20 januari 2017

Een grapje dat veel verraadt


Christophe Barbier is redactiedirecteur van het Franse blad L’Express, in 1953 gesticht door Jean-Jacques Servan-Schreiber en Françoise Giroud, twee grote namen in die tijd. Het behoort tot de kapitaalgroep waaronder ook Libération ressorteert.
Bon, laten we nog een paar prestigieuze namen noemen die in L’Express geschreven hebben: Camus, Malraux, Arrabal, Mauriac, Mitterrand, Françoise Sagan, Sartre, Mendès-France, Pierre Salinger, Aron. Die namen zijn ook hier nog bekend, hopelijk.



Het blad had eerst een uitgesproken socialistisch profiel, maar schoof geleidelijk naar een – wat mij betreft hypothetisch – ‘midden’, en vandaag omschrijft hun redactiedirecteur L’Express als volgt: « ni de droite ni de gauche, il est au-dessus de la mêlée ». Over een tegenstelling links-rechts willen ze dus niets meer horen.

De redactiedirecteur ziet blijkbaar wel een nieuwe tegenstelling: die tussen de sociale media en de echte, gevestigde, met andere woorden goede media. Eigenlijk moesten die sociale media aan banden worden gelegd, vindt Barbier. Hij pleit voor censuur, en waarachtig niet alleen hij: vele journalisten en andere weldenkenden doen dit al langer dan sinds gisteren of vandaag. Er zijn voorbeelden te over. Wat vertelde Barbier nu op de Franse tv-zender BMF?

Hij begon met: “Het internet is geen no man’s land. Men kan zaken juridisch bevechten.” Dit lijkt me onbetwistbaar, en het gebeurt ook, maar Barbier raakt wat in verwarring: “Internet is een gebied waar straffeloosheid heerst, want het ontploft in alle richtingen.” Hoe Barbier zich “un champ d’impunité” voorstelt waar niettemin juridisch ingegrepen kan worden, is wellicht enkel voor hemzelf duidelijk. Hij wordt nu gelukkig wat concreter: “Maar het internet kan wel degelijk in goede banen worden geleid… onder ons gezegd: de Chinezen slagen daar wel in! En als dictaturen het kunnen, dan moeten evengoed ook de democratieën zich inspannen om op het internet de wet te laten respecteren.”

Nu valt niet uit te sluiten dat deze roekeloze bekentenis van hem samenhangt met de slechte cijfers van L’Express. Tussen 2014 en 2015 ging hun oplage met 16,5 procent achteruit: op een jaar tijd haakte een van elke zes lezers af.

Le poison de la jalousie, inderdaad.

11 januari 2017

Post-truth in 1773


De lexicograaf Samuel Johnson hield in Londen een of twee keer per week een literary club in de Mitre Tavern. Ongeveer zoals men in die tijd in Parijs salons had, maar in deze club ging het zonder vrouwen. Er werd veel portwijn gedronken, en men sprak over alle onderwerpen. Soms had men het blijkbaar ook over wat wij nu samen met de Oxford English Dictionary 'post-truth' mogen noemen, al zou in Johnson's Dictionary een dergelijk Amerikaans woordbrouwsel nooit zijn weg hebben gevonden. Johnson hield het nog bij woorden die echt iets betekenen. 
In tegenstelling tot onze dagen verschenen er toen ook in de mainstream media veel verdraaiingen en leugens, in de grote kranten en tijdschriften. Niet enkel in roddelblaadjes dus, zoals tegenwoordig in de sociale media zegevierde de leugen met af en toe een harde waarheid ertussendoor
Wie vaak liegt  of belangrijke zaken verzwijgt, zeg ik erbij  wordt ongeloofwaardig. We lezen bij Johnson's biograaf, de Schotse advocaat James Boswell volgend gesprek:*

Goldsmith.** "There are people who tell a hundred political lies every day, and are not hurt by it. Surely, then, one may tell truth with safety." Johnson. "Why, Sir, in the first place, he who tells a hundred lies has disarmed the force of his lies. But besides; a man had rather have a hundred lies told of him, than one truth which he does not wish should be told." Goldsmith. "For my part, I'd tell truth, and shame the devil." Johnson. "Yes, Sir ; but the devil will be angry. I wish to shame the devil as much as you do, but I should choose to be out of the reach of his claws." Goldsmith. "His claws can do you no harm, when you have the shield of truth.

Goldsmith. “Er zijn mensen die elke dag honderd politieke leugens verkopen en daarmee wegkomen. De waarheid vertellen moet dan wel volkomen gevaarloos zijn.” Johnson. “Wel, eerst en vooral, Sir, haalt diegene die honderd leugens vertelt het effect van zijn leugens onderuit. En wat meer is: een mens heeft liever dat men honderd leugens over hem vertelt, dan die ene waarheid die hij niet graag hoort vertellen.” Goldsmith. “Wat mij betreft, ik zou de waarheid zeggen en aan die duivelse bekoring weerstaan.” Johnson. “Juist Sir. Maar de duivel zal boos worden. Niet minder dan u wens ik aan de verleiding te weerstaan, maar toch zou ik proberen uit zijn klauwen te blijven.” Goldsmith. “Zijn klauwen kunnen geen kwaad doen aan wie het schild van de waarheid bezit.”
________
* in: Boswell’s Life of Johnson; Introduction by Sir Sydney Roberts, lately Master of Pembroke College, Cambridge. 1958, J.M. Dent & Sons Ltd.– Everyman’s Library n°1, deel I, p. 460.
** De Ier Oliver Goldsmith (?1730-1774) kennen we nog van The Vicar of Wakefield (1766). Hij was goed bevriend met Samuel Johnson.

[van links naar rechts: James Boswell, Samuel Johnson, Joshua Reynolds, David Garrick, Edmund Burke, Pasquale Paoli, Charles Burney, Thomas Warton en Oliver Goldsmith]

6 januari 2017

Over valse nederigheid


De paniek slaat overal toe bij de redacties, ook bij Le Monde, maar van goede voornemens is nog niet veel te merken:

La généralisation de la norme post-vérité nous concerne d’abord nous, journalistes et professionnels des médias, européens autant qu’américains, asiatiques ou africains, parce qu’elle a fondamentalement bouleversé l’environnement dans lequel nous travaillons et les valeurs sur lesquelles nous nous appuyons. À la base du travail des médias se trouvent les faits, qu’ils sont censés rapporter et, ensuite, commenter. Les faits concourent à établir la vérité. Dans ce contexte, il arrive aux médias de faire état de faits erronés ; en principe, ces erreurs sont involontaires et font l’objet de corrections.
Dans l’ère de l’information post-vérité, aussi appelée «post-faits», la vérité n’est plus toujours la valeur de base. Les faits ne sont plus fondamentaux.

Zoiets verdient naast een vertaling ook enige [duiding]:

Dat “de waarheid voorbij” (post-vérité, post truth) gemeengoed en norm is geworden, gaat in de eerste plaats ons als journalisten en mediaprofessionals aan, of we nu Europeanen zijn, Amerikanen, Aziaten of Afrikanen. [Op een paar continenten na de hele wereld dus. Je heet natuurlijk niet voor niets Le Monde] Onze werkomgeving en de waarden waarop wij steunen zijn hierdoor immers grondig dooreengeschud. Voor de media dienen de feiten als grondslag, en deze worden zij verondersteld te rapporteren, en vervolgens van commentaar te voorzien. [Meestal is de commentaar als eerste persklaar, en geeft men vervolgens spaarzaam enkele feiten die daarbij passen. Andersoortige feiten moeten helaas vaak wegvallen, vermoedelijk wegens plaatsgebrek. Daarom ook is de Duitse term gatenpers, Lückenpresse veel accurater dan leugenpers, Lügenpresse, wat je vanzelfsprekend ook vaak leest. Carrément liegen lukt tegenwoordig niet meer zo goed, door de sociale ...controle. En de recente maar helaas lachwekkende redactionele uitvinding van de fact checkers die je nu overal ziet, onder druk van die externe controle, heeft daar niet veel aan veranderd] Feiten helpen de waarheid achterhalen. Wat dit betreft overkomt het de media dat zij verkeerdelijk iets als feit melden; in principe zijn die vergissingen onvrijwillig en worden zij rechtgezet. [Een nederigheid die we tot voor kort niet gewoon waren, al ben ik van die onvrijwilligheid niet altijd overtuigd. Maar inderdaad, Ignorance, Madam, pure ignorance, om met Dr Johnson te spreken, kan vaak veel verklaren. Belangrijk natuurlijk bij dat rechtzetten of corrigeren is de timing. Komt een rechtzetting laat genoeg, dan is het oorspronkelijke doel immers al bereikt en kan het geen kwaad meer. Denken we bijvoorbeeld aan de leugens rond Timișoara, rond de couveuses van Koeweit, of aan de propaganda die tot de bombardementen op Libië leidde. De onvermijdelijke rechtzettingen waren toen perfect getimed en de oorlogen konden rustig gevoerd worden. En er zijn wel meer voorbeelden te geven.]
In het post-waarheid-, of zoals men het ook noemt het «post-feiten»-tijdperk, is de waarheid niet altijd meer de basiswaarde. Feiten zijn niet langer fundamenteel.

