24 mei 2013

Vrezen of versmaden ?


Journalisten en politici gebruiken dagelijks de term “islamofobie”. Zij vinden hem heel nuttig en hanteerbaar. Maar hem eens netjes definiëren, dat doen ze nooit. De term dekt willekeurig veel ladingen. Zoveel zelfs dat de vraag naar een definitie op zich al een symptoom van islamofobie zou kunnen zijn.

Nochtans, wie graag wil weten waar dit merkwaardige neologisme vandaan komt, of wie het begrip ooit gelanceerd heeft en waarom, die kan zonder veel moeite de geschiedenis ervan natrekken. Voor veertien dagen stond in Doorbraak al een aanzet daartoe: Mijnheer Vermeersch zevert.

De term weerstaat slecht aan analyse, zoveel is duidelijk. Om te beginnen aan taalkundige analyse niet, en nog slechter aan inhoudelijke analyse. “Islamofobie” wordt altijd in moreel afkeurende zin gebruikt, maar een fobie is een ziekteverschijnsel en moreel gesproken is een ziekte niet verwerpelijk.

Nu kun je zeggen: als het kind maar een naam heeft. Maar dan moet je minimaal toch weten over welk kind je het hebt. Eenzelfde naam voor een hoop kinderen schept verwarring.

Met het oog op intellectuele zindelijkheid zouden de journalisten en politici beter een ander woord in gebruik nemen, en ik wil voorstellen: islamospernie. Hier geen Griekse uitgang zoals “fobie”, maar een Latijnse, afkomstig van het werkwoord “spernere”: versmaden, afwijzen, verwerpen, geringschatten. Meteen is de morele afkeuring in de term zelf dan inbegrepen. 

Hij zou bijvoorbeeld goed toepasbaar zijn op Gustave Flaubert die in 1878 in een brief aan madame Roger des Genettes schreef dat hij “in naam van de Mensheid” graag zou zien dat de zwarte steen van Mekka vergruizeld, en het graf van Mohammed geschonden werd. “Op die manier zou men het Fanatisme kunnen ontmoedigen”, besloot hij.



Klaarblijkelijk vergat Flaubert dat Mohammed, gezeten op zijn paard ten hemel is opgenomen, en het paard zelf ook trouwens.
Gustave was zo te zien niet bang van de islam, maar van iemand die niet geïnteresseerd is in de historische feiten rond deze leer kun je in elk geval zeggen dat hij blijk geeft van islamospernie.

Toch zou het jammer zijn, mocht de term “islamofobie” totaal verdwijnen. In beperkte zin blijft hij bruikbaar, bijvoorbeeld voor mensen die heel bang zijn voor het woord “islam” zelf.
David Cameron, met zijn “sickening individuals”, of Rik Coolsaet, met zijn ontkenning van het bestaan van al Qaeda, of zelfs Ruth Joos die laatst donderdag op Radio1 in een gesprek van bijna tien minuten over de islamitische moordaanslag in Londen over alles en nog wat kwetterde en zuchtte en babbelde, maar het woord “islam” angstvallig heeft kunnen vermijden.

Drie duidelijke gevallen van islamofobie.

Stukje eerder verschenen in Doorbraak

18 mei 2013

Kleutergeld


Een vraag die de burger kan kwellen, is of de koperen eurocentjes behouden dienen te blijven of beter verdwijnen. De ernstigste krant van Vlaanderen, De Tijd titelde woensdag op pagina 8: “Europa wikt toekomst van verguisde eurocentjes”.
Een grote charme van die krant is dat hij een formaat heeft dat meerdere titels op één pagina toelaat. De lezer kan een keuze maken. Op dezelfde pagina kon je bijvoorbeeld ook lezen over Zwitserse banken, over de begroting van de EU, over die Syrische rebel die zijn tanden in een vijandelijk hart had gezet, over de actrice Angelina Jolie die aan de foto te zien haar lippen heeft laten bijvullen, over de Fitch-rating van Griekenland en over de Chinese troostmeisjes die in de Tweede Wereldoorlog de dappere Japanse soldaten ten dienste stonden.

Wij zullen ons enkel met de koperen muntjes bezighouden. Het slaan van die muntjes is een verlieslatende zaak zegt De Tijd. Enkel het aanmaken ervan heeft ons al één komma vier miljard euro gekost.

Akkoord, hun titel was licht misleidend want het artikel ging helemaal niet over het continent Europa maar over de EU, en binnen die EU dan nog enkel over de malheureuze eurolanden. Wel blijft de vraag wat zo’n centje echt waard is, en waar die waarde op berust.
Economisten vandaag geven allerlei antwoorden. Ze spreken over productiekosten, metaalwaarde, de tijd die winkeliers verliezen met het innen en wisselen van die muntjes. Dat zijn uiteenlopende dingen maar iedereen die geen economist is, voelt aan dat de redeneringen enigszins mank lopen en niet veel méér voorstellen dan wat je bij de bakker of in de krantenwinkel hoort. Hoe zijn ze aan hun som van 1,4 gekomen bijvoorbeeld?

In 1751 verscheen er, zogezegd in Milaan maar eigenlijk in Napels een boek, Della Moneta, waarin de waarde van geld, dus van goud, zilver, koper en papier op een heldere manier uit de doeken werd gedaan. Dat was eerder nooit gebeurd maar halfweg de XVIIIde eeuw was er een sterke toename van de geldhoeveelheid in allerlei vormen, echt geld, fiduciair geld, en de nood aan een algemene theorie werd duidelijk want noch de kleine man, noch zelfs de bankiers van die tijd snapten wat er allemaal aan de hand was. Wat zijn onwetendheid betreft, kan onze graaf Lippens dus naar illustere voorgangers verwijzen.

Maar de auteur van Della Moneta, Ferdinando Galiani, was toen pas 22 en hij besefte dat 22 te jong is om door iemand ernstig te worden genomen. Hij legde het nu zo aan dat zijn boek zogenaamd door een onbekende zestigjarige was geschreven, iemand die alles eerder had meegemaakt. Galiani liet op het titelblad trouwens ook 1750 drukken en niet 1751.

Zijn boek was een geweldig succes. Stukken eruit werden vertaald in het Frans, Engels, Duits. Men zocht verwoed naar die zestigjarige auteur, maar vond hem niet. Nog binnen het jaar kwam het bedrog aan het licht en Galiani was op slag een wetenschappelijke ster. Overal moest hij lezingen geven. Turgot, en veel later nog Marx en Schopenhauer citeerden hem.

En in 2005 verscheen er voor het eerst een volledige en prachtige Franse vertaling, met op de even bladzijden de oorspronkelijke Italiaanse tekst.

Het wonderlijke van Galiani is dat hij in al zijn helderheid ook nog verschrikkelijk grappig is. Over de waarde van geld geeft hij XVIIIde eeuwse salonconversaties weer, die je zo herkent. Zekerheden biedt Galiani niet –hij is een wetenschapper– en sommigen vonden hem daarom cynisch.
Maar dat het niet zo eenvoudig in zijn werk gaat met het afschaffen van kleine koperen muntjes, dat lezen we met veel plezier in zijn boek.*

De la Monnaie/Della Moneta
Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Ed. Economica, Paris, 2005

Stukje gisteren verschenen in Doorbraak

* De beginzin van boek één alleen al: J’ai décidé d’écrire et, selon que mes forces et mon talent le permettront, d’éclairer la nature et les qualités de la monnaie […].


