29 april 2016

Velen zal hier een geheim onthuld worden



Ambrose Evans-Pritchard kent de EU goed, want van 1999 tot 2004 was hij "Europa-correspondent" in Brussel voor The Daily Telegraph. Vandaag is hij daar International Business Editor, en eerder schreef hij voor The Economist en The Spectator – voor dat laatste blad als Washington-correspondent in de Clintonjaren.
Toevallig las ik voor enkele dagen een commentaar van hem, en hij had het over de Brexit, en in een historische toelichting ook over de EU als een oorspronkelijk Amerikaans project. Velen, politici zowel als journalisten en politicologen namelijk, denken dat die Europese Unie een Europees project is. Ze moeten wat in verwarring zijn door de benaming, want in hun onwetendheid noemen ze de EU vaak zelfs kortweg “Europa”.

Van Evans-Pritchard kunnen zij iets leren, als hij schrijft:
“De EU is altijd een Amerikaans project geweest. Het was Washington dat in de late veertiger jaren tot Europese integratie noopte, en deze steels financierde in de regeerperioden van Truman, Eisenhower, Kennedy, Johnson en Nixon. […] Voor Britse eurosceptici blijft de figuur van Jean Monnet dreigend aanwezig in het federalistische pantheon, de éminence grise van de supranationale schurkachtigheid. Weinigen zijn zich ervan bewust dat hij een flink deel van zijn leven doorbracht in Amerika, en daar in oorlogstijd dienstdeed als luistervink van Franklin Roosevelt. De Gaullisten zagen in hem een Amerikaanse agent, wat hij in een losse betekenis ook was.”

De meeste EU-“parlementsleden”, de meeste journalisten, en ook enthousiaste jonge proffen als bijvoorbeeld een Hendrik Vos raad ik de lectuur van Evans-Pritchard sterk aan, want als een blogger zoiets vertelt geloven ze hem toch niet.

Lidwoorden zijn belangrijker dan men vaak denkt


Al in de titel – met «les islamistes», niet «des islamistes» – wordt aan de eenvoudige lezer van Le Monde gesuggereerd dat het artikel eronder een duidelijk omschreven, beheersbaar en in geen geval belangrijk probleem betreft. Het gaat om die recente kwestie met de Zweedse Groenen. Deze partij is “geïnfiltreerd” door islamisten, en met zijn passieve werkwoordsvorm wil de journalist haar min of meer uit de wind houden. Kwetsbaarheid voor infiltratie is misschien een zwakte, maar geen misdaad, en al zeker niet als het gaat om infiltratie door een weliswaar perfide, maar gelukkig afgebakende en kleine groep. De bezwarende feiten waar de journalist met de beste wil niet onderuit kan, laat hij door iemand 'aanwijzingen' noemen, en aan het eind wijst hij op het valse gebruik dat de Zweedse tegenstanders van de Groenen maken van deze ongelukkige omstandigheden. Ook weet hij dat er ergens, misschien op Facebook, een oude foto te zien is die door hen uit verband werd gerukt. Op die foto stonden trouwens joden, zegt Olivier Truc, wat altijd handig is als de aandacht beter wat wéggeduid wordt van al te feitelijke mededelingen, zoals het ontslag van de groene minister van huisvesting, Mehmet Kaplan.
Ik heb de indruk dat de journalist zijn lezers toch wat onderschat, maar toegegeven: Le Monde bericht tenminste over deze kwestie, ze zwijgen er niet over. En het artikel bevat genoeg gegevens die de lezer toelaten om zijn eigen duiding te maken, en deze Truc te laten voor wat hij is.


Le Monde, 26 april 2016
Olivier Truc (hun journalist in Stockholm)

Zijn de Zweedse Groenen door de islamisten geïnfiltreerd? Dat is wat de directeur van het Studiecentrum voor asymmetrische dreigingen van de Zweedse militaire school, Lars Nicander heeft gesuggereerd in een interview op de Zweedse televisie, vrijdag 22 april. Lars Nicander legt uit dat men meerdere leden van de Groene partij, die sinds de herfst van 2014 deel uitmaakt van de regeringscoalitie, het teken van de Moslimbroeders heeft zien maken, met hun vier vingers uitgestoken. In de krant Aftonbladet, geeft hij als verklaring dat de Groenen meer dan anderen voor dit soort infiltratie kwetsbaar zijn, omdat ze humanisten zijn: “Ze zijn bang voor islamofoob te worden versleten.” De partijleiding heeft hierop geantwoord dat ze het alarmerende signaal zeer ernstig nam, ook al wees niets erop dat haar politieke koers ook maar op enig gebied door die denkbeelden zou zijn beïnvloed.
Een kandidaat-lid van het partijbureau heeft geweigerd een vrouw de hand te drukken
De zaak ging aan het rollen met het ontslag op 18 pril van Mehmet Kaplan, minister van huisvesting, een militante antiracist en praktiserend moslim, die ervan werd beschuldigd te nauw gelieerd te zijn met vertegenwoordigers van de Turkse president, Recep Tayyip Erdoğan, of nog van contacten met extreemrechtse bewegingen* in Turkije. Kort daarop dook er een nieuwe polemiek op. Yasri Khan, die kandidaat was om lid te worden van het partijbestuur van de Groenen, weigerde de hand te drukken van een journaliste van de Zweedse televisie, en antwoordde onhandig op een vraag over de terdoodveroordeling van een blogger in Saoedi-Arabië. In de daaropvolgende storm in de media en de politiek als gevolg van deze nieuwe affaire zag de heer Khan zich genoodzaakt af te zien van zijn politieke ambities. “Bij de Groenen is een vorm van naïviteit ingebakken,” luidt de kritiek van Kurdo Baksi, journalist van Koerdische origine, en voorheen nog kandidaat voor de Groenen voor het Europees Parlement, “maar net al bij andere Zweedse partijen zijn ook zij vriendelijk voor diegenen die stemmen van bepaalde groepen kunnen aanbrengen.”
“Geen bewijzen”
Tegelijk gaan de manipulaties op volle toeren, zoals met die foto van Yasri Khan midden in groep mensen waarvan het gezicht gemaskeerd werd, en waarop elk van hen met de wijsvinger naar hemel wijst, wat steun voor de Islamitische Staat moet suggereren, terwijl het om een oude foto gaat van een bijeenkomst van Zweden, waaronder vertegenwoordigers van een joodse organisatie, rond het thema “Zweden Eén”, en waarbij de vinger het cijfer één voorstelde.
“Misschien is de partij wel geïnfiltreerd door islamitische elementen, maar tot nog toe zijn daar geen bewijzen van, of het moesten aanwijzingen zijn zoals een geweigerde handdruk”, sust een editorialist van Dagens Nyheter. “Praktiserend moslim zijn, en politiek geëngageerd, betekent nog niet dat men islamist is”, repliceert de leiding van de Groenen in een perstribune, en ze merkt op dat er geen enkel concreet voorbeeld is van een islamitisch agendapunt dat binnen de partij ook maar enig succes zou hebben gekend. Dat kan evenwel niet beletten dat bepaalde takken van extreemrechts hier gebruik van maken, want volgens hen bestaan er geen gematigde moslims, maar enkel moslims die hun ware doelstelling verborgen houden, te weten de islamisering van Europa.
________
 * Bedoeld worden wellicht niet de Grijze Wolven, want die zijn niet meer extreemrechts, zei Dries Lesage gisteren nog in De Morgen.

23 april 2016

De Bijstandsmoeder


Annemie Verbeiren, de alleenstaande moeder die op Facebook viraal ging, blijkt voor de SP.A-actief te zijnlas ik, zoals iedereen dat las. Er is grote beroering ontstaan over die kwestie. De enen zeggen: akkoord over dat lidmaatschap, maar wat Verbeiren schrijft over die Aldi-koffie blijft niettemin waar. Anderen voelen zich bekocht door Annemie.
De zesde november van het jaar negentienhonderd vierentachtig besprak Karel van het Reve een gelijkaardige kwestie. Hij verklaarde, in een radiopraatje voor de luisteraars in de overzeese gebiedsdelen, hoe het kwam dat de mensen in Nederland zich toen ook opgelicht voelden:

14 april 2016

Een stukje van Laurens de Keyzer, als eerbetoon aan een groot schrijver


In de auto
De kleren van De Keyzer
zaterdag 4 december 2010

We zaten naast mekaar in de auto, vader en zoon. We zwegen. Op de achtergrond speelde de radio, maar omdat ik geconcentreerd de besneeuwde weg in het oog hield, hoorde ik de muziek niet. En toch hoorde ik ze plots, meer dan twintig jaar geleden. Want ineens hoorde ik mijn zoontje van zeven achter in de auto vragen: 'Papa, van wie is die muziek?'

