval. Onder meer bij Libération plaatst men zonder morren geregeld zijn stukken. Nu hebben zij daar ook een goede reden voor: vader Lévy dreef een handeltje in tropische houtsoorten en zodoende erfde zoon Bernard-Henri een paar honderd miljoen, zodat hij met wat zakcentjes zich kon inkopen bij die noodlijdende krant.
Minder begrijpelijk is het echter dat bijvoorbeeld ook Guy Verhofstadt en Yves Desmet hem blijven achternalopen, denk aan Syrië, Libië en daarvoor nog aan Kosovo.

Bij Le Monde Diplomatique weten ze alleszins beter, en in hun jongste nummer werd BHL lelijk gemaltraiteerd door de auteur Olivier Zajec, onderzoeker aan het Institut de stratégie comparée (ISC) in Parijs. Zajec brengt onder de titel 'L'obsession antirusse' een stuk waarin hij uitlegt wat de beweegredenen van Poetin zouden kunnen zijn en waarom die zich terecht of onterecht gebruuskeerd voelt.

Ik geef eerst een paar alinea's van de Franse tekst, en dan vertaal ik die, in het besef dat Zajec het stiletto zwieriger hanteert, vooral met zijn kleine zinnetje over de arme BHL. La petite phrase qui tue, waar de Fransen zo goed in zijn. Eerst geeft Zajec aan dat, als het wat moeilijker zaken betreft, vele Westerse politici en journalisten enkel nog in theologische, manicheïstische schema's kunnen denken:

Ces dernières semaines, le traitement médiatique des événements en Ukraine en a apporté la confirmation : pour une partie de la diplomatie occidentale, les crises ne trahissent plus une asymétrie entre les intérêts et les perceptions d'acteurs doués de raison, mais constituent autant d'affrontements ultimes entre le Bien et le Mal où se joue le sens de l'histoire.
La Russie se prête à merveille à cette scénarisation, qui a le mérite de la simplicité.'
[De manier waarop de media de gebeurtenissen in Oekraïne de jongste weken hebben behandeld, bevestigt dit: voor een deel van de Westerse diplomatie zijn crisissen niet langer uitingen van uiteenlopende belangen en zienswijzen van partijen die met rede begiftigd zijn, maar telkens weer finale botsingen van Goed en Kwaad waarbij de loop van de geschiedenis op het spel staat.
Rusland past wonderwel in dit scenario, dat de verdienste heeft van de eenvoud.]

En dan bespreekt hij de stommiteit van de nieuwe Oekraïense regering, die meteen het Russisch wilde verbieden:
M. Poutine ne pouvait rêver mieux que cette ineptie pour enclencher sa manœuvre criméenne. L'insurrection qui a mené à la chute de M. Ianoukovitch (élu en 2010), puis la sortie de la Crimée russophone du giron de Kiev n'est donc que la dernière manifestation en date de la tragédie culturelle consubstantielle à cette Belgique orientale qu'est l'Ukraine. Á Donetsk comme à Simferopol, les Ukrainiens russophones sont en général moins sensibles qu'on ne le dit à la propagande du grand frère russe : la décrypter avec une ironie fataliste est devenu une seconde nature. Leur aspiration à un véritable État de droit et à la fin de la corruption est la même que celle de leurs concitoyens de Galicie. M. Poutine sait tout cela. Mais il sait aussi que ses populations, qui tiennent à leur langue, n'échangeront pas Alexandre Pouchkine et les souvenirs de la «grande guerre patriotique» –nom soviétique de la seconde guerre mondiale– contre un abonnement à La Règle du jeu, la revue de Bernard-Henri Lévy. En 2011, 38% des Ukrainiens parlaient russe à la maison. Or la décision aventureuse et revancharde du 23 février a soudainement rendu le discours de Moscou véridique : pour l'Est ukrainien, le problème n'est pas que le nouveau gouvernement du pays soit parvenu au pouvoir en renversant le président élu, mais bien que sa première décision ait été de faire courber la tête à la moitié de ses concitoyens.
[Om zijn manoeuvre in de Krim op gang te brengen, kon dhr. Poetin zich niets beters dromen dan deze stommiteit. De opstand die heeft geleid tot de val van dhr. Janoekovitsj (verkozen in 2010), met daarop de uittreding van de Krim uit de schoot van Kiev, is dus niets meer dan de jongste uiting van de culturele tragedie, die eigen is aan dit België van het Oosten dat Oekraïne heet. In Donetsk, zowel als in Simferopol zijn de Russischsprekende Oekraïners meestal minder gevoelig dan men wel zegt voor de propaganda van de grote Russische broer: deze met een berustende ironie ontcijferen is een tweede natuur geworden. Hun verlangen naar een waarachtige Rechtsstaat, en naar het verdwijnen van de corruptie, verschilt niet van dit van hun Galicische medeburgers. Dhr. Poetin weet dit allemaal. Maar hij weet ook dat die volken, die aan hun taal gehecht zijn, Alexander Poesjkin en de herinneringen aan de «grote vaderlandse oorlog» –de sovjetbenaming voor de Tweede Wereldoorlog– niet zullen inruilen voor een abonnement op La Règle du Jeu, het blad van Bernard-Henri Lévy. In 2011 spraken 38% van de Oekraïners thuis Russisch. Maar nu heeft de riskante en revanchistische beslissing van 23 februari het Russische discours plots geloofwaardig gemaakt: voor Oost-Oekraïne is het probleem niet zozeer dat de nieuwe regering aan de macht is gekomen door de gekozen president af te zetten, maar wel dat het haar eerste beslissing was om de helft van hun medeburgers het hoofd te doen buigen.]

En laat me besluiten: nu het Journaal van Mark Grammens niet meer bestaat, waarin hij zo vaak de lof zong van Le Monde Diplomatique, wil ik graag vermelden dat behalve het bovengenoemde artikel er nog veel meer lezenswaardigs te vinden is in hun aprilnummer. Twee titels maar: Bonapartisme ou Constituante, met als verduidelijking 'Un cadre politique légal mais illégitime', een scherpe bespreking van het Verdrag van Lissabon en het EU-parlement, dat er geen is (van André Bellon, oud-voorzitter van de Franse Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken).
En verderop (van Frédéric Lordon, auteur en econoom) nog een artikel over de EU: Un peuple européen est-il possible? met ter verduidelijking 'La machine Bruxelloise s'emballe' (slaat op hol).
Hopelijk vindt onze bevlogen ex-premier tijdens zijn kiescampagne nog een rustig moment om ook deze beide auteurs van antwoord te dienen.

Stukje eerst verschenen in Doorbraak

19 april 2014

Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Jean-Luc of Nigel? (Matthéus 27,21)


In The Times van 9 april liet Nigel Lawson een ander geluid horen dan Jean-Luc Dehaene in De Tijd van vandaag. Hij maakte om te beginnen niet de ergerlijke, leugenachtige en intellectueel onwaardige fout die Dehaene en velen met hem wél maken, namelijk om systematisch "Europa" te zeggen als enkel de "EU-constructie" bedoeld wordt.
Vooral deze zin kan Dehaene in zijn zak steken: 

Perhaps the most important reason why it is necessary to discuss the best trading and other arrangements for Britain in the event of our leaving the EU is that it is clear that the principal tactic of those who do not wish us to leave will be to exploit an understandable fear of the unknown: as Belloc put it: “Always keep a-hold of nurse, for fear of finding something worse.




