1 juli 2015

Le parapluie de Simon Leys


In “Le parapluie de Simon Leys” (Parijs, 2015, Éditions Philippe Rey), de hommage van zijn vriend Pierre Boncenne aan wijlen Pierre Ryckmans (Simon Leys) staan de prachtigste dingen. Wie niets van Leys gelezen heeft, moet tenminste dit boek lezen. De vele citaten, uit zijn brieven aan Boncenne of zijn boeken, zullen de appetijt opwekken.

Het gaat in Boncennes boek vaak over de tijd toen in Parijs (zoals hier) het maoïsme heel populair was. Maar Leys was sinoloog, en niet enkel dat, hij kende ook Chinees en sprak over dat land «sans être protégé contre la vérité par une bienheureuse ignorance de la langue chinoise.»
Zo iemand werd gewantrouwd in de Parijse linkse salons, aan de universiteit, en op de redacties. Ongeveer, vermoed ik, zoals vandaag echte islamkenners die onder meer klassiek Arabisch kennen, gewantrouwd worden door de ware gelovigen, aan de universiteit, en door de redacties.

Groot verschil met gevierde namen als Malraux, Sartre, de Beauvoir, Peyrefitte, Moravia, Barthes, Badiou en anderen, die wel beschermd waren door hun onwetendheid, en na een tocht (un pèlerinage) van twee weken in dat land, en na een bezoek aan een modelfabriek, een modelschool en een modelboerderij, en na het eten van een canard laqué soms een boek produceerden dat “minstens door zijn volume al respectabel was.”

Leys hield zich bij de dingen die hij in de Chinese pers las:
«Face à la science si impressionnante de ces doctes personnages – les mêmes qui, du reste continuent de nous livrer de puissantes expertises sur tous les fronts – je voudrais simplement proposer ici quelques notes sans conséquence, imitant en cela un peu le rôle de ces augustes du cirque qui amusent un instant le parterre de leur indigentes pirouettes, avant l’entrée des éléphants.»

In het licht van de zo indrukwekkende kennis van deze geleerde figuren – dezelfden trouwens die ons op alle terreinen voortdurend van krachtige expertises voorzien – zou ik hier eenvoudig enkele onbelangrijke aantekeningen willen voorstellen, en zo min of meer de rol imiteren van de Augusten in het circus, die de toeschouwers een momentje verstrooien met hun schamele pirouettes, voor de entree van de olifanten.

21 juni 2015

Heine aan zijn Duitse lezers


Klara brengt de mooie Napoleonreeks opnieuw, telkens op zondag. Hier kunt u als voorsmaakje een fragment horen, en lezen wat Heinrich Heine schreef toen hij in Parijs (waar hij woonde) de lijkstoet voorbij zag trekken, op weg naar het praalgraf in Les Invalides.



Karel Nys las dit fragment heel mooi, en hieronder staat de tekst iets uitgebreider. Heine schreef voor een Duits publiek, en zijn politieke boodschap komt dan beter uit de verf. Die boodschap was namelijk de verzoening tussen Duitsland en Frankrijk want: de toekomst ruikt naar juchtleer, naar bloed, naar goddeloosheid en naar hevig geknuppel. Ik raad onze nakomelingen aan ter wereld te komen met een bijzonder dik rugvel.
De krijgszuchtige neigingen, die al sinds de tijd van de Galliërs bij de Fransen zo wild oplaaiden en opborrelden, zijn nu bepaald uitgedoofd, en hoe weinig militaire furor francese er onder hen vandaag nog heerst, bleek bij de begrafenisplechtigheid van keizer Napoleon Bonaparte. Ik kan het niet eens zijn met de verslaggevers die in het schouwspel van deze wonderbare begrafenis enkel pronk en staatsie zagen. Zij hadden geen oog voor de gevoelens die het Franse volk ten diepste aangrepen. Dat waren immers geen gevoelens van soldateske eerzucht of trots, het was geen pretoriaans gejuich dat de zegevierende imperator begeleidde, of de luidruchtige roem- en roofzucht die men zich in Duitsland nog herinnert van de dagen van het Empire. De oude veroveraars hebben sedertdien het tijdelijke met het eeuwige verwisseld, en het was een heel nieuwe generatie die de begrafenis gadesloeg en, zo niet brandend van toorn keek zij in piëteitsvolle weemoed naar de gouden katafalk, waarin tegelijk alle vreugde en leed, de glorievolle dwalingen en de gebroken hoop van hun vaders, de waarachtige ziel van hun vaders gekist lag! Er waren meer stomme tranen dan luid geroep. En het hele vertoon was zo fabelachtig, zo sprookjesachtig, dat men nauwelijks zijn ogen geloofde, dat men meende te dromen. Want deze Napoleon Bonaparte, die men zag begraven, was voor het huidige geslacht al lang weggedeemsterd in het rijk der sagen, bij de schaduwen van Alexander van Macedonië en Karel de Grote, en zie nu! op een  koude winterdag verschijnt hij te midden van de levenden, op een gouden zegewagen die spookachtig voorbijgerold komt in de witte ochtendnevelen.
Als bij wonder trokken deze nevelen op, zodra de lijkstoet de Champs-Élysées bereikte. Hier brak plots de zon door de grauwe wolkenmassa, en kuste zij voor de laatste keer haar lieveling en strooide rozige lichtpunten op de keizerlijke adelaar die voorop gedragen werd, en als met een zacht medelijden bestraalde zij de schaarse overblijfselen van die legioenen, die ooit nog in stormpas de wereld hadden veroverd, en nu in verschoten uniformen, met zwakke ledematen en ouderwetse manieren al rouwend achter de lijkwagen voorbij schuifelden.
De keizer is dood. Met hem stierf de laatste held van de oude stempel, en de nieuwe wereld van burgermannetjes herademt, als verlost van een flitsende nachtmerrie. Boven zijn graf verheft zich de industriële burgerwereld, die heel andere helden bewondert, zoals bijvoorbeeld de deugdzame Lafayette, of James Watt, de katoenspinner.

[1840, Lutezia]

16 juni 2015

Hoe zou het constructieve gesprek verder zijn gegaan?


Ik zag dit op mijn pc, en heb niet meer naar de rest geluisterd, want al ben ik altijd vol goede wil, de eerste vraag van die jongen (zekere Tom meende ik te verstaan) aan Peumans was mij meteen te machtig. Was het hier een journalist, of een moralist of een pastoor die de vraag stelde? of een kind dat net van de lagere school komt?
We horen een oproep tot een soort gemanierdheid, afkomstig van iemand die denkt dat het bij politiek om een beroep gaat, die meent dat er signalen moeten gegeven worden, die een (ongetwijfeld onbewuste) corporatische reflex vertoont, en verder enkel zijn kleine geleende morele kompasje op zak heeft, en zich wellicht niet kan voorstellen dat er over politiek al tweeduizend jaar geschreven wordt.

11 juni 2015

Zeg het met je eigen woorden


Ik las vanavond vol goede moed een artikel in De Morgen, en dan zie ik daar een journalistieke jongen, Pieter Dumon heet hij, iets schrijven over een andere jongen, zekere Michel Tubbax. Blijkbaar uit de reclamewereld afkomstig. Over deze laatste zegt Dumon:



Dit is een bijzonder complexe mededeling. Tubbax wordt verweten dat hij ergens geen aanleg voor heeft. Op zich heel discriminerend, want dat kan die man zelf toch niet helpen? Hoe kun je een aanleg, een toestand aan iemand verwijten? Dit doet mij denken aan een hijskraan die ik ergens in Brussel ooit zag staan met daarop een grote sticker: verboden zich onder de last te bevinden. Wat als je daar al staat? Vooruitziender lijkt het me om te verbieden dat iemand zich onder die last begeeft.
Als Tubbax bijvoorbeeld ernstige pogingen doet om zich in iets in te leven, en dat lukt hem niet, mag je dan in goed fatsoen over die man zijn aanleg beginnen?
Het probleem zit hem in de moeilijke woorden die Dumon gebruikt, talent en empathie. Dat zijn Griekse woorden die zich slecht laten verbinden, maar een schrijver of journalist wordt vandaag niet meer geacht van die taal iets af te weten.
Talent is een gewichtseenheid, afgeleid ook munteenheid, το τάλαντον, zie de Openbaring van Johannes 16:21 En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen. Later, voor de heilige Hieronymus al, werd het een bepaalde aanleg, een gave.
En dan die empathie, ή εμπάθεια. Dat woordje lees je nu elke dag in elke krant, je hoort het om het uur op de radio, en af en toe begin je het zelfs op de tram te horen. Het lijkt “respect” snel te gaan verdringen.
Ja, we hadden wel “inleving”, “medeleven”, “medelijden”, “aanvoelen”, “begrip tonen” &c., maar die zijn nu verouderd, verlopen en verjaard.
Toch maak ik mij sterk dat ook zo’n Dumon, zelfs als hij deze dingen niet weet, toch niet zou schrijven: “Hij heeft geen aanleg voor inlevingsvermogen, hij heeft geen aanleg voor een gevoel van medelijden”. 
Het is dus beter dat zulke mensen zulke woorden met Griekse stammen, al staan die een tijdlang chic, maar vermijden.