[Wanneer eigenlijk waren ze dat wél, Le Monde?]


21 december 2016

Een bokser die 'zochte stoat' *


De weg naar een minder door terreurangst beheerste samenleving, waar ook weer echt ‘samen’ geleefd wordt, is lang, schrijft Bart Eeckhout in De Morgen. Maar wanneer dat echt samenleven er dan wel was, vernemen we niet. En minder terreurangst, ter vervanging van gewoon terreurangst klinkt nogal defaitistisch, niet? Vroeger, in een onbenoemd verleden was alles beter lijkt Bart te denken, maar die incorrecte, blasfemische gedachte wist hij nog op tijd te onderdrukken.
Wel brengt hij respect op voor Merkels morele en pragmatische keuze om bloedvergieten aan de Europese grenzen te vermijden. Het pragmatische bloed vloeit dan maar in eigen land, want dat “moreel” zal wel op bloedvergieten aan de grenzen slaan.
Die twee begrippen, moreel en pragmatisch, zijn filosofisch slecht verenigbaar, maar dat zou ons en alvast Bart te ver voeren.
We lezen ook over een moslimgemeenschap die volwaardig opgenomen moet worden in de Europese seculiere samenleving. Een mooie zin, maar Bart had toch beter eerst een paar van die elf woordjes opgezocht, te beginnen misschien bij “seculier”, “moslim” en “Europa”. Wat hij met “volwaardig” bedoelt mag hij dan verder proberen in te passen in zijn complexe gedachte.
Ach, wat schrijft een journalist allemaal niet als zijn argumenten versleten zijn, en dat besef misschien ook in zijn vermoeide brein langzaam doordringt?
Om te beginnen wordt zijn geschrijf dan stilistisch helemaal een boeltje. Feitelijke inefficiëntie, lees ik. Kan iets ook inefficiënt zijn buiten de feiten om? Enig etymologisch inzicht had hem hier alweer kunnen helpen.
En wat te denken van zijn spreekwoordelijke dolgedraaide fanaticus? Bart blijkbaar wel, maar ik ken geen spreekwoord waarin een fanaticus voorkomt.
Die stilistische dingetjes, het zijn maar details, wijzen natuurlijk op radeloosheid, vertwijfeling, op uitgebabbeld zijn, op niet meer weten van welk hout pijlen gemaakt, en op half verdoofd snakken naar de verlossende bel.
_____________

* Gents voor een bokser die niet meer goed reageert na een slag of een reeks slagen.

15 december 2016

Een sterk interview!


De Associated Press-journalist Matthew Lee, die voor AP Washington verslaat, gaf destijds een eerlijk interview aan de Russische zender RT. Interviewster daar was Gayane Chichakyan. Het is drie jaar oud maar ik had het nog nooit gezien.
Het hele gesprek was interessant en u kunt het hier bekijken, maar zeker deze passage beviel me:



I think that they owe the people that they govern an explanation of what they’re doing in our name. And oftentimes it’s really, really difficult to drag that out because, one, the policy is inconsistent, or two, they don’t know, they don’t really know what they’re doing. You know, I think the Arab spring caught a lot of people by surprise, and there was a lot of confusion, no one really knew what exactly what to do and I think that continues to this day, I mean…

14 december 2016

Onze Saskia is al een flinke meid


Soms lees ik bij mijn avondeten een ochtendkrant. Dat zal u niet verwonderen want avondkranten hebben we niet meer. “Le Soir! Le Soir pour demain!”, dat is al lang geleden. Nochtans heeft het zeker voordelen om pas ’s avonds een krant te lezen: ook dan erger je je wellicht aan het niveau van de schrijfsels, maar je kruipt toch al spoedig onder de lakens, met een goed boek bijvoorbeeld, en dan maakt het niet meer uit.
Nu las ik daarnet in De Morgen een artikeltje – niet helemaal van a tot z natuurlijk want je moet je eten niet laten bederven – en dat bleek geschreven door een zekere Saskia De Coster. Ik dacht die naam al eens gehoord te hebben maar kon hem niet thuisbrengen. Voor de zekerheid knipte ik een klein stukje uit de krant, het was al tegen sluitingsuur en dan mogen die dingen. Nu had de krant me dat knipwerk wel gemakkelijk gemaakt, want ze hadden zelf een zinnetje uitgekozen en het in een apart vakje gezet. Wellicht beseffen zij dat niet al hun lezers graag het hele verhaal lezen. Ik neem zonder meer aan dat zij vakkundig het beste zinnetje eruit gepikt hebben. Als bijkomende zekerheid schreef ik haar naam erop want onderweg naar huis, al is het maar vijftig meter ver zoals in mijn geval, kan een mens iets vergeten. Maar dan is er Wikipedia, en ik zag dat deze jongedame een echte auteur is, met al enkele boeken op haar naam die echt gepubliceerd zijn! Of ik ze echter ooit zal lezen kan ik haar niet beloven want het zinnetje dat De Morgenredactie een kadertje waard achtte, vond ik literair gesproken weer niet zo geweldig:

“Als politieke maagd en antipoliticus is Trump een nog grotere hoer 
dan alle traditionele politici bij elkaar.”


Maar laten we de zaak positief bekijken: is het voor de emancipatie geen winstpunt dat niet enkel oudere heren grofheden en dwaasheden vertellen – op sociale media vaak – maar dat ook een jongedame met een computertje dat nu kan doen, en dan in een echte krant nog wel!


2 december 2016

Is vis eten wel gezond?


Nu de winterzonnewende nadert, en veel mensen tegen de feestelijkheden opzien, is misschien het moment gekomen om hen te waarschuwen voor het overmatig nuttigen van oesters en vis.
Robert Burton kende in de zeventiende eeuw het burn-outsyndroom nog niet (daarvoor was het wachten op Graham Greene, A Burnt-Out Case van 1960), maar wat hij beschrijft komt me dunkt op hetzelfde neer:

Rhasis and Magninus raden alle vis af, als ongezond voor ieder die naar melancholie neigt. Anderen maken een onderscheid en verwerpen van de zoetwatervissen enkel de paling, zeelt, lamprei en rivierkreeft (welke laatste Bright goedkeurt, cap. 6), en zulke vissen die in modderig en stilstaand water gekweekt worden en de smaak van modder hebben, zoals Franciscus Bonsuetus het poëtisch omschrijft, Lib. de aquatilibus:

“Nam pisces omnes, qui stagna, lacusque frequentant,
Semper plus succi deterioris habent.”
[Alle vissen immers die zich in poelen en meertjes ophouden,
Zullen altijd meer kwalijke sappen bevatten.]

Paulus Jovius, c. 34, de piscibus fluvial. slaat de lamprei hoog aan; en, zegt hij: “het zijn enkel inepti et scrupulosi [dwazen en angstvalligen] die er kwaad van spreken”; maar palingen, c. 33, “verafschuwt hij te allen tijde en overal; alle dokters versmaden ze, en vooral rond de tijd van de zonnewende.”

Terwijl anderen deze zozeer belasteren, hemelt Gomesius, lib. 1. c. 22, de sale, zeevis mateloos op, en, nog meer dan de rest, gedroogde, gepekelde, verharde vis, zoals leng, gerookte pelser, pekelharing, sprot, stokvis, ingezouten droge kabeljauw, gedroogde heek en alle schaaldieren. Tim. Bright maakt een uitzondering voor kreeft en krab. Mesarius beveelt zalm aan, daarin tegengesproken door Bruerinus, lib. 22, c. 17. Magninus verwerpt kongeraal, steur, tarbot, makreel, rog.