15 mei 2013

L'état du dossier di Rupo


Ik heb altijd gedacht dat men di Rupo beter in het Frans kon interviewen, omdat de man geen Nederlands verstaat en nog minder kan spreken, maar nu blijkt het ook in het Frans niet mee te vallen. Hier is wat onze (je hoort dat bezittelijk voornaamwoord vaak op de Vlaamse zenders, en waarom ook niet) premier antwoordde op een vraag van een Luxemburgse journaliste, over de veiligheid van de kerncentrale in Tihange:

Alors que, c’est, tout ce que vous pourriez, zwzwz, d’après vous le problème de Tihanch [prononciation particulièrement belge de Tihange]. Je vais demander, hihihihi, je vais demander à la ministre de l’intérieur de vous répondre. Je suis ravi et je vous remercie de cette question, mais je, que seulement dirais-je là, le caractère, euh euh comment,  aussi percutant est inhabituel, mais ce n’est pas, ce n’est pas grave. La ministre connaît parfaitement la situation et va vous indiquer l’état du dossier.


Juncker, zelf ook geen grote democraat, keek toch wat verbaasd.





P.S.: "lou ravi", "le ravi": figuurtje van de Provençaalse kerststal. Een santon die de eenvoudige van geest voorstelt, de dorpsgek die nooit iets in te brengen heeft maar opgetogen is als hij erbij mag zijn; wordt voorgesteld met de armen opgestoken, "en ravissement".

8 mei 2013

“Islamofobie” bestaat binnenkort 10 jaar


Het wordt steeds moeilijker om een antwoord geven op de vraag wat nu de allerdomste, of de meest onbeschofte zin is die ooit uit de mond van Bert-A van de sp.a is gekomen. Muzikanten zullen hem misschien kwalijk nemen dat hij niet weet hoeveel mensen er in een kwintet zitten, maar dat is nog tot daaraantoe. Anderen zullen opmerken dat hij als enige de roman “De Nachten” van Gerard Reve kent, maar ook dat is niet erg. Niemand kan alles weten, en niet iedere kop bevat precies evenveel. Il faut de tout pour faire un monde, zegt de Fransman. “God moet zijn getal hebben”, zeggen wij.

Maar een zin als:
Mijnheer Vermeersch, je doet, je doet aan euh, euh kom, ge zijt aan het zeveren, ge zijt ónvoorstelbaar aan het zeveren, is van een heel andere orde. Hier is het geen kwestie meer van verstand of gebrek aan verstand. Hier gaat het over beschaving.
Te zijner verontschuldiging: Bert-A zat in zijn tv-gesprek met Etienne Vermeersch enigszins in de nesten, want hij wilde het over “islamofobie” hebben maar kon die term niet duidelijk uitgelegd krijgen.
Toch vond Bert-A dat de professor zelf aardig in de buurt kwam van zijn intuïtieve begrip:

Bert-A: Ja maar, gô, nogmaals, het is niet aan mij om te gaan bepalen of mijnheer Vermeersch islamofoob is, ik heb het gevoel dat hij alles doet om islamofoob over te komen.
Prof. Vermeersch: Nee.
Bert-A: U doet er alles aan, jawel, jawel, u doet er alles aan, jawel. […] Je hebt een hemels genoegen om mensen te kwetsen.
Prof. Vermeersch: De islam is geen mens, maar een systeem. 


Nu is een definitie van “islamofobie” helemaal niet zo moeilijk te vinden, en alvast een doctorandus mag daartoe in staat worden geacht zelfs als het een doctorandus is die de vormen “jij”, “gij” en “u” niet uit elkaar weet te houden.
Laten we hem even helpen, en bijna tien jaar in de tijd
teruggaan.
In 2004 was Turkije gastheer van de 31ste zitting van de Islamitische Conferentie der Ministers van Buitenlandse Zaken, en daar kreeg het begrip “islamofobie” een soort definitie. Deze conferentie van 53 landen, waaronder enkele van de meest wrede dictaturen op aarde, vond dat het begrip “mensenrechten”, zoals bijvoorbeeld de UNO dit hanteert, ondergeschikt moest blijven aan de sharia, die immers van goddelijke oorsprong is. Gastheer Recep Tayyip Erdoğan zei bij deze gelegenheid dat de sharia een “waardevolle verrijking” was voor het begrip mensenrechten, en hij steunde dus een resolutie waarin de EU als “islamofoob” veroordeeld werd omdat de EU de steniging verwerpt. Dat was beledigend voor de islam, een duidelijk geval van “islamofobie”.

Nu goed, dat weet Bert-A allemaal niet, want ik neem aan dat ook hij de steniging hier niet ingevoerd wil zien. Misschien leert onze man wel iets uit de volgende paragrafen, geschreven door de geleerde broer van Gerard Reve, Karel.

In 1990 bestond de term “islamofobie” nog niet, maar wat Karel van het Reve toen schreef, zou daar nu zeker onder vallen: 

Stel iemand zegt of schrijft iets smalends en lasterlijks over Neptunus? Of over Tiberius? Tiberius is na zijn dood tot god verklaard. Caligula al tijdens zijn leven. Moet daarom het uitgeven van Tacitus en Suetonius verboden worden door de rechter?

In Dantes Inferno (XXVIII, 22sqq.) wordt Mohammed telkens opnieuw van kop tot kont door een zwaard gespleten, zodat zijn darmen ('l triste sacco/che merda fa di quel che se trangugia': de treurige zak die poep maakt van wat hij opslokt) uit zijn lijf hangen. Smalende laster zou ik zeggen. Moeten wij er nu begrip voor hebben als Dantes graf in Ravenna door gekwetste volgelingen van de profeet verwoest wordt? […]
Dat mensen goden en profeten willen aanbidden, al dan niet met gebruik van afgodsbeelden, is hun zaak. Maar anderen moeten de volle vrijheid hebben om daar smalende en lasterlijke opmerkingen over te maken. Natuurlijk is het onaardig om voortdurend gelovigen te pesten, en het is redelijk om iemands lichtgeraaktheid te ontzien, of het nu zijn gedichten, zijn moeder, zijn god, zijn inkomen of zijn oorlogsverleden betreft – maar je mening moet je kunnen zeggen, ook op smalende toon, lichtgeraaktheid of niet.



De Ondergang van het Morgenland
G.A. van Oorschot, Amsterdam 1990, pp.197-8
en in: Verzameld Werk, deel 6, Amsterdam 2011, pp.352-3


Stukje verschenen in Doorbraak

1 mei 2013

Willem-Alexander vertelt


Tot voor kort kenden de meesten onder ons, Belgen, Willem-Alexander enkel als de man van de mooie Maxima. Enkelingen hadden misschien ook weet van hun drie mooie dochtertjes.

Maar hier volkomen onbekend is het, dat deze Willem-Alexander het als zijn plicht beschouwde om zijn dochtertjes elke avond, terwijl zij in hun bedjes lagen, een stukje uit de Vaderlandse Geschiedenis te verhalen. Het schoolse onderwijs vertrouwde de prins namelijk niet, en zeker geschiedenisles gaf hij liever zelf want, vond hij: 

Dat alles is zoals het is,
komt voort uit de geschiedenis. 