Ik vermoed dat het dragen van de gordel achterin toen nog niet verplicht was. De kleine had in elk geval de gewoonte om daar altijd te blijven staan, de armen steunend op de voorste fauteuils, zodat hij tegelijk de weg, het stuur en de pedalen in het oog kon houden, om met trots vast te stellen dat zijn vader de beste bestuurder van de wereld was. Om hem plezier te doen, haalde ik af en toe rare toeren uit. Traag rijden zonder handen, bijvoorbeeld, of op een lege weg grappig gaan slingeren, min of meer op de maat van de muziek - want op de achtergrond speelde BRT3, en een luchtige portie Mozart of Rossini kon me soms danig tot kluchtig autorijden verleiden. Maar of ik nu gek deed of normaal, één zaak stond vast: dat hij ineens vragen zou: 'Papa, van wie is die muziek?'

Behalve rond 6 december heb ik nooit kunnen liegen tegen mijn kinderen. Als ik dus de presentator de muziek had horen aankondigen, dan zei ik dat gewoon, of ik de betrokken muziek nu kende of niet. Twijfelde ik, bijvoorbeeld tussen een late Mozart en een vroege Beethoven, dan zei ik dat gewoon. Nooit maakte ik er me van af door te doen alsof ik wist wat ik eigenlijk niet wist. En wist ik het niet, dan deed ik een poging om de muziek min of meer te situeren, bijvoorbeeld: 'Ik weet het niet, jongen. Maar 't is zeker muziek uit de tweede helft van de negentiende eeuw.'

Dat was riskant, want ik wist dat vervolgens onherroepelijk de vraag kwam: 'Waaraan kun je dat horen, papa?' Dan reageerde ik soms zoals nogal wat ouders op vragen over seks plegen te antwoorden: 'Dat zal ik je later eens uitleggen, jongen, als je wat ouder bent.' Ook als ik de muziek kende, of in mij onbekende muziek toch duidelijk de handtekening van de componist herkende, stond me een kort kruisverhoor te wachten. Zei ik bijvoorbeeld: 'Ik weet niet precies welk stuk het is, maar het is zeker muziek van Brahms', dan zei hij: 'Waaraan kun je dat horen, papa?' Of nog: 'Waarom heeft die Brahms dat zo geschreven?' Of: 'Is Brahms moeilijk om te spelen?' 'Ja, jongen.' 'Waarom?' Enzovoort.

Op een dag beging ik een tragische vergissing. Op de autoradio speelde een ouverture van Rossini, een kerel die zelfs een muziekleek met een beetje training meestal makkelijk kan thuisbrengen. Ik reed op dat moment gruwelijk geënerveerd door het drukke verkeer. Maar daar was hij: 'Van wie is die muziek, papa?' En ik: 'Dat zou je nu zo stilaan wel mogen weten, nee? Ik ben dat quizprogramma trouwens beu. Vraag het aan mama!' En zijn mama, voorzichtig: 'Ik denk dat het Rossini is, vriend.' En tegen mij: 'Ja, toch?' Ik knikte. Hiermee leek de kwestie van de baan.

Helaas hadden mijn opgewonden woorden kennelijk een diepe kras nagelaten in de ziel van de jongen, want hoeveel muziek we later nog in de auto hoorden, zo goed als nooit vroeg hij nog naar de naam van de componist of om een woordje uitleg. Dat deed vader pijn. In zoverre zelfs dat ik af en toe ongevraagd het antwoord gaf op de vraag die niet meer gesteld werd.

Ruim twintig jaar later zat ik dat, in de auto naast mijn zoon, zwijgzaam en niet zonder weemoed te overdenken. Plots vroeg hij: 'Van wie zou die muziek kunnen zijn?' Op slag vergat ik het gladde wegdek. Ik zette het volume hoger en luisterde ingespannen. In mijn geest stond hij daar weer, achterin, zijn handjes op de voorste fauteuils: 'Papa, van wie is die muziek?' Dit keer mocht ik hem niet in de steek laten. Bruckner, dacht ik, maar ik herkende het stuk niet. Ik zei: 'In elk geval van iemand die heel veel naar Bruckner geluisterd heeft en schaamteloos zijn handtekening gebruikt.' Het was Bruckner zelf, zei even later de presentator. Mijn zoon glimlachte. Ik ook.

Thuis vertelde ik het voorval aan mijn vrouw. 'Heb je het hem gezegd?' vroeg ze. 'Nee', zei ik, 'ik ga er een stukje over schrijven.' En als hij ooit een kind krijgt, zal het vragen, bladerend in mijn papieren nalatenschap: 'Papa, van wie is dat stukje?' En hij: 'Van opa, jongen. Als je nog beter kunt lezen, zul je zijn handtekening herkennen. Dat zal ik je later eens uitleggen, als je wat ouder bent.'


Foto: Michiel Hendryckx

8 april 2016

David over de dakgoten van de EU-gebouwen


We lezen vandaag een stukje uit een stuk van een stuk filosoof, David Van Reybrouck geheten. Het staat in De Morgen, en het gaat over dat ongelukkige referendum in Nederland.

Er is geen noodzakelijke synaps tussen informatie en stemgedrag, tussen mening en macht. Iedereen doet maar wat, geïnformeerd of niet. De onderbuik weegt even zwaar door als de bovenkamer.
Was ik Nederlander, ik zou niet weten wat te hebben gestemd. Hoe kan men mijn mening vragen als ik niet eerst de noodzakelijke informatie krijg? Als ik niet de kans heb experts uit te vragen? Als ik niet met medeburgers hierover mag praten? Ik moet toch mijn mening kunnen herzien in het licht van betere argumenten? Openbaar debat moet toch meer zijn dan vissen naar die argumenten die mijn voorgevoel bevestigen?

Wat horen we nu? De Nederlanders was het blijkbaar verboden om onder elkaar over het onderwerp van het referendum te spreken? Dat wist ik helemaal niet, en ik moet toegeven, het is een regelrecht schandaal. Wie mag dit stuitende verbod wel hebben uitgevaardigd? En werd het goed nageleefd? Wie daar weet van had en het verbod heeft doodgezwegen, is wat mij betreft al even schuldig als de opdrachtgevers zelf. Een pak Nederlanders moeten dat zijn.

Dan ging het bij David zijn eigen G708 er wel anders aan toe. David zelf had op voorhand en in alle objectiviteit experts uitgekozen die iets kwamen vertellen, en daarna konden de 708 deelnemers hen vragen stellen en dan onder elkaar voortbabbelen. Dat laatste vermoed ik toch, want ik was vanzelfsprekend niet aanwezig bij die democratische hoogmis.

David is een fenomeen. Niet om wat hij met zijn predikantenstem allemaal verkondigt, maar om zijn talent om journalisten en politici te doen geloven dat hij echt iets in zijn mars heeft, wetenschappelijk, filosofisch of op nog ander gebied. Erg voor hem als het bij andere categorieën mensen niet zo goed wil lukken.

Bezwaarlijk vind ik bijvoorbeeld dat inroepen van “experts”, waarvan er volgens hem te weinig op de Hollandse buis waren in de aanloop naar het referendum. Filosoof David zelf denkt dat het om een neutrale term gaat, vandaar dat hijzelf ook in alle rust en objectiviteit experts kon aanduiden om op zijn G708-evenement te komen spreken. Toch vind ik dat begrip min of meer op gespannen voet staan met een beroep op loting om een parlement of regering samen te stellen. Tenzij David vindt dat iedereen expert is? In dat geval is het probleem inderdaad opgelost, maar waarom dan nog klagen over een gebrek aan informatie?