Karper is een vis waarvan ik niet weet wat ik ervan moet vinden. Franciscus Bonsuetus beschouwt hem als een moddervis. Hippolitus Salvianus, in zijn boek de Piscium natura et præparatione [over de soorten vis en hun bereiding], dat in Rome in folio werd gedrukt in 1554 en de prachtigste platen bevat, vindt het vlees van de karper enkel water en slijm. Paulus Jovius anderzijds, terwijl hij zeelt afkeurt, vindt hem goed; dat doet ook Dupravius in zijn Boeken over Visvijvers. Frietagius prijst hem hogelijk als een uitstekend en gezond voedsel, en plaatst hem onder de eersterangsvissen; en zo ook de meesten van onze landjonkers, die in hun vijvers bijna geen andere vis uitzetten.


Maar dit meningsverschil wordt naar mijn oordeel makkelijk beslecht door Bruerinus, l. 22, c. 13. Het verschil komt voort uit de ligging en de aard van de vijvers die soms modderig, soms helder kunnen zijn; ze smaken al naargelang de plek waar ze gevangen zijn. Op ongeveer dezelfde manier mogen we wellicht oordelen over andere zoetwatervissen. Voor meer hierover, zie Rondoletius, Bellonius, Oribasius, lib. 7, I. 22, Isaac, l. 1, speciaal ook Hippolitus Salvianus, instar omnium solus, &c. [als een van de velen].


Wat er ook van zij, ze mogen dan gezond en goedgekeurd zijn, groot gebruik ervan is niet goed; P. Forestus in zijn medische observaties deelt ons mee dat de kartuizerbroeders, wier voedsel grotendeels uit vis bestaat, meer dan andere orden aan zwaarmoedigheid lijden, en dat had hij opgemerkt in zijn praktijk – hij was een tijd hun arts in Delft, in Holland. Hij illustreert dit met het voorbeeld van ene Buscodnese, een rossige kartuizer die er goed voorkwam, en die vanwege het solitaire leven en het eten van vis erdoor aangetast werd.

Robert Burton (1577-1650)
The Anatomy of Melancholy,
First Partition, Section 2.
Causes of Melancholy with a Digression of Spirits.
New York Review Books, 2001, pp. 219-220.

Trump en Charles&Diana



In het boekje dat Donald Trump geschreven heeft in 1987, The Art of the Deal, las ik ter ontspanning weer eens een paar bladzijden. Onderhoudend, dat wel, maar tenslotte zijn het verkooppraatjes en de eigenlijke tekst is van een zekere Tony Schwartz. Over de promotie van de Trump Tower, en de verkoop van appartementen vertelt hij ons het volgende, en ik vertaal het niet want die moeite is het niet waard:

(klik om te vergroten)

26 november 2016

Een seculier ritueel


Je vous parle d’un temps,
 que les moins de vingt ans ne peuvent pas connaître.

Vroeger, als er gegeten werd bij vrienden, lieten wij op de pick-up op de achtergrond vaak een LP met een speech van Fidel draaien, bij het aperitief. Een van die vrienden was namelijk bij het Cuba-comité, en had al die platen – uit de VS! Dat was smokkelwaar, en de etiketten vermeldden dat het om muziek ging: Hollywood Bowl Orchestra. Erg slimme truc.

Bij “la historia me absolverá” of “¡hasta la victoria siempre!”, wat nogal eens terugkwam in Fidel zijn speeches, lieten we de gastheer de naald dan even terugzetten, soms een paar keer, want dat waren zinnen die we verstonden.

Aan tafel zaten toen: een bioloog (‘uiterst rechts’ vonden wij hem, maar er was nog geen cordon uitgevonden), een andere bioloog zonder grote politieke overtuiging, een geoloog, ook apolitiek maar laten we zeggen centrum, ikzelf halfweg trotskist, halfweg anarchist en de gastheer (jurist) was een BSP-er. De vrouwen waren merkwaardig genoeg allemaal germanisten, op twee moralisten na.

Spaans kenden we dus niet, enkel de geoloog verstond het. Maar als iemand opperde dat Fidel stilaan eens mocht zwijgen, en dat het tijd werd voor Mozart, ontstond er vaak onenigheid en zelfs hoogoplopende twist, want er zaten een paar puristen bij die dan weer die of die uitvoering of zangeres streng afkeurden.

De speeches van Fidel, vaak onderbroken door minutenlang gejuich van de massa’s ook, waren een ritueel dat voor geen enkel ongenoegen zorgde, en zij verzachtten onze zeden.

22 november 2016

Taal is (bijna) alles


In de podcast van De Morgen hoorde ik Siegfried Bracke iets zeggen dat me zeer beviel. Het ging over de gebrekkige arbeidsparticipatie van allochtonen bij ons:

– Maar natuurlijk allez, ge weet toch wat het probleem is, hè? Het probleem is zelfs bij die hoger opgeleiden een taalprobleem! Dat is onnoemelijk groot hè! Een partij ...ge zijt toch nog altijd bij Groen, hè Jos? [Geysels]
– Ik zit hier als een individu natuurlijk hè!
– Ok, Groen is de promotor van de thuistaal. Waar ge dus het idee koestert dat je allochtone mensen beter Nederlands gaat leren spreken door het minder te gebruiken. Wat is me dát voor een redenering!



Nu is dat op zich geen bijzonder nieuw inzicht, taal staat vanzelfsprekend niet los van identiteit, ze is daar zelfs een bepalend deel van, naast religie, culturele traditie, ook erfelijkheid enzovoort. En behalve die erfelijkheid worden de andere zaken in taal uitgedrukt. Het is zelfs zo dat als je een taal goed leert, Engels, Frans, Duits, Latijn, Grieks of wat dan ook, dat je dan een beetje moet gaan denken als een Engelsman, Fransman of Duitser, of als een oude Romein of Athener. Of liever, je moét dat niet, je kunt eenvoudig niet anders, de taal zelf brengt je zover. Het gaat dan wel om een taal goed leren: zolang iemand enkel wat pidgin hanteert blijft zijn identiteit ongeveer wat ze was.

Maar die uitspraak beviel me zozeer, omdat ik Siegfried enkele jaren geleden iets hoorde verkondigen waar de haren mij toen bij te berge rezen:



Als de uitdrukking intussen niet zo journalistiek versleten was, zou ik zeggen dat we hier met voortschrijdend inzicht te maken hebben.

20 november 2016

Yann Moix, grof en intellectueel ridicuul


Voor wie mocht denken dat "le politiquement correct a changé de camp", een mening die je ook hier vaak leest en hoort,* is het misschien interessant het kruisverhoor te beluisteren dat Françoise Hardy onderging in de uitzending "On n'est pas couché" op France 2.
Scherprechter van dienst was hier Yann Moix, een onbeduidend auteurtje, een eeuwige belofte eigenlijk die zich een plekje op de televisie heeft weten te veroveren.


(Vertaling onderaan)