Deze prinselijke vertellingen zouden voor altijd verloren zijn gegaan –wij zouden er nooit iets van vernomen hebben– als niet de dichters Jean-Pierre Rawie en Driek van Wissen ze voor ons hadden opgetekend.
Ze deden dat in drie bundels. Eerst in “De Opkomst van de Nederlandse Republiek”, dan in “De Gouden Eeuw” en tot slot in “Van Willem III tot Willem III”, dat begint in 1672 en eindigt in het revolutiejaar 1848.
Die eerste twee deeltjes zijn uitverkocht. Ze verschenen bij Bert Bakker, 2005 en 2007. Prometheus gaf deel drie uit, en dat is nog voorradig. Samengenomen hebben wij nu de “Rijmkroniek des Vaderlands”.
Door het schielijk overlijden van Driek van Wissen in 2010 komt er helaas geen vierde boekje meer, maar in deel drie geeft Willem-Alexander aan ons Belgen een afdoende verklaring voor de Secessie van 1830: omdat het hun aan brein ontbrak”.
En hij verduidelijkt: 

 …in Brussel liep het schorem
na het horen van een opera

(waarin opstandig zaad gezaaid
en luidkeels oproer werd gekraaid)
zomaar de straat op. En het tuig
ging met gesakker en gejuich
zich aan misplaatst geweld te buiten:
gestenigd sneuvelden de ruiten… 

Willem III had de noodlottige scheiding van Zuid en Noord wellicht nog kunnen voorkomen, als niet de snode Franse koning Louis-Philippe toen had ingegrepen:

Hij wilde tussenbeide komen
en koos als Fransman arrogant
de Belgische verkeerde kant.
Zo raakten wij, de prins ten spijt,
de helft van onze natie kwijt
en stortte buitenlandse druk
de Belgen in het ongeluk,
want tot op heden zitten die
nog met de Duitse dynastie
von Sachsen-Coburg opgescheept
waarmee geen echte Belg echt dweept,
er eventjes van uitgegaan
dat echte Belgen echt bestaan. 

En dan brengt Willem-Alexander een hommage aan een klassiek vers:

Toch werd het Zuiden zonder reden
wreed van het Noorden afgesneden,
maar niet het snijden deed zo’n pijn
als wel het afgesneden zijn.

Stukje verschenen in Doorbraak

30 april 2013

Het ene koningschap is het andere niet


“Constitutionele monarchie” is een moeilijk begrip. Je kunt je daar natuurlijk wel iets bij voorstellen, maar vermoedelijk zullen de gedachten dan naar noordse landen gaan.
Het minst noordelijke van die landen is Nederland, waar Willem-Alexander naar eigen zeggen helemaal vrede kan hebben met een louter symbolische rol.
In een land als België is de term puur theoretisch van aard, want de praktijk is totaal verschillend. Dat komt niet enkel omdat de Coburgs algemeen gesproken niet eens de taal van de meerderheid meester zijn of zelfs maar verstaan, en dat helemaal niet nodig vinden, maar ook omdat in dit namaakland de eerste de beste koninklijke kwezel zijn onconstitutionele macht kan laten voelen als hem dat invalt, en kan weigeren om parlementair goedgekeurde wetten te ondertekenen. “De pot op met uw constitutie”, zegt zo'n vorst dan eenvoudig, en daar blijft het bij. Belgen zijn onderdanen, geen burgers.
In Nederland is dat niet het geval, en al in 1836 vinden we daar een illustratie van. De uitspraken van Willem-Alexander over een puur ceremonieel koningschap zijn minder verrassend dan sommigen hier denken.
De voorganger van Willem-Alexander, Willem III, was zelf niet de meest gewillige democraat, maar de voorzitter van de ministerraad toen, Johan Rudolph Thorbecke, had hem toch enkele principes van dat systeem kunnen bijbrengen. Thorbecke was daarvoor hoogleraar geschiedenis geweest in Leiden, en nog daarvoor in Gent, een stad die hij helaas had moeten verlaten na het noodlottige jaar 1830.
Uit een loslippigheid, in 1836, van de Nederlandse ambassadeur in Sint-Petersburg, baron Claude de Heeckeren, weten wij dat koning Willem vond dat zijn kinderen slechte ideeën hadden opgedaan tijdens een lang verblijf aan het hof van tsaar Nikolaas (zijn neef). Zijn kinderen, vond Willem, waren “al te zeer onder de indruk gekomen van militair vertoon, en danig vervuld van absolutistische idealen, wat geen gunstige zaak is in een constitutionele staat.”
Die loslippigheid van de baron, die hij beging in een gezelschap van diplomaten, kwam vanzelfsprekend tsaar Nikolaas ter ore, en van Heeckeren zijn positie werd onhoudbaar, dat spreekt. 
Ook al omdat de baron een kwalijke rol zou hebben gespeeld bij het duel waar Poesjkin de dood vond –maar dat is een ander verhaal– was de tsaar blij dat hij deze Heeckeren kwijt was.

21 april 2013

Een goede Belg mag slechte verzen maken


Al zijn ze alomtegenwoordig, er zullen ook popmuziekjes bestaan die mij tot dusverre bespaard zijn gebleven. Misschien is dat inbeelding en hebben zij mijn trommelvliezen allemaal al getroffen, maar dan zal ik die ervaringen meteen verdrongen hebben want slagwerk, gitaren en een simplistische, repetitieve tekst maken een mens selectief doof. Laat staan dat die mens nieuwsgierig zou worden naar een titel, een zanger of een componist.

Je hoort bijvoorbeeld ergens een flard: Putain, putain c'est vachement bien, nous sommes quand même tous des Européens. Wie nog een beetje mens is en mededogen kent, gaat dan toch niet op zoek naar de naam van de schuldige?

Charles Aznavour schreef vorig jaar een boekje –Dune porte l’autre, Seuilmet daarin enkele beschouwingen over goede en slechte teksten:

À cette catégorie d’artistes, qui brille par le crétinisme de ses paroles, je ne saurais trop conseiller de revoir son répertoire: des phrases à la limite du non-sens (ou simplement du néant), une versification à faire tourner dans leur tombe les plus grands de nos poètes, tout y passe.
Adieu Ronsard, Baudelaire, Apollinaire, Hugo, Verlaine. Au revoir Brassens, Ferré, Trenet, Gainsbourg. Et tant d’autres…

Nu vraag ik mij af wat Aznavour zou vinden van het volgende versje van zekere Daan: ...la vraie décadence, c’est de ne pas dire ce qu’on pense.

Deze Daan, lezen we bij deredactie.be zingt «…in de taal van Molière, Louis de Funès, Claude François en Michel Houellebecq. De herinnering aan Serge Gainsbourg is soms heel dichtbij.»
Ik begrijp: goed of slecht, zijn plaat zal vaak gedraaid worden.

Volgens De Standaard heeft Daan hier «…zijn grenzen overschreden, zowel van zijn stembereik als van zijn gevoel voor kitsch en humor. […] Tekstueel is het een verwrongen, diepgravende en vaak gepijnigde exegese van de eigen gevoelens.» 

Nog diplomatischer kun je verveling niet uitdrukken.

