28 januari 2016

Alweer vonden neurale netwerken een slachtoffer


Schakers kijken vaak wat neerbuigend naar dammers – onze mindere broeders, noemde grootmeester Jan-Hein Donner hen – weliswaar ten onrechte maar het is nu eenmaal zo. Hun bord oogt mooier, met allemaal fraaie en verschillende stukken, Paarden, Torens, voetvolk enzovoort, die elk ook verschillende dingen doen. Een middeleeuwse maatschappij in het klein, waar iedereen de hem toegewezen taak kent. Dammers hebben enkel witte en zwarte, maar voor de rest eendere schijven die elkaar opvreten in een uitroeiingsoorlog. Heel modern. En ze spelen dan wel op een groter bord, van tien maal tien, maar ze mogen enkel de zwarte velden gebruiken, vijftig dus. Schakers beschikken over vierenzestig velden. Verder is schaken een romantische oorlog, waarin materiaal in zekere zin geen rol speelt want er is maar één doel, de vijandelijke Koning mat zetten, en een pion kan dat net zo goed als een Dame. Die koning wordt niet geslagen, dat zou tegen de ridderlijkheid ingaan. De verslagen vijand blijft rechtop op het bord staan, weliswaar onder bedreiging en zonder enige bewegingsvrijheid.

Emanuel Lasker (1868-1941), die zeventwintig jaar wereldkampioen schaken was, van 1894 tot 1921 – toen hij zijn titel verloor aan de Cubaan José Raúl Capablanca y Graupera – kwam ooit een toernooizaal uit, het was al na valavond, en hij wees zijn verslagen tegenstander op de sterrenhemel met de troostende woorden: “Wij spelen nog altijd schaak, maar op al die sterren spelen ze Go.”

Go wordt in Vlaanderen maar weinig gespeeld, in Nederland veel meer. In China, Korea en Japan zijn er miljoenen spelers. Ze spelen op een bord van negentien maal negentien lijnen, die samen driehonderd éénenzestig kruispunten vormen. Het bord is leeg bij het begin van een partij, en elk om beurt mogen de spelers nu een witte of zwarte steen plaatsen, op een kruispunt naar keuze. Ze hebben elk een kommetje in de hand met een voldoend aantal stenen. Dat zijn niet zomaar schijfjes: ze zijn lensvormig geslepen, uit oesterschelpen voor de witte stenen, uit leisteen voor de zwarte. Het gaat erom zoveel mogelijk gebied te veroveren, door delen van het bord geheel te omsingelen, en het bijna egale getik, als een soort regen van al die muntjes en dropjes – zoals de Hollandse spelers soms zeggen – op de strakke houten borden is betoverend voor de argeloze schaakspeler die uit zijn stille tempel even de naburige go-zaal binnenloopt terwijl zijn tegenstander aan zet is.

Nu zou Emanuel Lasker, die wiskundige was, het niet graag horen maar na het dam- en schaakspel is ook het go-spel ten offer gevallen aan de rekenkracht van de machine, die vandaag zelfs sterke professionals aankan met zijn neuraal netwerk, dat eerder ook al het aloude backgammon had bedorven. We leven in droeve tijden.

21 januari 2016

Over de Verruwing van het Debat

Proeve van een historische benadering

De laatste tijd hoor je veel klagen over de verruwing van het debat. Journalisten schrijven daar graag over, want die verruwing komt door de sociale media. Vroeger waren debatten beschaafd, beleefd, hoffelijk. Natuurlijk, en journalisten weten dat ook, het fenomeen der verruwing doet zich niet enkel op de sociale media voor. Bijvoorbeeld de jongste vulgariteiten van Verhofstadt in het ‘EU-parlement’ kunnen ze moeilijk aan de invloed van Facebook of Twitter toeschrijven – nog aangenomen dat ze over die pijnlijke interventie van onze Guy zouden willen schrijven.
En het mag dan waar zijn dat voor de meesten van hen de geschiedenis bij hun eigen geboorte aanvangt, er zijn er toch ook velen die soms naar de ‘donkere jaren dertig’ verwijzen. Dat is goed, maar de geschiedenis is nog ouder en om het geheugen op te frissen zullen we het nu over de jaren twintig hebben. Niet die van de charleston, maar die van de negentiende eeuw. En je zou vanzelfsprekend nog veel verder kunnen teruggaan, maar het voorbeeld schiet mij nu te binnen.

De fijnbesnaarde maar antisemitische Duitse dichter Platen (August Graf von Platen Hallermünde, 1796-1835) had de onvoorzichtigheid begaan te spotten met de jood Heinrich Heine. Hij had daarbij grove termen gebruikt en ook diens voorhuid ter sprake gebracht.
Heine heeft hem daarop geantwoord in een reisverslag – Die Bäder von Lucca – en het kwam tot een zware strijd, we mogen zelfs zeggen tot een verruwing van het debat.

Platen, die homoseksueel was en in Italië leefde, en daar zocht wat sommigen nu in Thailand zoeken, schreef gedichten als:

Ich bin wie Leib dem Geist, wie Geist dem Leibe dir!
Ich bin wie Weib dem Mann, wie Mann dem Weibe dir!
Wen darfst du lieben sonst, da von der Lippe weg
Mit ew’gen Küssen ich den Tod vertreibe dir?
Ich bin dir Rosenduft, dir Nachtigallgesang,
Ich bin der Sonne Pfeil, des Mondes Scheibe dir;
Was willst du noch? was blickt die Sehnsucht noch umher?
Wirf Alles, Alles hin: du weißt, ich bleibe dir!