Met dat stukje hierboven stopt David zijn stuk natuurlijk niet, en verderop vertelt hij over het herstel van dakgoten. Een metafoor. Kennelijk wilde hij nog iets meedelen dat ook gewone mensen kunnen snappen, experts of niet.
Voor die goten ziet David oplossingen waarbij gebruik wordt gemaakt van hout en zink. Of was het hout óf zink? ik zou het allemaal nog eens moeten herlezen.

___________

P.S. En nu lees ik dat juist een teveel aan voorlichting heeft gezorgd voor het massale aantal nee-stemmen! En de man die dat schrijft, lijkt te weten waarover hij spreekt. Hij vertelt zaken die onze jonge filosoof-dakgotenreparateur ontgaan moeten zijn.


Mark Eyskens en Walter Zinzen maken samen hun huiswerk


Walter Zinzen heeft vandaag een ingezonden stuk, of een opiniestuk of hoe je het noemen wilt, in De Standaard, met als titel “Het tegendeel van democratie”.

De emeritus journalist spreekt over “de maskerade van referenda” en hanteert daarbij het soort simplistische rekenkunde dat ook de emeritus professor Eyskens op Facebook al opdiste, en dat amper achttien procent neen-stemmen oplevert. “Als bijna 70 procent van de kiezers niet stemt, is dat de meerderheid”, zegt Zinzen. “Als je de democratische schijn van een referendum wil hooghouden, dan moet het minimale opkomstpercentage omhoog. Minstens 60 procent, het dubbele van wat nu gehanteerd wordt, is noodzakelijk om een volksraadpleging een beetje rechtsgeldig te maken. Ik gebruik hier opzettelijk de term volksraadpleging: een raadpleging van het volk, het gehele volk, niet 30 procent ervan.”

Die laatste zin is onbegrijpelijk en zelfs vals: de gehele Nederlandse bevolking werd namelijk geraadpleegd, kreeg daarover veel informatie, een massa zelfs, veel raadgevingen ook van politici en hun journalisten en columnisten. Die raadgevingen gingen sterk overwegend in de richting van een ja-stem. Alleen ging maar een deel van die bevolking op de uitnodiging in, om zich naar het stemhokje te begeven en daar ja te stemmen.

Verder steekt Zinzen zijn vinger lelijk in zijn oog als hij over die “minstens 60 procent” begint. Beseft hij dan niet dat hij daarmee zowat alle zogenaamde “Europese” verkiezingen – in de landen waar geen opkomstplicht bestaat – voor ondemocratisch verklaart? In Nederland bijvoorbeeld lieten zich bij de laatste verkiezingen voor dat “parlement”, nog geen 38 procent van de kiesgerechtigden zien. Ik zou van Walter Zinzen graag eens een lijstje krijgen van de landen waar zijn zestig procent gehaald werd.

Heeft hij, terwijl hij toch niet op zijn hoofd gevallen is, dan niet aan die consequentie gedacht? Of heeft hij gedacht: mijn trucje zal de gewone De Standaard-lezer niet opvallen?

Nee, dat zou cynisch zijn, maar in die kromme, ja valse redenering voel je wel de pijn van Zinzen. Ach, wilde het volk toch eens stemmen zoals de politici en hun journalisten het graag willen, dán hadden we een mooie democratie.

29 maart 2016

Hoe kun je als journalist het best liegen?



Die vraag is minder eenvoudig te beantwoorden dan het lijkt, en mijn indruk is dat er geen uniek en alleenzaligmakend recept bestaat. Veel hangt bijvoorbeeld af van de mate van minachting die je hebt voor je lezer, kijker of luisteraar. Beschouw je hem als een volmaakte domkop, dan kun je met een kinderlijke ontkenning van algemeen bekende feiten volstaan. Het is een vaak voorkomende techniek. Denk je als journalist echter dat je lezer, luisteraar of kijker toch in een bepaalde mate met rede begiftigd is, dan kun je beter naar andere, minder riskante middelen grijpen. Een succesvolle methode is om in bepaalde gevallen gewoon te zwijgen over vervelende aspecten van een zaak, maar de lezende, luisterende of kijkende klant wel te overrompelen met een opsomming van niet ter zake doende details. Men mag dan hopen dat zijn geest van pure verveling zal afdwalen van de essentie die je hem zo graag wil onthouden. Als alles goed gebracht wordt, zal hij daar zelfs geen vermoeden van hebben.

Nemen we nu de herovering van de stad Palmyra. Iedereen die een beetje met het web vertrouwd is, heeft natuurlijk de foto’s gezien van de Russische soldaten, cпецназ, special forces die het echte werk hebben gedaan, maar vervolgens de eer om als eersten de stad binnen te marcheren aan de Syrische soldaten hebben gelaten (zoals ook hier bij de Bevrijding destijds gebeurde, dat hoort zo).

Jorn de Cock, de man van De Standaard, minacht zijn lezer blijkbaar niet totaal en hij ontkent dus niets dat iedereen toch weet, maar hij zwijgt over die Russen. Jorn schrijft over van alles en nog wat, maar een Rus heeft hij niet gezien: “Een amalgaam van legers, milities en buitenlandse luchtmachten boekt nu successen tegen IS, van de Koerdische YPG-strijders via de peshmerga in Noord-Irak, tot het Iraake leger en sjiitische milities in West-Irak.”

Kijk, dat is mooi gedaan: een opsomming die volledigheid suggereert, en een langdradige zinsbouw die verveling moet opwekken, Gaaf werk Jorn!

Yvan Mayeur geeft uitleg aan de Fransen


Omdat er niets boven een transcriptie, plus een betrouwbare vertaling gaat, hier een fragment uit het gesprek dat Yvan Mayeur had met Léa Salamé, in het ochtendprogramma van France Inter:

Léa Salamé: U hebt niet uw eigen elf januari kunnen krijgen, want de mars van zondag moest om veiligheidsredenen afgezegd worden. Wat we integendeel wel kregen waren vierhonderd hooligans, voornamelijk uit Vlaanderen, die in uw stad zijn komen aanwaaien. Wat is er gebeurd? Wiens schuld is dat?
Yvan Mayeur: Wel, duidelijk de schuld van de minister van binnenlandse zaken, die dat heeft laten gebeuren, maar die denk ik politiek zeer dicht bij dat volk staat, en er is dus een smerig politiek spel gespeeld…
LS: Hij komt uit de nationalistische partij…
YM: Ja, rechts-nationalistisch, en die is helaas aan de macht in België, en zij leunt zeer, zeer nauw aan bij dit soort volk.
LS: U stelt duidelijk hem aansprakelijk.
YM: Ja, heb ik ook duidelijk gezegd.
LS: Hijzelf zegt dat u op de hoogte was.
YM: Non non non…
LS: U had voldoende middelen en versterkingen gekregen…
YM: Ja, maar hij weet zeer goed dat de middelen die ik kreeg bestemd waren voor heel iets anders, namelijk voor een reële dreiging rond het Beursplein.



Léa Salamé: Vous n’avez pas pu avoir votre onze janvier à vous, puisque la marche de dimanche a dû être annulée pour des raisons de sécurité. En revanche, il y a eu quatre cents hooligans, principalement venus de Flandre, qui ont débarqué dans votre ville. Qu’est-ce qui s’est passé ? La faute à qui ?
Yvan Mayeur: Eh bien, la faute clairement au ministre de l’intérieur qui a laissé faire ça, mais qui est très proche je pense de ces gens, politiquement, et donc il y a un sale jeu politique…
LS: Il est issu du parti nationaliste…
YM: Oui, nationaliste de droite, qui est au pouvoir malheureusement en Belgique, et qui est très, très proche de ces gens-là.
LS: Vous le mettez clairement en cause.
YM: Oui, je l’ai dit clairement.
LS: Lui il dit que vous étiez au courant.
YM: Non non non…
LS: Vous aviez reçu les moyens et des renforts suffisants.
YM: Oui, mais, il sait très bien que les moyens que j’ai reçus étaient destinés à toute autre chose, c’est-à-dire une réelle menace sur la Bourse.

25 maart 2016

Béatrice Delvaux heeft een boodschap voor de Franse tv-kijker


Sommigen mogen dan akkoord gaan om het communautaire buiten beeld te houden, maar niet zo Béatrice Delvaux: zij spreekt over de taalgrens en betwist grondgebied.