(klik om te vergroten)

En vergelijk dan met de bakerpraatjes van Dehaene:



30 maart 2014

De gemeenplaats als nieuwe vondst gepresenteerd


Het laatste dat een lezer van zijn gazet verlangt, is getrakteerd worden op moraliserend gezever. Zelfs als dat gezever niet langer gezever mag heten maar de naam duiding krijgt: het blijft hem vervelen.

Die duiding compleet vermijden is moeilijk, zoals je ook reclame niet uit de weg kunt gaan, al vraagt ook daar niemand om – op de Moorselse schepen Filip Watteeuw na misschien, die als nieuwbakken Gentse stedeling meer reclame wil zien eup de buskotjes van mijn oude stad.

Maar over duiding: bij De Morgen en De Standaard is er voor de onschuldige lezer geen ontsnappen aan. Laatstgenoemde krant heeft onder zijn eigen personeel zelfs al een tijdje een soort ombudsman gerekruteerd die de journalistieke praatjes van de voorbije week herkauwt, in naam van zijn collega’s verontschuldigingen aanbiedt voor wat zij hebben afgescheiden, bepaalde dingen desgevallend ook hérduidt, vervolgens goede voornemens formuleert, &cet. Alles kan inderdaad altijd nog erger.
En toch: al is het soms geen pretje om hem te lezen, naar zulk een man moeten ze bij de racistische krant De Morgen dringend op zoek gaan. Als ik me zo mag uitdrukken: een allochtone ombudsman lijkt me wel iets.

Het zou niettemin verkeerd zijn om duidingsgezwam en morele praatjes uitsluitend bij journalisten te zoeken. Soms, wellicht als hun eigen adem wat is opgebruikt, besteden zij die werkjes namelijk uit en vorderen ze onderaannemers op, columnisten, artiesten of briefschrijvers bijvoorbeeld.

In De Tijd –vaak een veilige vluchtheuvel nochtans– las ik deze week zekere Kristien Vermoesen (managing partner van het communicatiebureau Finn, voor wie zich graag iets wil voorstellen). Zij vond dat Peeters Merkel niet achterna mocht lopen, en deed enkele aanbevelingen aan politici in het algemeen: 
“Los van politieke voorkeur pleit ik voor meer durf in de campagnes. Experimenteer in uw communicatiekanalen. Wees niet bang om ‘over the edge’ te denken. Inspireer en overtuig ons dat u het verschil kunt maken de komende vijf jaar.”

Nu maak ik me sterk, lezer: even hol, geesteloos en zinledig kun je het zelf niet bedenken. Daar moet je voor geleerd hebben.

Ook moest ik bij haar originele gedachten terugdenken aan de lachwekkende nieuwjaarsbrief destijds in De Morgen, waarin Björn Soenens net hetzelfde zei, en smeekte om: 
[…] blije politici met groot talent en wilde plannen. […] Straal kracht en optimisme uit. Sluit een New Deal af met uw bevolking. Creëer een emotionele band met uw kiezers. Wees niet bang om te blunderen of de bal eens mis te slaan. U bent mens onder de mensen. [Björn was al een tijdje aan de gang en gaat fluks door, maar uit eerbied voor de lezer geef ik hier nog een knipje] Lanceer al eens een gewaagd idee, want op de rand van de afgrond groeien de mooiste bloemen. Toon dus uw visie, leg ze uit, dag na dag, jaar in jaar uit. U zult zien, het respect voor de politicus zal terugkeren.”

Om ook  Björn even voor te stellen: hij is een blijde fan van Alain de Botton, de Zwitsers-Britse filosoof die wat diepgang betreft enkel Jeroen Meus voor zich moet dulden.
En Kristien wil meer originaliteit  en heeft goed onthouden, maar helaas enkel gerepeteerd wat kapelaan Björn met grote vooruitziendheid in 2008 al had geschreven.


Stukje eerder verschenen in Doorbraak

17 maart 2014

Een zondagse homilie op maandag


Ik vraag me soms af wat goede journalistiek is. Slechte is namelijk makkelijker te definiëren dan goede.

Om een eenvoudig voorbeeld te geven: op de radio vertellen dat onder alle varianten, de Saoedische variant van de islam misschien wel de meest achterlijke is: dat valt onder slechte journalistiek. Wat voor zin heeft het inderdaad om iets te verkondigen dat iedereen uit zichzelf al weet?
Bovendien is Astrid Coburg nu in dat land, en zij mag heur geblondeerde haartjes daar onbedekt vertonen zonder dat haar lelijke dingen worden nageroepen. Dat wijst alvast op een kentering, “een nieuwe wind” hoorde ik zelfs in het goede Nieuws. Reken maar, het wordt ginds een heel rustige Arabische lente.
Om licht te variëren op wat de Franse minister van Buitenlandse Zaken Horace Sébastiani in 1831 zo mooi zei over Warschau: «L’ordre règne à Riyad». En Sébastiani was natuurlijk een politicus, maar zijn zin zou een voorbeeld moeten zijn voor alle goede journalistieke mededelingen.

Nee, dan lees ik liever wat Bart Sturtewagen vandaag in De Standaard allemaal vertelde.
Die had het over het “zogenaamde referendum op de Krim”, en over de voorspelbare uitslag ervan. Dat is goede journalistiek. Weliswaar was de uitslag van dat zogenaamde referendum overdonderend, en de opkomst massaal, wat Sturtewagen bij mijn weten helemaal nergens had voorspeld, maar dat doet niets af van mijn waardering.

En Bart had nog meer dingen in zijn pen, waar je als eenvoudige mens niet zo snel opkomt:

Het is onthutsend hoe snel een wig kan worden gedreven tussen volkeren, regio’s, families, buren, mensen. Terwijl het overwinnen van tegenstellingen en het overstijgen van oude grieven een werk van geduld, beheersing en oeverloos begrip is, kan het wekken van vetes door een handvol hooligans moeiteloos worden verricht. We hebben het minder dan een kwarteeuw geleden gezien in ex-Joegoslavië en het speelt zich opnieuw voor onze ogen af.

Oeverloze Bart blijft in zijn journalistieke homilie misschien min of meer op de vlakte, en je weet ook niet goed wie hij bedoelt met die hooligans, en de parallel met Joegoslavië moet hij misschien nog wat verder uitwerken, zodat hij zichzelf en wij hém beter begrijpen, maar ik wil de eerste hoofdredacteur nog ontmoeten die bezwaar zal maken tegen zijn mooie dégradé, eindigend met “families, buren, mensen”.

23 februari 2014

Over nachtelijke kreten en panda's


Voor ons allen, maar toch in de eerste plaats voor Elio di Rupo was het vandaag een grote dag. Achter een escorte rijden met mooi uitgedoste gendarmen op zware motoren is op zich al opwindend, maar dan nog twee beesten mogen begeleiden die tot ieders verbeelding spreken en uit Tsjina komen: wie had niet in zijn plaats willen zijn? Enkel misantropen zullen Elio dit onschuldige pleziertje misgund hebben. 

Helaas, zulke mensen bestaan er ook. En nu wil het toeval dat Lieven Verstraete, van Terzake, mij gisteren op Twitter precies dat verwijt van misantropie maakte. Lieven moet wat geraakt zijn geweest door een voetnoot die ik, ook op Twitter, had gemaakt bij een fragment uit zijn uitzending, want hij noemde mij in één adem ook “pensioenprofiteur”.