3 juni 2015

Zou het hier ook zo erg zijn?


De Ier Conor Cruise O’Brien (1917-2008), was een briljante geest, essayist, diplomaat, professor, minister (Labour, lid van de Fabian Society), en waar het hier over gaat: in 1968 schreef hij een prachtige en natuurlijk zeer erudiete inleiding bij de Penguin Classics-uitgave van Edmund Burke’s “Reflections on the Revolution in France” (1790), waarvan hij editor was.

O’Brien maakte daar een opmerking die zijn socialistische vrienden maar matig konden smaken:
'De intelligente man van rechts vraagt niet dat men hem redenen geeft waarom hij Marx en de Marxisten zou moeten lezen. Hij leest die omdat ze belangrijk zijn, en aan de andere kant staan. Hij leert van hen, en door hen wordt hij soms ergens opmerkzaam op gemaakt: in de negentiende eeuw kon een Duitse bourgeois uit de geschriften van Marx en Engels bijvoorbeeld leren dat het onverstandig zou zijn al te snel van wal te steken in de kwestie van de opruiming van feodale restanten. De intelligente man van rechts maakt gebruikt van de Marxistische inzichten, maar dan voor eigen doeleinden. […] Bij zijn tegenstanders leert hij over de sterke en zwakke punten van zijn eigen positie – en de hunne. De intellectuele linkerzijde aan de andere kant al zijn er enkele opmerkelijke uitzonderingen heeft sterk de neiging om zijn tegenstanders te veronachtzamen, en zelfs hun meest belangrijke geschriften van tafel te vegen, ongelezen, met een spotlach.'

The intelligent rightist does not ask to be given reasons why he should read Marx and the Marxists. He reads them because they are important, and because they are on the other side. He learns from them and sometimes is warned by them: for example a German bourgeois could learn from the writings of Marx and Engels in the nineteenth century that it would be unwise to proceed too hastily in the matter of the abolition of feudal vestiges. The intelligent rightist makes use of the Marxist insig
hts, but for his own purposes. […] He learns from his adversaries about the strengths and weaknesses of his own position – and of theirs. The intellectual left on the other hand though with some notable exceptions– has a strong tendency to neglect its adversaries and to dismiss even their most influential writings, unread, with a sneer.

Bij O’Brien las ik dat William Hazlitt (1778-1830), de grote essayist en literair criticus, bevriend met bv. Stendhal, een soort proefje klaar had liggen in zulke gevallen:
“It has always been with me a test of the sense and the candour of any one belonging to the opposite party, whether he allowed Burke to be a great man.” (On the Character of Burke, 1807, ook Penguin Classics, in Selected Writings)
“Voor het verstand en de oprechtheid van iemand van de andere partij, is het wat mij betreft altijd een test geweest of die toegaf dat Burke een groot man was.”

Volgens Simon Leys, in zijn portret van George Orwell, “Orwell ou l’horreur de la politique” (1984, hier eerder vermeld) is het zelfs nog erger, en is de genoemde blindheid niet eens selectief. Leys ziet dat nieuwrechts de socialist Orwell graag wil annexeren, en wel op basis van enkele uitspraken die diens partijgenoten toen liever niet lazen, en nu nog minder:
«Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains.» (p.73)
‘Die annexatie van Orwell door nieuwrechts weerspiegelt minder het conservatieve potentieel van diens denkwereld, dan wel de hardnekkige stupiditeit van een soort links dat, in plaats van hem te beginnen lezen en begrijpen, op schandelijke manier zijn krachtigste schrijver in beslag heeft laten nemen.’

24 mei 2015

Simon Leys over George Orwell


Als we de oudere Simenon buiten beschouwing laten, dan is Simon Leys (1935-2014) moeiteloos de belangrijkste schrijver die België in ongeveer honderd jaar heeft voortgebracht. Een stilist zonder weerga, essayist, vertaler, romancier, en zeker een belangrijke politieke auteur.
In 1984 maakte hij een scherp portret van George Orwell, dat in 2006 prachtig werd heruitgegeven bij Plon: “Orwell ou l’horreur de la politique”.
Leys bewondert Orwell, en verdedigt hem tegen zowel links als nieuwrechts, die beide hem graag willen inpalmen. Links probeert dat met meer recht, zegt Leys, ook al deed Orwell vaak uitspraken die nieuwrechts nu graag hoort. Orwell namelijk pakte in zijn essays zijn vrienden vaak harder aan dan zijn vijanden, en stoorde zich aan de vaagheid en hersenloosheid die bij journalisten en publicisten blijkbaar ook in zijn tijd samengingen met wat wij nu bobo-linksigheid noemen.
“One sometimes gets the impression that the mere words ‘Socialism’ and ‘Communism’ draw towards them with magnetic force every fruit-juice drinker, nudist, sandal-wearer, sex-maniac, Quaker, ‘Nature Cure’ quack, pacifist, and feminist in England”, schreef hij in “The Road to Wigan Pier” (1937, nu bij Penguin Classics).

Leys vertaalt dit citaat met plezier, al maakt hij van “nature cure quack”, “les charlatans homéopathes”, zeker niet een letterlijke vertaling, maar inhoudelijk correct want die charlatanerie was in Engeland toen al breed verspreid.
Een ander citaat dat Leys graag geeft, is: “To recoil from Socialism because so many individual Socialists are inferior people is as absurd as refusing to travel by train because you dislike the ticket-collector’s face.”
Leys' boekje moet nodig eens vertaald worden, want het vervangt voordelig alle analyses die onze weldenkende journalisten bijeenschrijven over het socialisme, en hij is natuurlijk oneindig veel leesbaarder.
En wat een giftige pen die Leys toch had, kun je ook in zijn voetnoten lezen. Voor mij tenminste zijn het op zich al oases in de intellectuele woestijn waarin wij leven. Hier bijvoorbeeld valt hij de Nobelprijswinnaar Claude Simon aan, die Orwell jaren na zijn dood onwaardig had aangepakt: «Notons qu’un de ses tardifs calomniateurs fut l’illisible Claude Simon. Dans ses Géorgiques (1981), la calomnie bête et basse n’est tempérée que par l’inintelligibilité générale de la prose. Mais, à moins d’être un académicien suédois, qui donc voudrait lire Simon?». 
Noteren we dat een van zijn late lasteraars de onleesbare Claude Simon was. In zijn Géorgiques wordt de domme en lage laster enkel door de totale onbegrijpelijkheid van het proza getemperd. Maar wie zou ook, behalve een Zweedse academicus, Simon willen lezen?”
Ik bedacht dit alles deze namiddag, toen ik vanaf het terras van de Oude Vismijn een sloepje de Lieve zag opvaren:


P.S. Cette annexion d’Orwell par la nouvelle droite reflète moins le potentiel conservateur de sa pensée que la persistante stupidité d’une gauche qui, au lieu de commencer enfin à le lire et le comprendre, s’est laissé scandaleusement confisquer le plus puissant de ses écrivains. (p.73)

19 mei 2015

Voor en na Charlie


Aan het woord is hier de Franse filosofe en essayiste Alexandra Laignel-Lavastine* in het programma "Ce Soir ou jamais" van FR2. Het fragment begint na 11'30". In het programma werd het recente boek van de historicus en antropoloog Emmanuel Todd besproken: Qui est Charlie? Sociologie d'une crise religieuse (Seuil, 252 p.).