Yann Moix : Il y a une phrase, page 42, qui m’a interrogé. Vous dites : Dieu merci – c’est le cas de le dire** – il n’y a plus beaucoup de fanatiques dans les sociétés occidentales. Tout juste quelques catholiques intégristes, prêts à manifester contre le mariage homosexuel, mais pas à trucider ceux qui pensent autrement qu’eux.
Françoise Hardy : Oui.
Yann Moix : Bien, en ce moment vous pensez qu’il n’y a pas beaucoup de fanatiques dans les sociétés occidentales? Mais après, ...non mais je vous pose cette question…
Françoise Hardy : Il y en a moins que…
Yann Moix : …après le huit janvier, après le treize novembre, après le quatorze juillet. Je me demandais si cette phrase tombait à pic, en fait. Ou si vous étiez dans le coma à l’époque de ces trois attentats? [rires] Non, mais la question n’est pas méchante, c’est que cette phrase m’a fait sursauter…***
Françoise Hardy : euh-euh…
Yann Moix : …parce que le livre est bien, moi j’ai beaucoup aimé ce livre.
Françoise Hardy : Non, mais je, je voulais dire, bon, dans les pays occidentaux quand même la culture est judéo-chrétienne, elle n’est pas musulmane!
Yann Moix : Non mais je veux dire que c’est…
Françoise Hardy : Donc elle ne secrète plus… il y a eu beaucoup de terrorisme, de violences faits au nom de…
Yann Moix : Le vrai débat en somme c’est que peut-être la société occidentale qui a secrété ce terrorisme… religieux.***°
Françoise Hardy : Et bien non, …
Yann Moix : C’est peut-être une maladie des sociétés occidentales.
Françoise Hardy : Mais non, il sévit par tout le Moyen-Orient. Que je sache plus qu'ailleurs d’ ailleurs.
Yann Moix : Vous dites : il n’y a plus dans les sociétés occidentales – la France est une société occidentale, vous êtes d’accord?***°°
Françoise Hardy : Non mais…
Yann Moix : Mais s’il y a bien en ce moment un pays où il y a du fanatisme religieux, on va dire ça, vite fait, religieux parce que le débat est long.***°°°
Françoise Hardy : Mais moi je ne mets pas sur le même plan l’attitude des gens qui ont une culture judéo-chrétienne, et celle de certains musulmans! Pas tous, pas tous!
Yann Moix : La phrase est ambiguë.
Françoise Hardy : Mais non…
Yann Moix : Bon, la phrase est ambiguë.
Françoise Hardy : Mais non !
Yann Moix : Je trouve que la phrase est …
Françoise Hardy : Non !
Yann Moix : …est mal tournée parce que vous dites que… bon, bref, c'est rien. Je m'arrête.***°°°*
Françoise Hardy : Oui mais je pense aux pays européens, je pense…
Yann Moix : Alors ?
Françoise Hardy : Mais non, mais il y a du terrorisme mais qui vient d’ailleurs.
Yann Moix : Et bien, il vient de chez nous, oui? Des sociétés occidentales.***°°°**
Françoise Hardy : Oui, ça c’est vous qui le dites, je pense que…
Yann Moix : Et bien oui, en tant que Français, je m’étais…
Françoise Hardy : …ça ne vient pas tout à fait de chez nous.
Yann Moix : …aperçu qu’en France, sur le territoire français, par des Français, il y avait effectivement un fanatisme religieux. Et donc il n’avait pas tout à fait disparu puisqu’il fait, il a fait presque trois cents morts cette année en France, non ? Alors il y a des passages sur la…
Françoise Hardy : Oui, alors j’ai pas tout à fait la même vision que vous, mais c’est trop…
Yann Moix : C’est pas une vision, vous savez.***°°°***
Françoise Hardy : …chose délicate de parler de choses aussi graves de cette façon, hein !
Yann Moix : J’ai vécu les attentats comme tous les Français. Et je pense pas que le terrorisme, le fanatisme religieux ait disparu des sociétés occidentales, puisque c’est même là qu’il est apparu d’une certaine manière.
__________

* Ik denk hier bijvoorbeeld aan een zinnetje van Bart Eeckhout laatst: "Wie nu nog beweert dat het niet politiek correct is om de problemen met migratie en religieus fundamentalisme te benoemen, jaagt op spoken."
**  Françoise Hardy bracht net een boek uit waarin ze haar ziekte en relatieve genezing beschrijft: Un cadeau du ciel (Éditions des Équateurs).
*** Heel grappig en fijnzinnig, want Hardy werd inderdaad zeer lang in coma gebracht.
***° Voor zo'n Moix mag in geen geval het woord "muzelman" vallen als het over terrorisme gaat, vandaar die adempauze vóór "religieux", dat hij met tegenzin uitspreekt. Het is namelijk allemaal gewoon onze eigen schuld. En daarbij, Françoise Hardy "est plutôt de droite", en zo iemand moet je gedurig onderbreken en het spreken beletten.
***°° Hij voelt zich lekker, want het is ontegensprekelijk zo dat Frankrijk een Westers land is. Moix heeft trouwens ook wat filosofie gestudeerd, en dat komt hem hier van pas.
***°°° Geen tijd verliezen, religie heeft er niets mee te maken, maar leg dat eens uit aan zo'n wicht.
***°°°* Hij geeft het op, laat maar zitten: zoveel onbegrip, zelfs wanbegrip, daar kan ook een Moix niet tegenop.
***°°°** Natuurlijk, want die terroristen hadden meestal (ook) de Franse nationaliteit! Een weetje dat hij ons meegeeft.
***°°°*** Ook hier weer die filosofische vorming van hem. Een zinloze onderbreking weliswaar, maar hij zal ze in zijn grenzeloze superioriteit retorisch nuttig gevonden hebben.
____________

Op te merken valt nog dat dit gesprek 573 woorden telt, 
waarvan 376 van de narcist Moix afkomstig, 
zijnde bijna twee op de drie (65,5%).
____________

Yann Moix : Op pagina 42 staat er een zin waar ik me vragen bij stel. U zegt: In de Westerse maatschappijen zijn er godzijdank – dat woord is hier op zijn plaats – niet veel religieuze fanatici meer. Enkel nog een paar katholieke integristen die wel bereid zijn om te manifesteren tegen het homohuwelijk, maar niet om diegenen af te maken die er anders over denken dan zijzelf.
Françoise Hardy : Ja.
Yann Moix : Dus u denkt dat er niet veel fanatici zijn in de westerse maatschappijen? En dat na… kijk eens, ik stel u die vraag…
Françoise Hardy : Er zijn er minder dan…
Yann Moix : …na de achtste januari, na de dertiende. november, na de quatorze juillet. Ik vroeg me echt af of die zin wel te pas kwam. Of u was misschien in coma op het moment van die drie aanslagen? [gelach] Nee, die vraag is niet gemeen, het is dat die zin me deed opschrikken…
Françoise Hardy : Euh-euh…
Yann Moix : …want het boek is goed, ik hield er echt van.
Françoise Hardy : Nee, wat ik wilde zeggen, kijk in de westerse landen is de cultuur toch joods-christelijk, ze is niet mohammedaans!
Yann Moix : Inderdaad, maar wat ik wil zeggen is…
Françoise Hardy : Dus zij levert niet langer… er is veel terrorisme geweest, gewelddaden gepleegd in naam van…
Yann Moix : Het echte vraag is tenslotte of misschien niet de westerse maatschappij dat religieuze terrorisme heeft opgeleverd.
Françoise Hardy : Neen, zo is het niet…
Yann Moix : Het is misschien een ziekte van de westerse samenlevingen.
Françoise Hardy : Maar neen, het tiert in het hele Midden-Oosten. Ik meen overigens te weten meer daar dan elders.
Yann Moix : U zegt : er is in de westerse samenlevingen… Frankrijk is een westerse samenleving, daar bent u het toch mee eens?
Françoise Hardy : Ja maar…
Yann Moix : Maar als er nu op dit moment één land is met religieus fanatisme – laten we het om kort te gaan zo benoemen, want daar kun je lang over discussiëren.
Françoise Hardy : Maar ik plaats de opvattingen van mensen met een joods-christelijke cultuur niet op hetzelfde plan als die van bepaalde moslims! Niet allemaal, niet allemaal!
Yann Moix : De zin is ambigu.
Françoise Hardy : Maar neen…
Yann Moix : Bon, de zin is ambigu.
Françoise Hardy : Maar neen!
Yann Moix : Ik vind die zin…
Françoise Hardy : Neen!
Yann Moix : …slecht gevormd want u zegt… bon, bref, laat maar, ik stop ermee.
Françoise Hardy : Ja maar ik denk aan de Europese landen, ik denk…
Yann Moix : En wat dan?
Françoise Hardy : Maar er is toch terrorisme dat elders vandaan komt?
Yann Moix : Wel het komt van bij ons, niet? Uit de westerse samenlevingen.
Françoise Hardy : Ja, dat zegt u dan, maar ik denk…
Yann Moix : Wel inderdaad, als Fransman had ik gemerkt…
Françoise Hardy : …dat komt niet echt van bij ons.
Yann Moix : …gemerkt dat in Frankrijk, op Frans grondgebied, bij Fransen er daadwerkelijk een religieus fanatisme voorkomt. En dus was het niet compleet verdwenen want het heeft dit jaar in Frankrijk bijna driehonderd doden gemaakt, of niet? En dan zijn er passages over het…
Françoise Hardy : Ja, ik zal dan niet helemaal dezelfde visie hebben als u, maar het is …
Yann Moix : Een visie is dat niet, weet u.
Françoise Hardy : …onkies om over zulke zware zaken op zo’n manier te spreken, hè!
Yann Moix : Ik heb de aanslagen beleefd zoals elke Fransman. En ik denk niet dat het terrorisme, het religieuze fanatisme verdwenen is uit de westerse samenlevingen, want op een bepaalde manier is het precies daar dat het is opgedoken.