Op mijn inhoudelijke opmerking ging Lieven niet in, maar laat mij meteen zeggen: zijn tweets waren heel laat in de nacht verstuurd en, in het verkeer misschien niet maar hier mag dit toch als een verzachtende omstandigheid gelden. Dat van die “profiteur” bijvoorbeeld had hij naar goede journalistieke gewoonte niet gecheckt, of niet meer kunnen checken, en de ochtend daarop moest ik hem dus meedelen dat ik pas zes dagen na mijn 65ste verjaardag met pensioen was gegaan: jarig op 25 juli en bijgevolg met pensioen op 1 augustus, geheel volgens de statuten.
Wat Lieven verder mag denken over VRT-mensen die wél voor hun 65ste met pensioen zijn gegaan, dat moeten zij hem zelf maar vragen. Of niet, want misschien gooit hij dit uit eigen beweging ook wel op Twitter? 

Maar nu over panda’s.
Lieven maakte mij nog een ander merkwaardig verwijt, namelijk dat ik boéken las. Op het werk! Dat had hij inderdaad gezien en ik wil het niet ontkennen, maar op welke momenten ik vrij had, dat kon hij vanzelfsprekend niet weten of zien. Wat zijn ergernis zal gewekt hebben, vermoed ik, is dat ik altijd al wandelend las, stappend door die lange gangen, wat natuurlijk meer opvalt dan stil in een hoekje zitten lezen. Niet erg, niemand weet alles, en tenminste is zijn waarneming hier onbetwistbaar.

Soms las ik achter elkaar zelfs een reeksje boeken, Lieven! Hierboven zie je een voorbeeld, met allemaal boeken van wijlen de bioloog Stephen Jay Gould. Eén hiervan besprak ik in een programma van Rondas, op Radio3 toen, en ik werd daar zelfs voor betaald... vanzelfsprekend niet de volle 5/5 van het honorarium, maar 3/5 omdat het een toegestane cumul betrof. Het boek kostte me toen iets van 1200 frank, en ik kreeg voor twintig minuten radio 3600 frank.
Daar sta je van te kijken, nee? En mocht je, voor je weer Twitterkreten lost, onverhoopt iets willen checken: dat kan, Lieven!

Bon, nu dan over panda’s.
Een van die boeken heette “The Panda’s Thumb”, van 1989 meen ik, tenminste ik las het dat jaar. Je zult zeggen: een oud boek. Akkoord, maar toch staan er dingen in die plots weer, zij het op een infantiele manier actueel zijn.
Het was trouwens een ander boek van Gould dat ik voor Rondas besprak, “Wonderful Life” namelijk, nog ouder, en het bevatte een jammerklacht die ik je niet wil onthouden.
Gould was een evolutiebioloog, maar primair een slakkendeskundige, en zijn klacht was dat het sentimentele grote publiek, waaronder journalisten en ook onze Elio, zich enkel interesseerde voor “charismatic megafauna”.
En nu moet je weer wat opzoekingswerk, fact checking verrichten, Lieven: hij gaf als voorbeeld... panda's.


11 februari 2014

Afgeleide literaire roem


Algemeen gesproken zal wie zelf geen boeken schrijft weinig kans maken om zich in het geheugen van het nageslacht te nestelen. Dit is onrechtvaardig, maar zo is het. Desnoods kun je misschien een beroemde misdadiger worden, of een beroemde voetballer, of een beroemde filmspeler maar ook dan is het geheugen kort.
Literaire roem blijft de beste verzekering. Hoe moet je die verwerven als je zelf niet schrijft?

Hier kunnen we te rade gaan bij Salomon Heine, destijds bankier in Hamburg en na Rothschild de rijkste man van Duitsland. Zijn neefje Heinrich was in 1830 naar Parijs uitgeweken en leefde daar van zijn pen. Hoogstens twee of drie keer per week ging hij naar de opera, en vooraf of nadien werd er iets gegeten in een goed restaurant. Alles bijeen een armoedig bestaan dus.
Zijn oom had hier begrip voor en bezorgde hem een flinke toelage, op te nemen in het Parijse filiaal van Rothschild. Die toelage was een beetje aan de krappe kant vond Heinrich, maar hij schreef voor zijn oom toch het onsterfelijke gedicht : “Das neue israelitische Hospital zu Hamburg” (te vinden in “Neue Gedichte”). 
Salomon had met zijn onmetelijke geldmiddelen namelijk (de eerste regel van het gedicht) “Ein Hospital für arme, kranke Juden” laten bouwen. En Salomon kon tegen een stootje want wat Heinrich hem nadien schreef, dat nam hij met de glimlach: dat oompje nog zo rijk mocht zijn, zijn enige kans op onsterfelijkheid waren de gedichten waarin hij, arme Heinrich, Salomon roemde. Heinrich zou gelijk krijgen en Salomon wist dat.

Wat wil nu het geval? Al pleeg ikzelf geen opmerkelijke misdaden en voetbal ik niet, terwijl ik ook geen boeken schrijf, toch is in literaire zin mijn voortbestaan verzekerd. Tweevoudig verzekerd zelfs, want in het jongste boek van Benno Barnard, kom ik tot mijn genoegen enkele malen voor. Niet dat ik Barnard hiervoor nodig had, want tien jaar geleden al schreef Pol Hoste het volgende, zo goed als geheel op waarheid berustende verhaal: 

In Brussel nam ik eens de trein naar Gent. Niets bijzonders. Al verteld. Twee reizigers maakten kennis met elkaar op het perron van het centraal station. De trein bracht hen niet naar de aangekondigde bestemming. Waar ze uitstapten was het station gesloten. Tien uur, en winteravond.
‘We kunnen het gedicht niet meer zien,’ zei ik. Alle lichten zijn gedoofd, ijsbloemen op de ruiten. We besloten ons wat op te warmen in café De Lustige Reizigers. Het bleek het lokaal van een duivenmaatschappij. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Maatschappij der Belgische Spoorwegen. 
Met de laatste trein keerden we terug naar de plaats van vertrek en maakten van onze ontmoeting gebruik om orde op zaken te stellen. Ik vermeld de torso’s in de gangen van het Belgische parlement en de Nederlandse Academie voor Taal- en Letterkunde. Ik vermeld het geoxideerde, in brons uitgevoerde gedicht van Guido Gezelle in de wachtzaal van het spoorwegstation Denderleeuw en de groen, bruin gerookte, kale hoofden boven de schaakborden in hotel Den IJzer te Gent. Leopoldisten.
‘Weet u dat men heeft geweigerd om te veronderstellen dat hij Heine zou hebben gelezen?’
‘Bedoelt u dat er een verband zou kunnen zijn tussen zijn Kerkhofblommen en Les Fleurs du Mal?’
‘Ik heb het over Heine. Men is niet eens bereid om zelfs maar in overweging te nemen dat de mogelijkheid zou bestaan dat Gezelle Heine heeft gelezen. Al heb ik daar bewijzen voor gevonden.’
Gezelle? Ik denk niet dat mijn moeder ooit heeft geprobeerd om haar rationele overwegingen te scheiden van haar waandenkbeelden. […]

Montréal
Carnet II
Prometheus, Amsterdam 2003,  pp.154-5

Misschien vindt u dit een duister gesprek en ziet u het verband niet, lezer, maar het heeft inderdaad plaatsgevonden in de trein toen. Pol Hoste en ik waren inderdaad op weg naar Gent, vanuit Brussel Centraal, maar door een verkeerde aankondiging op het perron waren wij “verdwaalde reizigers” geworden en zaten we in een trein op weg naar, ik meen Charleroi.
Ons gesprek navertellen is uitgesloten. Wat ik kan zeggen: het was een lang gesprek want wij zijn uiteindelijk via Moeskroen nog net voor sluitingstijd in Gent Sint-Pieters geraakt. Gezelle en Heine waren een tijdje onze metgezellen. En ook het Schrijverke en de Libelle.