Ja, ik ben toch wat verbluft dat het al zo ver is dat de elfde januari als huichelarij wordt bestempeld. Mij komt het voor dat we die dag eenvoudigweg de ontstelde reactie meemaakten van –gelukkig– miljoenen Fransen die geconfronteerd waren met de verwerpelijke slachtingen die net hadden plaatsgehad, en wel in een radicaal nieuwe wereldwijde context, waarin de plaag van het jihadisme overal uitbreiding neemt, in Europa zowel als in de mohammedaanse wereld.
En mij lijkt het dat die avond van de zevende januari het meest gepaste woord misschien van Philippe Val
** kwam, toen die zei: ‘We zijn niet in staat geweest om over deze dingen te praten zoals het betaamt.’ En daar, lijkt me, zijn velen onder ons om zo te zeggen op heterdaad betrapt. En dus zou ik niet zoals Emmanuel Todd spreken van een ‘vals bewustzijn’, maar van misschien het begin van een gewetenscrisis: dat we in elk geval met spoed die binaire catechismus moeten verlaten –hoe valt nog te bezien, maar met spoed– ranzig als hij is, want tenslotte teruggaand op het derdewereld-denken van de zestiger jaren, catechismus die er gemakzuchtig in bestaat gemene verdrukkers tegenover aardige verdrukten te plaatsen.
En dan nog, wat hadden we moeten denken, mochten we die dag niét allemaal hebben aangevoeld dat deze barbaren zich aan zelfs het minimum van een gedeelde beschaving hadden vergrepen? Dan, meen ik, hadden we ons zorgen mogen maken over de morele verwording van het land.
Daarbij, wat ik nogal opmerkenswaardig vind bij deze mobilisatie, is dat zij twee voorwaarden stelde, te weten dat men niet mocht aanzetten tot een pogromstemming tegen de muzelman om de hoek, maar ook dat men een kat een kat moest noemen, en met name een islamistische moordenaar een islamistische moordenaar, en dat is toch wel het minste.
En in tegenstelling tot wat u zegt, ik woon in het 93ste [Seine-Saint-Denis, 'gevoelig' departement], en in mijn buurt waren veel moslims bijzonder opgelucht dat men de vijand eindelijk een naam had gegeven. ‘Eindelijk’, zei een van hen me ‘zullen we niet meer verplicht zijn om vlak langs de muren te lopen.’ ‘En ze niet benoemen’, zei hij nog, met veel verstand vind ik ‘zou min of meer zijn alsof onze ouders of grootouders ervan hadden afgezien om over het nazisme of het stalinisme te spreken, uit schrik om de Russen of Duitsers te krenken. Bon, dat is absurd, de waarheid heeft nog nooit iemand gestigmatiseerd.’
Ik meen ook dat men toen al kon denken –vandaag is dat overduidelijk– dat er een vóór, en een ná Charlie zou zijn. Wat hadden we daarvoor? We bezaten de kunst, niet eens om blind te blijven: de kunst om mentaal onze ogen uit te rukken terwijl de verbreiding van het fundamentalisme zich voor ons voltrok. Ook hadden we de grootste moeite om toe te geven dat het Kwade soms ook kon voortkomen uit het kamp van het Goede, te weten bij de voormalige verworpenen der aarde.
En wat we al heel snel zagen de slachting heeft plaats en al heel snel, een paar uur, een paar dagen later hoorden we de ene of de andere aan ons uitleggen, in dat verwrongen taaltje van hen, dat de echte daders van de slachting niet de moordenaars waren die we kennen, maar de alomtegenwoordige islamofoben [‘alomtegenwoordig’: na Hendrik de Vierde heetten alle Franse koningen «roi de France et de Navarre», maar deze mooie uitdrukking is helaas niet te behouden]. Zelfs hoorden we er een aantal roepen over de triomf van de ‘Partij van de Orde’ [Le parti de l'Ordre, 1848, stond onder de Tweede Republiek voor openbare veiligheid, conservatisme, goede zeden, en orde natuurlijk]. Enfin, je wreef je de ogen uit.
Daarna dan, zagen we een begin van bewustwording, dat lijkt me belangrijk, zelfs al was de geest van elf januari vooral emotioneel, en verdampte hij wat mij betreft al te snel – daarbij, het was niet eens een geest, het was een reactie, een behoefte aan samenzijn.
___________________
* grappig is dat haar familie oorspronkelijk Löwenstein heette, een onmogelijke naam in Frankrijk.
** van 1992 tot 2009 directeur bij Charlie Hebdo, daarna en tot vorig jaar hoofd van France Inter. Van hem las ik ergens de mooie zin: ‘Le sociologisme sert de prêt-à-penser’, sociologiseren is gemakkelijkheidsdenken.



Oui, moi je suis un peu sidérée qu’on en soit à qualifier d’imposture le onze janvier. Il me semble qu’on a assisté ce jour-là à la réaction horrifiée tout simplement de millions de Français, et heureusement, face au massacres abjectes qui venaient d’avoir lieu, et ce aussi dans un contexte planétaire radicalement nouveau, où le fléau djihadiste se répand partout, en Europe comme dans le monde musulman.
Et il me semble que peut-être le mot le plus juste au soir du sept janvier était celui de Philippe Val, qui a dit: on n’a pas su en parler comme il l’aurait fallu. Et là, beaucoup d’entre nous, me semble-t-il, ont été pris comme en flagrant délit en quelque sorte. Et donc je dirais non pas «fausse conscience», comme Emmanuel Todd, mais le début peut-être d’une crise de conscience, que en tout cas il y aurait urgence –après il faut savoir comment, mais urgence– à sortir de ce catéchisme binaire, et rance pour le coup puisqu’il remonte quand-même au tiers-mondisme des années soixante, qui consiste à opposer paresseusement les méchants dominants et les gentils dominés.
Et puis, qu’aurait-on pensé si on n’avait pas tous ressenti ce jour-là que ces barbares venaient de s’en prendre à une sorte de minimum civilisationnel commun? Je crois que c’est là qu’il faudrait s’inquiéter sur l’état de déliquescence moral du pays.
En plus, ce que je trouve assez remarquable dans cette mobilisation, c’est que elle a tenu deux exigences, c’est-à-dire ne pas encourager l’esprit pogrom contre le musulman du coin de la rue, mais aussi appeler un chat un chat, c’est-à-dire un tueur islamiste un tueur islamiste, ce qui est quand même la moindre des choses.
Et contrairement à ce que vous dites, dans mon quartier, j’habite dans le 93, beaucoup de musulmans étaient très soulagés qu’on ait enfin désigné l’ennemi. Enfin, me disait l’un d’eux, on ne va plus être obligé de raser les murs. Et disait, me semble-t-il avec beaucoup d’intelligence, que ne pas le faire, c’eût été un peu comme si nos parents ou nos grands-parents s’étaient refusés à parler du nazisme ou du stalinisme, par peur de froisser les Russes ou les Allemands.
Bon, c’est absurde et me disait-il: la vérité n’a jamais stigmatisé personne.
Je crois aussi qu’on aurait pu penser qu’il y aurait eu –ça semble évident aujourd’hui– un avant et un après Charlie.
Avant on avait quoi? On avait l’art, même pas de s’aveugler: l’art de se crever mentalement les yeux face à l’expansion du fondamentalisme. On avait aussi une extravagante difficulté à admettre que le Mal puisse parfois surgir du camp du Bien, c’est-à-dire celui des anciens damnés de la terre. Et puis on a vu très vite, le carnage survient, et très vite, quelques heures quelques jours après, on a entendu les uns et les autres nous expliquer dans leur rhétorique tordue, que les vrais auteurs du carnage ce n’étaient pas les tueurs que l’on sait, mais les islamophobes de France et de Navarre, et que… et on a même vu certains hurler au triomphe du Parti de l’Ordre. Enfin, c’était à se frotter les yeux.
Alors après, on a un début de prise de conscience, ça me paraît important, même si l’esprit du onze janvier, c’est vrai –d’ailleurs ce n’était pas un esprit, c’était une réaction, le besoin d’être ensemble– s’est trop vite, à mon avis dissipé, était surtout émotionnel.