10 november 2016

Dawkins gooit het kind met het badwater weg


Het komt me voor dat Richard Dawkins, de evolutiebioloog die in 1976 wereldfaam verwierf met The Selfish Gene, daarnet op Twitter iets te ijverig de verdediging heeft opgenomen van de opiniepeilers. 
Dat deze moderne chiromanten er bij de voorspelling van de kiesuitslag in de Verenigde Staten stevig naast zaten, is volgens hem geheel te wijten aan de oneerlijkheid van de ondervraagden: “De mensen geneerden zich ervoor toe te geven dat ze Trump-aanhangers waren. Terecht overigens.”



Dawkins lijkt te vergeten dat de peilers ook bij de Brexit er stevig naast zaten. En er zijn zo veel voorbeelden te geven, uit alle landen.
Maar fundamenteler: als die oneerlijkheid de peilers inderdaad parten speelt, hoe denken ze die in het vervolg dan te omzeilen? Dawkins moet zich afvragen of het hier niet om een onvermijdelijke fout gaat, een systeemfout, een methode-fout? Want nu veroordeelt hij heel de sport van het opiniepeilen grondiger dan hijzelf misschien wil.

25 oktober 2016

Om het commentariaat uit zijn verwarring te helpen


Vandaag, als we de kranten mogen geloven, is afwijzing van de EU een rechts thema, maar in de vorige eeuw, in 1993 al gaf een linkse jongen, namelijk de hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer, Martin van Amerongen zijn oordeel over ‘Europa’.

– even terzijde: zoals men weet willen politici door gebruikmaking van die valse benaming beslag leggen op de grote erfenis van het historische Europa, en zo een soort legitimiteit afkopen voor hun eigen EU-constructie, ongeveer zoals anderen zonder, of met valse papieren Europa willen binnenkomen. Het spreekt dat ze met hun taalgebruik op slaafse navolging kunnen rekenen bij hun journalisten

Wat Van Amerongen in 1993 zei, was dit:*

“Echt, de enige enthousiastelingen voor Europa zijn de politici, met name diegenen onder hen die inmiddels op hun vaderlandse werkvertrek zijn uitgekeken. […] Heeft u trouwens ooit iemand (buiten het politieke circuit) ontmoet die zich bij het horen van het woord Europa vergenoegd in de handen wreef? Nee, zo iemand bestaat niet. Europa is een tijdverdrijf van beroepseuropeanen. De particulier die de twee-honderdvijftig pagina’s Maastrichts Euro-papiaments heeft gelezen is gek óf een Belg, om de woorden van de anti-Europeaan Hugo Brandt Corstius** te parafraseren.”

Volgens hem ging het bij die Europese constructie om een carte blanche die de burgers ter ondertekening voorgelegd kregen. Dat belette de Fransen noch de Nederlanders om tegen te stemmen, al hielden de eurocraten daarna geen rekening met hun mening, Giscard en Dehaene op kop. De Belgen hadden niets te stemmen want: “Als er een referendum komt, zal het debat over veel gaan, behalve over de grondwet zelf”, verklaarde di Rupo. En in de senaat wist Elio nog: “Een volksraadpleging kan het debat over Europa grondig verstoren. Het zal aanleiding geven tot xenofobe en zelfs racistische opmerkingen.” – hier zal hij vanzelfsprekend aan de Vlamingen gedacht hebben.
Elio was toen partijleider en de socialisten zaten in de regering, en ze waren honderd procent Belg en EU-gezind, carte blanche of niet.

Maar Van Amerongen had het in zoverre toch mis, dat vandaag blijkt dat je niet alle Belgen, en zelfs niet alle socialistische Belgen over één kam mag scheren. Magnette bijvoorbeeld al niet. Die wil graag een paar amendementen bij die CETA, die zijn Waalse gewest goed uitkomen.

Zijn houding zorgt bij de reguliere krantenjongens voor grote verwarring. Hun rustgevende denkschema’s liggen flink overhoop. Is Magnette nog een goede Belg, nu hij de federale regering zo in verlegenheid brengt? Of is hij een bekrompen regionalist, een nationalist zelfs? Je leest de meest bizarre interpretaties (over Vervoort zullen we het niet hebben, die stelt te weinig voor).
Waar het volgzame commentariaat het wel over eens lijkt te zijn, is dat iets dergelijks met Elio niet zou zijn voorgevallen. Dat Paul Magnette ten gronde gelijk heeft met zijn kritiek, geeft minder aanleiding tot commentaar. Liever heeft men het over “politieke spelletjes” zoals ze dan geheimzinnig schrijven.

Om onze editorialisten enige achtergrond te verschaffen bij hun twijfels over het goede-Belg-zijn van Magnette, en om in hun verwarde gedachten enige structuur aan te brengen is volgende opmerking van Rik Van Cauwelaert misschien nuttig:
“Meestal als hun partij in de oppositie zit, trekken de Waalse socialisten de regionalistische kaart […] Eenmaal in de nationale regering gaat de partij – en zeker na de scheiding van BSP en PSB in twee afzonderlijke partijen – telkens op een haast stalinistische wijze de unitaire toer op.”***
___________
* Een Helleveeg en andere kritische notities, Uitgeverij Jan Mets, 1993, p.124-5
** Hugo Brandt Corstius was een wiskundige, taalkundige, auteur en columnist. Hij schreef in verschillende bladen (Vrij Nederland, de Volkskrant, NRC Handelsblad) onder schuilnamen als Piet Grijs, Stoker of Battus. Hij werd zo gevreesd dat Karel van het Reve, als die zelf een stukje geschreven had, zich bang afvroeg “Wat zou HBC hiervan denken?”
*** Ils nous ont pris la Flandre, 2012, Pelckmans, p.9.

23 oktober 2016

Hoe een journalist inpakken?


Vaak hoor je over de een of andere brabbelende politicus zeggen: die kan wat mediatraining gebruiken. Maar net zo min als cursussen creatief schrijven (creative writing!) ooit een leesbare schrijver hebben opgeleverd, geloof ik dat mediacursussen een stuntel kunnen leren praten.
Ghèt et of ghèt et nie, om eens die voormalige kardinaal met zijn dikke kop te citeren  die alvast hier een waar woord sprak – en hijzelf “had het” overigens, vond hijzelf. 
Nu wil ik niet betwisten dat in sommige gevallen iemand er marginaal baat bij zou kunnen vinden om een schrijfcursus te volgen – toch als we de commentaar van Arjen Fortuin (NRC) bij Stefan Hertmans lezen* – maar praattraining leverde bij mijn weten nooit meer dan enkele benepen, schablonenhafte antwoordjes op.

Sommige politici hebben dan weer geen mediatraining nodig, en hebben die vermoedelijk ook nooit gekregen. Bij Pascal Vrebos op RTL kreeg Laurette Onkelinx een vraag over de besparingen van de regering, en Vrebos wees erop dat zijzelf destijds drieduizend mensen had laten afvloeien toen ze op Onderwijs zat.

Vooreerst prees Laurette de journalist voor zijn uitstekende geheugen, en zei hem dat ze geen keuze had toen. Daarna vroeg ze hem om haar in de ogen te kijken, en herhaalde dat ze geen keuze had gehad en wel door de schuld van de Vlamingen.
Zo moet je de zaken aanpakken, jongens en meisjes!



________

* [ik cursiveer] “Neem de zin ‘De befaamde Rocher du Cire – de steile, monumentale rots waar hoog en onbereikbaar de bijen zwermen en de steen in de zomerzon glimt van de honing die letterlijk van de rotswand druipt – staat er ongenaakbaar en desolaat bij, massief verzonken in de ochtendnevel.’ Behalve dat overbodige ‘letterlijk’ heeft de auteur hier zoveel adjectieven in zijn observatie gestopt dat het hem kennelijk niet is opgevallen dat hij die Rocher du Cire tegelijkertijd laat glimmen in een zomerzon én laat verzinken in een ochtendnevel. Zulk weer hebben wij thuis niet.
De zin staat op de eerste pagina van De bekeerlinge, de nieuwe roman van Stefan Hertmans, die ook in de volgende bladzijden opvalt door de hoeveelheid zintuiglijkheden die op de lezer neerdaalt.”