9 februari 2014

Uitstapje naar een werkende democratie


Merkwaardig toch hoe Zwitserse politici en zelfs ministers (daar heet de regering Bundesrat, Conseil fédéral, Consiglio federale of Cussegl federal), zich beleefd weten te gedragen als het volk, de Soeverein heeft gesproken.
Onbeheerst en angstig taalgebruik zoals we dat hier kennen, vaak met meelijwekkende termen als “puberaal”, “gevaarlijk” of “karaktertrek van de meest onaantrekkelijke krachten uit de geschiedenis” — die hoor je in Zwitserland niet. Zulke termen gelden daar niet als interessante instrumenten bij politieke analyses.

Hieronder twee uittreksels van de persconferentie die deze namiddag plaatshad, onmiddellijk na de bekendmaking van de uitslag van het referendum, en live te volgen was op de site van de Neue Zürcher Zeitung.

Ik heb het Duitse en Franse gedeelte aan elkaar geplakt, want daar zaten nog vele andere vragen tussen:

Madame la Conseillère fédérale, vous avez la parole.

Simonetta Sommaruga (SP, minister van Justitie): Besten Dank Herr Vizekanzler, Herr Bundespräsident, Frau Kollegin, Herr Kollege, sehr geehrte Damen und Herren, es war bei dieser Vorlage doch ein sehr spezieller Tag heute. Viele von uns haben gefiebert und gezittert. Es ist bekannt, der Bundesrat hatte sich für einen anderen Ausgang eingesetzt aber jetzt sind die Weichen gestellt. Das ist die direkte Demokratie: im Moment da ein Entscheid gefällt wurde, gilt dieser Entscheid, und jetzt geht es darum diesen Entscheid umzusetzen. Die Schweiz wird also in Zukunft die Bewilligungen für den Aufenthalt von Ausländerinnen und Ausländern durch Höchstzahlen und Kontingente begrenzen. Das ist eine Abkehr vom bisherigen System von Personenfreizügigkeit.
-----------
Nathalie Jaquet (Radio-Télévision Suisse, Genève): On a parlé il y a plus de vingt ans d’un «dimanche noir». Est-ce que aujourd’hui est un dimanche noir, selon vous?

Didier Burkhalter (FDP/PLR en dit jaar Zwitsers President): Non. Je ne pense pas que c’est un dimanche noir parce qu'on ne doit en soi pas laisser parler uniquement ses sentiments, même si je comprends très bien la réaction de l’époque de Jean-Pascal Delamurat (na het referendum over toetreding tot de EEG, massaal afgewezen). Je crois qu’il faut faire attention avec ce genre de réactions, parce que finalement notre système Suisse est ainsi fait que nous demandons au peuple de se prononcer. Et si on demande au peuple de se prononcer, c’est son droit de décider dans le sens qui lui convient.



6 februari 2014

Een waar woord


Benoît Poelvoorde beveelt in een prachtig promospotje de cafés van Bergen aan, en hij heeft groot gelijk. In die mate gelijk zelfs, dat ik geneigd ben om aan zijn uitspraak een algemene, universele draagwijdte toe te kennen:

Il faut qu’il y aient encore des vieux dans les cafés. Les plus beaux cafés, hein, c’est quand il y a encore des vieux. Ça il faut, je peux te le dire. Bon, il faut prendre …toujours pour choisir un café, si tu vois encore des vieux au bar, ou à une table en train de lire un journal: Rentre! S’il n'y a pas de vieux, c’est mauvais signe.

1 februari 2014

Beloften doen


Rik Van Cauwelaert schrijft vandaag in De Tijd een column over de beloften die partijen doen met het oog op de verkiezingen. "België is al uitgedeeld" is de blijmoedige titel van zijn stuk, dat u zelf maar eens moet lezen, lezer.

Van Cauwelaert lijkt niet echt in sprookjes te geloven, maar verwijst wel naar een mooi verhaal van de grote Karel van het Reve, de geleerde broer van Gerard. Dat verhaal ging destijds over de machteloosheid van ministers, en over hun begrijpelijke drang om af en toe te laten zien dat ze toch iéts konden doen.

Het is te vinden in het boek “Luisteraars” (1995, G.A. van Oorschot, p.144). In die verzamelbundel staan er honderd achttien van die stukjes, en het aardige is dat Van het Reve ze destijds op de korte golf allemaal heeft voorgelezen voor de Nederlandse Wereldomroep, ter stichting van de landgenoten in de Rijksdelen over Zee. 
En het stukje “Eisen stellen”, waar Rik Van Cauwelaert zichtbaar met plezier naar verwijst, kunt u hier echt horen:


 

24 januari 2014

Ook bij ons zijn er Zieners


De toekomst voorspellen is aartsmoeilijk, maar voor sommigen toch niet onmogelijk. De Pythia in het oude Delphi bijvoorbeeld bracht het er vaak goed af. Zij was wel altijd zo wijs om in raadselen te spreken, wat haar enige armslag gaf. Al te precieze voorspellingen houden gevaren in.

Even omzichtig ging de voluntaristische Guy Verhofstadt niet te werk in 2012, in Buitenhof, een VPRO-programma.
Terecht of onterecht, maar hij gaf daar een zeer precieze voorspelling ten beste. Onder meer de eurosceptische Thierry Baudet luisterde er ongelovig naar.

En vanzelfsprekend valt het niet uit te sluiten dat Guy, omgeven door de mist van EU-toverdranken die een andere mens van zijn klare kijk zouden beroven, de toekomst inderdaad helder voor zijn geestesoog heeft zien opdoemen.

Pas eind mei, om precies te zijn de vijfentwintigste, of alleszins de zesentwintigste mei zal ons, eenvoudige stervelingen inzicht worden verleend.


We hebben de slinger zien gaan naar het euroscepticisme hè, de voorbije verkiezingen! Ik denk dat in 2014 de slinger volledig de andere kant uitgaat, en dat dus met andere woorden het pro-Europese partijen zullen zijn die het zullen halen. Omdat de mensen niet dom zijn, ze zien dat. Dat project van de euro, dat welvaart heeft gebracht, willen ze niet kwijtraken, en ze zien dat daarvoor méér Europa nodig is hè.

Een botsing vermeden


De positief opgezette uitzending van Terzake gisteren, over de EU, leek ongewild soms een pleidooi juist tegen die constructie. Wie goed heeft gevolgd zal bijvoorbeeld niet verwonderd zijn geweest dat het programma werd afgesloten met een reclamefilmpje voor de Unie, dat evenwel werd ingesproken door een stem met een niet-Europees, ik meen Amerikaans accent.
Het was nochtans goed begonnen met die zanger die helemaal gratis, zonder enige vergoeding dus, kwam verklaren dat hij weliswaar in Parijs woonde maar soms ook in Groningen optrad. Niets verzuring bij hem, heel positief klonk dat.
En daarna nam Verhofstadt himself de handschoen op in een spannend debat met een VLD-jongere, zekere Lander Piccard, die sterk van wal stak:
“Ja ik herken me heel veel in wat dat Bent eigenlijk aan het zeggen was. Voor veel jongeren is Europa nu eenmaal een realiteit. Ik heb zellef nog nooit mijn identiteitskaart moeten afgeven, euh, landsgrenzen, waar liggen ze? ik weet het soms ook nie allemaal ne meer.”
Verhofstadt liet zich door de verrassende wending met die dubbele negatie niet uit zijn lood slaan, en kwam stevig en voluntaristisch uit de hoek. Zo had hij het, “voor diegenen die graag geschiedenis hebben” enthousiast over “die Griekse stadsstaten, op het ogenblik dat het Romeinse Rijk bestond”. Met dat bekende brede penseel, zo mogen we hem graag aan het werk zien. 
Na zijn mededeling, waar inderdaad niets aan toe te voegen was, verliet Guy de studio. Begrijpelijk, heel drukke agenda heeft zo’n man.