15 april 2013

Een lichtzinnige professor (caput III)


In de uitzending van het Vrije Woord op Radio1 kwam de toetreding van Kroatië tot de EU aan bod, en ze vroegen daar aan prof.dr. Hendrik Vos wat nu het voordeel van die toetreding zou zijn voor dat land.
Vos, moet u weten, is een specialist ter zake want hij beoefent een bepaalde wetenschap, tenminste als we dat woord in zijn breedste betekenis nemen en de politicologie daar ook bij rekenen, naast misschien de astrologie en de chiromantie.
Deze taxonomische vraag nog daargelaten: Hendrik zei sterke dingen over Portugal en Spanje en Griekenland, maar een duidelijk antwoord op de vraag naar de beweegredenen van Kroatië kwam er volgens mij niet uit zijn mond. Misschien luistert u beter, lezer:



Je merkt als landen lid worden van de Europese Unie dat zij enorm aan, ja aan stabiliteit en democratie winnen, hé! Kijk naar landen zoals Spanje, Portugal, Griekenland. Je merkt ook dat landen als zij lid worden van de Europese Unie over het algemeen ook aan welvaart winnen. Soms is dat een spectaculaire sprong die ze vooruit maken, soms maken ze die sprong snel, soms duurt het wat langer, maar landen …ja worden daarom wel graag lid van de Europese Unie en zijn zelfs bereid om heel veel macht af te staan aan Brussel en Straatsburg om toch maar bij die club te kunnen komen. Dus het moet toch zijn dat ze daar zelf op een of andere manier voordeel in zien.

12 april 2013

Anabaptisten aan het werk


In Gent heeft men –het is te zeggen, heeft het stadsbestuur– al een tijdje de gewoonte aangenomen om aan de oude namen van pleinen en straten, bijvoorbeeld Korenmarkt of Lievekaai, een moderne benaming toe te voegen, iets van eigen vinding.

Zo is er op de Lievekaai al jaren een plaat te zien –net een straatnaambord, ook zwart-wit en zelfde lettertype– en die mooie plek met de wilgenrij heet sindsdien “Kinderrechtenplein”, al is het vanzelfsprekend een kade en geen plein, want als je kinderen onbewaakt op dat plein zou laten spelen, zouden ze nog in het water kunnen sukkelen en in de Lieve verdrinken.

Een dergelijke benaming is een programma op zich, dat spreekt, en op dat bord staat dan ook een hele uitleg die ik u bespaar, lezer.

Ook de Koornmarkt, of Korenmarkt heeft een sentimenteel-moralistische benaming gekregen van onze wederdopers. Op het neogotische postgebouw daar, met die prachtige lokettenzaal vroeger, nu een zompige boel, heeft men een namaakstraatnaambord geschroefd dat zegt: “Plein tegen Zinloos Geweld”.

Misschien hebben de anabaptisten van het stadsbestuur elders in de stad nog wel meer borden vastgeschroefd, en hebben de Gentenaars zonder het te weten nu ergens een “Plein tegen Oorlog”, of een “Straat tegen Honger in de Wereld”? En over het onnozele inschrift dat op het Sint-Veerlepleintje te zien is, hadden we het eerder al. 

Maar dat Gent een prachtige stad is, dat blijft onverkort waar. Ook de onnozelste op- of inschriften kunnen dat niet bederven. Kijk maar naar de Lievekaai, zoals zij vanochtend schitterde in de natte zon. Hoogstens schort hier misschien nog iets aan de vuilnisophaling, want met de zon komen ook de vaste clochards terug, met hun corablikjes, hun hamburgers en hun gelal. Onverdeeld kwalijk kun je hun aanwezigheid overigens niet noemen, want zij houden de toeristen enigszins weg van deze mooie plek.














11 april 2013

Lucratieve jongeren


Op deredactie.be las ik dat de onderzoeker en imam Brahim Laytouss het geen goed idee vindt om de idealistische nieuwe Oostfrontstrijders hun identiteitsbewijs af te nemen. Wat overigens deze Laytouss precies onderzoekt, vernemen we daar niet, en ook lijken ze bij deredactie niet goed verstaan te hebben wat de man op hun eigen radio zei:
"Laytouss waarschuwt dat veel jongeren inventief genoeg zijn om ook zonder identiteitskaart achterpoortjes te vinden om hun papieren in orde te brengen."



Maar
Laytouss heeft het over lucratieve jongeren, niet over inventieve. Nu kan "lucratieve jongeren" eigenlijk niet, want dat woord slaat niet op personen maar wel op ondernemingen, beroepen, beleggingen enzovoort. Goed zou bijvoorbeeld zijn: "Een spaarboekje is heel lucratief".

Als Freud gelijk had met zijn bewering dat versprekingen of Fehlleistungen vaak onbewuste gedachten of wensen of drijfveren aan het licht brengen, dan bedoelde onze onderzoeker-en-imam wellicht te zeggen dat deze jongeren makkelijk aan geld komen en dus ook aan valse papieren.

De jonge Eyskens zegt weer iets


Op zich kan het zeker geen kwaad om af en toe een komische noot in te lassen in een ernstig programma. Integendeel eigenlijk. En of die noot dan van de jonge Eyskens moet komen of van een andere, ongeveer even verstandige prof maakt niet zoveel uit. Als ik bijvoorbeeld moest kiezen tussen Eyskens en ...neem nu Coolsaet, dan zou ik ook onze Mark nemen.
Nee, het was toch die kritiekloze, journalistieke toevoeging aan het eind van Mark zijn gebazel die mij stoorde:

Alles slaagde, ook die oorlog met Argentinië, haar economisch beleid had resultaten enzovoorts, maar: ze werd arrogant, euh, een beetje machts-dronkennn, ze kreeg onfeilbaarheidsss-gevoelens!
En das gevaarlijk hé! 

Misschien had die brave jongen, gesteld dat hij daarvan op de hoogte was, aan deze ijdeltuit ook iets kunnen vragen over Bobby Sands? Of nee, liever niet want dan komen we weer gevaarlijk dicht bij thema's die, hoewel minder scherp, ook hier gevoelig liggen voor zijn stervende partijtje.



6 april 2013

Quaregnon of Knokke ?


De Tijd geeft elke week ruimte aan Rik Van Cauwelaert voor zijn opiniebijdrage “Paleis der Natie”. Vandaag is de titel van zijn stuk:
“De SP.a en de oude waarden”. Het staat op pagina 15 en gaat over de problemen van een partij die “haar ijkpunten kwijt is”.

Van Cauwelaert begint met een oud citaat van Mark Elchardus, die het toen had over globalisering, vrije markt, migratie en dergelijke. Allemaal zaken die bij het intussen verdwenen traditioneel-socialistische kiespubliek moeilijk lagen, maar niet bij de partijleiding. Rik Van Cauwelaert:

Voorzitter Steve Stevaert wilde het socialisme gezellig houden. En gezellig is het nog steeds voor de kosmopolitische elite die dagelijks in verbinding staat met de rest van de wereld, zoals beschreven door Elchardus’ Berkeley-collega Manuel Castells.

Maar, is dat wel zo? van die kosmopolitische elite die zich kostelijk vermaakt? zou die echt bestaan? Voor een antwoord op deze vragen moeten we even opzij kijken en pagina 14 lezen, links bovenaan.