15 mei 2015

Vrijdagnamiddag


ik ben alweer thuis: naar de dokter woensdagnamiddag met buikpijn, direct naar spoed, geopereerd die avond laat, en nu dus gewoon thuis achter de PC, zonder appendix weliswaar.
Ja, die dokters tegenwoordig kunnen wel wat.
Ik moest bijna twee uur wachten in de gang voor de deur van de operatiezaal, volledig klaar voor het mes, onder een lakentje, maar ze hadden me wel mijn bril en mijn Stendhal niet afgepakt, en mijn gsm ook niet, dus dat was perfect voor mij. Ik las iets van twintig bladzijden in de Chartreuse.
De chirurg ging nu tussen de bedrijven door eerst nog gauw een koffie drinken. Straffe kerels daar want het was al tegen twaalven.
Mijn dochter (zelf nierarts) vroeg me al lachend of ik dat wel vertrouwde, zo'n chirurg die al de hele dag had staan opereren, maar ik vond het een leerzaam avontuur om te zien hoe dit Sint-Lucasziekenhuis als een Zwitsers horloge verder tikt, dag of nacht, uur of geen uur.
Mijn andere dochter vroeg me ook of ik niet ongerust was, maar ik verzekerde haar dat ik in de handen van wakkere dokters was, en niet in bijvoorbeeld die van advocaten zou vallen... en de verpleegster die me zuurstof gaf vlak voor ik in slaap ging, was wonderbaarlijk mooi, met een licht exotisch streepje erdoor... miljaar.

10 mei 2015

Waar moesten al die hervormingen dan voor dienen?


Het onderwijs was in Vlaanderen nog niet zo slecht destijds, zelfs niet in la Flandre profonde. Kleine jongens, de Lagere School nauwelijks ontgroeid, kenden in 1968 soms al genoeg Engels om louter op het gehoor een tekst van bijvoorbeeld Louis Armstrong te begrijpen.
Voor u zegt, achterdochtige lezer, dat ik uit mijn nek klets, kunt u beter even doorlezen want het is waar wat ik u vertel.
In die pre-internettijd hoorde je minder Engels en Amerikaans dan nu, dat weten we allemaal, en tekstboekjes waren er niet, zeker niet in een klein dorp ergens in West-Vlaanderen. “Lyrics” moest je zelf zien te begrijpen. 

Sommige jongens waren daar blijkbaar goed in, al riepen zij op straat toen nog niet gedurig ‘fuck’, net zomin als je op de tram meisjes ‘oh my god’ hoorde uitstoten.
En sommigen waren zelfs verbluffend goed, aldus getuigt in De Tijd Frank Van Massenhove, in alweer een tranche de vie waarvan hij het geheim bezit, en waarin natuurlijk Frank zelf het onderwerp is.
“What a Wonderful World” was een hit in 1968, en onze veertienjarige knaap is er niets van ontgaan.


5 mei 2015

Tweeten en liken


Als u, lezer, mobiel naar Luxemburg belt, of een Luxemburgse belt u, dan valt dat in de toekomst goedkoper uit. Dat komt door de overeenkomst die de Luxemburgse en Belgische telecomoperatoren bereikten over hun geheimzinnige roamingkosten.
Hier zien we dat het met de eenwording van de EU niet altijd even traag hoeft te gaan. Na een periode van gestage kwantitatieve ontwikkelingen treedt soms een plotse kwalitatieve sprong op, en dit lijkt hier het geval te zijn geweest. Deze Grote Sprong Voorwaarts is Guy Verhofstadt vanzelfsprekend niet ontgaan – Guy ziet veel en ver – en op Twitter gaf hij uiting aan zijn enthousiasme. Hij had het over de EU-zegeningen “for our citizens”. Vrijwel onmiddellijk kwam er een zure reactie van een burger die zich liever niet bij de onderdanen van de EU-mannetjes gerekend wilde zien.

Ik meende dat het jeugdige voluntarisme van Guy wel beter verdiende, en schreef direct daarop een lovend commentaartje. Vier korte zinnetjes maar, acht woorden in totaal. Te weinig natuurlijk, maar Twitter dwingt ook tot beknoptheid, tot bondigheid, gedrongenheid, kortom tot concisie, tot brachylogie zelfs. Veel plaats voor verklaringen, toelichtingen, preciseringen, uitweidingen of explicaties heb je daar niet. Zo kunnen nuances verloren gaan.
En natuurlijk was ik zeer verheugd toen ik zag dat Guy mijn tweet likete, maar ik blijf met de vrees zitten dat hijzelf, of een van zijn medewerkers, als gevolg van de stilistische zwakten in mijn korte betoog niet over de muur van de ironie heen heeft kunnen kijken.

2 mei 2015

Over het woordje site, en over bestuurlijke belachelijkheid


Gent is niet een stad die enkel woorden afschaft. Je hoort dat hier en daar, maar het slaat nergens op. Akkoord, het Bestuur schaft al eens een woord af, maar dat is uitzonderlijk.
Nee, eerder het omgekeerde is waar: in Gent worden veel woorden bijgemaakt – helaas voornamelijk door ambtenaren, want de gewone Gentenaar blijft de dingen bij hun oude naam noemen.
Zo moet er een stadsambtenaar bestaan, misschien zelfs een hele dienst, die zich inzet voor het populariseren van het Engelse woord “site”, uitgesproken als “siete”, ofwel als “saait”, dat hangt ervanaf.
En nu wel, maar tot voor enkele jaren kwam het lemma “site” in de Dikke van Dale niet eens voor, ook niet als “archeologische vindplaats”, laat staan in de betekenis van goksaait, pornosaait en dergelijke.
Over de logorroe van het Gentse Bestuur heb ik het hier eerder al gehad, aber es war alles umsonst, er hielp geen lievemoederen aan.
Als leek troost ik mij in de wetenschap dat logorroe slecht behandelbaar is, ook voor de beste specialisten. De patiënt begrijpt anderen noch zichzelf, en is zodoende samen met zijn toehoorders veroordeeld tot een niet te stelpen woordschijterij.

25 april 2015

Ook het studiopubliek was met zorg uitgekozen


In het programma Ce soir (ou jamais!) van France2 gisteravond, drukte de Senegalees-Franse romancière Fatou Diome zich zeer duidelijk uit toen ze aan Thierry Baudet uitlegde hoe de zaken staan vandaag. Haar bewoordingen deden me denken aan Abou Jahjah.

Fatou Diome: De dag van vandaag zal Europa nooit meer gespaard blijven, zolang er elders in de wereld conflicten zijn. Europa zal nooit nog overvloed kennen zolang er elders in de wereld gebrek bestaat. Wij leven in een gemondialiseerde samenleving, waar een Indiër aan de kost komt in Dakar, iemand van Dakar aan de kost komt in New York, een Gabonees in Parijs aan de kost komt, en of dit u bevalt of niet, het is onomkeerbaar. Laten we dus een collectieve oplossing zoeken, ofwel: verhuis uit Europa, want ik ben van plan te blijven. [applaus]
Thierry Baudet: Maar u bent welkom toch…



Fatou Diome: Au jour d’aujourd’hui, l’Europe ne sera plus jamais épargnée tant qu’il y aura des conflits ailleurs dans le monde. L’Europe ne sera plus jamais opulente, tant qu’il y a des carences ailleurs dans le monde. On est dans une société de la mondialisation où un Indien gagne sa vie à Dakar, un Dakarois gagne sa vie à New York, un Gabonais gagne sa vie à Paris, que ça vous plaise ou non, c’est irréversible. Alors trouvons une solution collective, ou bien, déménagez d’Europe parce que j’ai l’intention de rester. [applaudissements]
Thierry Baudet: Mais vous êtes bienvenue là…

22 april 2015

Duits, Latijn, voetbal, vulgariteit en een woord Grieks


Finkielkraut vindt dat Links onze culturele erfenis verkwanselt

Najat Vallaud-Belkacem leidt, als eerste vrouw in Frankrijk, het departement Nationale Opvoeding, Hoger Onderwijs en Wetenschap, in de regering Manuel Valls II. Kerngedachte van haar politiek programma is de «égalité des chances et pluralité visible». Niet gewoon gelijkheid dus, maar gelijke kansen, waarbij verschillen zichtbaar moeten blijven want de republikeinse gelijkheid-zonder-meer is volgens haar onverenigbaar met diversiteit. Ze publiceerde ook over dat thema.
En vanzelfsprekend plant Vallaud-Belkacem een onderwijshervorming – weinig nieuwe ministers weerstaan aan die verleiding. Deze moet volgend schooljaar van kracht worden. Haar ideeën doen nogal wat stof opwaaien. Zo vindt zij doorgedreven lessen Duits in de colleges «trop élitistes», te elitair. Frankrijk en Duitsland hadden wel afgesproken dat ze elk de kennis van de andere taal zouden stimuleren –een gedachte die Heine al welgevallig was– maar dat plan mag wat haar betreft in het water vallen.