Een afknapper vond ik daarna het enkelvoudige negativisme van Thierry Baudet, die met zijn medeauteur Geert Mak aan tafel was gezet. Alweer riskant om zoiets te doen, want misschien kunnen die kerels elkaar niet luchten.
Annelies Beck stelde Baudet de vraag of het debat, over de euro onder meer, niet te lang was uitgebleven, of misschien niet goed gevoerd, en natuurlijk vond hij dat:
“Ja, of in elk geval te veel ook met, hmm, binnen een kamp, maar niet tússen kampen of tussen verschillende ideeënvelden.

Onwillekeurig kreeg de kijker nu het gevoel dat Verhofstadt net iets te vroeg was weggelopen. Zonde dat de redactie dit nare gevoel niet heeft kunnen wegnemen. Ze waren wel “blij een bijdrage tot het debat geleverd te hebben”, maar een goede journalistieke reflex was het geweest om Verhofstadt, die nog niet ver geraakt kon zijn, gauw even bij de mouw te trekken, voor een harde maar positieve reactie.

Du choc des idées jaillit la lumière, zoals men in het Europees zegt.

22 januari 2014

Een retorisch sacochengevecht


Nacira Guénif-Souilamas is een Franse sociologe van Algerijnse komaf, en zaterdag was ze te horen bij Alain Finkielkraut in zijn uitzending Répliques op France Culture. Ze deed daar een opmerkelijke uitspraak, namelijk dat integratie op zich totaal verwerpelijk is.
In Frankrijk moeten alle groepen immigranten, elk met hun eigen waardesystemen en gewoonten naast elkaar kunnen leven, zelfs de autochtone Fransen moeten daarbij hun plaats krijgen. Opmerkelijk breeddenkend want die groep bestaat niet eens echt, hoorden we nog.
Zoals het een sociologe past, ontkende ze behalve het bestaan van autochtone Fransen trouwens ook het bestaan van een Arabisch-islamitische wereld, een begrip dat Finkielkraut even had gebruikt. Zulke tussenkomsten zijn altijd nuttig als je een zinnige dialoog onmogelijk wilt maken. Val de termen zelf aan, verbreed ze, versmal ze, en elk inhoudelijk argument wordt op voorhand al verdacht, of vervalt.
Mooi was verder haar argument dat integratie vroeger wél werkte, met Polen, Italianen, Spanjaarden enzovoort ...omdat Frankrijk toen nog een imperium was. Een argument dat bv. voor België niet zou gelden, maar dat bleef onvermeld. 
Ze bracht ook nog andere retorische trucjes ten gehore, zoals hard roepen en voortdurend de andere gaste in het programma, de vrijzinnige Cathérine Kintzler onderbreken, zodat deze nauwelijks iets gezegd kreeg of réplique kon geven.
Finkielkraut wist niet meer waar zijn hoofd stond. “Terminez, terminez” smeekte hij, je voudrais, est-ce que je peux, je voudrais, alors, alors, s’il vous plaît, je voudrais maintenant reprendre la discussion en main et poser une autre question…”.
Maar dat kunt u beter zelf allemaal ontdekken, lezer, in de podcast.
Ik geef een kort uittrekseltje uit het gesprek, en een vertaling daarvan, zodat u zich alvast een idee kunt vormen. De eerste vraag van Finkielkraut heb ik stevig ingekort, want die was drie keer zo lang, met eerst nog een inleiding over onder meer de hoofddoek:

Alain Finkielkraut: Et puis il y a une question plus générale, qui est celle de l’intégration. Après tout, dans le monde arabo-musulman on ne fait pas dans le détail. En France on a construit énormément de lieux de culte, mosquées et salles de prières musulmans, 2300 il y en a aujourd’hui, alors que c’était 900 en 1985, et il y a plus de lieux de culte musulmans en Seine-Saint-Denis aujourd’hui que de lieux de culte, églises et chapelles catholiques. Dans le monde arabo-musulman on ne construit pas d’églises, et on persécute les chrétiens. Mais la question aussi c’est de savoir, quelle est votre position? Préconisez-vous plutôt l’intégration à travers l’école et l’université, ou plutôt l’inclusion, ce qui en effet amène à une toute autre définition de la culture que l’on transmet, Nacira Guénif?
Nacira Guénif-Souilamas: Tout d’abord, je ne me sens absolument pas comptable de ce qui se passerait dans le monde arabo-musulman, comme vous le nommez, puisque je n’arrive même pas à situer de quoi il s’agit quand on parle de ça. Non, non c’est un peu trop unificateur à mon sens.
Alain Finkielkraut: Bien, il fallait dire pays d’immigrants, de migration coloniale…
Nacira Guénif-Souilamas: Et bien, de fait, oui oui, ce sont des processus historiques vérifiés hein, ce n’est pas juste une de mes lubies. Et puis, par ailleurs, je trouve que effectivement, la discussion sur l’intégration a suffisamment duré, pour le dire comme ça, je pense qu’il faudrait passer à un autre paradigme, effectivement je ne sais pas si la société inclusive serait le bon, mais de fait, l’intégration a été un principe normatif, une injonction qui a échoué, précisément parce que elle recelait dans ses mécanismes mêmes l’échec de tous ceux auxquels elle s’adressait. Autrement dit, dès lors que quelqu'un se voit adressé l’attente, l’injonction, l’ordre de s’intégrer, dans la manière même dont ceci est énoncé et mis en œuvre, pas seulement de manière discursive, mais aussi de manière pratique hein, c’est-à-dire aux guichets des administrations, dans l’ensemble des mécanismes de fonctionnement des rapports sociaux, la personne qui est désignée par l’enjeu d’intégration est vouée à l’échec. Autrement dit c’est une norme…
Alain Finkielkraut: Ça a marché pour les vagues migratoires précédentes…
Nacira Guénif-Souilamas: Mais parce que peut-être la France à l’époque était encore un empire et que du coup les hiérarchisations qui contribuaient à la faire exister dans son prestige et en même temps dans son ordre inégalitaire étaient encore présents. Ces mécanismes-là étaient là, cette structure était encore présente. Le problème c’est la France présente, avec son présent colonial d’une certaine manière, qui ne parvient pas à admettre que, et y compris les descendants d’immigrants coloniaux sont des égaux. Et c’est cela qui est constamment renvoyé à ces personnes à ces groupes à ces segments de la société à travers le discours de l’intégration. Le discours de l’intégration est un discours de minoration, est un discours d’un déni, est un discours d’éviction, et il fonctionne depuis des décennies sur de mode-là, à supposer qu’il ait jamais fonctionné, d’ailleurs ce sera intéressant d’en faire la démonstration. De fait, aujourd’hui c’est devenu une rhétorique mortifère, c’est une rhétorique qui détruit à la fois les groupes, qui détruit les relations, qui dissout les rapports sociaux, et qui a créé beaucoup plus de dissensus et de dissensions à la société française que toute autre doctrine jusqu’à présent. 