Over die pijl en die maanschijf had Heine het al eens gehad, en ook over warme vriendschappen, maar hier in Lucca bespreekt hij het boek als geheel, of liever, hij laat het bespreken door een markies die hij daar heeft ontmoet. Die man is heel enthousiast over zijn lectuur en toont zijn exemplaar aan onze dichter:

Auf dem Hinterblatte stand zierlich geschrieben: »Geschenk warmer brüderlicher Freundschaft.« Dabei roch das Buch nach jenem seltsamen Parfüm, der mit Eau de Cologne nicht die mindeste Verwandtschaft hat und vielleicht auch dem Umstande beizumessen war, daß der Marchese die ganze Nacht darin gelesen hatte.
»Ich habe die ganze Nacht kein Auge zuthun können« – klagte er mir – »ich war so sehr bewegt, ich mußte elfmal aus dem Bette steigen, und zum Glück hatte ich dabei diese vortreffliche Lektüre, woraus ich nicht bloß Belehrung für die Poesie, sondern auch Trost für das Leben geschöpft habe. Sie sehen, wie sehr ich das Buch geehrt, es fehlt kein einziges Blatt, und doch, wenn ich so saß, wie ich saß, kam ich manchmal in Versuchung –«
»Das wird mehreren passiert sein, Herr Marchese.«

Op het laatste blad stond sierlijk geschreven: “Geschenk van warme broederlijke vriendschap”. Daarbij rook het boek wat en gaf het een vreemd parfum af, dat met Eau de Cologne niet de minste verwantschap heeft, wat misschien toegeschreven kan worden aan de omstandigheid dat de markies er de hele nacht in had gelezen.
“Van de hele nacht heb ik geen oog dicht kunnen doen,” — klaagde hij tegen mij — “zozeer was ik aangedaan, ik moest elf keer het bed uit, en gelukkig had ik daarbij deze voortreffelijke lectuur, waaruit ik niet alleen iets kon opsteken over poëzie, maar ook vertroosting voor het leven heb geput. U merkt hoezeer ik dat boek in ere heb gehouden, er ontbreekt niet één enkel blad, en nochtans, toen ik daar zat zoals ik daar zat, kwam ik vaak in de verleiding —”
“Dat zal er meer overkomen zijn, heer Markies.”

Dat is gelukkig allemaal voorbij nu.

19 januari 2016

Een kleine verspreking met grote gevolgen


Wordt hier een journalistieke bloem in de knop gebroken?
Ik heb wat compassie met Claudia.

Jaren geleden kocht ik een boek – om precies te zijn de zevende mei van 2001, want dat is de datum die ik op de laatste pagina schreef – een boek dat ik toen heel interessant vond: Die Macht der Zensur – Heinrich Heine auf dem Index, van Hubert Wolf en Wolfgang Schopf (Patmos, Düsseldorf 1998). Een bevriende journalist vroeg mij toen wat voor interessants er in mijn boek wel stond, en ik verklaarde hem dat het een zeer actueel thema behandelde. Hij vond dat ik doordraafde. Vandaag, vijftien jaar later, denk ik dat vele mensen instemmend zouden knikken.

Alleen, wat is censuur? Is er een formeel instituut voor nodig, zoals de Heilige Congregatie van de Index van 1571? Of heb je er, zoals ten tijde van Heine en Poesjkin, een Metternich voor nodig, of een tsaar? En moet die censuur dan openlijk te werk gaan, met een eigen ambtenarenapparaat? Alvast Metternich vond van niet. Onzichtbare censuur werkte volgens hem beter. Een censorenkorps was weliswaar nodig, maar: sogar seine Existenz sollte aus Effektivitätsgründen völlig verborgen bleiben (p. 44).

Dat verborgen blijven lukt niet meer in deze tijd van bloggers en twitteraars en facebookers, maar nu staat er gelukkig een veel beter mechanisme ter beschikking. Een jaar of tien geleden meen ik, legde Élisabeth Lévy – toen nog journaliste voor France Culture – de werking ervan uit: «Pas besoin d’aucune censure formelle: il suffit que tout le monde pense la même chose au même moment.» Er is geen nood aan een formele censuur: het volstaat dat iedereen hetzelfde denkt op hetzelfde moment. Ideaal is inderdaad als journalisten gewoon uit zichzelf weten wat ze horen te zeggen en te zwijgen. En dat gaat zelden mis, volgens het lees- kijk- en luisterpubliek, tenminste als we de schrikbarende cijfers zien over het publieke vertrouwen in journalistieke mededelingen en beweringen.

Maar soms gaat het toch mis. Voor een Nederlandse regionale zender verklaarde de Duitse Claudia Zimmermann, die als vrije correspondente voor de WDR werkt – en nu wellicht werkte – dat haar ‘vanzelfsprekend opgedragen werd pro-regering te berichten’.

Die naïeve uitlating viel niet goed bij Gabi Ludwig, chefredactrice bij de nationale WDR-televisie, en Zimmermann haastte zich met deze verklaring: „Ich habe an dieser Stelle Unsinn geredet. Unter dem Druck der Live-Situation in der Talkrunde habe ich totalen Quatsch verzapft. Mir ist das ungeheurer peinlich. Denn ich bin niemals als freie Journalistin aufgefordert worden, tendenziös zu berichten oder einen Bericht in eine bestimmte Richtung zuzuspitzen.“ Ik heb daar onzin verteld. Onder druk van de live-omstandigheden bij de vragenronde, heb ik volslagen quatsch uitgekraamd. Voor mij is dat bijzonder pijnlijk, want als vrije journaliste is mij nooit opgedragen om tendentieus te berichten, of om een bericht in een bepaalde richting aan te spitsen.

De vraag is nu of het Duitse publiek haar tweede verklaring beter zal vinden dan de eerste.
__________________

De uitzending kunt u hier zien, en het fragment dat ik aanhaalde begint na negentien minuten.