Over Grieks en Latijn zegt ze dat deze oude talen behouden zullen blijven, «elles seront préservées». De lessen worden wel ingebed in een soort interdisciplinaire juliennesoep met naast enig taalonderricht ook geschiedenis, cultuur, instellingen enzovoort. Belangrijk voor haar was de overweging dat vandaag amper vijftien à twintig procent van de leerlingen Latijn en Grieks volgen, wat elitair is. Dat percentage moet naar honderd worden opgetrokken, en dat kan zonder dat het taalonderricht zelf eronder te lijden zal hebben, zegt Belkacem die naast jong en mooi blijkbaar ook grappig is.
Het spreekt dat Alain Finkielkraut, ouder en minder mooi, dit niet helemaal gelooft.
Hij volgt de filosoof Leo Strauss, bij het publiek misschien enigszins bekend van zijn uitspraak: 'als alle culturen evenwaardig zijn, dan is kannibalisme een kwestie van smaak.' Beetje elitair inderdaad.
Volgens Strauss moest een 'liberale' opvoeding de jeugd in contact brengen met de grootste geesten, wat op zich een oefening in de nederigheid is, en tegelijk een bescherming tegen vulgariteit. De klassieke teksten bieden deze kans. Strauss gebruikte het Griekse woord voor vulgariteit: ἀπειροκαλία, apeirokalía, letterlijk 'gebrek aan ervaring met schoonheid'.
Najat Vallaud-Belkacem zal onderstaand gesprek als een vloek in de oren klinken:

Élisabeth Lévy: Voor mensen die er zo over denken, is humanisme, of laten we zeggen het Westerse humanisme, gewoon een keuzemogelijkheid tussen vele andere, en dus in een diverse wereld ...
Alain Finkielkraut: Zeker, en dat is noodzakelijk zo want het humanisme, of de humanistische gedachte is net de herontdekking van de Griekse en Latijnse wereld. De idee daarbij is om via de klassieke werken een omweg te maken, en op die manier onszelf en de wereld te laten begrijpen. Precies hierom, ziet u, wordt uit het onderwijs de idee van het humanisme volkomen verbannen, zelfs uit de opvattingen die wij over literatuur kunnen hebben. Het spreekt dan, dat men aan de leerlingen de studie van de oorsprong van zo'n gedachte niet nog eens oplegt. De idee bestaat nog, maar niet voor lang meer, en ze is zuiver facultatief. Kijk, ik word een beetje plechtig als ik u zeg...
Élisabeth Lévy: U hebt daar een gedichtenboek?
Alain Finkielkraut: Ja, op een dag heeft Élisabeth de Fontenay [prof filosofie, publiceerde over o.m. Diderot, Marx], me deze verzen van Ossip Mandelstam laten ontdekken, een van de vele dingen die ik haar verschuldigd ben:
Zal ik, na alle infame laster,
In tranen de dure eed doen,
De stralende belofte aan de Vierde Stand?

'Vierde Stand', naar het voorbeeld van de Tiers État, de derde stand: het proletariaat dus. Voor mij zijn deze verzen een definitie van wat links is. De belofte namelijk om de erfenis te verdelen onder allen. Maar vandaag wordt deze erfenis verkwanseld door Links zelf, in naam van de gelijkheid, en ook in naam van de strijd tegen het racisme, want deze erfenis is werkelijk te specifiek, te imperiaal ook, allebei, om nog netjes te zijn.
Élisabeth Lévy: En niet enkel specifiek, onderdrukkend ook.
Alain Finkielkraut: En onderdrukkend, en vandaar mijn inderdaad plechtige vraag: Wat voor zin heeft het als vandaag iemand zich links noemt? Want wie in die terminologie volhardt, gedraagt zich niet meer als burger maar als supporter.
Ondanks Qatar, blijf ik in mijn dwaasheid innig verknocht aan PSG [Paris Saint Germain, voetbalploeg door Qatar gesponsord, en vaak «la catin de Qatar», de hoer van Qatar genoemd. Hun bekendste speler is zekere Zlatan Ibrahimović die over Frankrijk onlangs nog wist: «Ce pays de merde ne mérite pas le PSG»], maar om mij met Links verbonden te blijven voelen, zou de PS voor mij al een soort PSG moeten zijn. Ik heb een ander idee over wat politiek is.
Élisabeth Lévy: En ik vraag me af, of u niet een klein restantje hebt bewaard van, laten we zeggen de neiging om Links te idealiseren. Alsof er een ideaal Links bestond, of nog kon bestaan. Maar de gelegenheid om het daarover eens te hebben komt vast nog. Veel dank, Alain Finkielkraut voor deze schitterende berichten...



EL: Dans le fond, pour les gens qui pensent cette chose, l’humanisme, l’humanisme occidental disons, est une option parmi d’autres en quelque sorte, donc, dans un monde divers ...
AF: Bien sûr, il faut que ça le soit car l’humanisme, la pensée humaniste, c’est la redécouverte du monde Grec et Latin. C’est l’idée d’un détour par les œuvres classiques, pour nous comprendre nous-mêmes et comprendre le monde. Dès lors même que cet humanisme si vous voulez est chassé complètement de l’enseignement et de l’idée que nous nous faisons même de la littérature. Alors on ne va pas en plus imposer aux élèves l’étude de la naissance d’une telle pensée. Elle existe encore, mais pour pas longtemps, et à titre purement facultatif. Alors là, je vais être un peu solennel et, pour vous dire ceci…
EL: Vous avez un livre de poésie…
AF: Oui, un jour Élisabeth de Fontenay m’a fait découvrir ces vers d’Ossip Mandelstam, et c’est une de mes nombreuses dettes à son égard.
Vais-je à la médisance infâme
Livrer le serment profond jusqu’aux larmes,
La splendide promesse faite au quatrième état?
Quatrième état, sur le modèle du tiers état, c’est donc le prolétariat. Et pour moi la Gauche se définit à travers ces vers. Elle est précisément la promesse d’un partage de l’héritage par tous. Or aujourd’hui cet héritage est dilapidé, par la Gauche elle-même, au nom de l’égalité, et aussi de la lutte contre le racisme, cet héritage étant vraiment beaucoup trop particulier, impérial aussi, les deux, pour être honnête, alors justement...
EL: Et pas seulement particulier: oppresseur.
AF: ...et oppresseur, et donc d’où ma question, solennelle en effet: Quel sens y a-t-il aujourd’hui à se dire de gauche? Car s’obstiner dans ce sens, ce n’est plus agir en citoyen mais en supporter. Malgré le Qatar, je reste viscéralement, et bêtement attaché au PSG...
EL: Ah, oui (rit)
AF: ...mais pour que je reste attaché à la Gauche, il faudrait que le PS soit pour moi une sorte de PSG. J’ai une autre idée de la politique…
EL: Moi, je me demande si vous ne conservez pas un petit reste, disons de tentation d’idéaliser la Gauche. Comme s’il y avait une Gauche disons idéale, qui pourrait encore exister, mais sans doute aurons-nous l’occasion d’en reparler.
Merci beaucoup Alain Finkielkraut pour ces excellentes nouvelles…