Alain Finkielkraut: En dan is er een meer algemene kwestie, namelijk die van de integratie. Après tout, in de Arabisch-muzelmaanse wereld is men van geen kleintje vervaard. In Frankrijk zijn er een enorm aantal cultusruimten gebouwd, moskeeën en muzelmaanse gebedsplaatsen, 2300 zijn er vandaag, terwijl in 1985 het er nog 900 waren. En er zijn in Seine-Saint-Denis vandaag meer islamitische gebedsruimten dan katholieke kerken en kapellen. In de Arabisch-muzelmaanse wereld bouwt men geen kerken, en vervolgt men christenen. Maar de vraag is ook, wat is uw standpunt? Pleit u eerder voor integratie, via school en universiteit, of liever voor inclusie, waarbij wij inderdaad tot een geheel andere definitie komen van de cultuur die wordt overgedragen, Nacira Guénif? 
Nacira Guénif-Souilamas: Vooreerst, ik voel mij absoluut niet verantwoordelijk voor wat er aan de hand zou zijn in de Arabisch-muzelmaanse wereld, zoals u hem noemt, want ik slaag er niet eens in om te snappen waarover het mag gaan als iemand het daarover heeft. Nee nee, dat is mij iets te veel dingen over één kam scheren.
Alain Finkielkraut: Goed, het had moeten zijn landen van immigranten, van koloniale migratie…
Nacira Guénif-Souilamas: Inderdaad, ja ja, dat zijn historisch bewezen ontwikkelingen hè, het is niet zomaar een van mijn grillen. En dan nog, ik vind dat de discussie over integratie inderdaad al lang genoeg heeft geduurd, om het zo te zeggen, en ik denk dat het tijd wordt om naar een ander paradigma over te schakelen, en of de inclusieve maatschappij dan het goede paradigma zou zijn weet ik niet zo, maar zoals het nu staat is integratie een normatief uitgangspunt, een sommatie die gefaald heeft, precies omdat haar mechanisme zelf het falen inhield van allen tot wie zij gericht was.
Anders gezegd, zodra iemand die verwachtingen op zich ziet afkomen, die aanmaningen, bevelen om zich te integreren, door de manier zelf waarop deze worden geformuleerd en gebruikt, niet enkel met woorden, maar ook in de praktijk hè, bijvoorbeeld aan overheidsloketten, door het geheel van de mechanismen van het sociale verkeer is de persoon die voor de uitdaging van de integratie staat tot mislukken gedoemd. Anders gezegd, het is een norm…
Alain Finkielkraut: Die gewerkt heeft bij de vorige migratiegolven… 
Nacira Guénif-Souilamas: Misschien omdat Frankrijk in die tijd nog een imperium was, en daarom de hiërarchische opdelingen nog bestonden die ertoe bijdroegen om het in stand te houden met alle prestige, en tegelijk met zijn ongelijke ordening in rangen. Die mechanismen waren er, die structuur was nog aanwezig. Het probleem is het huidige Frankrijk, met op een bepaalde manier zijn huidige kolonialisme, dat er niet toe komt toe te geven dat allen, inbegrepen de immigranten uit de kolonies gelijken zijn. En dat is wat deze mensen, deze groepen, deze segmenten van de maatschappij voortdurend voor de voeten wordt geworpen door dit integratieverhaal.
Het integratieverhaal is een verhaal van kleinering, is een verhaal van ontkenning, is een verhaal van verdringing, en op die manier werkt het al decennia lang, als we van werken ooit mochten spreken, en het zou trouwens interessant zijn daar eens een bewijs van te leveren. In de praktijk vandaag is het verworden tot dodelijk holle frasen, frasen die tegelijk bevolkingsgroepen kapotmaken, relaties kapotmaken, de maatschappelijke banden verbreken, en die de Franse samenleving meer meningsverschillen en twisten hebben opgeleverd dan om het even welke doctrine tot nog toe.


Stukje eerder verschenen op Doorbraak

18 januari 2014

De jacht op lijsters


Mensen die een goed boek gelezen hebben (of hérlezen, iedereen herleest tegenwoordig), die mensen vervelen anderen graag met hun enthousiasme. Dat is zo, en daar is weinig aan te doen.
Bij de boeken die ik vorig jaar gelezen heb, was er één dat ik eerder al gelezen had, toen zonder het goed te snappen. Pas de tweede keer was de goede keer. Vie de Henry Brulard van Stendhal (Grenoble 1783–Parijs 1842) namelijk, een autobiografie die hij schreef toen hij vijftig was, die eindigt als hij nog maar vooraan in de twintig is, en die pas in 1890 verschijnt, als hij al vijftig jaar dood is.

Lang voor hij Stendhal zou worden, had Henri Beyle Laurence Sterne gelezen: The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman. Dit boek had een geweldige indruk op hem gemaakt, door de stijl en door de absurde zijsprongen en associaties die het verhaal overwoekeren en verwarren. Wat een verschil met de auteurs die toen geprezen werden en die monolithische personages opvoerden, echte karakters.

Stendhal vond zulke auteurs ongeloofwaardig en leugenachtig. “Faire du roman” was iets afschuwelijks, en het enige dat hij wil doen is veridiek verslag uitbrengen van wat hij zich nog werkelijk van zijn jeugd herinnert.
Hij begon aan zijn autobiografie in 1832 in Rome, en hield het project in 1836 voor bekeken. Hij richtte zich niet tot zijn tijdgenoten, maar tot de lezer van 1885. Tegen die tijd zouden er misschien geen lezers meer zijn, dacht hij, of ze zouden niet meer begrijpen waarover hij het had, maar anderzijds zou ook de bloemrijke en door hem verafschuwde Chateaubriand dan al vergeten zijn.

Bijzonder is dat Stendhal zijn autobiografie verlucht met schetsen en plattegronden, uit het hoofd getekend, zoals ook de tekst helemaal uit zijn blote hoofd komt, zonder dat er bronnen geraadpleegd worden, wat hij in Rome overigens niet had gekund.
Hij vult niets in, en als hij bijvoorbeeld met het bezettingsleger van Napoleon over de Sint-Bernardpas trekt, op weg naar Milaan, dan beschrijft hij het landschap niet of nauwelijks, want hij heeft tussen zijn twintigste en vijftigste veel prenten en litho’s van die tocht gezien, en kan dus niet meer weten of het om eigen herinneringen gaat.

Onderstaande passage gaat wel over een precieze herinnering uit zijn jeugd in Grenoble, en hij doet ook eventjes zijn best om te schrijven in de fraaie stijl van zijn literaire vijanden, met veel treffende adjectieven.
Als iemand wil weten hoe je een lijster afschiet, of hoe je een tekst moet schrijven, dan is Stendhal een goede leermeester. En altijd mag iemand vooraf nog Tristram Shandy lezen, dat kan helemaal geen kwaad. 