Want, op bestelling moet je haast geloven, illustreert daar Frank Van Massenhove –baas van de Sociale Zekerheid– de reëel bestaande Stevaertse socialistische gezelligheid.

Columnist Frank heeft namelijk in Knokke een tapasbar ontdekt, en hij kan zijn kosmopolitisch enthousiasme niet op: ...een tapasrestaurant dat je eerder in Downtown San Francisco of het Londense West End zou verwachten.”

Hij roemt en looft en prijst de Knokse koks, vergelijkt hen met stervoetballers, met deejays, met alles en nog wat, want zo’n column moet een bepaalde lengte hebben en met enkel tapas lukt dat niet. Ook het grootste schrijftalent zou dan passen.

De columnist noemt zijn tapaskoks –en meteen ook die diskjockeys “het prototype van de nieuwe entrepreneur. […] Ze zijn passie én fun, ze zijn van hier maar nog meer van de wereld.”

Knokke is zo te zien een betere plek dan Quaregnon om aan een nieuw charter te werken.

30 maart 2013

Een Frans geluid


Al vermoed ik dat François Hollande, in tegenstelling met onze Elio, nooit is verschenen op de feestjes in de Belgische ambassade in de tijd dat Zijne Excellentie Pierre-Dominique Schmidt daar nog onze vertegenwoordiger was, en er daar behalve de Parijse lucht nog veel andere dingen te snuiven waren en vele donkere krochten te exploreren, tóch lijkt de Franse president, die meer belangstelling heeft voor wezens als Valérie Trierweiler –van Julie Gayet was toen nog geen sprake– toch lijkt François goed te weten hoe het met ons vaderland is gesteld. 
Ik hoorde hem in zijn entretien met David Pujadas op France2 twee keer het woord België uitspreken. Beide malen in ongunstige zin.
Als Elio die misvatting van François wil rechtzetten, dan zou ik hem graag aanraden om, ter afwisseling, in onze ambassade eens een feestje te organiseren waar François kan verschijnen met Valérie – of met Julie, dat hangt van hemzelf af natuurlijk.
Want wat François daar op de televisie vertelde, dat horen wij niet graag: 



L’Europe est en récession. En récession. C'est-à-dire que l’Italie, l’Espagne, le Portugal, la Belgique, le Royaume-Uni, c’est pas une croissance que ces pays connaissent, c’est une récession! Nous, on ne va pas s’en vanter, on est croissance zéro, nulle.

Europa zit in een recessie. In een recessie. Nemen we Italië, Spanje, Portugal, België, het Verenigd Koninkrijk: wat deze landen kennen is geen groei, het is een recessie. Wij, zonder te willen bluffen, zitten op een nulgroei, houden stand.



Aujourd’hui, prolonger l’austérité, c’est le risque de ne pas aboutir à réduire les déficits, et la certitude d’avoir des gouvernements impopulaires, dont les populistes ne feront qu’une bouchée, le moment venu.
Mais qui vous entendez? 
Alors! ceux qui sont concernés! l’Espagne, l’Italie, Portugal, euh, Belgique.

Vandaag doorgaan met bezuinigingen, houdt het risico in dat wij er niet toe zullen komen om de tekorten terug te dringen, en het bezorgt ons met zekerheid onpopulaire regeringen die als het moment er is door de populisten moeiteloos opgeslokt zullen worden.
Wie bedoelt u dan?
Hoezo? diegenen die het aangaat! Spanje, Italië, Portugal, euh, België.

Een aankomende filosoof


De naam Thomas Decreus zegt u misschien nog niets, maar dat is een aankomende Belgische filosoof. Geen kamergeleerde, want al in januari 2011 –amper 26 was hij toen!– trad hij naar voren als een van de initiatiefnemers van de SHAME-betoging, waarin volgens de kranten 36.000 mensen meeliepen, allemaal verontwaardigd en kwaad omdat er maar geen echte federale regering wilde komen.
Goede overzichtsfoto’s van deze massa hebben de kranten helaas niet afgedrukt, en juist door het ontbreken daarvan, of door de schaarse beelden die we wél konden zien –genomen vanaf schouderhoogte– kregen velen het vermoeden dat het hooguit om enkele duizenden Franstaligen ging, weliswaar in het gezelschap van enkele tientallen Vlamingen, zoals onze filosoof Decreus.

Een jaar later waren het volgens de PVDA (Amada voor de volwassenen onder ons) al “40.000 Walen, Vlamingen en Brusselaars [die] protesteerden tegen de politieke cultuur van de elite.” Waarom deze partij het overnamebod van de kranten met nog eens 11 procent verhoogde is onduidelijk.

Maar nu hoorde ik deze middag in het programma Trio van Klara een gesprek van deze filosoof met Johan Van Overtveldt van Trends. Dat gesprek was soms een beetje gênant want Decreus inmiddels al achtentwintig jaar oud vermoed ik gebruikte soms namen van collega’s van hem, Plato, Aristoteles enzovoort, en daarbij was hij niet altijd even plankvast.
Ook beweerde hij soms dat hij iets niet had gezegd, maar dan bleek dat hij het eerder wel al had geschreven. Aan het eind van het gespreksuurtje moest gastheer Werner Trio hem min of meer tegen zichzelf in bescherming nemen, want de jonge filosoof was in de immer vloeiende stroom van het gesprek enigszins op drift geraakt.
Werner zei, na alweer een sprongetje achteruit van Thomas: “Je gaat toch niet zeggen dat je dat alleen maar theoretisch bedoelt hé, want…”
Wellicht wilde Werner, zoals het een goede gastheer betaamt, hem een tweede afstraffing besparen, na deze eerdere:



Johan Van Overtveldt: Als ik zie dat in landen als België, Nederland, Frankrijk, het overheidsaandeel in heel het economisch gebeuren tussen de vijftig en de zestig procent zit, en dus die marktsector relatief gezien eigenlijk altijd minder belangrijk wordt, dan stel ik me de vraag of we vandaag al niet een situatie hebben waar het politieke gebeuren –in tegenstelling tot wat u beweert– wel degelijk en grote impact uitoefent op die markt.
Thomas Decreus: Maar ik heb het over een bepaald discours, ik heb het over een bepaalde ideologie die de zaken zo voorstelt, niet over de feitelijke situatie.
Johan Van Overtveldt: Wel, is het misschien toch niet zinvoller om ook eens naar de feitelijke situatie te kijken, en van daaruit dan eventueel terug te keren?
Thomas Decreus: Nee!
Johan Van Overtveldt: Dan moeten we toch gaan uitleggen wat er vandaag fout loopt, als het dus klopt, wat volgens mij zo is, dat de impact van de overheid op het economisch gebeuren nooit groter geweest is dan nu.

22 maart 2013

De President vindt democratie hinderlijk


Het mooiste citaat ongetwijfeld, uit het klankfragment hieronder –uit de Zevende Dag– is: "om da woord eens te gebruiken". Uitdrukking die onze President-dichter Herman Van Rompuy zich liet ontvallen. Het ging over legitimiteit.
Maar er zijn meer mooie dingen. Zo weet de President goed wat het "algemeen belang" is. Hij weet dat zelfs daardoor zo goed, omdat hij niet verkozen is noch ooit moet worden.
Dat is een negatieve reden, bijna zelfs een bovennatuurlijke reden zegt de filosoof in mij. Wat zijn positieve bron van kennis mag zijn, verklapt Herman ons helaas niet. Het enige dat wij met zekerheid mogen weten, is dat zijn wijsheid niet uit de stembus is voortgekomen.
Ik ken een paar politieke denkers in wier gezelschap onze President Herman zich volkomen op zijn gemak zou voelen.