P.S. Op Facebook kreeg ik meteen een repliek van een journalist:



6 januari 2016

Stendhal geeft raad aan een jonge auteur


Henri Beyle, Stendhal zeggen we, kreeg in 1833 in Parijs een manuscript overhandigd van een vriendin, madame Gaulthier. Het was een roman van haar hand, getiteld Le Lieutenant, en zij wilde graag het oordeel kennen van de auteur van Le Rouge et le Noir. Stendhal moest toen meteen weer naar Italië vertrekken in diplomatieke dienst, hij was consul. Zijn Parijse vakantie zat erop. In Italië las hij het manuscript op zijn gemak.
En al was hij onder de indruk van de vrouw, en misschien wat verliefd, voor de criticus in hem vond haar schrijftalent toch geen genade. Vanuit zijn standplaats schreef hij een brief. De twee zijn na deze brief goede vrienden gebleven – mevrouw Gaulthier was blijkbaar niet rancuneus – maar romans heeft ze tot aan haar dood in 1853 niet meer geschreven. Zelfs moet zij het manuscript vernietigd hebben, want het is helaas nooit teruggevonden.

Civita-Vecchia le 4 mai 1834

Ik heb De Luitenant gelezen, chère et aimable amie. Hij zal helemaal herschreven moeten worden, en u moet zich daarbij voorstellen dat u een Duits boek aan het vertalen bent. De taal is wat mij betreft vreselijk nobel en nadrukkelijk; ik heb wreedaardig met inkt geklad. Geef niet toe aan luiheid; want tenslotte schrijft u enkel om te schrijven, voor u is dat een verzetje. Dus, alles in dialoogvorm zetten, het hele slot van het tweede cahier: Versailles, Hélène, Sophie, de aanstellerijen in het wereldje. – In verhalende vorm valt dat allemaal zwaar. De ontknoping is alledaags. Olivier lijkt op het grote geld te jagen; prachtig in het echte leven, want bij zichzelf denkt de toeschouwer dan: «Bij die man wil ik wel eens dineren»; als lectuur is het minderwaardig. – Ik heb een andere ontknoping voorgesteld. – Zoals u merkt ben ik trouw gebleven aan onze afspraken; geen enkele consideratie voor de eigenliefde. – In uw familienamen moet minder “de” staan, en duid uw personages ook niet aan met hun doopnaam. Zegt u Louis, als u over Crozet spreekt? – U zegt Crozet waar u dat hoort te zeggen. In elk hoofdstuk moeten minstens vijftig superlatieven geschrapt worden. Zeg nooit: «De brandende passie van Olivier voor Hélène». De arme romancier moet proberen om in die brandende passie te laten geloven, maar hij mag haar nooit benoemen: dat gaat in tegen de kiesheid.
Bedenk dat er onder rijke lui geen passies meer voorkomen, tenzij die voor de gekwetste trots. Als u zegt: «De passie die hem verslond», vervalt u in de kamermeidenroman zoals M. Pigoreau die in duodecimo drukt. Maar voor kamermeiden bevat de Luitenant dan weer te weinig lijken, ontvoeringen en andere dingen die in de romans van vader Pigoreau vanzelfsprekend zijn.

LEUWEN
of
De leerling weggestuurd van de École Polytechnique*

Ik zou die titel nemen. Hij verklaart de vriendschap of de band van Olivier met Edmond. De figuur van Edmond, de toekomstige academicus, is het meest oorspronkelijke in de Luitenant. De kern van de hoofdstukken is waarachtig; maar de superlatieven van wijlen M. Desmazures bederven alles. Vertel me dat alsof u mij een brief schreef. Lees de Marianne van Marivaux, en Quinze-cent-soixante-douze van M. Mérimée, zoals je een tovermedicijn inneemt, om u te genezen van die provinciale gekunsteldheid.**  Om een man, een vrouw, een plek te beschrijven, denk altijd aan iemand, aan iets dat echt bestaat. Ik ben helemaal vol van de Luitenant die ik net uit heb. Maar hoe bezorg ik u dit manuscript terug? Er moet een gelegenheid zijn. Waar die gevonden? Ik zoek het uit.
Schrijf mij een brief vol eigennamen.***  – De terugkeer uit vakantie is een nogal triest moment; ik zou drie niet al te slechte bladzijden kunnen schrijven over dit thema. Je bedenkt dan: zal ik leven, zal ik oud worden ver van mijn vaderland, of van het vaderland? dat is meer naar de mode. Ik breng al mijn avonden door bij een markiezin van negentien lentes, die meent dat ze vriendschap voelt voor uw dienaar. Wat mij betreft is zij als een goede canapé, heel comfortabel. Helaas! verder niets, meer is mij niet gegund; en wat veel erger is, meer verlang ik ook niet.



Ik las deze prachtige brief in het voorwoord dat Henri Martineau, een van de grote Stendhaliens, schreef bij zijn tweedelige uitgave van Lucien Leuwen (Monaco, 1945, Éditions du Rocher), die ik voor vijftien euro kocht bij het Profijtelijk Boekske in Antwerpen, een genummerde editie die ik nog helemaal moest opensnijden want het exemplaar was nooit aangeraakt.



______________

* De eerste zin van de postuum uitgegeven Lucien Leuwen luidt: «Lucien Leuwen avait été chassé de l’École Polytechnique pour s’être allé promener mal à propos, un jour qu’il était consigné, ainsi que tous ses camarades: c’était à l’époque d’une des célèbres journées de juin, avril ou février 1832 ou 1834.»
** Stendhal zelf las af en toe enkele artikelen in de Code Civil voor hij zich aan het schrijven zette: pour prendre le ton, als medicijn.
Hier schrijft hij : «…pour vous guérir du Phébus de province.»
PHÉBUS, subst. masc. Littér., vieilli. Style obscur, ampoulé et alambiqué. Donner dans le phébus; Diseur de phébus. Écrivain ou orateur au langage obscur et alambiqué.
*** Simenon later las graag in telefoonboeken en vond daar zijn eigennamen, en veel inspiratie.