18 oktober 2016

Een amateur kan ook iets ontdekken


Op tien oktober hebben wij bij Klara de auteur Stefan Hertmans aan het woord gehoord. Heel leerzaam. In verband met de term ‘jihad’ bijvoorbeeld – een term die iedereen tegenwoordig wel eens in de mond neemt – had Stefan zaken ontdekt die de gezaghebbende Arabisten tot hiertoe ontgaan moeten zijn. Op vraag van Chantal Pattyn, die zei dat ze graag les geschiedenis kreeg, legde hij dat uit:

Het enige wat ik beweer, en wat ik ook te weten ben gekomen, is dat het gebruik van de term ‘jihad’ – wat eigenlijk ijver, toewijding, geloofsijver betekent – in de betekenis van ‘heilige oorlog’ pas is geïntroduceerd bij de belegering van Antiochië, die heel wreed is geweest, toen door de kruisvaarders. En het is toen Urbanus de Tweede in Clermont-Ferrand, in enfin, Clermont toen nog, heu, opriep tot een heilige oorlog […] dat iedereen is beginnen roepen Deus lo vult, God wil het, in het Zuid-Frans, in het Occitaans…



En de historicus Bernard Lewis mag dan wel geschreven hebben dat in de Koran jihad normaal verstaan wordt als ‘de oorlog verklaren’, en dat al van in de zevende-achtste eeuw jihad dus een militaire betekenis had, en verder mag Lewis nog zeggen dat “de overweldigende meerderheid van de klassieke theologen en juristen de verplichting tot jihad in zijn militaire betekenis verstaan” ...en ook mag hij daarin bijgetreden worden door de belangrijke hedendaagse theoloog-jurist [in de islam is dat niet te scheiden] Jāved Aḥmad G̲h̲āmidī, die net hetzelfde zegt: onze eigen Stefan Hertmans ziet dat anders.
En ook de zachtmoedige Averroës mag gezegd hebben dat «il s’agit d’une guerre concrète, nullement d’un ‘combat spirituel’» (ik citeer de Arabist Rémi Brague, La loi de Dieu, 2005, Gallimard, Folio Essais, p.290): onze eigen Stefaan Hertmans ziet dat anders.
Het is namelijk de schuld van de kruistochten en van Urbanus de Tweede dat het zover gekomen is.

We moeten aannemen dat Hertmans – onbewust mogen we hopen – zich zelfs distantieert van de voor alle moslims uiterst belangrijke en betrouwbare overlevering van imam Bukhari (810-870), met daarin de uitspraken en handelingen van hun profeet.
Volgens deze Mohammad ibn Ismail al-Bukhari moet de echte Mohammed gezegd hebben: “De beste jihad is die waarin je paard geveld wordt, en jouw bloed vergoten”.

Alles misschien toch nog eens nakijken Stefan, voor je weer over ijver en toewijding, of over Antiochië of over Urbanus begint, want de Duitsers laten zich niet vlug iets op de mouw spelden, en niemand wil jou in Frankfurt ergens tegen de lamp zien lopen, laat staan dat je weer een scheldbrief krijgt. We weten allemaal hoe gevoelig je daarvoor bent.

Een nog jonge mythe


De Franse Bask Arnaud Imatz is historicus en essayist. Enkele dagen geleden gaf hij een conferentie voor de Parijse Cercle Aristote, en zijn hoofdthema was de onbruikbaarheid van de begrippen 'links' en 'rechts'. In 1997 schreef hij een boek met als titel: Par-delà droite et gauche. Volgens Imatz is het verschil tussen links en rechts, vanuit historisch oogpunt minstens équivoque, onduidelijk, een term die hij van Aron leent. Ik vertaal het einde van zijn verhaal: 

Laat ik eindigen met de weerstanden tegen immigratie, aangezien dit een thema is dat ons bezighoudt. Ook hier moet u weten dat de traditie van republikeinse gastvrijheid en totale openheid een complete mythe is. Integendeel is nationale aanhorigheid lange tijd het voorkeursprincipe van iedereen, of van bijna iedereen geweest. Nationale aanhorigheid was zelfs een links principe in de jaren negentientwintig en -dertig, en later de algemene regel van iedereen, tot in de jaren tachtig en negentig. Ik praat wel eens met Spaanse vrienden die weet hebben van wat zich bij het einde van de Spaanse Burgeroorlog heeft afgespeeld. Wel, als zij in Frankrijk aankwamen, bestond die traditie nog niet. En wie was het ook alweer... Daladier stond aan het roer, en die traditie van openheid was er nog niet.
Zo werden tussen de twee oorlogen – om even concreet te worden – wetten aangenomen, een wet van 22 juli 1923, over het aanmoedigen van grote inlandse gezinnen; de wet van 11 augustus 1926 ter afscherming van de nationale arbeidsmarkt; de wet van 10 augustus 1932 ter bescherming van de werknemers.
In die periode van 1920 en ’30, eist de CGT* de meest strikte onbuigzaamheid ten aanzien van vreemdelingen, en werpt zich op als voorvechter van quota. In december 1936 laat de minister van binnenlandse zaken van het Front Populaire, Roger Salengro 10 decreten ter bescherming van de landgenoten-werknemers aannemen.** En nadat hij Léon Blum is opgevolgd doet de radicaal*** Daladier hetzelfde. In 1938 laat ook hij tientallen wetten en decreten aannemen die de inwijking en het verblijf van vreemdelingen op het nationale grondgebied op drastische manier regelen.
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog blijft de houding van de meerderheden ongewijzigd. De radicalen, de radicaal-socialisten, de socialisten en de christendemocraten gaan zo goed als allemaal akkoord om op de gevaren van immigratie te wijzen. Het is pas aan het eind van het tweede mandaat van Mitterrand en onder het presidentschap van Chirac dat de mythe van een republikeinse traditie van openheid en gastvrijheid is bedacht: een compleet verzinsel.


________
* Confédération Générale du Travail, socialistische vakbond.
** Dat moet postuum gebeurd zijn want hij stierf in november 1936 (zelfmoord na een lastercampagne uitgaand van de Action française).
*** Parti radical.

15 oktober 2016

Met sociologie kun je veel bewijzen


Bij TV-libertés ('Canal de Réinformation') kunt u kennismaken met alweer een Franse kandidaat-president. Maar deze weet op voorhand dat hij niet de nodige 500 handtekeningen van parlementsleden of burgemeesters zal kunnen verzamelen om echt op de stembiljetten te komen. Daar is hij veel te consequent voor. Het is de auteur Renaud Camus, in Vlaanderen zo goed als onbekend:

Martial Bild: U bent zoals we weten de heraut in de strijd tegen ‘le grand remplacement’ [de vervanging van een volk door een ander], maar telkens weer slaagt u er niet in om de beweringen van uw critici te laten voor wat ze zijn. Zij krijgen met andere woorden vrij spel om u telkens weer voor te houden dat de Zuiderse immigranten, waar u zo bang voor bent, tenslotte maar vijf procent van de bevolking uitmaken. En dat brengt een demograaf als Hervé Le Bras* ertoe om, als hij het over uw theorie heeft, deze met cijfers in de hand te omschrijven als  ‘een sinistere grap’. Slaagt u er toch in om weerwerk te bieden aan dat cijfermateriaal? Ik meen van niet, ik vind van niet.
Renaud Camus: Maar op dergelijke twisten ga ik helemaal niet in! Ik meen dat cijfers – en hier gaat het om een essentiële strijd – dat precies de cijfers ons nu al veertig of vijftig jaar, en in elk opzicht een volslagen leugen hebben voorgehouden. Herinner u de cijfers over het onderwijs, waarbij de sociologie erin slaagde te bewijzen dat het niveau daar steeg. Met als resultaat dat we ons nu in een totaal ruïnelandschap bevinden. Men slaagde erin met cijfers te bewijzen dat in ons land de delinquentie afnam. Met cijfers slaagde men erin te bewijzen dat er van langsom minder immigratie was. Op die manier zitten we nu in een land waarvan de bevolking zichtbaar anders is geworden. Dat verhaaltje over cijfers is totaal belachelijk. Werkelijk, ik meen dat precies de cijfers het instrument van de leugen zijn.
Maar daar werk ik helemaal niet mee, daar voel ik mij in het geheel niet toe geroepen. Waar het mij om gaat, is de waarneming, de kijk en het echte aanvoelen van de mensen. Met andere woorden hun pijn, hun leed helaas.
Te zien dat we ons land kwijtspelen is geen voorwerp van becijfering. Het is alsof men aan Jean Moulin** zou zeggen: u spreekt wel over een Duitse bezetting, maar kunt u departement per departement preciseren hoeveel Duitsers er in Frankrijk zijn? In die termen kun je de vraag absoluut niet stellen. Die vraag gaat over geschiedenis – en niet enkel over politiek – en het vraagstuk is in geen geval geëigend tot de sociologie. Ik meen dat de sociologie voor ‘le grand remplacement’, en voor het remplacisme*** in het algemeen, is geweest wat de biologie van Lysenko was voor het Stalinisme: het wezenlijke werktuig van de leugen. Uw Hervé Le Bras mag me dus met alle mogelijke namen bedenken, ik zal ze als een decoratie op mijn revers spelden.