"Des paroles et des actes" is een twee uur durend programma van France2, gepresenteerd door de bekende nieuwsanker David Pujadas. De aflevering van gisteren had als titel: "L'Europe face au terrorisme". In het eerste uur was een van de gasten Malika Sorel, een vrouw die ik hier nog niet zo gauw op een televisieplateau zie, want haar standpunten zijn vaak niet helemaal correct gestroomlijnd. Als tegengewicht had Pujadas dus de correcte, maar helaas ook narcistische en babbelzieke clown Bernard-Henri Lévy uitgenodigd.

Maar daar gaat het niet over. In het tweede uur zaten onder meer Philippe Moureaux en Béatrice Delvaux, en het werd een bijwijlen interessant debat. U kunt het hier zien. Typisch voor Béatrice Delvaux was dat zij in haar laatste tussenkomst, en al ging de hele uitzending over de afschuwelijke actualiteit, toch niet vergat om het Franse kijkpubliek nog gauw een boodschap mee te geven over de communautaire problemen in België. Zoiets zal wel zijn effect hebben dacht ze blijkbaar, maar naar mijn smaak heeft Delvaux zich onzorgvuldig uitgedrukt en zullen haar lezers, voorstanders van “Bruxelles, région à part entière”, er niet volkomen gelukkig mee zijn geweest. Béatrice gaf zelfs de indruk dat ze een soort voogdij over Brussel aan het verdedigen was.

Oordeelt u zelf, ik vertaal even en onder de vertaling geef ik de transcriptie. Twee probleempjes hierbij ‘fait divers’ (de woorden van burgemeester Thielemans destijds), staat wel in de Dikke van Dale, maar in het Frans heeft die uitdrukking een andere gevoelswaarde. Er is bijvoorbeeld de technische, journalistieke betekenis: gemengd nieuws. In het Nederlands betekent fait divers ook iets als 'onbelangrijk', een voorvalletje, dat niet ondergebracht kan worden bij politiek, sport enzovoort, gebroken armen en benen bijna. In het Frans overweegt de eerste betekenis. Dat verklaart waarom de uitlating van Freddy Thielemans slecht begrepen werd, en in Vlaanderen voor verontwaardiging zorgde. Verder gebruikt Delvaux het adjectief 'identitaire', dat ik met identitair vertaald heb, al bestaat dat woord in het Nederlands niet, en geeft de vertalende grote van Dale enkel 'identiteits-, van de identiteit'. Dit gezegd:

Kijk, in België ontbreekt het ons aan een gezamenlijk project, “identitair” in de positieve zin van het woord is. Wie kan ook verwachten dat die jongeren zich ergens in herkennen waar wijzelf niet achter staan? En bijgevolg wordt er geruzied, tussen Vlamingen en francofonen wordt er geruzied over stukjes grondgebied. Brussel laat men in de steek, en zegt “Zoek het zelf maar uit, dop uw eigen boontjes”. En dan plots, als het verkeerd gaat, zegt men: “Ah, maar Brussel, dat marcheert niet, wat moeten we nu weer beginnen?” Als we daar toch eens mee ophielden. Als we nu eens ophielden te geloven dat we beter af zijn, elk op zich in zijn kleine huisje, en als we eens een waarlijk gemeenschappelijk project ontwikkelden, daarbij steunend op de interne kritiek van de moslims zelf, die bereid zijn die kritiek te leveren, wat zeer waardevol is – Rachid Benzine deed dat vanmorgen nog in onze krant – en als wij dan, steunend op die, tussen aanhalingstekens nieuwe elite, want die mensen hebben een boodschap, en tonen de weg om te ontsnappen aan de fataliteit van die wijken. Maar vandaag denk ik, ik heb… ik herinner me dat bij de Soir wij op een gegeven moment iets hebben aangebracht, er waren zaken gebeurd, op dat moment nog “gemengd nieuws”: er was in Brussel met een kalasjnikov geschoten. De Vlamingen zeiden toen: “Brussel, dat is Chicago”, en de francofonen zeiden “dat is een fait divers”. En wij zijn toen met een Vlaamse krant op een gemeenschappelijke schone lei begonnen, en zegden aan de politici van beide kanten, “hou nu toch eens op met jullie dwaasheden, in Brussel ligt een sociale bom die op ontploffen staat.” En wat we dan schreven was: we moeten ons daar samen mee bezighouden, en niet door aan beide kanten van de taalgrens te bekvechten. Dat was niet gisteren, hè! dat was enkele jaren terug. En dus ben ik wat dat betreft lichtelijk wanhopig.


Eh bien, en Belgique on manque d’un projet collectif, identitaire au sens positif du terme. Comment voulez-vous que ces jeunes se reconnaissent dans quelque chose que nous ne portons pas nous-mêmes ? Et donc on se dispute, entre Flamands et francophones on se dispute de bouts de territoire. On laisse Bruxelles à l’abandon, en disant « mais démerdez-vous, faites vous-mêmes ». Et puis alors soudain, quand ça ne va pas on dit : « ah mais ça ne va pas Bruxelles, et qu’est-ce qu’on va faire ? » Mais si on arrêtait ça, et si on arrêtait de se croire qu’on est mieux tout seul dans sa petite maison, et qu’on développe un vrai projet collectif en s’appuyant sur la critique interne de musulmans qui sont prêts à porter une critique et qui est très importante, Rachid Benzine les a encore données dans notre journal ce matin, et ensuite en s’appuyant sur les nouvelles élites entre guillemets, mais ces gens qui sont porteurs d’un message et d’une possibilité d’échapper à une fatalité de ces quartiers. Mais je pense qu’aujourd’hui, moi j’ai… je me rappelle, au Soir nous avions dénoncé à un moment donné, il y avait des faits, à ce moment des faits divers, des tirs à la kalachnikov, dans Bruxelles. Les Flamands avaient dit « c’est Chicago Bruxelles » et les francophones avaient dit « c’est un fait-divers ». Et nous avions fait avec un journal flamand une carte blanche commune, en disant aux hommes politiques des deux bords, « mais arrêtez vos bêtises, il y a une bombe sociale à Bruxelles et elle va exploser. » Et cette chose que nous avons écrite en disant : il faut s’en occuper ensemble, et pas en se disputant des deux côtés de la frontière linguistique. C’était pas hier, hein, c’était il y a plusieurs années. Et donc en cela je suis un petit peu désespérée.

22 maart 2016

Wie zijn geloof afzweert is het daarom nog niet kwijt


Joël De Ceulaer was nogal snel met zijn voorstel
om Bart Somers aan een deeltijdse job te helpen

“En toch mogen we ons niet laten intimideren door de haatpredikanten die roepen dat ze het altijd hebben voorspeld, dat de islam nu eenmaal niet thuishoort in Europa en dat de multiculturele apocalyps onafwendbaar is”lees ik vandaag bij Joël De Ceulaer.

Op te merken valt dat wie iets voorspelt en naderhand de feiten lijkt mee te krijgen, altijd al banbliksems over zich heen heeft gekregen. We zullen hier geen oude Grieken citeren, maar dat zo iemand dan “haatpredikant” genoemd wordt is normaal. En die predikant heeft dan ook geroepen, niet gesproken. En hij heeft geprobeerd onschuldige zielen te intimideren, weliswaar enkel met woorden, maar niettemin.

En ongetwijfeld noemde die predikant de islam bij naam, en deed hij dat jaren aan een stuk, en gebruikte hij nooit de eufemistische termen “islamist” of “extremist” of “wahhabist” of “terrorist”, omschrijvingen waar journalisten zo tuk op zijn. Goed, maar dat waren zoals gezegd enkel woorden, die predikant gebruikte geen kogels en geen spijkerbommen, geen echte dingen dus.


Toch is hij de echte schuldige voor die echte dingen, vindt De Ceulaer: in zijn stuk komt de islamleer helemaal niet voor. Die leer en traditie spelen voor hem geen rol en blijven buiten beeld.

Wat hij wel doet als er echte dingen gebeuren in de echte wereld, is de schuld verschuiven, of proberen te verschuiven. Ik heb daar begrip voor: Joël is een goede katholiek, al zegt hij dat hij zijn geloof heeft afgezworen, en het liefst van al wil hij dus zijn biecht spreken, al zijn Westerse zonden bekennen en dan vergiffenis krijgen en naar de hemel gaan. Daarin verschilt hij niet van de meeste andere journalisten moet gezegd worden, want die leven allemaal onder één dak – in één mystiek lichaam – al wisselen ze wel eens van redactielokaal. Bonnet blanc ou blanc bonnet, wat maakt het uit?