15 april 2015

Een Frans rapport dat uit zijn as herrezen is


'Wie met vuur speelt, verbrandt zich', meent de Parijse rapper Booba (geboren in Boulogne-Billancourt, 1976) in het blad Le Parisien. 'Ik ben verwonderd dat het niet eerder is gebeurd, want het was niet de eerste keer dat de tekenaars de profeet hadden afgebeeld. In het leven moet je de gevolgen van je keuzes aanvaarden. Wie in Australië aan een kust vol witte haaien woont, en men zegt je dat, en je weet het, en je gaat toch door met zwemmen elke dag, als je dan op een dag door een witte haai gepakt wordt, moet je dat aanvaarden.'
De vergelijking met die haaien is gewaagd en zou niet aan iedereen vergeven worden, maar aangezien Booba zelf moslim is, zal het nog net kunnen.
Toch vermoed ik dat er destijds met de republikeinse opvoeding van die jongen iets is misgegaan. In 2003 al – Booba was dan van school af – moet de Franse president Chirac hebben ingezien dat er problemen waren met sommige leerlingen in sommige scholen in sommige wijken en, heel logisch: hij liet een commissie oprichten. Zijn minister van onderwijs vroeg daarop aan tien inspecteurs-generaal en speciale opdrachthouders om verschillende departementen te bezoeken om er waarnemingen te doen.
Dat deden zij, en in juni 2004 leverden ze een rapport van 18 000 woorden af. In de inleiding zegden ze dat hun conclusies niet veralgemeend mochten worden, want ze hadden vooral des quartiers sensibles, 'kwetsbare buurten' bezocht. Het was in Frankrijk niet overal even erg, maar in sommige wijken was het wellicht zelfs nog erger dan wat zij gezien hadden, omdat er een onwil was om te rapporteren. Hun besluit was dat men krachtig diende in te grijpen.
Zoiets is vervelend voor ministers en, op zich ook weer heel logisch: men verkoos het rapport in een lade op te bergen.
Maar toch dook het weer op. De laatste jaren en vooral maanden wordt er meer en meer naar verwezen. Le Rapport Obin kent een tweede leven. Er zijn kostbare jaren verloren gegaan, lees je nu, en dat komt omdat men verkoos – op alle niveaus, van de onderwijzer tot de minister – de werkelijkheid niet te zien.
Dit rapport zou in zijn geheel vertaald moeten worden, want al gaat het over het Frankrijk van tien jaar geleden, er staan dingen in die misschien toch herkenbaar zijn, en onze politici en journalisten stof tot nadenken zouden leveren. Hieronder enkele passages die de uitgangspunten van het rapport, en de eerste indrukken van de auteurs betreffen:


De tekenen en uitingen van religieuze overtuigingen in de schoolinstellingen
Rapport voor de Minister van Nationale Opvoeding,
Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek
Rapport présenté par Jean-Pierre Obin

Onze benadering van de schoolinstellingen was eerder etnologisch (observeren, vervolgens beschrijven) dan normatief. Temeer omdat bij veel personeelsleden en verantwoordelijken de uitingen van religieuze overtuigingen onder een soort verdringing of algehele ontkenning lijken te vallen, en dit op elk niveau, dat van de klas, de inrichting, de academie: over het algemeen begon iedereen met te verklaren dat we niet de moeite van de verplaatsing hadden moeten nemen, want er viel niets waar te nemen: in niemand zijn klas, zijn school, of in de sector die onder zijn verantwoordelijkheid stond, was er iets aan de hand.
Onze bevindingen spraken deze verklaringen vooraf heel vaak tegen. Na afloop van onze werkzaamheden lijkt het ons duidelijk dat wat deze materie betreft de informatie heel slecht circuleert binnen de nationale onderwijswereld, en dat we met de grootste waarschijnlijkheid mogen vermoeden dat de waarnemingen, zoals in dit rapport opgetekend, allicht onder de werkelijkheid blijven zoals die zich in de instellingen in kwestie voordoet. Zozeer is bij veel leraars, pedagogische adviseurs en directies de neiging aanwezig om, wat dit onderwerp betreft, een deel van hun professionele werkelijkheid te verbergen. [...]
Het komt hierop neer dat de houding van de academische autoriteiten, al naar de periodes en de verantwoordelijken, fluctueert tussen enerzijds de bezorgdheid om elk conflict te vermijden, en zeker elke media-aandacht, en anderzijds de wil om zich tegen de schendingen van de neutraliteit te verzetten [van het staatsonderwijs: laïcité]. [...]
In het ergste geval constateert men dat instellingen er echt als versterkte burchten uitzien, zoals ze in de achtergestelde buurten van de grote Latijns-Amerikaanse steden voorkomen, afgerasterd, met prikkeldraad bovenaan, ingangssluizen en videobewaking. Deze instellingen besteden veel tijd en energie om zich af te schermen van een omgeving die als extreem agressief wordt gezien, en dat allicht soms ook is. De grootste preoccupatie van de schoolhoofden is het controleren van de leerlingen, en de ordehandhaving. De preoccupatie van de leraars is hun veiligheid, en hun overplaatsing: in een van de bezochte instellingen was de gemiddelde anciënniteit van de leraren minder dan drie jaar. In dergelijke situaties voelt men zich machteloos. [...] Meerderen onder hen hebben ons gezegd dat ze een les moesten afbreken, of zelfs dat ze ervan afzagen om aan een programmadeel te beginnen, waarmee ze, niet altijd bewust, aan preventieve autocensuur deden. Nog verontrustender is het dat andere leraars, en meer dan je zou denken, omdat ze menen dat de leerlingen 'hun eigen religie niet kennen', het als hun taak beschouwen om hun religieuze opvoeding bij te werken, vaak zonder te beseffen wat voor draagwijdte dit heeft. Zonder aarzelen doen zij dan uitspraken over een orthodoxie, en moedigen ze een theologie aan die zijzelf compatibel achten met de moderniteit en de democratie, en gaan ze in tegen opvattingen die ze als bijgelovig beschouwen of die een 'integristische' lezing van de heilige teksten inhouden. Zo raakt men op drift en men mag dit als een 'theologisering' van de leerinhoud definiëren. [...] Maar vele leraars voelen in de eerste plaats ontreddering en verwarring. Om hun taak aan te kunnen of gewoon om verder les te kunnen geven, en slecht voorbereid als ze vaak zijn om deze situaties het hoofd te bieden, aan hun lot overgelaten zonder richtlijn of steun, schipperen deze leraars met de principes, de jongsten in het bijzonder, of ze verzinken in relativisme. [...] Anderen weer, murw geworden, houden zich gedeisd en wachten op hun overplaatsing.

13 april 2015

Filosofen geven elkaar soms, niet altijd gelijk


Finkielkraut, Sloterdijk en Serres

Levert onderricht in klassieke cultuur autochtonen voorkennis op?
Op de beurs mag dat niet, maar cultuur is toch geen commerce?

'Pessimisten geloven dat er een catastrofe op komst is. Ik deel hun optimisme niet. De catastrofe is er al. Voor de rest ben ik heel gelukkig.'
Zo eindigt het gesprek dat Alain Finkielkraut had met enkele redacteurs van het Franse weekblad Le Point, en waaruit ik een paar fragmentjes haal en vertaal. Hij heeft het over onderwijs, elitevorming, de teloorgang van de klassieke cultuur, de bijhorende gelijkschakeling van alle mogelijke culturen, en aan het eind ook even over 'diversiteit'. Het zijn misschien niet de belangwekkendste fragmenten, maar dat leg ik nu uit.
Eerst was ik namelijk niet van plan om uit dit zeer recente interview te vertalen, maar wel uit het destijds in 2003 door Chirac nog bestelde onderwijsrapport, bekend als het "Rapport Obin". In Frankrijk is het nu heel actueel geworden, nadat het jarenlang in het Ministerie van Nationale Opvoeding te rijpen heeft gelegen, allicht in een stille en koele wijnkelder.
Wat Finkielkraut hieronder zegt, staat niet los van wat Obin tien jaar geleden al schreef, maar dat stuk is voor morgen:


Alain Finkielkraut: Vandaag wil links de erfgenamen [van de klassieke cultuur en van de republikeinse gedachte] laten oppakken wegens voorkennis. En, in hun ijver om komaf te maken met het elitarisme, willen ze het Latijn en Grieks, te weten de klassieke cultuur uit de middelbare school laten verdwijnen. Anders gezegd, links beweert net het tegenovergestelde van Marc Bloch, die aan de vooravond van de bevrijding schreef: 'Wij vragen een zeer breed openstaande middelbare school. Haar rol is de vorming van de elites, ongeacht afkomst of financiële middelen. Aangezien dit onderwijs niet langer (of niet opnieuw) een klasse-onderwijs mag zijn, zal selectie geboden zijn.' Voor de democratische gevoeligheden is dit republikeinse taalgebruik inmiddels kwetsend geworden. In dit tijdperk van strijd tegen de discriminaties overheerst een totaal verschillende opvatting over openheid. Nu geldt: voor iedereen een diploma, en de aanwezigheidspolitiek triomfeert.
Le Point: Wat is voor u de grootste fout van de socialisten? Hun bekering tot het liberalisme, zoals Régis Debray denkt? Of hun cultureel gauchisme?
Alain Finkielkraut: Voor mij zit de grootste fout in hun schoolpolitiek. Het anti-elitarisme wat onderwijs betreft, richt onherstelbare schade aan.
Le Point: Bent u niet een ongeneeslijke conservatief?
Alain Finkielkraut: Ik leg me niet neer bij de gevestigde orde, te weten dat het lot van elkeen al vastligt door zijn afkomst, en dus zou ik me eerder als progressief willen omschrijven.* Maar betekent de oorverdovende intrede van een post-nationale en post-literaire samenleving dan een vooruitgang? Als de kunst van het lesgeven omgevormd wordt tot een receptenboekje "hoe je klas in toom te houden", is dat vooruitgang? Is algemene argwaan vooruitgang? Moeten we blij zijn als we de Petites Poucettes** van het derde millennium de klassieke teksten achter zich zien laten, terwijl ze frenetiek op hun tablets kijken? Is het Frankrijk van "daarna" echt geciviliseerder dan het Frankrijk van daarvoor? Die cruciale vragen mogen niet meer gesteld worden, want "daarvoor", dat was vóór de diversiteit. Elke nostalgie is bijgevolg racistisch en valt onder de rechter.
____________

* Peter Sloterdijk treedt hem in de Wiener Zeitung bij: [...] ik denk dat vandaag de conservatieven de progressieven zijn. In de optiek van vandaag is bewaren een bijna revolutionaire houding geworden. Zo zonderling staan de zaken nu, omdat diegenen die snelheid willen maken overal aan het stuur zitten.
** Hij verwijst naar een pamflet van de filosoof Michel Serres, académicien net als Finkielkraut zelf. Serres is een optimist en zegt dat er «een nieuwe mens» geboren is. Hij noemt die Petite Poucette (een gefeminiseerd Klein Duimpje), omdat deze mens ertoe in staat is met zijn/haar duimpje sms'jes te versturen. De leerlingen zijn tegenwoordig ondergedompeld «in een tsunami van veranderingen. We zien vandaag een immense ommekeer, vergelijkbaar met het einde van het Romeinse Rijk, of met de Renaissance.»

8 april 2015

Lof der onvolledigheid


Al na anderhalve bladzijde legt een lezer een roman soms weg. Ik bezit een aantal van die romans. Maar er zijn ook schrijvers die na anderhalve bladzijde zelf ermee ophouden. Heine deed dat, vele anderen ook, en Stendhal deed het vaak.

De grote kenner van Stendhal, wijlen Victor Del Litto verzamelde alle aanzetten tot romans die ons hebben bereikt, en bij elkaar is dat nog een flink boek geworden. Natuurlijk voorzag Del Litto die stompjes van commentaren en toelichtingen. Bij de roman die hieronder in zijn volledigheid te lezen is, horen bijvoorbeeld zes bladzijden schitterende commentaar.
Maar in zekere zin zijn zulke aanzetten soms toch volledig. Dat hangt van de grootte van de auteur af.
Wat moet de lezer na de drie hoofdstukken die we hebben, nog vernemen van bijvoorbeeld de “Rabbi van Bacharach” van Heine? »Der Schluß und die folgenden Kapitel sind, ohne Verschulden des Autors, verloren gegangen«, zegt hij, maar niemand is verplicht alles te geloven wat Heine vertelt.
En wat moeten we van Mme Tarin tenslotte nog vernemen, als we weten dat ze als lijk “mooier was dan ze ooit was geweest”?


Histoire de Madame Tarin
Le 21 de décembre 1836, Mme *** accourut rue Caumartin au n° 13 et demanda d’un air fort troublé à voir sur-le-champ Mme Tarin son amie intime. La portière dit à Mme *** que la femme de chambre et la cuisinière de Mme Tarin étaient en commission et avaient dit en sortant que leur maîtresse ne voulait recevoir personne.
Mme *** insiste.
– Savez-vous bien, dit-elle à la portière, que Mme Tarin est peut-être morte au moment où je vous parle? J’ai des raisons pour vous parler ainsi.
Enfin la portière se laisse persuader. On frappe à la porte de Mme Tarin. Pas de réponse. Après un quart d’heure on se détermine à enfoncer la porte. Tout l’appartement était dans l’ordre ordinaire, on arrive à la chambre à coucher: les châles, les robes étaient distribués sur les meubles.
On approche du lit, Mme Tarin y était couchée. Elle était morte, pale comme à l’ordinaire et plus belle qu’elle ne l’avait jamais été. Mme *** se jeta sur le corps inanimé de son amie. Une heure auparavant elle avait reçu par la poste une lettre dans laquelle Mme Tarin avouait les choses que nous allons raconter. Par cette lettre Mme Tarin disait à son amie qu’elle lui faisait don de son grand châle noir, de telle robe, etc.
Mme Tarin était mariée à un notaire de Périgueux nommé M. Pigeon, honnête bourgeois de qui elle avait eu deux enfants. La fortune de ce ménage pouvait s’élever à 160 000 francs.
En 1835, Mme Pigeon qui avait au suprême degré l’art de persuader et de séduire engagea son mari à venir à Paris. Elle lui avait fait entrevoir plusieurs moyens fort probables d’augmenter leur fortune et de donner une belle éducation à leurs enfants. Elle pensa que le nom ridicule de Pigeon serait un obstacle, et se fit appeler Mme Tarin du nom de sa mère.


3 april 2015

Een lijfgeur doet niet altijd, of iedereen braken


Aan de VUB hebben ze een prof die, in biologische termen gesproken onder de menselijke soort dient ingedeeld te worden. Niet vér eronder, met wat we de laatste twee dagen allemaal te lezen kregen op Twitter &c., maar toch eronder. Of beter nog misschien: ernaast, in een zijtak. De taxonomie houdt immers geen waardeoordeel in: een zwijn, een hond, een aap, een stinkdier, een mestkever, voor biologen zijn het allemaal beestjes.
“Elias” heet het wezen waar we het hier over hebben. “Willem Elias”, in de mooie binominale nomenclatuur die we aan Linnaeus mogen danken.

Deze man –laten we hem gemakshalve zo noemen, al zullen scherpslijpers misschien liever hominide of iets dergelijks gebruiken– deze man waar geen normale mens aan tafel naast zou willen zitten als er nog gegeten moet worden, vanwege zijn zurige lijfgeur misschien, is zo te zien volkomen aanvaardbaar in het VUB-milieu, en trouwens in nog een paar andere.

Blijkbaar zijn de wasems die hij afgeeft niet voor elke mens ondraaglijk. Sommigen houden er zelfs van. Zo zie je maar hoe verschillend ons reukorgaan op prikkels kan reageren. Allerlei omstandigheden kunnen een invloed hebben, gewoontes, affiliaties misschien, verwantschappen en dergelijke. Stercus cuique suum bene olet, elk riekt graag zijn eigen stront, merkte Erasmus al op.
In ieder geval, de tweet die ons onderzoeksobject heeft geschreven vandaag, kreeg direct zestig “likes”. U leest hem zelf maar, maar mocht u tot het menselijk ras behoren, the human race, to which so many of my readers belong, om met Chesterton te spreken, dan kunt u beter eerst een anti-emeticum slikken.


22 maart 2015

Populisme, wat mag het toch zijn?


“Waarom populistisch en gemeen geen scheldwoorden zijn”, heet een boek van Ludo Abicht (Houtekiet 2012), en daarin hij legde hij logischerwijze uit wat de titel zegt. Dit had moeten volstaan, en toch blijven weldenkende, zij het hardleerse journalisten, politici en Vlaamse auteurs begrippen als populistisch welgemutst gebruiken. Niet enkel deze term trouwens, want ook “uiterst rechts”, “fascistisch”, “racistisch” &c. halen zij geregeld uit hun gereedschapskistje.