__________
* Hervé Le Bras, Anatomie sociale de la France, Laffont, 2016, « Le Grand remplacement de la Race blanche ».
** Franse verzetsheld.
*** remplacisme is de bredere term, waarmee bedoeld wordt dat voor het mondiale kapitalisme individuen (in de eerste plaats arbeiders en bedienden) onderling inwisselbaar zijn. Ik weet niet of deze term van Camus nog bij "uiterst rechts" onder te brengen valt, de categorie waarin de media hem unaniem plaatsen.

13 oktober 2016

Overzicht van de Franse binnenlandse pers


Wat je vandaag bij ons in het nieuws en in de kranten vaak hoort of leest, zijn politici die zich verontschuldigen voor dingen die ze op hun kerfstok hebben, of voor dingen die ze op Twitter of elders verteld hebben, die ze verkeerd ingeschat hebben, of die slecht zijn overgekomen enzovoort. Soms, maar dat is uitzonderlijk, gaat  het ook over ernstige zaken, zoals misdaden tegen de mensheid of militaire ingrepen die verkeerd uitpakten. In elk geval maken politici dan ook goede voornemens, want zonder leidt berouw niet tot vergiffenis.
In andere landen gaat dat niet anders, het lijkt wel een mondiale plaag. Dat verontschuldigen is een stijlfiguur geworden, en als ergens één journalist een politicus ertoe kan bewegen, dan volgen al snel al zijn vakbroeders. Dat is met veel journalistieke dingen het geval, denken wij bijvoorbeeld aan het onnozele format van het fact checken, dat ze nu ook overal ter wereld hebben.
Maar goed, als dat in Frankrijk gebeurt is het toch wat vermakelijker en sierlijker dan elders, zeker als Natacha Polony op Europe1 het persoverzicht verzorgt:

Et oui, le confessionnal est par les temps qui courent le lieu le plus fréquenté de la République, s’amuse Jean-Louis Hervois dans la Charente Libre. Les journalistes y font office de curés – sauf à raconter les secrets sur tous les toits. François Hollande s’y révèle donc comme un pénitent ardent à dénoncer ses fautes. Toujours plein de bonnes résolutions, il résiste mal à la tentation ...du mensonge, cet accommodement avec les réalités qui offre la survie en politique.


Het is niet anders: in deze tijden is de biechtstoel de drukstbezochte plek in de Republiek, spot Jean-Louis Hervois in de Charente Libre. De journalisten spelen er voor pastoor – behalve dat ze de geheimen van alle daken schreeuwen. Gebrand om zijn fouten te bekennen, ontpopt François Hollande zich daar dus als boeteling. En al zit hij altijd vol goede voornemens, hij weerstaat moeilijk aan de verleiding van ...de leugen, dat akkoordje met de werkelijkheid dat in de politiek voor overleving zorgt.



PS: vandaag gaat Libération door over de desastreuze bavardages van de president, die in ademnood giftigheden over medestanders verspreidt. Hij heet daar: 'un esprit tranchant prisonnier d’un corps rond'. Ook noemde Hollande het justitieapparaat een «institution de lâcheté», woorden waar het Élysée geen commentaar bij geeft, maar ze evenmin ontkent.

6 oktober 2016

Schaken in Teheran


Men kan de vraag stellen of een apart wereldkampioenschap schaken voor vrouwen nodig is. Bij schaken komt het eropaan in een rustige zaal en gezeten op een goede stoel houtjes te verschuiven. Veel mannen doen dat graag, en vrouwen moeten daar evengoed toe in staat zijn. Een apart kampioenschap is dan ook bevreemdend en doet zelfs wat vernederend aan. Ook een titel als WGM (woman grandmaster) doet dat. Hij betekent tenslotte: niet echt grootmeester. De Hongaars-joodse Judit Polgar is wel gewoon grootmeester. Zij draait mee in de normale toernooien, en behoorde zelfs een tijdje tot de top tien op de wereldranglijst.

Weer een andere vraag is of je bij vrouwentoernooien de deelneemsters een bijkomende vernedering kunt aandoen, en hen verplichten een hoofddoek te dragen. Dat is wat er nu in Teheran gebeurt. Bij ons is zo’n hoofddoek altijd een vrijwillige keuze lees je in de krant, en juist een teken van zelfbewustzijn, van emancipatie, zelfs van integratie enzovoort, maar in Iran volstaan vrijwilligheid, zelfbewustzijn en emancipatie blijkbaar niet.
In de Süddeutsche Zeitung lezen we dat „die Einhaltung einer islamischen Kleiderordnung [wird] von der Justiz und der Religionspolizei weiterhin streng überwacht. Frauen ohne Kopftuch droht eine Geld- oder Haftstrafe. Allein 2014 wurden 3,6 Millionen Iranerinnen belangt, weil Haare und Nacken nicht ausreichend mit dem Hidschab bedeckt waren.“
[Aan het naleven van de islamitische kledijvoorschriften wordt door justitie en religieuze politie nog steeds streng de hand gehouden. Vrouwen zonder hoofddoek riskeren geld- of gevangenisstraffen. Enkel in 2014 werden 3,6 miljoen vrouwen voor de rechter gedaagd, omdat hun haar en nek niet afdoende bedekt was met de hidjab.]
Misschien ging de FIDE (Fédération Internationale des Échecs) ervan uit dat zo’n voorschrift maar om te lachen was, en ze wezen Teheran aan voor het toernooi. De voorzitter van de Wereldschaakbond, Kirsan Nikolajevitsj Iljoemzjinov, 54 jaar, is dan ook een merkwaardig figuur, steenrijk geworden op korte tijd, en een tijdje president geweest van de Russische autonome republiek Kalmukkië.
In zijn Moskouse appartement kreeg hij in september 1997 het bezoek van in het geel geklede buitenaardse wezens, die hem een tijdje ontvoerd hebben. Zij spraken een onbegrijpelijke taal en zo komt het dat Iljoemzjinov ons geen verdere inlichtingen kan geven over deze kwestie.
Blijft dat een aantal van de beste schaaksters het toernooi nu willen boycotten, enkel om dat “lapke stof” – om even Steve Stevaert aan te halen, nu we toch in buitenaardse sferen vertoeven.
Overigens mag er blijkbaar schaak worden gespeeld in Iran, al zegt de grootayatollah Al-Sayyid Ali al-Husseini al-Sistani dat het spel haram is, maar voor die wijsheden moet u hier klikken.

3 oktober 2016

Haring en Bokking


Vandaag eten wij niet zo vaak meer bokking als in de tijd van Luther. Laatst las ik de Tischreden van hem, uit een klein, handzaam boekje  ook zonder je voeten te bevochtigen bestaan er methoden om aan een zonovergoten strand de tijd door te brengen.
Doctor Martinus nu, trok ergens in zijn tafelredevoeringen een vergelijking tussen soldaten en gerookte haringen.
‘Landsknechten zijn onder de andere mensen als bokkingen tussen de haringen. Een bedorven haring levert altijd nog een bokking op. En wat verder nergens goed voor is, levert altijd nog een krijgsman.’

Soms zegt Luther ook het tegenovergestelde in zijn tafelgesprekken – die met wijn overgoten waren: dat was een gezegende, Schriftuurlijke drank ; weliswaar versmaadde Luther ook het bier niet, maar dat bleef een uitvinding van de mensen – en weet hij soldaten naar waarde te schatten, maar dat zou ons te ver voeren nu.