4 januari 2016

We zijn het nu gelukkig allemáál eens


“Ik bewonder de moed en de gedrevenheid die Geert Hoste heeft gehad om aan de weg te timmeren”, lees ik bij Siegfried Bracke. Dat is heel mooi van Geert, dat hij zo ijverig timmert en zich daar goed bij voelt, en ik wens hem proficiat met zijn betrekkelijk nieuwe inzichten, maar vijftig jaar geleden had Tom Lehrer het in zijn album That Was The Year That Was al over dit soort engagement: “It takes a certain amount of courage to get up in a coffeehouse or a college auditorium and come out in favor of the things that everybody else in the audience is against, like peace and justice and brotherhood and so on.” (Is dat niet buitengewoon merkwaardig? Dat een ‘komiek’ vindt dat hij dat openbaar moet zeggen? verklaart Hoste over zijn eigen woorden, maar ik weet niet of hij bij dat 'komiek' met zijn wijs- en middelvingers naast zijn oren heeft staan krullen). Het grote verschil tussen Hoste en Lehrer is – het zal hier meteen zijn opgevallen – dat Lehrer grappig is: “We are the folk song army / Everyone of us cares / We all hate poverty, war, and injustice / Unlike the rest of you squares.”:






22 december 2015

Gelukkig Nieuwjaar!


Raymond Oliver en Cathérine Langeais maken voor ons een lekker Nieuwjaarsdessert

Oranges en Surprise


(ook natuurkundigen of scheikundigen konden toen nog iets opsteken van kookprogramma's)

18 december 2015

Amnesie als journalistiek wapen


In 1997 schreef Pierre Bourdieu de inleiding bij het boekje “Les nouveaux chiens de garde” van de journalist Serge Halimi, dat hier vorige keer ter sprake kwam. Ik was vergeten dat Bourdieu de inleiding had geschreven, maar vond het boekje terug bij de – weinig succesvolle – herordening van mijn bibliotheek. 
En wat Bourdieu schrijft is interessant. Halimi had namelijk methodisch geregistreerd wat er, bijvoorbeeld op radio en tv, zoal verteld werd in nieuwsuitzendingen en dergelijke. Zulke mededelingen zijn heel vluchtig en verdwijnen makkelijk in het niets. Tegenwoordig is dat niet meer zo – alhoewel – omdat we nu veel kunnen herbekijken of beluisteren op het web, maar in 1997 moest er nog iemand gevonden worden die alles in een boekje bijeenbracht.
Dat zorgvuldige opschrijfwerk van Halimi, zegt Bourdieu, had als effect dat de journalistieke praktijk een van zijn onzichtbare steunpilaren was kwijtgeraakt: de amnesie namelijk, die bij journalisten niet minder groot is dan bij hun publiek. Door dit geheugenverlies valt het niet op dat er in hun vertellingen voortdurend inconsequenties en onsamenhangendheden voorkomen, en zo komen journalisten moeiteloos weg met elke ommezwaai of kazakdraaierij: « Ce travail d'archiviste a pour effet de ruiner un des supports invisibles de la pratique journalistique, l'amnésie qui n'est pas moins grande chez les journalistes que chez leurs lecteurs et qui autorise en permanence les inconséquences et les incohérences, voire les virevoltes et les volte-face. »
Maar waarom, vraagt Bourdieu, zouden ook journalisten niet eens ter verantwoording geroepen mogen worden voor wat ze allemaal vertellen en verteld hebben? Zij die zelf zo graag en zo vaak met morele veroordelingen klaar staan?
De tekst van Halimi zelf doorbladerde ik weer even, en hij is inderdaad bijzonder sterk, nog altijd, en vele oude affaires herinner ik me nu weer, maar wie weet nog wie Chazal, Ockrent, Elkabbach, Drucker, Poivre d’Arvor of Sinclair waren?


4 december 2015

Als imbecielen de krijgskunst beoefenen


In Le Monde Diplomatique staat er elke maand weer iets interessants. Het is betreurenswaardig dat onze journalisten dit blad nauwelijks lijken te kennen, of er in ieder geval nooit uit citeren. Zouden ze toch moeten doen, zoals Mark Grammens het hen vaak voordeed.
Iemand als Serge Halimi bijvoorbeeld, hun redactiedirecteur, schrijft geregeld dingen waarmee ik het niet noodzakelijk eens ben, maar die wel het geheugen opfrissen. Het blad gebruikt dan ook voetnoten, altijd een bewijs van verstand en intellectuele eerlijkheid. De noten hieronder zijn dus van de auteur zelf  behalve als ze in het zwart staan: dan zijn ze van mij.

Om Halimi even voor te stellen: in 1997 leerde het Franse publiek hem kennen met zijn succesboek –het werd zelfs verfilmd– : «Les Nouveaux Chiens de garde», de nieuwe waakhonden. Daarin bekeek hij nauwgezet de banden tussen journalisten en politici. Hij toonde aan hoe een klein kliekje, hij noemt ze ‘de permanente woordvoerders’, de publieke opinie bepaalt. Halimi beschrijft de serviele, gedweeë, constructieve journalistiek, de journalistiek van de verstandhouding, de journalistiek die uit de hand van de politiek eet, de journalistiek die behaagt en verkoopt. Hij heeft het ook over de wet van de stilte, de censuur die des te efficiënter werkt omdat zij onbenoemd blijft, want: «...soms vallen de belangen van de geldschieters op miraculeuze manier samen met die van de ‘informatie’.»*
En hij gaat het gevecht niet uit de weg. Onder meer met mensen die achter een figuur als Bernard-Henri Lévy aanhollen, zoals bij ons onder meer een Yves Desmet dat deed toen die om bombardementen op Belgrado smeekte, en later op Libië.
Maar ook een brave mens als Tom Naegels zal van hem iets kunnen leren. Meegesleept wellicht door de poëtische benaming, schreef die luttele dagen na het uitbreken van de ‘Arabische Lente’:
‘Waar zijn ze nu? Al die intellectuelen die ons normaal iedere dag minstens één keer donderend voorhouden dat ‘de islam’ nooit democratie zal aanvaarden. Omdat de ‘psychoculturele software van de islamiet’ dat nu eenmaal afwijst. En dat het daarom normaal is dat al die Arabische landen dictaturen zijn. De Profeet zélf was immers een dictator!’
En we mogen hier vanzelfsprekend ook denken aan een Guy Verhofstadt die toen overal in Noord-Afrika spontane democratieën zag ontstaan. Even later zag hij er alweer een in Oekraïne.

