. De zesde juni had zijn rubriek als titel:
.
Eén vraag van het gesprek was, zoals vaker, hoe het mag komen dat onze islamitische gasten, ook van de
(Blijkbaar is dat niet enkel in Vlaanderen het geval, zoals onze journalisten graag concluderen uit
aan de islam zelf, of aan die cultuur, of anders aan de huwelijkspatronen die daarmee samenhangen, iets schort? Hoe komt het bijvoorbeeld dat
We vallen in het gesprek binnen, bij een repliek van Jourde aan zijn welmenende gespreksgenote die een paar spijtige insinuaties had gemaakt, die ik niet hoef te citeren aangezien zijn antwoord duidelijk genoeg is, en procedés als deze van Revel aan iedereen genoegzaam bekend zijn.
…zeker, daar ga ik mee akkoord. De socio-economische verklaring mag niet ontbreken, maar naar mijn smaak volstaat ze niet. Ik bedoel, dat onder omstandigheden –en soms zijn die omstandigheden nog redelijk gunstig, ook in voorstadsscholen– er inderdaad verval voorkomt, dat zoals u opmerkte duidelijk te wijten is aan onderinvestering, maar je ziet ook verval dat helaas direct aan het gedrag van de leerlingen te wijten is. Ook komt het voor, meen ik –en dat is een fenomeen van onze Tijd, niet enkel van de voorsteden– dat het moeilijk wordt om les te geven, dat was niet mijn geval, maar sommige collega’s ondervonden problemen, zag ik, om simpelweg les te geven, zelfs in goede omstandigheden. Dat wil zeggen om een boodschap te laten aanvaarden die inhoud wilde aanreiken, kennis wilde aanreiken. Van langs om meer wordt de lestijd besteed aan onderhandelingen mag je zeggen. Onderhandelingen over alles en nog wat: beginuur, einduur, ruzie met de buur, onderhandelingen verder over de inhoud van de les, dat heb je ook.
Maar wat ik wil zeggen: voor de sociale promotie, die je aan die, hoe zal ik het zeggen, aan die achtergestelde voorstadsbevolking kunt en moet toewensen ...is de school toch essentieel? Maar ze functioneert simpelweg niet, en als je het mij vraagt dan zijn het niet enkel socio-economische factoren die maken dat ze niet functioneert.
In even belangrijke mate ligt dat eerstens aan de onmogelijkheid om nog een boodschap over te brengen, om aandacht te wekken, wat tenslotte de enige manier is om kennis door te geven, en ook aan een bepaalde onderwijsfilosofie van de laatste twintig jaar, die beweert dat het de leerlingen zijn die aan de leraar iets moeten bijbrengen, en niet omgekeerd.
Daarstraks, in verband met culturele identiteit, hebt u mij voorgeworpen –en ik wil daar toch even bij stilstaan– u liet namelijk verstaan dat, ten gronde genomen, mijn redenering er in bestond om de oorzaak van deze problemen in de huidskleur, of de nationale of etnische afkomst te zoeken.
Die slag komt wat laag aan. Laat ik u even een paar zaken vertellen.
Nog maar net heb ik een proces gewonnen, tegen boeren van de Cantal, die aan mijn kinderen, zwarte kinderen, verwijten hadden gemaakt. Een proces wegens racisme.
Ik heb alfabetiseringsles gegeven, voor niets, in mijn vrije tijd, toen ik nog jong was, aan immigranten, van Maghrebijnse afkomst.
In de metro heb ik gevochten tegen lui die racistische, anti-Arabische praat verkochten.
Dat wil ik graag even kwijt.
Wat ik bedoel is, dat de essentialistische gedachtegang, de populaire en xenofobe essentialistische gedachtegang, die er in bestaat te zeggen dat …deze of gene populatie, dit of dat gedrag vertoont omdat het nu eenmaal zo is, aangeboren namelijk – dát is de Vijand! en net zo goed is de irenische gedachtegang, die erin bestaat te zeggen …ach wat, ik zie geen probleem – ook de Vijand!
Laat ik u een anekdote vertellen, ze is niet geheel naast de kwestie.