Wat een bokking juist is, zullen veel mensen niet meer weten, en daarom geef ik de definitie van de Duden: Bück|ling,  der; -s, -e [aus dem Niederd. < mniederd. bückinc, zu: bok = Bock (nach dem strengen Geruch)]: geräucherter Hering.

Die straffe reuk van de bok dus, en de verwijzing naar het Middelnederlands, maar het blijft een magere uitleg. Voor meer betrouwbare etymologische details kunnen we gelukkig bij Heinrich Heine terecht, die in zijn Harzreise zelf een bokking eet, en ons bij die gelegenheid meer duidelijkheid brengt:

In der »Krone« zu Klaustal hielt ich Mittag. Ich bekam frühlingsgrüne Petersiliensuppe, veilchenblauen Kohl, einen Kalbsbraten, groß wie der Chimborazo in Miniatur, sowie auch eine Art geräucherter Heringe, die Bückinge heißen, nach dem Namen ihres Erfinders, Wilhelm Bücking, der 1447 gestorben und um jener Erfindung willen von Karl V. so verehrt wurde, daß derselbe Anno 1556 von Middelburg nach Bievlied in Seeland reiste, bloß um dort das Grab dieses großen Mannes zu sehen. Wie herrlich schmeckt doch solch ein Gericht, wenn man die historischen Notizen dazu weiß und es selbst verzehrt!

Ik geef hiernaast (uit Heine en Holland, Ambo 1997) de vertaling van de grote Martin van Amerongen, die eerst nog enige filosofische toelichting geeft:

Die Chimborazo daargelaten, die kort daarvoor door Alexander von Humboldt bedwongen was (zie Die Vermessung der Welt, de werkelijk prachtige roman van Daniel Kehlmann), maar vanzelfsprekend doet het mij als Gentenaar ook plezier dat de verder zeer discutabele Keizer Karel deze bedevaart heeft ondernomen.


1 oktober 2016

Wat dacht men vierhonderd jaar geleden zoal?


Als iemand je vertelt dat hij The Anatomy of Melancholy van Robert Burton (°Leicestershire 1576 -✝Oxford 1640 – maar je ziet ook andere data) heeft gelezen, dan ben je niet verplicht hem te geloven. Niet dat zo iemand dan meteen een leugenaar is, maar hij bedoelt wellicht dat hij, zoals iedereen die bij zijn verstand wil blijven, stukjes eruit heeft gelezen, hier en daar en met tussenpozen een aantal bladzijden.*

Zelfs voor Dr. Johnson viel de lectuur soms wat zwaar (het zijn drie dichtbedrukte delen, samen 1412 bladzijden, doorspekt met Latijn en Grieks), al lezen we bij diens biograaf Boswell: ‘Burton's Anatomy of Melancholy, he said, was the only book that ever took him out of bed two hours sooner than he wished to rise.’**
[Burtons Anatomy of Melancholy, zei hij, was het enige boek dat hem ooit het bed had uitgejaagd, twee uur vroeger dan hij had willen opstaan]

Maar tegelijk vond de Doctor een paar honderd bladzijden verder toch ook: ‘Let him take a course of chymistry, or a course of rope-dancing, or a course of any thing to which he is inclined at the time. Let him contrive to have as many retreats for his mind as he can, as many things to which it can fly from itself. Burton’s Anatomy of Melancholy is a valuable work. It is, perhaps, overloaded with quotation. But there is a great spirit and great power in what Burton says, when he writes from his own mind.’
[Laat hem een cursus chemie volgen, of een cursus koorddansen, of om het even welke cursus waar hij op dat moment zijn zinnen op heeft gezet. Laat hem zoveel uitwegen uitbroeden voor zijn geest als hij maar kan, zoveel mogelijk plekken waar die zichzelf kan ontvluchten. Burtons Anatomy of Melancholy is een waardevol werk. Mogelijk is het wat overladen met citaten. Maar er zit een grote vitaliteit en een grote kracht in wat Burton zegt, als hij schrijft wat uit zijn eigen brein komt.]

En inderdaad, als Burton zelf spreekt en geen Grieken of Romeinen citeert, is hij bijzonder lucide, en vaak zelfs grappig.
Bij hem was er bijvoorbeeld nog geen spoor van de latere gedachte – vandaag heel gewoon bij mensen die geen geschiedenis meer kennen van voor hun eigen geboortedatum – dat terreur en moord niets met religie te maken hebben. Eerst wijst hij erop dat godsdienststichters altijd beginnen bij poor, stupid, illiterate persons, want ignorance is the mother of devotion:

‘So Mahomet did when he published his Alcoran, which is a piece of work (saith Bredenbachius)*** ‘full of nonsense, barbarism, confusion, without rhyme, reason, or any good composition, first published to a company of rude rustics, hog-rubbers,**** that had no discretion, judgment, art, or understanding, and is so still maintained.’ For it is a part of their policy to let no man comment, dare to dispute or call in question to this day any part of it, be it never so absurd, incredible, ridiculous, fabulous as it is, must be believed implicite,***** upon pain of death no man must dare to contradict it, ‘God and the emperor,’ &c.’ (deel III, hoofdstuk Religious Melancholy, p. 339)
[Net zo deed Mohammed het toen hij zijn koran afkondigde, wat een werk is (zegt Bredenbachius) ‘vol nonsens, barbaarsheid en wanorde, zonder samenhang of verstand of enige goede opbouw, en eerst verkondigd aan een gezelschap van ongelikte beren, boerenkinkels die geen onderscheid weten te maken, zonder oordeelsvermogen, vaardigheid of begrip, en dat is altijd zo gebleven.’ Want het maakt tot op de dag van vandaag deel uit van hun principe, dat geen mens bemerkingen worden toegestaan, of dat hij iets ervan mag betwisten of in twijfel trekken en – al mag het nog zo absurd, onaannemelijk, ridicuul, en verzonnen zijn – elk woord ervan moet in blind vertrouwen geloofd worden, en op straffe des doods moet niemand het wagen om het tegen te spreken, ‘God en de keizer, ‘ &c.’]

‘The Turks at this day count no better of us than of dogs, so they commonly call us giaours,****** infidels, miscreants, make that their main quarrel and cause of Christian persecution. If he will turn Turk, he shall be entertained as a brother, and had in good esteem, a Mussulman or a believer, which is a greater tie to them than any affinity or consanguinity.’ (p. 349)
[Niet hoger dan honden slaan de Turken (toen een term die op alle mohammedanen sloeg, mv) ons vandaag aan, en ze noemen ons dus giaours, ongelovigen, ketters, en voor hen is dat het belangrijkste twistpunt en de oorzaak van de christenvervolging. Wil iemand moslim worden, dan zal hij als een broeder behandeld worden, en als muzelman of gelovige in aanzien staan, en dat is voor hen een sterkere band dan welke affiniteit of bloedverwantschap ook.]

____________

* Robert Burton, The Anatomy of Melancholy, edited and with an introduction by Holbrook Jackson, and with a new introduction by William H. Glass, New York Review Book, 2001.
** Boswell (1740-1795), net zo goed als zijn onderwerp, is een man die het zonder voornaam kan stellen, al heette hij James: The Life of Dr.Johnson, Everyman’s Library, new edition, 1960, vol. I. p. 389).
*** Bredenbach, Tilmann, Duitse historicus en theoloog (1490-1559, geboortejaar is onzeker).
**** ‘A sneaking wretch’ (een gluiperige ellendeling) lees ik in een glossarium op het web, want ook mijn tweedelige Shorter Oxford English Dictionary liet mij hier in de steek. ‘A yokel, a country bumpkin’ vind ik ook: een boerenkinkel. Het woord is obsoleet, en men verwijst telkens enkel naar de Melancholy.
***** In a complicated or confused manner (Oxford Latin Dictionary).
****** De Encyclopædia Britannica gaf in 1911 volgende definitie (mijn cursivering): Giaour (a Turkish adaptation of the Persian gdwr or gbr, an infidel), a word used by the Turks to describe all who are not Muslims, with especial reference to Christians. The word, first employed as a term of contempt and reproach, has become so general that in most cases no insult is intended in its use; similarly, in parts of China, the term foreign devil has become void of offence. A strict analogy to giaour is found in the Arabic kafir, or unbeliever, which is so commonly in use as to have become the proper name of peoples and countries.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html