Serge Halimi lacht dit soort analisten en politici vierkant uit, onder de titel «L'art de la guerre imbécile» (‘als imbecielen de krijgskunst beoefenen’, of ‘krijgskunst voor dummy’s’, of nog ‘de stompzinnige krijgskunst’: je kunt op zeven manieren vertalen).
Halimi lijkt ervan uit te gaan dat journalisten en politici de wereld maar beter konden zien zoals hij is, en niet zoals hij volgens hen zal, of toch zou moeten zijn. Hier bekijkt hij de dramatische toestand in Libië na Khadaffi:
«Nochtans was het probleem drie jaar geleden al van de baan, toen Bernard-Henri Lévy uitlegde: «In tegenstelling met wat de Cassandra’s voorspelden, is Libië niet uiteengevallen tot een federatie in drie stukken. (…) De Wet van de clans heeft het niet gehaald op de geest van nationale eenheid. (…) Het feit is er nu: Libië, vergeleken bij Tunesië en Egypte, mag doorgaan als een geslaagde Lente – en diegenen die het land hebben geholpen mogen fier zijn op wat zij hebben gedaan.»**  Die trots is volkomen gerechtvaardigd: op Bernard Guetta na, die elke ochtend op France Inter het standpunt van de Quai d’Orsay relayeert, is er niemand die met evenveel zwier fabeltjes vertelt.»***
_________
* Met zijn aanhalingstekens rond ‘information’ verwijst Halimi ongetwijfeld naar Jean Baudrillard, en diens «Ça, c’est de la télé! Ça, c’est de l’information!»: 'De dag dat wij het doodnormaal zullen vinden om te zeggen: ‘Dat is TV! Dat is informatie!’, zal alles er anders uitzien.' (Les Stratégies fatales; Éditions Grasset & Fasquelle, 1983)
** Le Point, 6 december 2012. In datzelfde Le Point schonk Bernard-Henri Lévy ons de 16de november 2015 «Guerre, mode d’emploi», een handleiding voor de oorlog in Syrië…
*** «De Franse president heeft pas toenadering tot Rusland gezocht nadat dit land zijn politiek in verband met Syrië van a tot z had herzien», hield zonder lachen Bernard Guetta vol de 19de november 2015. Men leze ook Pierre Rimbert, «Le théorème de Guetta», in Le Monde diplomatique van november 2008: «Zodra de Europese Unie bij een gebeurtenis betrokken is, komt de interpretatie die Bernard Guetta op France Inter eraan geeft, geheid op deze drie uitgangspunten neer: elk succes laat zich verklaren door Europa; elke mislukking is te wijten aan een gebrek aan Europa; elk succes en elke mislukking vragen om nog meer Europa.»
_________

Nu is mijn vermoeden
dat onze Guy Verhofstadt
een aandachtige luisteraar van Guetta is.


1 december 2015

Meeklappe over wereldpoletiek


Op zijn pagina elf heeft De Morgen een piepklein berichtje over het neerhalen van de Russische straaljager door Turkije (onze NAVO-bondgenoot). Dat contrasteert enigszins met hun uitgebreide aandacht voor het al dan niet seksistische karakter van de ingangsproef geneeskunde – en toegegeven, dat is ook een kwestie die iedereen in de ban houdt. Laat ik nochtans niet te negatief zijn: over gendertoiletten hield De Morgen vandaag zijn mond.

Maar nu terug naar de nare wereldpolitiek: “De vete tussen Turkije en Rusland om het neerhalen van een Russische jet afgelopen dinsdag gaat soapgewijs voort.” Dat schrijven de lichten van De Morgen. Eigenlijk waren het de lichten van Belga, maar zij drukken het wel af. En beter is natuurlijk “door” in plaats van “voort”, maar een krantenlezer moet iets kunnen hebben. Ook “gaf” Poetin een claim, lezen we. Claims worden niet “gegeven”, brave jongens en meisjes.

Wat een “vete” is, laat ik de Dikke van Dale hiernaast uitleggen want journalisten kennen vandaag ook niet meer het onderscheid tussen een vete en een oorlogsdaad. Overigens ging in het bijzijn van Erdoğan net nog de Moskouse “Kathedraalmoskee” open. Plaats voor tienduizend man. Wat de Dikke ook moge vertellen, het moet hier om een heel jonge vete gaan.

Goed, ze weten dat niet. Wijst dit op een gebrek aan algemene ontwikkeling? Lijkt wel, want ook die vertaling “dwaling” uit het Russisch moet het product zijn van een magere woordenschat. Anderzijds, deze schrijvende jongelui kijken blijkbaar wel graag naar tv-reeksen, aangezien ze het over een “soap” hebben. Het gaat dan wel over wereldpolitiek op hun pagina elf, maar tenslotte haalt ieder zijn beeldspaak uit de culturele sfeer waar hij zich thuis voelt.

Wie zijn toch de lezers die dit soort artikelen ernstig nemen, vraag ik mij soms af.