Nu moet ik nog een citaat opsnorren, want dat doe ik graag en het staat altijd chic.

Bon, Simenon dan. Die schreef ooit in zijn « Crime Impuni » (Presses de la Cité, 1954): « La grande faute, c’est d’accorder l’impunité, parce que alors tout est faussé et que ce sont les innocents qui se prennent pour les coupables, qui deviennent coupables, au fond, par faiblesse. »
[De grote vergissing is het straffeloosheid te verlenen, want dan wordt alles vertekend en zijn het de onschuldigen die zich voor schuldig houden, en in wezen schuldig worden, door hun zwakte]

Joël mag nog zo zijn best doen, maar die zwakte laat ik me als ongelovige niet aanpraten.


21 maart 2016

Manager cultuur bij De Standaard


“Het was me nog niet eerder opgevallen.” u zult erkennen, lezer, dit is een krachtige, korte, verrassende beginzin. De auteur dwingt je als het ware om verder te lezen. Ik heb die zin dan ook niet zelf gevonden, en evenmin heb ik hem uit een schrijfcursus, zoals u misschien vermoedde. Nee, ik heb die aanhef schaamteloos gestolen van zekere Tom Heremans, die op pagina twee in De Standaard een cursiefje had vandaag.

Het ging over de advocaat Sven Mary, die zich niet goed wist te kleden. Tom houdt niet van parka’s en sneakers. Nu zult u vragen waarom ik dergelijke dingen lees, en inderdaad, ik lees zo min mogelijk het flauwe, het amechtige, het saaie, teuterige, voorspelbare woordgestuntel van De Standaard, maar soms komt het toch voor dat ik in een restaurant in de buurt waar ik laat op de avond iets eet de Kwaliteitskrant ter hand neem (een mens is moe, heeft honger, wil een frisse pint, en het kan niet altijd Stendhal of Simenon zijn).

Goed, ik las dus Heremans, maar het is allerminst mijn bedoeling om hier op de man te spelen, zoals journalisten zo mooi zeggen. want tot vanavond was ik niet eens op de hoogte van Tom zijn bestaan, of ik had zijn naam nooit in mijn geheugen opgeslagen, dat is ook mogelijk (maar nu zie ik op Google en tot mijn schrik dat deze Tom “hoofd cultuur”, of “manager cultuur” of iets dergelijks is bij de Kwaliteitskrant).

Heremans, maar dat leest u op het knipsel hiernaast – overtikken gaat niet zolang de spijzen nog niet verteerd zijn  is heel grappig, en hij heeft het behalve op parka’s en sneakers ook op “teensletsen”, poncho’s en patchouli gemunt. Veel plezier met zijn cursief proza, lezer!

12 maart 2016

Association Royale Athlétique “La Gantoise” (1864)


Nu er een probleem gerezen is met die indiaan van de Association Royale Athlétique “La Gantoise” (de Gantwoize zoals we vroeger zegden, of den Agee), vraag ik mij af of het onderstaande, prachtige gedicht nog mag gelezen worden in die kinderachtige, preutse, nuffige Verenigde Staten. Want in dit gedicht komt ook een squaw voor…
Ik geef het hieronder, tevens als mijn verlate bijdrage aan de vrouwendag:


THE FEMALE OF THE SPECIES

When the Himalayan peasant meets the he-bear in its pride,
He shouts to scare the monster who will often turn aside.
But the she-bear thus accosted rends the peasant tooth and nail.
For the female of the species is more deadly than the male.

When Nag, the wayside cobra, hears the careless foot of man,
He will sometimes wriggle sideways and avoid it if he can.
But his mate makes no such motion where she camps beside the trail—
For the female of the species is more deadly than the male.

When the early Jesuit fathers preached to Hurons and Choctaws,
They prayed to be delivered from the vengeance of the squaws—
'Twas the women, not the warriors, turned those stark enthusiasts pale—
For the female of the species is more deadly than the male.

Man's timid heart is bursting with the things he must not say,
For the Woman that God gave him isn't his to give away;
But when hunter meets with husband, each confirms the other's tale—
The female of the species is more deadly than the male.

Man, a bear in most relations, worm and savage otherwise,
Man propounds negotiations, Man accepts the compromise;
Very rarely will he squarely push the logic of a fact
To its ultimate conclusion in unmitigated act.

Fear, or foolishness, impels him, ere he lay the wicked low,
To concede some form of trial even to his fiercest foe.
Mirth obscene diverts his anger; Doubt and Pity oft perplex
Him in dealing with an issue——to the scandal of the Sex!

But the Woman that God gave him, every fibre of her frame
Proves her launched for one sole issue, armed and engined for the same,
And to serve that single issue, lest the generations fail,
The female of the species must be deadlier than the male.

She who faces Death by torture for each life beneath her breast
May not deal in doubt or pity——must not swerve for fact or jest.
These be purely male diversions——not in these her honour dwells—
She, the Other Law we live by, is that Law and nothing else!

She can bring no more to living than the powers that make her great
As the Mother of the Infant and the Mistress of the Mate;
And when Babe and Man are lacking and she strides unclaimed to claim
Her right as femme (and baron), her equipment is the same.

She is wedded to convictions——in default of grosser ties;
Her contentions are her children, Heaven help him, who denies!
He will meet no cool discussion, but the instant, white-hot, wild
Wakened female of the species warring as for spouse and child.

Unprovoked and awful charges——even so the she-bear fights;
Speech that drips, corrodes and poisons——even so the cobra bites;
Scientific vivisection of one nerve till it is raw,
And the victim writhes in anguish——like the Jesuit with the squaw!

So it comes that Man, the coward, when he gathers to confer
With his fellow-braves in council, dare not leave a place for her
Where, at war with Life and Conscience, he uplifts his erring hands
To some God of Abstract Justice——which no woman understands.

And Man knows it! Knows, moreover, that the Woman that God gave him
Must command but may not govern; shall enthrall but not enslave him.
And She knows, because She warns him and Her instincts never fail,
That the female of Her species is more deadly than the male!

Rudyard Kipling (1911)

10 maart 2016

Een pleintje ter ere van Journalisten


Na de slag bij Waterloo zou Napoleon gezegd hebben dat de geschiedenis bestaat uit een reeks leugens waar we het eens over zijn. De Bulgaarse politicus Todor Tanev moet als jongeman goed hebben opgelet in de les geschiedenis en was het met Napoleon blijkbaar eens.

Todor Tanev werd later minister van Onderwijs en Wetenschappen, en zoals alle ministers van onderwijs en wetenschappen in alle landen vond ook hij dat het onderwijs aan hervorming toe was. De kwaliteit moest omhoog, schooluitval en watervallen dienden bestreden te worden. Vooral de lessen taal, literatuur en geschiedenis waren een bestendige zorg voor hem. Nu kregen leerlingen vaak dingen te lezen die niet geschikt voor hen waren, die zij nog niet konden plaatsen. Onvermijdelijk trokken ze dan verkeerde conclusies, en zoals het een professor in de sociologie past, wilde Tanev hier iets aan doen.
Die literatuurlijst deugde niet, en ook de geschiedenislessen moesten op een andere leest geschoeid worden. Boeken die te expliciet het nationale bewustzijn aanwakkerden, en bijvoorbeeld handelden over het Ottomaanse bewind (1396-1878), konden beter verdwijnen uit de lijst. Onder meer de klassieke roman “Onder het Juk” (1893) van Ivan Vasov, die de mislukte opstand van 1876 tegen de Ottomanen beschrijft, waarbij toen duizenden Bulgaren werden afgeslacht op de meest wreedaardige manieren, zou niet langer op school worden gelezen.
Maar ook de gangbare woordenschat was niet goed. Vele begrippen wilde Tanev meteen geschrapt zien. Termen als “het Ottomaanse Juk”, die bij de Bulgaren algemeen zijn – men zegt dat nooit anders – mochten in de klas niet meer vallen, en zo zou het onderwijs ervoor zorgen dat ze geleidelijk uit de Bulgaarse hoofden verdwenen. In de plaats van dat juk stelde Tadev voor om de goede en neutrale term “co-existentie” te gebruiken.
Je bent tenslotte ergens minister voor en alle bestuurders in alle landen willen het vocabularium van het volk graag onder controle houden. Ik zou hier Orwell kunnen citeren, maar dat doe ik niet want ik vind hem een weliswaar deugdzame, maar soms wat vervelende schrijver.