Vie de Henry Brulard
Chapitre 33

Je fais de grandes découvertes sur mon compte en écrivant ces Mémoires. La difficulté n'est plus de trouver et de dire la vérité, mais de trouver qui la lise. Peut-être le plaisir des découvertes et des jugements ou appréciations qui les suivent me déterminera-t-il à continuer, l'idée d'être lu s'évanouit de plus en plus. Me voici à la page 501 et je ne suis pas encore sorti de Grenoble!
Ce tableau des révolutions d'un cœur ferait un gros volume in-8° avant d'arriver à Milan. Qui lirait de telles fadaises ? Quel talent de peintre ne faudrait-il pas pour les bien peindre, et j'abhorre presque également la description de Walter Scott et l'emphase de Rousseau. Il me faudrait pour lecteur une Mme Roland, et encore peut-être le manque de description des charmants ombrages de notre vallée de l'Isère lui ferait jeter le livre. Que de choses à dire pour qui aurait la patience de décrire juste! Quels beaux groupes d'arbres, quelle végétation vigoureuse et luxuriante dans la plaine, quels jolis bois de châtaigniers sur les coteaux et, au-dessus, quel grand caractère impriment à tout cela les neiges éternelles de Taillefer! Quelle basse sublime à cette belle mélodie!
Ce fut, je crois, cet automne-là que j'eus le délicieux plaisir de tuer un tourdre, dans le sentier de la vigne au-dessus de la grand'pièce, précisément en face du sommet arrondi et blanc de la montagne de Taillefer. Ce fut un des plus vifs bonheurs de ma vie. Je venais de courir les vignes de Doyatières, j'entrais dans le sentier étroit, entre deux haies fort hautes et touffues, qui descend à la Grande pièce de H en P, quand tout à coup un gros tourdre s'élança avec un petit cri de la vigne en T' tout au haut de l'arbre T, un cerisier, je crois, fort élancé et peu chargé de feuillage.
 
Je le vis, je tirai dans une position à peu près horizontale car je n'étais pas encore descendu. Le tourdre tomba en donnant à la terre un coup que j'entends encore. Je descendis le sentier, ivre de joie.

Enkele dagen later schiet hij met evenveel precisie nog een tweede lijster:

Je tuai bientôt mon second tourdre (turdus grive), mais plus petit que le premier, à la nuit tombée, le distinguant à peine, sur un noyer dans le champ de M. de La Peyrouse, je crois, au-dessus de notre Pelissone (id est: de notre vigne Pelissone).

31 december 2013




Alle lezers speciaal ook een gelukkige 25ste mei gewenst !


30 december 2013

Economie is transcendentaal


Eind jaren vijftig verscheen in Amerika “When Prophecy Fails”, een boek met een lange ondertitel: “A Social and Psychological Study of a Modern Group that Predicted the Destruction.” Auteurs waren Leon Festinger, Henry Riecken en Stanley Schachter en het ging inderdaad over een groep gelovigen die het einde van de wereld hadden voorspeld. 

De 21ste december van 1954 zou het zover zijn. Een huisvrouw uit Chicago (Dorothy Martin; 1900-1992) had via écriture automatique hierover berichten ontvangen, afkomstig van de planeet Clarion. Gelukkig echter: net voor de wereld in een vloedgolf zou verzuipen, zou haar groepje gelovigen door een ruimteschip worden opgepikt.
Wat onze huisvrouw niet wist, was dat zich tussen haar volgelingen ook een paar ongelovige observators hadden genesteld.

Toen nu de grote dag was aangebroken, en er zich na middernacht geen ruimteschip leek aan te melden, kreeg zij in de vroege ochtend, alweer via écriture automatique het verlossende bericht dat God had besloten om de planeet Aarde alsnog te sparen.

In besloten gemeenschappen komen zulke non-events wel meer voor, en vaak leggen zulke groepen dan uit, dat juist door hun actie, door hun gebed of wat dan ook, het onheil op het nippertje werd afgewend. Festinger schreef later nog een boek: “A Theory of Cognitive Dissonance”, waarin hij dit coping mechanism helemaal uit de doeken deed.

Nu moest ik gisterenmiddag aan dit laatste boek denken (wijlen prof. Hugo Van den Enden had het me nog doen lezen) toen ik Herman Van Rompuy bezig hoorde op VTM. Ik zag het gesprek op de pc, en de naam van de uitstekende journaliste ken ik helaas niet, waarvoor mijn excuus.
Ook Herman Van Rompuy had het over een reëel evenement, dat evenwel niet had plaatsgehad. Vermoedelijk kwam dat, zoals bij Dorothy Martin, door de werking van de gebeden van hemzelf en zijn groepje gelovigen: 

VTM: U zegt: 2013 is het jaar dat Europa de crisis heeft overwonnen. Hoe gaan we dat merken?
President Herman: Wel, u gaat dat ook merken vanaf volgend jaar. De economie is aan het hernemen, eigenlijk al in de loop van 2013, en hoop ik, nog sterker volgens alle vooruitzichten in 2015. We gaan dat niet onmiddellijk merken op het vlak van de werkgelegenheid, daar is altijd een soort van tijdsafstand tussen herneming van de economie en het aanwerven van mensen.  Maar, waar men het best aan zou kunnen merken   –maar dat heeft zich niet voorgedaan– is het volgende: mochten wij de eurozone niet stabiel houden, mocht de eurozone uit mekaar zijn gevallen, dan zaten wij hier nu gewoon niet! Dan hadden we niet alleen een recessie, maar ook een depressie. Dus dat merken de mensen niet, omdat het zich niet heeft voorgedaan, maar het is dan wel even reëel.
VTM: Ja, u zei het daarnet al, de jobs, daaraan gaan we het in elk geval niet merken.


Stukje eerder verschenen op Doorbraak

22 december 2013

Tussen emotie en ratio is de koek niet eerlijk verdeeld


In een column in De Tijd van zaterdag lezen we over onzingesprekken en over slordig redeneren aan de feesttafel.  “Ampele graden alcohol volstaan daartoe al.
 “Ampel is een mooi woord, en het heeft iets erudiets ook, maar hier had het spijtig genoeg niets te zoeken. We begrijpen wel wat de columnist wil zeggen, maar het had beter gekund.

Het bovenstaande is een detail, maar even verder spreekt de auteur (als mens met  “meer eruditie, ervaring en opzoekingsuren op de teller) over de  “nanoseconden waarin onze geest werkt om emotionele beslissingen achteraf voor onszelf rationeel te verrechtvaardigen.
“Nanoseconden” vind ikzelf minder mooi dan “ampel” maar even erudiet klinkt het zeker, bij goed gebruik. Dit is hier echter niet het geval want er is in ons hele zenuwstelsel geen elektrochemisch proces bekend dat met zulke snelheid signalen kan doorgeven of verwerken. Het gaat altijd om een tijdsspanne van ongeveer 0,1 seconde, zijnde honderd miljoen van die nanoseconden. Zenuwcellen werken met een frequentie van ongeveer 10 hertz, zou je kunnen zeggen als het wat geleerder mag klinken.

Ook vernemen we dat in onze hersenen de rationele beslissingen maar 0,04 procent van de beschikbare tijd in beslag nemen. De rest van de tijd, 99,96% dus, hebben ze nodig om onze emotionele beslissingen rationeel te justificeren. Rationele seconden zijn er bijgevolg niet veel per etmaal.
De aangehaalde percentages getuigen van een bijzonder precieze kennis. Twee decimalen is een nauwkeurigheid die je normaal enkel bij kiespeilingen ziet. Waar mag deze accuratesse toch vandaan komen?

Dat vernemen we gelukkig ook: uit de popwetenschap. Namelijk uit het “fenomenale” boekje van William Gladwell, “The Tipping Point”, nog van het jaar 2000. Destijds een bestsellertje dat in de wetenschappelijke wereld helaas weinig bijval oogstte maar zijn auteur niettemin flink wat heeft opgebracht.

 “Cave hominem unius libri” las ik eens boven de ingangspoort van een bibliotheek. In de plaats van “cave” zie je ook wel “timeo”. Een woord van Thomas naar het schijnt: kijk uit voor de man van één boek, of vrees die man.

En Alexander Pope viel hem bij:

A little learning is a dang'rous thing
Drink deep, or taste not the Pierian spring:
There shallow draughts intoxicate the brain,
And drinking largely sobers us again.