27 november 2015

Speech in het EU-"parlement"


Marine Le Pen sprak in naam van haar fractie het EU-"parlement" toe, en ik meen niet dat zulke dingen in de Vlaamse pers dan makkelijk aan bod komen, ook al zal er hier of daar wel een zorgvuldig gekozen zinsnede verschenen zijn. Haar mening lijkt namelijk nogal af te wijken van de geaccepteerde politieke en journalistieke opvattingen. Maar ik houd van woordelijkheid en volledigheid, iets minder van duiding, en daarom heb ik haar speech in zijn geheel vertaald. Ik ga er, in tegenstelling met sommige hoofdredacteurs namelijk niet van uit dat ik mijn lezers slimmer moet maken, omdat zijzelf wel slim genoeg zijn, en in sommige, hopelijk zeldzame gevallen misschien zelfs slimmer dan ikzelf. Wat u of ik van een politieke toespraak denken, maken we zelf wel uit: we hebben geen andere ezels nodig om dat voor ons te doen.
Bon, laten we haar maar beginnen:

Voorzitter, beste collega’s,
vrijdag dertien november is Frankrijk door een werkelijk verschrikkelijke beproeving gegaan. Ik meen dat de eerste eerbetuiging die men aan de slachtoffers verschuldigd is, erin bestaat datgene wat hen vermoord heeft bij naam te noemen. Nu, evenmin als uit de mond van onze Franse bewindvoerders heb ik hier, bij de verzamelde interventies deze ochtend, de naam van de moordenaar gehoord. De moordenaar is niet het terrorisme. Terrorisme is het wapen in de hand van de moordenaar.
De moordenaar is de ideologie die hij aanhangt, en in naam van welke het terrorisme doodt. Het gaat om het islamistisch fundamentalisme en dat moet u ook zeggen, want als u dit niet doet, als u er niet toe in staat bent de vijand bij naam te noemen, dan zult u hem vanzelfsprekend ook niet kunnen bevechten.
Maar misschien is het voor sommigen onder u vervelend om die naam te noemen. Want hem noemen verplicht ertoe een aantal internationale vriendschappen opnieuw te bekijken. Dit verplicht ertoe de vraag te stellen of men met geallieerden als Saoedi-Arabië en Qatar werkelijk door kan gaan. Dit verplicht ertoe vragen te stellen bij de dubbelzinnige houding van Turkije tegenover het islamistisch fundamentalisme. Dit verplicht ertoe elkaar in de ogen te kijken en te zeggen, ja, de verzameling internationale akkoorden die wij hebben gesloten, en de internationale allianties die wij zijn aangegaan, brengen ons er feitelijk toe dat we, eerder dan vijanden objectief gesproken bondgenoten van het islamistische fundamentalisme zijn.
Mijn voorstel is dus om verandering aan te brengen in deze allianties, en ik ben van oordeel dat zonder enige reserve al diegenen die tegen het islamistische fundamentalisme vechten als bondgenoten moeten worden beschouwd. Daar horen vanzelfsprekend de moslimlanden bij die tegen het islamistische fundamentalisme vechten: Egypte en de Verenigde Arabische Emiraten. Vanzelfsprekend hoort ook Rusland daarbij. Iran hoort daarbij. Pas dan, in het kader van deze grote coalitie, hebben we uitzicht op doelmatigheid in de strijd tegen het islamistische fundamentalisme.
Maar in vele opzichten – dat moet ik ook zeggen – staat de bevoegdheidsafstand die Frankrijk heeft gedaan aan imbeciele Europese maatregelen, voor de Fransen vandaag als een obstakel in de weg bij hun terugkeer naar veiligheid. In de eerste plaats hoort bij deze imbeciele politiek de kwestie van de massale immigratie, die al oud is en de kweekbodem van het communitarisme, en het antwoord op de vragen die u zich stelt.
Waarom zijn er inderdaad terroristen die op ons grondgebied, in Europa zijn geboren? Wel, omdat de massale immigratie communitarisme heeft meegebracht, en communitarisme de kweekbodem is waarin het fundamentalisme zijn toekomstige soldaten komt zoeken en rekruteren.
De Europese Commissie kondigt aan dat er volgend jaar drie miljoen migranten in de Europese Unie zullen arriveren. En vanzelfsprekend plaatsen wij geen gelijkheidsteken tussen de migranten en de terroristen. Maar dat neemt niet weg dat wat ik in september in dit Parlement aan de kaak heb gesteld, namelijk de infiltratie van jihadisten in de stroom vluchtelingen, een werkelijkheid is. Die werkelijkheid was voorbije vrijdag moordend. U kunt nu wel doen alsof u dat niet ziet, maar de feiten zijn er, en er geen rekening mee houden kan niet. Deze toevloed van migranten ongecontroleerd laten doorgaan, terwijl u pertinent weet dat de Unie, en de grenslanden van de Unie totaal niet in staat zijn om wat dan ook te controleren, laat staan de identiteit van de binnenkomers, welnu, dit laten doorgaan komt neer op afzien van de middelen om dit verschrikkelijke gevaar te bestrijden.
Dus, ik zeg het u, wij willen onze nationale grenzen terug. Bij hebben geen vertrouwen in de grenzen van Europa, die waarlijk een vergiet zijn. Vandaag wordt de Franse grens weer gecontroleerd, tijdelijk. Wij zullen er binnen onze mogelijkheden alles aan doen om ze volstrekt definitief te laten controleren. U hebt het over controles en inlichtingen, maar wat voor controles? De paspoorten in het bezit van de terroristen zijn geen valse paspoorten. Het zijn echte paspoorten, afgeleverd door de Islamitische Staat, door de besturen in Syrië waarvan zij de controle hebben overgenomen. Ook dat is een realiteit die men onder ogen moet zien.
Op dezelfde manier hebt u ons het soberheidsbeleid opgelegd. Deze soberheid heeft ons verplicht te ontwapenen. Door die soberheid die de Unie aan de landen heeft opgelegd, hebben wij minder militairen, minder politiemensen, minder douaniers. Jullie soberheidspolitiek pikken wij niet langer. Wij nemen het niet langer dat jullie het zijn die bepalen wat prioriteit krijgt in ons budget. Wij willen, eens te meer, onze budgettaire soevereiniteit terug, om te kunnen beslissen dat het vandaag nuttiger voor ons is om budgettaire prioriteit toe te kennen aan de beveiliging van ons grondgebied. Wij zijn het die daarover willen beslissen!
Na 13 november is de geestesgesteldheid van de Fransen veranderd. De Europese instellingen moeten inzien dat, voor ons, niets ooit nog zal zijn als voorheen. De onzin rond migranten, de haat tegen grenzen, de soberheidsobsessie en de slechte keuzes inzake internationale allianties zijn voor de Fransen als duidelijke gevaren herkend. Een groeiende minderheid deelde onze standpunten hierover al. Er bestaat geen twijfel over dat een zeer grote meerderheid voortaan klaarziend is geworden. Wij zullen niet rusten en deze gevaren blijven aanklagen, om de veiligheid van het Franse volk te verdedigen tegen de ondernemingen van de Europese instellingen in, die ik als misdadig beschouw.