Maar dan bleef nog het probleem van de Nationale Feestdag op drie maart, met daaropvolgend nog eens drie dagen vrij voor alle Bulgaren. Scholen dicht, bedrijven dicht, alles dicht, fanfares, optochten, militaire parades, en de hele bevolking met bloemen en wimpels de straat op, kinderen en grijsaards. Ден на освобождението на българия от османско робство! is de officiële benaming van die derde maart: “Dag van de bevrijding van Bulgarije van de Ottomaanse overheersing!”

Minister-socioloog Tanev vond dat die naam niet langer kon. Dat mocht wat neutraler, en de wet moest veranderd worden. Maar net als met zijn onderwijshervormingen had hij hier te zeer op eigen houtje gehandeld, en de bevolking nam zijn goedbedoelde praatjes niet langer. Het volkse protest was zo massaal en zo vasthoudend dat de eerste minister eind februari zijn ontslag vroeg, en een paar dagen later werd hij inderdaad vervangen. Zijn sociologische fantasietjes waren geschiedenis en de feestdag ging door onder de oude naam.
De officiële reden voor Tanev zijn ontslag was “aanhoudende moeilijkheden in zijn ministerie en in de sector.”

Misschien kun je deze gang van zaken wel democratisch noemen want de minister had geen draagvlak, zoals journalisten graag zeggen. Tanev had geen rekening gehouden met de grondstroom.
Maar het bijzondere, en voor ons misschien verrassende was dat de Bulgaarse journalisten, van alle kranten en media, dat protest van de bevolking gewoon weergaven. Ze moffelden het niet weg en gaven er ook geen correcte duiding aan.
Blijkbaar vinden zij hun geloofwaardigheid belangrijk, en nu begrijp ik waarom er in een mooie wijk van Sofia een met bomen omzoomd pleintje ligt dat Площад Журналист heet: Journalistenplein.

1 maart 2016

Feiten, meningen, duiding en framing


Vaak lees of hoor je dat journalisten geen feiten van meningen kunnen onderscheiden, en al zeker niet van hun eigen mening. Journalisten spreken die lasterpraatjes natuurlijk tegen.
Laten we daarom even kijken naar een bladzijde uit De Standaard van vandaag. We zien een artikel van Natalie Nougayrède, oud-hoofdredactrice van Le Monde. Het is een vertaling uit The Guardian, maar ik heb uit luiheid die vertaling niet gecontroleerd. We leven in vertrouwen.
En omdat ik vind dat mijn lezer ook wel eens lui mag zijn, bespreek ik maar een fragmentje uit haar artikel, namelijk wat rechts hieronder te zien is (klik erop om te vergroten).  De eerste regels van dit knipsel mag hij zelfs buiten beschouwing laten, want we beginnen pas bij het woord “pessimisten”.
Natalie zegt in die regels wel iets over de slag bij Agincourt (die echt heeft plaatsgehad, en wel op 25 oktober 1415) maar vergeet dat haar schrijfwijze een geschiedkundig standpunt verraadt: de Fransen schrijven Azincourt. Nu, daarover zullen we het zoals beloofd niet hebben, en evenmin trouwens over de titel bovenaan: “Europa, omdat het moet”, want Natalie bedoelt natuurlijk “EU omdat het moet volgens The Guardian”. Dat is een te banale journalistieke fout om er nog aandacht aan te besteden.

“Pessimisten verwachten dat de EU weldra verleden tijd zal zijn” Die verwachting bestaat echt, en behoort dus tot de feiten, maar een kwalificatie als “pessimisten” behoort weer tot de journalistieke meningen, of tot de duiding of framing, zoals u het noemen wilt.
“Maar als je goed kijkt, zie je net het tegendeel.” Dat goed kijken is een oud-hoofdredactrice ongetwijfeld gegeven, maar niet iedereen zal ook dat tegendeel zien, aangezien haar argument is: “Want terwijl de spanningen toenemen, is de EU noodzakelijker dan ooit”. De ongetwijfeld charmante Natalie presenteert dit als een feit, wat die spanningen ook echt zijn, maar die noodzakelijkheid is alweer enkel haar mening, al staaft ze die wel: “Ze is het onmisbare kader om irrationeel gedrag tegen te gaan. Ze is de enige fatsoenlijke uitweg uit de oude twisten, die zoals we allemaal weer ontdekken, een taai leven leiden.” Fatsoenlijkheid en irrationaliteit behoren helaas alweer tot het vocabularium dat bij de meningen, de appreciaties, de morele oordelen hoort, niet bij dat van de feitelijke mededelingen.
Ik wilde hier eigenlijk al besluiten, maar Natalie gaat nog even door: “De EU is ons beste middel om te voorkomen dat we elkaar als vijanden gaan behandelen. Dat is niet gering.”
Dat laatste zinnetje doet me vermoeden dat ze haar artikel in het Frans heeft geschreven, en wij in De Standaard dus een vertaling van een vertaling hebben gelezen. Ce qui n’est pas rien.

Of laat me zelf dan ook nog even doorgaan. Onderaan leest de geduldige lezer dat er nooit aan een Europese Federale Staat is gedacht: de naties, de volkeren hebben altijd voorop gestaan. Dat is niet eens een mening maar gewoon een leugen, en Natalie moet dat eens navragen bij onze Guy Verhofstadt.

Bestaan er superieure talen?


Ooit wijdde ik een stukje aan de praat van Richard Miller van de MR. Volgens die onnozele hals was Frans een superieure taal, die bekrompenheid van geest om zo te zeggen automatisch uitsloot. Germaanse talen waren “gesloten” en dat leidde tot allerlei narigheden. Deze Miller was een tijdje minister in de Waalse regering (met Kunsten en Letteren als portefeuille), Waals parlementsvoorzitter ook, en van 1999 tot 2001 nog eens lid van de raad van bestuur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding – dat recent de aandoenlijke pseudo-Latijnse naam Unia kreeg. Dat Richard daar bestuurslid was, valt wel te verdedigen want provincialisme is nog geen racisme.
En tenslotte vond je dat Franse provincialisme al terug in de achttiende eeuw, bij Rivarol bijvoorbeeld. Maar deze Rivarol was echt verstandig en spiritueel en grappig, al bedoelde hij zijn Discours sur l’Universalité de la Langue française (1784) heel serieus. Daarin bewees hij glashelder de suprematie van toevallig zijn eigen taal boven alle andere, zowel wat grammatica als woordenschat betreft. Het boekje is nog altijd verkrijgbaar (Parijs, Arléa, 1998, 30 Franse frank) en ik kan het iedereen aanraden, het is een juweeltje.

Ik moest hieraan denken, toen ik een podcast beluisterde van de Australische radio, een gesprek met wijlen Simon Leys (pseudoniem van Pierre Ryckmans), een man die zowat het tegendeel was van bekrompenheid, die in het Frans, Engels en Chinees schreef, en die genoeg Nederlands kende om de Havelaar een groot boek te noemen.

Aan het eind van het gesprek zei Leys dit:

Het is… er zijn zaken die men in bepaalde culturen op een unieke wijze heeft gedaan en waarvoor bijvoorbeeld ik een zwak heb. Grote Chinese poëzie is voor mij de volledigste, de gulste poëtische vorm die men zich kan voorstellen, want ze is tegelijk… de betekenis van het gedicht is visueel, de kalligrafie ervan. Er zit geen grammaticaal dood hout aan, geen lidwoorden, verbuigingen, vervoegingen enzovoort. Ze is dus als een grote klok, die slag na slag galmt. Elk woord draagt betekenis en is prachtig op zich. Chinese poëzie is dus zo’n unieke uitdrukkingsvorm die… vooreerst is ze al makkelijker te onthouden dan om het even welke andere. Ik denk niet dat ik me aan holle opschepperij bezondig als ik meen dat er in mijn geheugen meer Chinese verzen zitten dan Engelse of Franse poëzie. En hoeveel ik ook van het Frans houd, naar mijn gevoel kan de Franse poëzie niet naast de Engelse staan, zelfs niet naast de Vlaamse poëzie. Frans heeft geen tonisch accent, en bijgevolg is het een erg vlakke taal die [?]. Maar hier waag ik me aan wilde veralgemeningen, en al kun je verschillende talen dan vergelijken vanuit verschillende oogpunten enzovoort, je kunt zo niet tot de slotsom komen dat een cultuur superieur is.