De Vadder: U bent een primus inter pares en u bent niet verkozen door de [ordinaire?] Europeaan, he?
De President: Nee, maar ik denk dat het ook maar best zo is. In die zin hebben de vaders van het Verdrag van Lissabon een wijze beslissing genomen. Kijkt, als ge direct verkozen zijt, dat geeft u natuurlijk een enorme democratische legitimiteit, om da woord eens te gebruiken. Dat is ook wel zo. Maar op den duur zijt ge meer bezig met úw verkiezing, en met uw herverkiezing, dan met het zoeken naar een compromis tussen de zevenentwintig regeringsleiders. Ik denk, iemand die niét verkozen is, heeft een handicap ten opzichte van zijn collega’s die allemaal verkozen zijn, weliswaar elk in hun land. Dat is een handicap, ik voel dat ook. Maar langs de andere kant: het is ook een enorme troef, want ik moet mij, ik moet mij alleen bezig houden met ervoor te zorgen dat we allemaal overeenkomen. En tot nu toe, in de moéilijke omstandigheden die we de laatste drie jaar hebben gehad, is dat telkens bijna, bijna telkens gelukt, om niet te zeggen bijna altijd gelukt. En dat is alleen maar omdat men …ja die ruimte heeft, euh, om niet alleen aan zichzelf te moeten denken, aan zijn eigen verkiezing en herverkiezing, maar vooral te kunnen denken aan wat het algemeen belang is.
De Vadder: Ja, dus geen pleidooi om die functie rechtstreeks te laten verkiezen?
De President: Nee, daarvoor moet ge het Verdrag wijzigen, en ik denk dat daar nog veel water door vele rivieren zal vloeien, vooraleer dat men aan een nieuwe verdragswijziging...  [&c.]


20 maart 2013

Reynebeau en het inpikken van andermans termen


Tot grote voldoening van de twitterende Noël Slangen schreef Marc Reynebeau vandaag in De Standaard:
"In diezelfde lijn zocht de N-VA andere, verhullende woorden voor haar separatisme. Opdat ze onschadelijk zouden ogen, kaapte ze die bij haar politieke opponenten."
Dat is mogelijk, ik wil dat niet ontkennen, maar over het kapen van andermans termen zou Reynebeau toch beter zijn mond houden.

Zoals ik hier eerder al aantoonde –maar voor hem onvoldoende duidelijk– is hijzelf een meesterdief. En de man gelooft ook dat door de herhaling van een leugen, deze op den duur waarheid wordt.
Dat laatste klopt, en zo komt het bijvoorbeeld dat de meeste journalisten nu braaf geloven dat Reynebeau de uitvinder is van het begrip lasagne-identiteit.
Tenslotte pronkt hij overal met dat begrip en dus moet het wel waar zijn. Zo werken journalisten eenmaal: op gezag. Feiten moeten zichzelf maar zien te redden.
En omdat het gedrukte woord voor Reynebeau kennelijk niet volstaat, geef ik hieronder een geluidsbestandje, een fragment uit een lang gesprek dat Jean-Pierre Rondas had met Matthias Storme, de achtentwintigste december van het jaar tweeduizend en vier. In januari tweeduizend en vijf ging dat fragment “op antenne” zoals men zegt, en een paar weken daarna vond Marc Reynebeau het warm water opnieuw uit, en sindsdien noemt hij zich steevast “de tevreden uitvinder van het begrip lasagne-identiteit.



Storme: Ik geloof niet in het Verfassungspatriotismus in de ontklede zin van het woord die sommigen daaraan geven. Er is een bepaalde interpretatie van Verfassungspatriotismus [Kan mooi zijn hé!] die natuurlijk correct is. Maar ik bedoel: sommige mensen gebruiken het woord verfassungspatriotisme, om eigenlijk het woord patriotisme uit te schakelen.
In de zin van: het enige dat telt, is dat de wetgeving voor iedereen dezelfde is, en dat je de wetten respecteert [Voor wie hier woont], en voor het overige heeft het geen enkel belang of de personen die aan die wetten onderworpen zijn nog iets gemeenschappelijks hebben, of daar ook een socio-culturele homogeniteit is.
Er is geen noodzaak om, tot op zekere hoogte dezelfde taal te spreken, letterlijk of/en figuurlijk, en dergelijke meer.
Ik ben ervan overtuigd dat dit niet functioneert. Al je nog een klein beetje geloof hecht aan de noodzaak van een polis, welvaartsstaat, sociale zekerheid, draagvlak voor fiscaliteit –een territoriale gemeenschap in de moderne betekenis van het woord– dan moet je die gemeenschap structureren op basis van niveaus en grenzen die beantwoorden aan een voldoende socio-culturele homogeniteit.
Nu, die homogeniteit is natuurlijk gelaagd. Ik heb van mijzelf ooit gezegd: ik ben lasagne-nationalist. Want ik weet natuurlijk dat mijn identiteit zich niet op één niveau bevindt. Dat mijn identiteit zowel Europees, als Vlaams, als Gents, en zelfs ook een beetje Belgisch is. Ik ga dat natuurlijk niet ontkennen, dat is evident.
De vraag is: welke politieke conclusies moet je daaruit trekken? Het subsidiariteitsbeginsel beantwoordt aan die lasagna. Je legt bevoegdheden en macht, en beslissingsbevoegdheden leg je op verschillende niveaus, of kan je op verschillende niveaus leggen.
En vanuit dat oogpunt, heeft inderdaad België nauwelijks nog een meerwaarde.
______

En omdat hij zo actueel is, zowel wat België als wat de EU betreft, en hij  het ook over identiteit en homogeniteit heeft, wil ik graag Aristoteles zelf er even bijhalen: 
"Immigratie is, bij gebreke aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen. Zoals evenmin een stad door een toevallige verzameling mensen tot stand komt, of op een willekeurig moment: daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meesten burgeroorlogen hebben gekend."
στασιωτικὸν δὲ καὶ τὸ μὴ ὁμόφυλον, ἕως ἂν συμπνεύσῃ: ὥσπερ γὰρ οὐδ᾽ ἐκ τοῦ τυχόντος πλήθους πόλις γίγνεται, οὕτως οὐδ᾽ ἐν τῷ τυχόντι χρόνῳ: διὸ ὅσοι ἤδη συνοίκους ἐδέξαντο ἢ ἐποίκους, οἱ πλεῖστοι διεστασίασαν

«Πολιτικά», 1303a, 25-28
Op het web vindt men vele vertalingen, die onderling nogal verschillen, bv.: La diversité d'origine peut aussi produire des révolutions jusqu'à ce que le mélange des races soit complet; car l'État ne peut pas plus se former du premier peuple venu, qu'il ne se forme dans une circonstance quelconque. Le plus souvent, ces changements politiques ont été causés par l'admission au droit de cité d'étrangers domiciliés dès longtemps, ou nouveaux arrivants.