20 november 2015

De Islam: geweld of hervorming


Aanslagen in Parijs

Moslims wijzen met ontzetting de gewelddaden af die in naam van hun religie zijn begaan – maar dat alleen volstaat niet. De sociologe Necla Kelek verlangt een eigentijdse interpretatie van het geloof.

De verschrikking van de barbaarse aanslagen door de islamisten in Parijs zit bij iedereen diep, en meteen al hoort men van zogenaamde islamexperten in de talkshows dat dit alles met de islam niets te maken heeft. Al even weinig als de stenigingen in islamlanden zoals Iran, en de zweepslagen in Saudi-Arabië iets met deze religie te maken kunnen hebben. Openlijk waarschuwen mooipraters ervoor om die daden de moslims in de schoenen te schuiven. En ook de vluchtelingen mag men niet te zeer ergeren, want anders zouden ze kunnen radicaliseren. De Islamitische Staat wordt voor krankzinnig verklaard. Met krankzinnigen moet men zoals bekend voorzichtig omspringen, anders worden ze gevaarlijk.

Klaarblijkelijk wil men geen heldere analyse van de toestand, omdat de consequenties niet in het eigen wereldbeeld passen. Men nodigt de godsdienstlerares Lamya Kaddor uit, die niet had opgemerkt dat er in haar klas leerlingen zaten die zich op het pad van de jihad hadden begeven. Nu zou het aan haar zijn om uit te leggen waarom de islam geen schuld treft. Hamed Abdel-Samad daarentegen, die juist een grondig werk over Mohammed heeft afgeleverd en de stelling verdedigt dat moslims zich eindelijk eens moeten bevrijden en voor hun religie verantwoordelijkheid nemen, die wordt over het hoofd gezien. Men wil het niet weten. Bijgevolg zal alles ook enkel nog erger worden.

In de media en de politiek heerst er een mentaliteit die enerzijds het eigen volk voor geen cent vertrouwt, en anderzijds van vreemden die nog nooit een zweem van religieuze vrijheid hebben gekend genezing verwacht van het eigen schuldgevoel. Uiteraard is men tegen de terreur-islam van IS. Maar in de praktijk er iets tegen ondernemen is niet voor meteen. Voor mij is het zo dat in de intellectuele openbaarheid zich in wezen gewoon dat voltrekt wat Michel Houellebecq in zijn roman «Soumission» beschreven heeft.

De islam heeft als religie gefaald. En dat al van in het jaar 622 in Mekka. Mohammed kon de inwoners van Mekka niet overtuigen van zijn deels mystieke openbaringen, en moest zich in Medina terugtrekken. Daar vervelde hij tot krijgsheer en werd zijn boodschap een machtsideologie. Hij en zijn volgelingen begonnen er nu mee, naar het heet in naam van Allah de wereld te veroveren en de tegenstanders te vernietigen. Dat hebben zij met veel succes gedaan, en hun ideologie was lange tijd aan de winnende hand. Wat IS doet, verschilt in principe niet veel van wat de machthebbers van Saudi-Arabië of Iran doen: zij gebruiken de koran als wapen. De koran is het rokende pistool.

Moslims overal ter wereld zijn ontsteld over wat in zijn naam gebeurt. Maar zij doen niet echt iets om hun geloof te bevrijden van de politieke ideologie. Men distantieert zich niet van de verzen in de koran die oproepen tot moord op andersgelovigen. Er bestaat geen theologie die vragen stelt bij de rol van de profeet als krijgsheer. Maar aangezien de islam om het even wat kan zijn, is hij datgene wat in de naam ervan geschiedt. Op hun daden mag je hen beoordelen. Anders gezegd: de islam is wat hij is, en niet dat wat men erover zegt of wat men ervan wenst.

De islam kan enkel tot een religie worden, als hij zich seculariseert. Als hij het geloof niet voor machtskwesties misbruikt. Er zouden moskeeën moeten komen waarin mannen en vrouwen, kernfamilies dus, gezamenlijk zouden kunnen bidden, en waarin de vrouwen niet afgezonderd werden. De moskeeën hebben de plicht, of zouden die moeten hebben, om hun religie als een onderdeel van de burgerlijke samenleving te beleven. Zolang moskeeën aan jonge mannen de verticale maatschappelijke scheiding voorhouden tussen mannen en vrouwen, en de samenleving opdelen in gelovigen en ongelovigen, zolang ontzeggen zij zich de toegang tot de burgerlijke samenleving. De moslims moeten deze religieuze revolutie zelf maken, en zich bevrijden van hun ideologen, voorgangers en bedienaars. Wat er in hun naam in de moskeeën omgaat, moet hen een zorg zijn. De Europese samenleving mag en moet dit kunnen verwachten, zoals zij zichzelf het wegwerken van de dictatuur tot doel heeft gesteld.

Tot het zover is moet zij zich tegen de politieke islam teweerstellen. Niet enkel met bezweringsformules over waarden, maar heel praktisch. Zolang de moslims deze opgave niet aankunnen, moeten er grenzen zijn aan de vrijheid van godsdienst. Er blijft geen andere mogelijkheid over, dan hun verenigingen, moskeeën, koranscholen te controleren. De verenigingen moeten openbaar maken wie hen financiert, en wat daar gepredikt wordt. De moslims moeten nu bewijzen dat zij vreedzaam zijn. Er is geen algemene verdachtmaking van moslims, maar het vermoeden van onschuld geldt ook niet meer.