Stukje eerder verschenen in Doorbraak


18 december 2013

De Piano en het Krukje


Michèle Tribalat, auteur en directeur bij het Franse onderzoekscentrum INED (Institut National des Études Démographiques), was zaterdag te gast bij Alain Finkielkraut in zijn uitzending Répliques.
Ze had een mooie omschrijving voor de inspanningen die de eigengereide “classes politiques” leveren, om toch vooral geen rekening te moeten houden met de wensen van de oorspronkelijke Franse of Europese bevolking:

Michèle Tribalat : Dans les élites politiques, notamment au niveau européen, il y a une anticipation du déclin démographique des forces vives européennes. L’Europe compte sur l’immigration pour que la population européenne perdure et donc elle s’attend à une Europe de plus en plus plurielle et diversifiée au niveau de son peuplement, et donc elle cherche en fait, enfin les autorités européennes cherchent à adapter les populations européennes à la diversité. C’est-à-dire que, si vous voulez, au lieu de déplacer le tabouret pour l’approcher du piano, c’est le piano qu’on va essayer de rapprocher du tabouret.
Alain Finkielkraut : Oui, et en plus le tabouret devient de plus en plus grand, presque aussi grand que le piano.
Michèle Tribalat : Voilà.




Michèle Tribalat : Bij de politieke elite, in het bijzonder de Europese, voorziet men een demografische terugloop van de productieve Europese krachten. Europa [bedoeld wordt, meen ik de EU] rekent op immigratie om de Europese bevolking te laten voortbestaan, en wat betreft de samenstelling van de bevolking verwacht men een steeds meer verscheiden en gediversifieerd Europa.
En feitelijk probeert men dus –tenminste, de Europese autoriteiten proberen datom de Europese bevolking zich te laten aanpassen aan de diversiteit. Dat komt erop neer als u wil, dat men in plaats van het krukje dichter bij de piano te brengen, het de piano is die men dichter bij het krukje probeert te krijgen.
Alain Finkielkraut : Ja, en komt daarbij dat het krukje alsmaar groter wordt, bijna even groot als de piano zelf.
Michèle Tribalat : Zo is dat.

Stukje eerder verschenen op Doorbraak

10 december 2013

Waartoe dient een cultuurzender?


Elke zondagnamiddag, al meer dan een jaar loopt op France Culture de uitzending Le Gai Savoir. Die fröhliche Wissenschaft of la gaya scienza dus. Een tweegesprek tussen Raphaël Enthoven en Paola Raiman.
De formule is zeer fragiel want Paola Raiman kwam als zeventienjarige lycéenne in het programma bij Enthoven, gechevronneerde filosoof, product van de École normale supérieure, maître de conférences en ook –maar dat doet hier niets ter zake– vader van het eerste kind van Carla Bruni.

Paola en Raphaël spreken elkaar met de voornaam aan, maar vanzelfsprekend vousvoyeren ze altijd. Hun programma duurt een uur en het onderwerp is een klassieke tekst. Zij stelt de vragen of doet suggesties of legt verbanden met weer andere teksten. Hij geeft uitleg, interpreteert en associeert in een duizelingwekkend tempo, of stelt als een Socratische vroedmeester zelf weer vragen. Maar beiden zijn volstrekt gelijkwaardig en hun gesprekken over Rousseau, Plato, Schopenhauer, Kant, Lucretius, Orwell kunnen alle richtingen uitgaan.
Laatst was Montaigne het onderwerp, Essai viii van Boek III, "De l'Art de Conferer", maar aangezien hierover zoveel te zeggen valt, trokken ze er twee uitzendingen voor uit. Twee weken Montaigne dus, als manna in de woestijn.

Denkend aan de vraag van Montaigne “Que scais-je?”, kwam in het gesprek plots de vraag op of de luisteraars van France Culture intelligenter waren, of alleszins “moins cons que les autres”. Enthovens antwoord kan dienen als beginselverklaring voor om het even welke cultuurzender:

Paola: Ce n'est pas parce qu’on écoute France Culture qu’on est moins con que les autres, enfin qu’on est plus intelligent.
Raphaël: Non, ce n’est pas ça, c’est que: il faut écouter France Culture, c’est la meilleure radio qui soit et vive France Culture et vivent les auditeurs toujours plus nombreux de France Culture.
Mais! il faut écouter France Culture parce qu’on y apprend notamment que ce n’est pas parce qu’on écoute France Culture qu’on est moins con que les autres, justement. Et que enfin une radio qui admet le fait que la culture qu’elle transmet n’est pas une garantie contre la bêtise, si vous voulez. C’est ça l’intérêt de France Culture en occurrence.
Disons qu’un spectateur de TF1 qui ne doute pas de la nullité de ce qu’il regarde est peut-être de meilleure compagnie qu’un auditeur intégriste, comme il y en a, de France Culture qui ne doute pas de la qualité de ce qu’il écoute.
Voilà, c’est la seule différence si vous voulez. Mais c’est une différence fondamentale. Si l’on réduit la bêtise à ces deux déterminations qui sont, un la bêtise de l’ignorant et deux la bêtise du savant, la bêtise du savant est beaucoup plus redoutable que celle de l’ignorant parce qu’elle est incurable. Parce que le savant est déjà guéri, parce qu’il croit qu’avec l’intelligence il a cessé d’être bête, avec la culture il a cessé d’être ignorant.
Or Montaigne qui est l’homme le plus cultivé de son temps, ne cesse de demander ce qu’il sait, de dire « Que scais-je ? », de le brandir comme un étendard. Et Montaigne qui est l’homme le plus intelligent de son temps ne cesse de décrire ses propres travers et son incapacité propre à supporter la bêtise, où sa propre bêtise se reconnaît.



Paola: Het is niet omdat je naar France Culture luistert dat je minder stom of intelligenter bent dan de anderen.
Raphaël: Inderdaad niet, maar intussen moet je wel naar France Culture luisteren, het is gewoon de beste zender, en leve France Culture en leve de almaar talrijkere luisteraars van France Culture.
Maar! naar France Culture moet je luisteren, precies omdat je daar leert dat door naar France Culture te luisteren, je toch niet je minder stom wordt dan de anderen, en omdat het een zender is die toegeeft dat, zo je wil de cultuur die hij overbrengt geen bescherming biedt tegen dwaasheid.
Daarin zit hem toevallig het belang van France Culture. Neem een kijker van TF1die er niet aan twijfelt dat wat hij bekijkt beuzelarij is: die is misschien beter af dan een onkreukbare luisteraar van France Culture –en die zijn er– die geen enkele twijfel heeft bij de kwaliteit van wat hij hoort.
Dat is het enige verschil kun je zeggen. Maar wel een fundamenteel verschil.
Als we de stompzinnigheid beperken tot twee soorten, namelijk die van de dwaas en die van de geletterde, dan is de stompzinnigheid van de geletterde veel meer te duchten dan die van de dwaas, want zij is ongeneeslijk. De geletterde is immers al genezen, want hij gelooft dat door zijn intelligentie er een eind is gekomen aan zijn stompzinnigheid, en door zijn cultuur aan zijn onwetendheid.
Terwijl Montaigne, de meest gecultiveerde man van zijn tijd, zich zonder ophouden afvraagt wàt hij dan wel weet, en met “Wat weet ik?” als vaandel zwaait. En Montaigne, de verstandigste man van zijn tijd, beschrijft zonder ophouden zijn eigen tekortkomingen en zijn eigen onvermogen om de dwaasheid te verdragen, waarin zijn eigen dwaasheid zichzelf herkent.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html