Aangezien de herhaling behaagt en tot lering strekt –bis repetita placent– kan het misschien geen kwaad om hier een herhalingsles te laten geven door Chantal Delsol (1947), Franse filosofe die zich met de ideeëngeschiedenis inlaat. Recent was zij bij Finkielkraut te gast.
Van haar is: «Le Populisme et les Demeurés de l’Histoire», Paris/Monaco, Le Rocher, 2015 («demeurer» mag hier zowel «wonen» als «overblijven» betekenen, en «un demeuré» is een achterlijke), en eerder schreef ze al «La nature du populisme ou les figures de l'idiot», Les éditions Ovadia, Nice 2008. De stijlfiguren die idioten gebruiken. Blijkbaar kan ook in Frankrijk de herhaling geen kwaad.

AF : Waarin verschilt de populist van de democraat als hij zich op het volk beroept, Chantal Delsol?
CD : Dank u wel en goede morgen. Ik geloof inderdaad dat er in de voorbije eeuwen, en in de voorbije anderhalve eeuw meerdere malen een objectieve definitie van populisme is gegeven. Wanneer kan men van een objectieve definitie spreken? Wel, als er mensen zijn die op een bepaalde term aanspraak maken. Dit is hier niet het geval. Ongeveer niemand eist hem voor zich op, behalve inderdaad als boutade, maar op een manier…
AF : Misschien als uitdaging?
CD : Ja, als uitdaging of als provocatie…
AF : Zoals tenslotte Marine Le Pen zegt «je suis populiste», net als Mélenchon.*
CD : Mélenchon evengoed, juist, maar je kunt zeggen dat niemand zich erop beroept, dus in wezen is het een belediging, een scheldwoord, het is een woord dat men iemand toeslingert, en dus een subjectieve term. Nu betekent dat nog niet dat er geen achterliggende definities kunnen zijn, maar het lijkt me in dit geval dat de term ons meer leert over diegenen die beledigen dan over de beledigden. Desnoods misschien, allicht zelfs, over de afbakening van wat beiden onderscheidt.
Wat mij betreft, wat ik in mijn boek heb willen doen, is kijken wie “uitgemaakt wordt voor”, want tenslotte wordt men uitgemaakt voor populist. Men is geen populist, men wordt ervoor uitgemaakt. Dus: wie wordt er voor populist uitgekreten, en wie zijn die vele mensen die “worden uitgekreten”? Enkel zo kan men trachten tot een objectieve definitie te komen, in de mate dat zoiets mogelijk zou zijn, we zullen het er straks nog over hebben. Maar wat het volk betreft, u vroeg wat het verschil was tussen het volk van het populisme en het volk van de democraten. Wel: het volk van het populisme is een slecht volk, het volk van de democraten een goed volk. En hierbij houdt het denk ik op, aangezien dit allemaal zeer subjectief is. In wezen is Links volks, en Rechts populistisch. Zo is het toch? Maar goed, dit is een beetje… ik gooi dit op tafel en we zullen het er nog over hebben.
AF : Kortom, de definitie van populisme zegt u, Chantal Delsol, kan niet objectief zijn en…
_________
*Jean-Luc Mélenchon (1951), was senator, minister en EU-parlementslid, verliet in 2008 de PS en stichtte de “Parti de gauche (PG)”. Bij de presidentsverkiezing in 2012 haalde hij 11%.




AF : En quoi l’appel au peuple du populiste diffère-t-il de celui du démocrate, Chantal Delsol?
CD : Merci, bonjour. Je crois qu’effectivement il y a eu dans les siècles, le siècle et demi précédent à plusieurs reprises une définition objective du populisme. Quand peut-on dire qu’il y a une définition objective? Et bien, quand il y a des gens qui se revendiquent d’un terme. Ici ce n’est pas le cas. Pratiquement personne ne s’en revendique, sauf effectivement par boutade, mais d’une manière…
AF : Par défi peut-être?
CD : Ou par défi, voilà, ou par provocation…
AF : Comme Marine Le Pen dit finalement «je suis populiste», de même Mélenchon.
CD : De même Mélenchon, exactement, mais on peut dire que personne ne réclame cela, donc au fond «populisme» c’est une injure c’est une épithète injurieuse, c’est un mot que l’on jette et donc c’est un terme subjectif. Alors ça ne veut pas dire que derrière il ne peut pas y avoir des définitions, mais il me semble que dans ce cas-là c’est un terme finalement qui donne plus de renseignements sur ceux qui injurient que sur ceux qui sont injuriés. À la limite peut-être, probablement d’ailleurs, sur la définition qui peut séparer les deux.
Alors moi, ce que je me suis attachée à faire dans mon livre, c’est regarder qui est «traité de». Parce qu’au fond on est traité de populiste. On n’est pas populiste, on est «traité de». Donc, qui est traité de populiste, et quels sont les liens entre tous ces gens qui sont «traités de»?
Il n’y a que comme ça qu’on peut essayer d’avoir une définition objective, si tant est qu’on puisse l’avoir, on en reparlera tout à l’heure. Mais en ce qui concerne le peuple, vous avez posé la question quelle est la différence entre le peuple du populisme et le peuple des démocrates? Et bien le peuple du populisme c’est un mauvais peuple, le peuple des démocrates c’est un bon peuple. Et comme tout ça est très subjectif, je pense qu'il faut s’arrêter là. Au fond la Gauche est populaire et la Droite est populiste. Au fond c’est quand-même ça, mais enfin bon, c’est un peu… je jette ça sur la table, on va en reparler.
AF : Voilà, donc la définition du populisme dites-vous Chantal Delsol, ne peut pas être objective et…

20 maart 2015

Een realistische socialistische kijk op het barbarendom


Najet Mizouni is professor publiek recht aan de Université Paris 8 Saint-Denis, en bestuurslid van de Parti Socialiste in Parijs. Bij Yves Calvi analyseert zij de beweegredenen van de terroristen in Tunis en elders. Calvi leidt al meer dan tien jaar de debatten voor het programma C dans l'air op France 5.

Najet Mizouni: Ik vond dat er een continuïteit zat in de acties. Het begon in Timboektoe, vervolgens was er het joods museum in Brussel, dan het museum in Irak (ja, Mosoel), Mosoel. Voor mij zat die continuïteit in de vernietiging van alles wat pre-islamitisch is. Al wat voor hen kwam. Met andere woorden, vóór hen was er niets, zo eenvoudig is het.
Yves Calvi: U wil beweren dat we met een barbarendom te maken hebben dat het bewust (ja, bewust) op alle plekken van culturele betekenis gemunt heeft?
Najet Mizouni: Dat is het opzet, voor mij is het een, ik zou zeggen massief vernietigingsproject van de pre-islamitische beschaving. Voor hen heeft er niets bestaan en na hen zal er trouwens evenmin iets bestaan. Voor mij ging het om drie symbolen: ten eerste werd de beschaving aangevallen, en die moet geliquideerd worden. Ten tweede is het zo dat toerisme een van de belangrijke inkomstenbronnen van de Tunesische economie is, en ten derde werd er een zware slag toegebracht aan de machthebbers, want men heeft het niet verteerd dat deze jonge democratie de islamisten eruit heeft gezet, en we weten heel goed dat deze wahhabieten niet kunnen aanvaarden dat de islamisten de macht uit handen hebben gegeven.

Najet Mizouni: Je pensais à la continuité de l’action. Elle a commencé à Tombouctou, elle est passée par le musée juif de Bruxelles, on est passé au musée en Iraq, (oui, Mossoul) Mossoul. Pour moi c’était une continuité de la destruction de tout ce qui est antéislamique. Tout ce qui est avant eux. C’est-à-dire qu’avant eux il n’y a rien, et après rien.
Yves Calvi: Vous voulez dire qu’il y a une barbarie qui vise volontairement (oui volontairement) les lieux de culture?
Najet Mizouni: C’est un projet, pour moi c’est un projet de destruction massive j’allais dire, c’est un procès de destruction de la civilisation antéislamique. Rien n’a existé avant eux, et d’ailleurs rien n’existera après eux. Pour moi il y a un triple symbole: un, c’est la civilisation qui est attaquée, qu’il faut liquider. Deuxièmement, le fait que le tourisme est une des ressources essentielles de l’économie tunisienne, et troisièmement donner un coup fort au pouvoir, parce qu’on n’a pas accepté cette jeune démocratie qui a viré les islamistes, et on sait très bien que ces wahhabites n’acceptent pas que les islamistes aient accepté de quitter le pouvoir.


http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html