Its… there are things which in some cultures have been done in unique ways that I would feel for instance a certain weakness for. Great Chinese poetry in my mind is the most, the fullest poetical expression one can conceive, because it’s both… the meaning of the poem is visual, the calligraphy of it. It’s free from all grammatical deadwood, no particles, declensions, conjugations and so on. So it’s like a big bell, ringing one blow after the next. Each word carries meaning and is beautiful in itself. So, Chinese poetry is such a unique means of expression which… first it’s more memorable than any other. I think I do not make empty boasting, but I think that I’ve staying in my memory more Chinese poems than I would have English or French poetry. However much I love French, I don’t feel that French poetry can compare with English poetry, not even with Flemish poetry. French has no tonic, tonic accent and so it’s a very flat language [which is …?]. But, I am venturing here in wild generalisations, and so you can compare different languages from different aspects and so on, but you cannot conclude on superiority of a culture, or …

28 februari 2016

Vaak heb je toch een goede commentator nodig


SFCDT is een Franse afkorting die weliswaar al heel lang bestaat – wellicht werd ze in maart 1835 voor het eerst gebruikt – maar populair is ze nooit geworden. Stendhal gebruikte ze toen. Hij was in die tijd consul in Civita Vecchia, en had net een schriftelijke reprimande gekregen van admiraal graaf de Rigny, minister van Buitenlandse Zaken van Louis-Philippe.
Consul Henri Beyle was te vaak en te lang afwezig op zijn post, en hij zat dan in Rome dat zeven uur daarvandaan ligt – met de diligence. Als keffertje van de koning schreef graaf de Rigny aan Beyle dat hij  “...voor deze formele en langdurige veronachtzaming van koninklijke bevelen de ogen deze keer nog zou sluiten, enkel in de hoop dat dergelijke zaken zich niet meer zouden voordoen. Ik geef u die raad, Mijnheer, indien u de post die Zijne Majesteit u heeft toevertrouwd verder wilt behartigen.”

Stendhal was diep beledigd  hij die als soldaat de terugtocht uit Rusland nog had meegemaakt  en niet van plan zijn gedrag te veranderen want in Civita Vecchia verveelde hij zich stierlijk.
In zijn dagboek had hij eerder al genoteerd: «Je crève d’ennui… C’est un trou abominable. La fièvre y règne.» Zijn vriend Prosper Mérimée verwoordde dezelfde gedachte later lichtjes anders: bij hem was Civita Vecchia «un trou puant».
In zijn dagboek schrijft Stendhal nu: «...heureusement je commence à être ferme sur SFCDT ...je vais à Rome quand je veux.»

Op zulke momenten is een goed notenapparaat onmisbaar, en bij redacteur Anne-Marie Meininger lees ik, in haar Postface van 60 bladzijden bij Lucien Leuwen (Folio Classique) het verklarende en verlossende: [Se Foutre Carrément De Tout].

24 februari 2016

Stilte heerst alom


De mooiste zin ...van het jaar 1933

Quand on observe des poissons à travers une couche d’eau qui interdit entre eux et nous tout contact, on les voit rester longtemps immobiles, sans raison, puis d’un frémissement de nageoires aller un peu plus loin pour n’y rien faire qu’attendre à nouveau.
C’est dans le même calme, comme sans raison aussi, que le tramway 13, le dernier « Bastille-Créteil », traîna ses lumières jaunâtres tout le long du quai des Carrières. Au coin d’une rue, près d’un bec de gaz vert, il fit mine de s’arrêter, mais le receveur agita sa sonnette et le convoi fonça vers Charenton.
Derrière lui, le quai restait vide et stagnant comme un paysage du fond de l’eau. À droite, des péniches flottaient sur le canal, avec de la lune tout autour. Un filet d’eau se faufilait par une vanne mal fermée de l’écluse, et c’était le seul bruit sous le ciel encore plus quiet et plus profond qu’un lac.

Ik vraag mij af of zonder de foto erbij iemand deze prachtige aanhef van een roman had kunnen thuisbrengen.
L’Écluse n°1, een Maigret van 1933 die ik nog niet gelezen had en die nu nieuw is verschenen bij Livre de Poche, begint zo. Wat een schrijver is Simenon toch! Niet meer dan een paar zinnen en je bent in een andere wereld.

23 februari 2016

Managers wagen zich beter niet aan etymologie


Zekere Philippe Van Troeye, afgevaardigd bestuurder van Electrabel, stuurt belabberde briefjes rond bij zijn klanten. Hij moet een managerscursus gevolgd hebben want hij wil ons op een vlotte, moderne manier meedelen dat
– god mag weten om welke reden – zijn winkel voortaan ENGIE wil heten.

Eerst dacht ik nog dat Philippe van die “bel” verlost wilde raken –  in navolging van de kabelmaatschappij die nu Proximus heet en niet langer Belgacom, want daar had Dominique Leroy ingezien dat Vlamingen een hekel hebben aan namen met “bel” erin – maar dat is niet het geval, want voluit heet Electrabel nu “ENGIE Electrabel”.

En dat zou allemaal niet zo erg zijn, maar Philippe wil tot slot nog iets verstandigs zeggen, en in zijn onschuld produceert hij volgende nonsens:

“In ENGIE herkent u het woord energie


Hij misschien wel, maar iknie.

8 februari 2016

Alle grote schrijvers zijn komiek


Stendhal is een groot schrijver, dat weet iedereen, maar dat hij ook komiek is zal minder bekend zijn. In Lucien Leuwen beschrijft hij de liefde van zijn hoofdpersonage voor Mme de Chasteller, een jonge en beeldschone weduwe die ons in Hoofdstuk III wordt voorgesteld.
De liefde is wederzijds, maar van een overhaaste consumptie is geen sprake. Wel kunnen we alles dag na dag volgen. Zo hebben de geliefden elkaar na tweehonderd dertig bladzijden al vijf keer ontmoet, zij het min of meer vluchtig. "Je lui ai parlé cinq fois dans ma vie", zucht Mme de Chasteller.
Het boek is door Stendhal nooit persklaar gemaakt, en in de marge had hij genoteerd: "à compter". In werkelijkheid, en réalité, lezen we in de noten van latere uitgevers, hadden de geliefden elkaar op dat moment al acht keer ontmoet.

Maar op pagina tweehonderd negenenveertig begint Chapitre XXVIII aldus:

Nous prendrons la liberté de sauter à pieds joints sur les deux mois qui suivirent. Cela nous sera d’autant plus facile que Leuwen, au bout de ces deux mois, n’était pas plus avancé d’un pas que le premier jour.

Wij zullen de vrijheid nemen om met de voeten bijeen* over de twee maanden te springen die volgden. Dat zal ons des te makkelijker vallen omdat Leuwen aan het eind van die twee maanden nog geen stap verder was gekomen dan de eerste dag.

Vanzelfsprekend, het hangt ervan af wat je komiek vindt, maar dit vind ik komiek.
____________

sauter à pieds joints is eigenlijk vanuit stilstand een sprong maken.
____________

Postscriptum: omdat één of twee zinnen wat mager zijn als voorbeeld, geef ik er nog een paar die ik grappig vind. Eerst iets uit dezelfde Lucien Leuwen, dat een bepaalde actualiteitswaarde heeft deze dagen:
«Il pleut, tant pis ! Il fait beau, tant pis encore !»
Iets uit Le Rouge et le Noir dat ik destijds aanstreepte: «Je ne vois que la condamnation à mort qui distingue un homme, pensa Mathilde : c’est la seule chose qui ne s’achète pas.»
En nog een levensles die vader Leuwen aan zijn zoon Lucien meegaf: «Il n’y a que deux choses sur lesquelles on n’ait pas encore trouvé le moyen d’être hypocrite: amuser quelqu’un dans la conversation, et gagner une bataille.»