In een recent televisieprogramma zat ik tegenover de oud-adviseur van Lionel Jospin, en ik zei hem het volgende: toen ik leraar was in een technische humaniora in Nogent-sur-Oise, had ik een klas van koperslagers, voor honderd procent blank –Nogent-sur-Oise– die mij zegden: mijnheer, Arabieren, daar moeten wij niet van hebben want zij vallen ons aan, en bestelen ons.
Ik zei hen: kijk jongens –duidelijk populair essentialisme– ik zei hen: kijk jongens, hier is iets aan de hand, en dat moeten wij uit zien te klaren.
Nu zat er in een andere klas een jongeman, van Maghrebijnse komaf –ja, tenslotte is dát het probleem, en moet je het benoemen! want het is hun probleem, zij geven het die naam– en ik heb hen gezegd... (vooraf, ik heb die jongeman aangesproken, die vrij briljant was, vrij intelligent, die nadacht over dingen, en ik heb hem gevraagd: zou je bereid zijn om aan mijn klas van koperslagers, niet zo makkelijk, iets te vertellen over jouw situatie?).
Hij is gekomen, hij heeft hen inderdaad verteld over zijn problemen, en ze waren …niet overtuigd, zij waren uit hun lood geslagen. In elk geval, ze hebben zich een aantal vragen gesteld, over hoe hij dacht over de zaken.
Mijn indruk daarbij was, dat ik een daad van militant anti-racisme stelde, zoals ik mijn hele leven al had gedaan. Wat had nu die oud-adviseur van Jospin te vertellen, die recht over mij zat? “Mijnheer, ik beschouw het als onwaardig, dat een leraar bij herhaling het woord Arabier in de mond neemt!”
Het komt er dus op neer, dat wij graag een gekleurde maatschappij willen, maar wélke kleurtjes wij mengen willen we niet weten. Wij geven toe, of liever wij accepteren dat er problemen zijn, maar een naam aan die problemen geven doen we liever niet. Terwijl voor mij, en ik verontschuldig mij Alain Finkielkraut [onnodig, gaat u door], ik behoor tot die generatie voor dewelke vooruitgang, vrijheid, gelijkheid, strijd voor de vrouwenrechten, strijd tegen het racisme, zaken waren die een geheel vormden. Tenslotte stond die generatie achter de “Mars van de [tweede generatie- mv] Noord-Afrikanen”, stond achter “Touche pas à mon pote”.
En dan, zijn er in dié generatie een aantal mensen zich vragen beginnen te stellen.
Als je jonge mensen hebt zien betogen tegen de hachelijke arbeidstoestanden, en je die vervolgens in elkaar zag slaan onder kreten van “smerige blanken”, terwijl zij beroofd werden onder kreten van “smerige blanken”, door groepen die als het er op aankomt zichzelf –ik hoef dat niet te doen– etnisch definiëren …ik ben mij daar vragen beginnen bij stellen.
Als ik één, twee, drie, vier vriendinnen heb, die werken in voorstadsscholen, en die mij zeggen: Over de Shoa kan ik geen les geven! of jonge vrouwen die mij zeggen: ik word lastiggevallen op straat, ik wil niet lastiggevallen worden, en dan antwoorden ze mij: “Je moet je sluier maar omdoen!” …want ja, het betreft hier donkere vrouwen, en dus worden zij tot de Maghrebijnse gemeenschap gerekend, en als Maghrebijnsen zijn zij verplicht om de sluier te dragen, zo niet kunnen zij …rustig worden lastiggevallen.
Kijk, daar, plots, heb ik, een breuk gevoeld. Want het leek alsof de strijd die altijd de mijne al was geweest, voor die vooruitgang ...wel …er was een probleem.
En de vraag die ik mij toen stelde was, waarom sommigen van ons, sommige intellectuelen, die breuk weigeren te zien.
Misschien een idee voor de zoon van die andere 68-er, Goossens? een debat met deze Pierre Jourde, in zijn KVS ? Maar dan niet met zijn vader als tegenspeler, want die moet nog wat boterhammen eten.
.
.