19 maart 2013

Hugo Claus aan de kaarttafel


Een goede dertig, vijfendertig jaar geleden bracht Hugo Claus geregeld een avond door in de Hotsy Totsy, het Gentse artistiek café –toen nog privéclub– van zijn broer Guido. Als dan toevallig de vier broers samen present waren, werd er gekaart en stonden Motte en haar barman onder hun tweeën in voor de toog. Vaak waren er ook maar drie broers, en dan sprong een andere klant in, aan de kaarttafel welteverstaan.
Trouwe klanten van Motte en Guido vierden bij hen ook de overgang van Oud naar Nieuw, en om twaalf uur werd er gekust en champagne gedronken. Dit ceremonieel kon makkelijk een kwartier duren. Vele klanten gingen daar nog veel langer me door.
Maar na afloop van dat kwartier zei Hugo tegen zijn broers –Johan ontbrak maar Odo niet, en Guido natuurlijk niet– : “Zoeme ’t eerste spelleke van ’t jaar niet doen?”
Ik diende als vierde man, en we spraken af dat we zouden Kieskingen. Manillen durfde ik namelijk niet, want tegen West-Vlamingen manillen is geen goed idee.

Dat spel “Kieskingen” hier uitleggen zou te lang duren, maar iedereen ging direct akkoord en we zouden spelen voor een tarief van 320 frank voor Harten Heer, en de andere spelletjes navenant. Dat komt erop neer dat je normaal gesproken zoiets als duizend frank per uur kunt winnen of verliezen.
Alles verliep meteen al voorspoedig voor de twee broers en voor mij, maar niet voor Hugo die gedurig slechte kaarten kreeg.

Ik meen dat het iets over tweeën moet zijn geweest, dat Hugo terloops naar de stand vroeg. Hij stond een goede vijfduizend frank in het rood en begon zich luid te beklagen over de goden die hem ongunstig gezind waren.
En toen maakte Odo, die geen dichter was, een ongelukkige opmerking: “Mor Hugo, ge kent gi niet van kaarten ook, hé.”
Hugo stond op, grabbelde zes briefjes uit zijn broekzak, gooide die op tafel en liet ons beduusd achter in de feestvreugde.
Dat heb ik altijd erg kunnen appreciëren van hem, die plotse kolere.

10 maart 2013

Een verse columnist bij De Tijd


De nieuwe columnist Frank Van Massenhove, die al twee of drie keer in De Tijd iets heeft geschreven en dit om de twee weken zal gaan doen, lijkt goed op de hoogte van de wereld van de popmuziek.

Zaterdag begon zijn column met een historisch citaat, uit een lied van de Black Rebel Motorcycle Club, nog uit het jaar 2005. Nu kende ik die club niet, u misschien ook niet lezer, maar dat geeft niet want de columnist geeft ons de tijd om deze schade in te halen.
Bij die motorclub zingen ze af en toe liederen met een filosofische inslag. Als illustratie dit vers uit een hunner liederen: “Time won’t save our souls”. Alleenstaand genomen zal de kracht hiervan niet iedereen meteen opvallen, maar Frank geeft in zijn column deze regel drie keer na elkaar, nog voor hijzelf iets verteld heeft, en dat verandert veel:

Time won’t save our souls
Time won’t save our souls
Time won’t save our soul… no
When everything is going down
Nothing seem to feel the same

De regels komen uit het canto Shuffle Your Feet, te horen op de plaat Howl van genoemde motorrijdersclub. Ook zonder de aria verder te kennen: dat “nothing seem” zonder “s” is een vondst. Het geeft een schok, het werkt vervreemdend.

Frank blijft trouwens niet bij 2005 hangen. Hij gaat verder in de tijd terug, en heeft het over “dedicated followers of old fashion”. En alweer: die lichtvoetige, humoristische, tegen het zinsritme ingaande tussenvoeging “old” is een vondst en een schok. We mogen aannemen afkomstig van Frank zelf deze keer.

En dan mag popmuziek misschien niet alle lezers van De Tijd interesseren –anders zouden ze De Standaard of De Morgen of Humo wel lezen– maar ook eventuele voetballiefhebbers worden door de nieuwe columnist bedacht.
Frank spreekt honderduit over Supercups, League Cups, nog andere Cups en speciaal ook over een geestelijke vader of mentor van hem, zekere Alex Ferguson. Die man leidt al jaren een bekende voetbalclub, Manchester United.
Anders dan bij die motorclub hebt u van deze club zeker al gehoord. En Frank zelf is ook manager, dus een oude rot als die Alex spreekt hem wel aan, dat is niet abnormaal.

Zijn column bevat nog veel meer, ik kan niet alles vertellen, over zijn moeder enzovoort, maar mocht u morgen De Tijd van zaterdag ergens zien liggen, lezer, dan zeker pagina twaalf, links bovenaan niet overslaan!


9 maart 2013

Charles Baudelaire zag dat toen al


Charles Baudelaire heeft over ons vaderland België lelijke dingen geschreven, en over Brussel in het bijzonder. Iedereen weet dat, dat is geen nieuws, maar slechte mensen lezen zulke dingen graag opnieuw.
En naar goede uitgaven van Baudelaire is het niet lang zoeken, want de Fransen houden hun mensen in ere en weten ook hoe ze een boek moeten uitgeven. Tenminste, ik vind hen onovertroffen in een bepaald soort uitgaven. Die van boeken met een slappe kaft namelijk.
Neem bijvoorbeeld Gallimard, met zijn lichtgele kaften, en de titel en de naam van de auteur in zwarte en rode letters, alles in een fijn kadertje, ook in zwart en rood. Dat is niet te overtreffen. Als je bijvoorbeeld Simon Leys leest, met dat kaftje eromheen, ben je niet verwonderd dat die kerel zo goed schrijft.
Franse uitgevers gaan ervan uit dat als iemand per se een stijve kaft om zijn boeken wil, hij ze dan zelf naar de boekbinder moet brengen. Een juiste gedachte. Hard cover is ook geen Frans.

En om over Baudelaire door te gaan: hij zit natuurlijk bij de prestigieuze Bibliothèque de la Pléiade, in twee dure mooie stijve banden, maar ik vind die boeken van de Pléiade niet goed leesbaar. Prachtig voor in de kast, bruine ruggetjes en wetenschappelijk altijd juweeltjes, prachtig papier ook, al wat je wilt, maar geef mij maar Robert Laffont bijvoorbeeld, zelfde papier maar met een goed-Franse slappe kaft en in een handzamer formaat, en evengoed vol voetnoten. En een stuk goedkoper ook, want duizend bladzijden Œuvres Complètes van Baudelaire kostten daar twintig jaar geleden op verre na geen duizend Belgische frank meen ik.

Nu hoorde ik vanavond over ruzies in onze Belgische regering, en in andere geledingen van onze staat, en ik haalde in diepe droefenis die Œuvres Complètes van de plank, want in zijn Belgische LieflijkhedenAmœnitates Belgicæ, had Charles Baudelaire deze treurige gang van zaken voorzien:

   Épitaphe pour la Belgique

On me demande une épitaphe
Pour la Belgique morte. En vain
Je creuse, et je rue et je piaffe;
Je ne trouve qu'un mot: "Enfin!"


Men vraagt mij om een epitaaf
Want België is dood. Hoe nobel
Ik graaf, ik trappel en ik popel;
Eén woord vind ik maar: “Keigaaf!”