Een tijdje terug las ik eens in een krant over een Vlaamse zin die zelfs een prijs had gewonnen, maar die amuseerde mij niet zo... misschien kwam dat, omdat ik niet het hele werk heb gelezen waaruit men die zin gelicht had.



28 januari 2016

Alweer vonden neurale netwerken een slachtoffer


Schakers kijken vaak wat neerbuigend naar dammers – onze mindere broeders, noemde grootmeester Jan-Hein Donner hen – weliswaar ten onrechte maar het is nu eenmaal zo. Hun bord oogt mooier, met allemaal fraaie en verschillende stukken, Paarden, Torens, voetvolk enzovoort, die elk ook verschillende dingen doen. Een middeleeuwse maatschappij in het klein, waar iedereen de hem toegewezen taak kent. Dammers hebben enkel witte en zwarte, maar voor de rest eendere schijven die elkaar opvreten in een uitroeiingsoorlog. Heel modern. En ze spelen dan wel op een groter bord, van tien maal tien, maar ze mogen enkel de zwarte velden gebruiken, vijftig dus. Schakers beschikken over vierenzestig velden. Verder is schaken een romantische oorlog, waarin materiaal in zekere zin geen rol speelt want er is maar één doel, de vijandelijke Koning mat zetten, en een pion kan dat net zo goed als een Dame. Die koning wordt niet geslagen, dat zou tegen de ridderlijkheid ingaan. De verslagen vijand blijft rechtop op het bord staan, weliswaar onder bedreiging en zonder enige bewegingsvrijheid.

Emanuel Lasker (1868-1941), die zeventwintig jaar wereldkampioen schaken was, van 1894 tot 1921 – toen hij zijn titel verloor aan de Cubaan José Raúl Capablanca y Graupera – kwam ooit een toernooizaal uit, het was al na valavond, en hij wees zijn verslagen tegenstander op de sterrenhemel met de troostende woorden: “Wij spelen nog altijd schaak, maar op al die sterren spelen ze Go.”

Go wordt in Vlaanderen maar weinig gespeeld, in Nederland veel meer. In China, Korea en Japan zijn er miljoenen spelers. Ze spelen op een bord van negentien maal negentien lijnen, die samen driehonderd éénenzestig kruispunten vormen. Het bord is leeg bij het begin van een partij, en elk om beurt mogen de spelers nu een witte of zwarte steen plaatsen, op een kruispunt naar keuze. Ze hebben elk een kommetje in de hand met een voldoend aantal stenen. Dat zijn niet zomaar schijfjes: ze zijn lensvormig geslepen, uit oesterschelpen voor de witte stenen, uit leisteen voor de zwarte. Het gaat erom zoveel mogelijk gebied te veroveren, door delen van het bord geheel te omsingelen, en het bijna egale getik, als een soort regen van al die muntjes en dropjes – zoals de Hollandse spelers soms zeggen – op de strakke houten borden is betoverend voor de argeloze schaakspeler die uit zijn stille tempel even de naburige go-zaal binnenloopt terwijl zijn tegenstander aan zet is.

Nu zou Emanuel Lasker, die wiskundige was, het niet graag horen maar na het dam- en schaakspel is ook het go-spel ten offer gevallen aan de rekenkracht van de machine, die vandaag zelfs sterke professionals aankan met zijn neuraal netwerk, dat eerder ook al het aloude backgammon had bedorven. We leven in droeve tijden.

_______
noot van 12 maart: intussen is ook wereldkampioen Lee Se-dol verslagen...

21 januari 2016

Over de Verruwing van het Debat

Proeve van een historische benadering

De laatste tijd hoor je veel klagen over de verruwing van het debat. Journalisten schrijven daar graag over, want die verruwing komt door de sociale media. Vroeger waren debatten beschaafd, beleefd, hoffelijk. Natuurlijk, en journalisten weten dat ook, het fenomeen der verruwing doet zich niet enkel op de sociale media voor. Bijvoorbeeld de jongste vulgariteiten van Verhofstadt in het ‘EU-parlement’ kunnen ze moeilijk aan de invloed van Facebook of Twitter toeschrijven – nog aangenomen dat ze over die pijnlijke interventie van onze Guy zouden willen schrijven.
En het mag dan waar zijn dat voor de meesten van hen de geschiedenis bij hun eigen geboorte aanvangt, er zijn er toch ook velen die soms naar de ‘donkere jaren dertig’ verwijzen. Dat is goed, maar de geschiedenis is nog ouder en om het geheugen op te frissen zullen we het nu over de jaren twintig hebben. Niet die van de charleston, maar die van de negentiende eeuw. En je zou vanzelfsprekend nog veel verder kunnen teruggaan, maar het voorbeeld schiet mij nu te binnen.

De fijnbesnaarde maar antisemitische Duitse dichter Platen (August Graf von Platen Hallermünde, 1796-1835) had de onvoorzichtigheid begaan te spotten met de jood Heinrich Heine. Hij had daarbij grove termen gebruikt en ook diens voorhuid ter sprake gebracht.
Heine heeft hem daarop geantwoord in een reisverslag – Die Bäder von Lucca – en het kwam tot een zware strijd, we mogen zelfs zeggen tot een verruwing van het debat.

Platen, die homoseksueel was en in Italië leefde, en daar zocht wat sommigen nu in Thailand zoeken, schreef gedichten als:

Ich bin wie Leib dem Geist, wie Geist dem Leibe dir!
Ich bin wie Weib dem Mann, wie Mann dem Weibe dir!
Wen darfst du lieben sonst, da von der Lippe weg
Mit ew’gen Küssen ich den Tod vertreibe dir?
Ich bin dir Rosenduft, dir Nachtigallgesang,
Ich bin der Sonne Pfeil, des Mondes Scheibe dir;
Was willst du noch? was blickt die Sehnsucht noch umher?
Wirf Alles, Alles hin: du weißt, ich bleibe dir!

Over die pijl en die maanschijf had Heine het al eens gehad, en ook over warme vriendschappen, maar hier in Lucca bespreekt hij het boek als geheel, of liever, hij laat het bespreken door een markies die hij daar heeft ontmoet. Die man is heel enthousiast over zijn lectuur en toont zijn exemplaar aan onze dichter:

Auf dem Hinterblatte stand zierlich geschrieben: »Geschenk warmer brüderlicher Freundschaft.« Dabei roch das Buch nach jenem seltsamen Parfüm, der mit Eau de Cologne nicht die mindeste Verwandtschaft hat und vielleicht auch dem Umstande beizumessen war, daß der Marchese die ganze Nacht darin gelesen hatte.
»Ich habe die ganze Nacht kein Auge zuthun können« – klagte er mir – »ich war so sehr bewegt, ich mußte elfmal aus dem Bette steigen, und zum Glück hatte ich dabei diese vortreffliche Lektüre, woraus ich nicht bloß Belehrung für die Poesie, sondern auch Trost für das Leben geschöpft habe. Sie sehen, wie sehr ich das Buch geehrt, es fehlt kein einziges Blatt, und doch, wenn ich so saß, wie ich saß, kam ich manchmal in Versuchung –«
»Das wird mehreren passiert sein, Herr Marchese.«

Op het laatste blad stond sierlijk geschreven: “Geschenk van warme broederlijke vriendschap”. Daarbij rook het boek wat en gaf het een vreemd parfum af, dat met Eau de Cologne niet de minste verwantschap heeft, wat misschien toegeschreven kan worden aan de omstandigheid dat de markies er de hele nacht in had gelezen.
“Van de hele nacht heb ik geen oog dicht kunnen doen,” — klaagde hij tegen mij — “zozeer was ik aangedaan, ik moest elf keer het bed uit, en gelukkig had ik daarbij deze voortreffelijke lectuur, waaruit ik niet alleen iets kon opsteken over poëzie, maar ook vertroosting voor het leven heb geput. U merkt hoezeer ik dat boek in ere heb gehouden, er ontbreekt niet één enkel blad, en nochtans, toen ik daar zat zoals ik daar zat, kwam ik vaak in de verleiding —”
“Dat zal er meer overkomen zijn, heer Markies.”

Dat is gelukkig allemaal voorbij nu.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html