8 maart 2013

La fable du chimiste et du coiffeur


Hoe mooi toch is de parlementaire democratie. In welk ander stelsel is een regent verplicht om op een vraag uit de volksvertegenwoordiging (zelfs al is die vertegenwoordiging ongrondwettelijk samengesteld) helder te antwoorden?
We horen een vraag van député Annemans, een oppositielid, en de Eerste Minister ("ónze eerste minister" zoals daarnet nog Jan Becaus zo mooi zei op de televisie) antwoordt hem voor de vuist weg, in vlekkeloos Nederlands en heel punctueel. Hij had de vraagstelling kennelijk helemaal begrepen. En na goed anderhalve minuut gaat het zo mogelijk nog vlekkelozer, want dan kan onze Elio van zijn briefje aflezen:



Hoe verschillend is het vaak niet gesteld met de begrensde Vlamingen. Pas nog analyseerde praatvaar Didier Reynders voor RTL de politieke toestand hier en in Europa, en hij komt onvermijdelijk tot de conclusie dat de Vlamingen een bekrompen volkje zijn: het eeuwige «repli sur soi». Dat Vlamingen massaal, en nog altijd volgens internationale rapporten, veel meer talen kennen dan Franstaligen, dat doet er niet toe voor deze veredelde coiffeur pour dames:



Sur le terrain institutionnel c’est tout-à-fait autre chose. La N-VA, c’est un parti nationaliste, c’est tout ce que nous n’aimons pas. À voir ces courants nationalistes, en Belgique comme en Europe, c’est probablement lié à la crise, c’est probablement lié au repli sur soi, et le libéralisme c’est tout le contraire.


5 maart 2013

Opinie&Analyse in de Kwaliteitskrant


Zoals elke dag drukt De Standaard een opmerkelijke “tweet” af, vanzelfsprekend nog van de dag daarvoor: dat zijn nu eenmaal de beperkingen van het medium. Wellicht willen zij lezers die niet over een webaansluiting beschikken, toch een venster op de digitale wereld bieden, en het twitterberichtje staat daarom ook onder de rubriek Opinie&Analyse.

Het is telkens een heel klein berichtje, 140 tekens, met een fotootje van de auteur ernaast. Toch trekt de redactie hiervoor al gauw 7% uit, van de totale oppervlakte van een Standaardpagina, want op zich is die ook niet zo groot.

Vandaag is het twitterberichtje humoristisch van aard en zelfs lichtjes gewaagd, wat stout misschien, want er wordt gesuggereerd dat Heineken geen echt bier zou zijn.

Nu is het waar dat wie de laatste 15 à 20 jaar wel eens een café heeft bezocht die mop al lang kent, maar geef toe lezer: in deze beknopte, pregnante, spitse versie had u ze nog niet gehoord.

Goed dat er kwaliteitskranten zijn!

_______________

Noot van 7 maart: misschien keek ik erover, maar vandaag vond ik geen tweet in de Kwaliteitskrant. Nochtans had het EU-parlementslid Ivo Belet gisteren wel iets interessants verteld voor Opinie&Analyse : 



Ach, het wordt allemaal een beetje onkies natuurlijk, maar ik heb Ivo (die nog journalist is geweest) er toch maar op gewezen dat gaskamers en verbrandingsovens twee verschillende dingen zijn. Wellicht schaamt Ivo zich wat en wil hij zijn gebral snel laten vergeten, want een verontschuldiging heeft hij nog niet getweet.

3 maart 2013

Adolescentie op hoge leeftijd


Ik zou niet weten hoe het komt, maar om de één of andere reden ben ik ervan overtuigd dat de meeste mensen, politici, journalisten en anderen die vandaag hoog opgeven van het pamfletje “Indignez-vous!” van wijlen Stéphane Hessel, datzelfde pamfletje helemaal niet gelezen hebben of zelfs maar gezien, ook al is het in ongeveer zevenenzeventig talen vertaald.

Met nog grotere zekerheid beweer ik dat ze niet het antwoord van Orimont Bolacre“J’y crois pas!” in handen zullen hebben gehad (Renaud Camus, Éditions David Reinharc, 2011).
Zo gaat het met morele verontwaardiging in groep. De leden kunnen zich beter niet bekommeren om teksten, en hoeven zich alleen collectief ergens over te verontwaardigen, of ergens achter te staan.

Bij Alain Finkielkraut op France Culture, in zijn uitzending Répliques van zaterdagochtend, was het onderwerp: "L'autorité en démocratie". Bij hem gaat het altijd om teksten –Finkielkraut nodigt nooit analfabeten uit– en een van zijn gasten, Pierre-Henri Tavoillot, maître de conférences en philosophie politique à l'Université de Paris-Sorbonne, had gisteren ook een opmerking over dat pamfletje van Hessel.
Ik transcribeer wat hij zegt (in de uitzending vanaf 23'30") maar vertaal niet, enerzijds omdat ik te lui ben, en anderzijds omdat Frans geen probleem mag zijn voor mensen die hoog oplopen met Hessel:




D’une certaine façon nous sommes dans une situation que j’aurais tendance à qualifier de “abus de contrepouvoir”. Non pas abus de pouvoir, mais abus de contrepouvoir. Je pense que l’intellectuel a une responsabilité majeure dans cette affaire. L’intellectuel et notamment –pardon d’en parler après le décès de Stéphane Hessel– mais l’intellectuel qui s’indigne, et qui est dans une logique effectivement d’indignation et de contestation a une responsabilité pourquoi ? Parce que l’indignation, c’est une logique de simplification. C’est une logique un peu adolescente qui consiste à dire que le pouvoir est méchant. Et même, c’est une logique un peu réactionnaire qui consiste à dire: c’était beaucoup mieux à l’époque de la résistance, parce qu’il y avait de vrais salauds. Et bien, les vrais salauds sont toujours là. Il faut tout simplement les identifier. Et donc je trouve que c’est une logique où l’intellectuel ne joue pas son rôle, qui n’est pas de simplifier le monde: qui est de clarifier la complexité du monde. De ce point de vue-là, c’est tellement facile de dire qu’il y a des salauds, de dire qu’il y a des complots, on dit dans l’ombre. Il y a comme une forme de dopage intellectuel dans cette affaire. Un dopage intellectuel parce que voilà: on a la clé de la compréhension intégrale du monde à partir de l’identification d’un petit complot ou d’un petit groupe.
______________________

noot van 4 maart: luister ook naar wat Finkielkraut zegde bij Élisabeth Lévy, want op zijn beurt zegt ons dat veel over het niveau van het intellectuele debat op Franse cultuurzenders. Finkielkraut mag complexloos verwijzen naar de literaire canon, zonder vrees dat iemand hem elitair of onbegrijpelijk zou vinden:



Lévy:
Vous pensez, vous pensez que la demande de panthéonisation a une simple chance d’aboutir?
Finkielkraut: Ah non! non, non, je pense que l’on n'ira pas jusque là. Mais en même temps, si vous voulez, je passe ma vie, moi qui ne demanderais rien d’autre que d’être très optimiste, à être surpris par ce qui arrive, et à constater, comme l’aurait dit Racine, que mon malheur passe mon espérance, donc...

Andromaque (1667) Acte V, scène 5

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html