19 november 2015

Les visages de l’ennemi


Aan het eind van het programma C dans l’air, gisteren met als titel "Les visages de l'ennemi", legt de presentator Yves Calvi zijn panel sms-vraagjes voor. Hun antwoorden mogen helaas niet veel langer zijn dat het sms’je zelf is mijn indruk. Een van zijn gasten nu was Béatrice Brugère, voorheen rechter in terrorismeprocessen, en de vraag voor haar luidde:

“Zou na een aanslag, en zelfs al heeft de enquête nog niet zijn betrokkenheid bewezen, een bekende verdachte niet preventief aangehouden moeten worden?”

Béatrice Brugère: Wat ik beweer komt precies daarop neer, namelijk dat men van register moet veranderen, dat men hoognodig – want aan de noodtoestand zal een eind komen – modellen moet heruitvinden, of simpelweg uitvinden, die beantwoorden aan de aard van het doelwit. Maar dan moet men het wel eens zijn over dat doelwit, en daar zit het probleem. En nu is het zo dat alle debatten… enfin, die je hoort, aantonen dat een eensgezinde visie vooralsnog ontbreekt op wie de vijand is, en wat het doelwit. Men moet dus, eens men duidelijk het doelwit heeft bepaald, modellen heruitvinden in functie van dit nieuwe doelwit. En aangezien we beseffen dat hier een ideologische kant aan zit, zullen we misschien verplicht zijn om een deel van onze vrijheden in te perken, om onze instellingen te beschermen met een uitzonderingsregime voor specifiek die mensen, precies om niet heel ons systeem op de helling te zetten. Dat is wat er vandaag op het spel staat. Dus als men niet onmiddellijk een model uitvindt of heruitvindt dat aan de dreiging beantwoordt, dan riskeert men destabilisering…
Yves Calvi: Van heel het systeem.
Béatrice Brugère: Er is dus wel een inzet hé, een echte inzet rond de vrijheden van…


Béatrice Brugère: Moi ce que je dis c’est la même chose, c’est-à-dire qu’il faut changer de logiciel, il faut d’urgence – parce que l’état d’urgence va s’arrêter – réinventer ou inventer tout simplement des modèles qui correspondent à la réalité de la cible. Mais faut-il encore être d’accord sur la cible. C’est ça le problème. C’est qu’aujourd’hui tous les débats qu’on …enfin qu’on entend, montrent que l’unité sur: quel est l’ennemi, quelle est la cible, n’est pas encore là. Donc une fois qu’on aura bien déterminé la cible il faut réinventer des modèles par rapport à cette nouvelle cible. Et sachant qu’il y a quelque chose d’idéologique, il va falloir peut-être restreindre une partie de nos libertés, pour préserver notre, euh nos institutions, avec un régime spécial pour ces personnes-là, pour ne pas justement remettre en cause tout notre système. C’est ça qui est en jeu aujourd’hui. C’est-à-dire que si on ne réinvente pas tout de suite, ou on n’invente pas tout de suite ce modèle adapté à la menace, on risque de déstabiliser…
Yves Calvi: L’ensemble du système.
Béatrice Brugère: Donc il y a un enjeu hein. Un vrai enjeu des libertés de…

13 november 2015

Open brief van Alain Badiou aan Alain Finkielkraut


Eind 2009 had de filosoof Alain Badiou voor het eerst aanvaard om met Alain Finkielkraut in debat te gaan. Deze dialoog werd gepubliceerd in de Nouvel Observateur, en werd de basis van een boek dat het jaar daarop verscheen: «l’Explication. Conversation avec Aude Lancelin» (éditions Lignes, 2010). Vandaag weigert hij diens invitaties en hij geeft zijn redenen in een open brief:

Bij de publieke en gepubliceerde discussies die wij destijds* hadden, heb ik u gewaarschuwd voor het gestage afglijden van uw standpunten, en in het bijzonder voor uw identitaire krampachtigheid, waarvan ik toen al wist dat ze ongetwijfeld fel aan het werk was, maar die ik als eerlijk en loyaal beschouwde, een afglijden naar een discours dat niet meer te onderscheiden zou vallen van dat van elk extreemrechts als vanouds.
Dat is duidelijk de stap die u, in weerwil van mijn klaarziende raadgevingen hebt gezet met uw geschrift «l’Identité malheureuse» en met het centraal stellen in uw gedachtegang van het uitgesproken neonazi-concept van de etnische Staat. Dat verwonderde mij niet al te zeer, want ik had u verwittigd van dit inherente gevaar, maar gelooft u mij, het heeft mij droef gestemd. Ik denk immers dat wie ook, en u dus eveneens, in zich de mogelijkheid tot veranderen heeft en – laten we even met Plato spreken – tot een terugkeer naar het Goede.
Maar u bent onweerstaanbaar het Kwaad van onze tijd toegewend, dat tegenover de alomtegenwoordige kapitalistische wereldmarkt, abstract en abject, enkel de cultus weet te stellen van de nationale identiteit, die de dood in zich draagt zodra hij pretendeert welke politieke waarde ook te bezitten, of zelfs, zoals in uw geval, de cultus van de «etnische» nationaliteit, wat nog erger is.
Ik voeg daaraan toe dat wat betreft uw instrumentering van «het joodse vraagstuk» dit de hedendaagse vorm is van wat de joden van Europa ten ondergang zal brengen, als tenminste zij die gelukkig in groten getale weerstand bieden aan deze reactieve tendens, er niet in slagen deze een halt toe te roepen. Ik bedoel, de weegschaal van de buitengewone rol van de joden in alle vormen van universalisme (wetenschappelijk, politiek, artistiek, filosofisch…), naast de barbaarse cultus zonder enig uitzicht dan moorddadigheid van een koloniale Staat. Ik zeg het u, zoals ik het zeg aan allen die aan deze cultus deelnemen: jullie zijn het die vandaag deze sinistere identitaire catastrofe organiseren, door die brutale metamorfose van een glorierijk voetstuk van universalisme in een nationaal fetisjisme, waarbij jullie schandelijk de aflossing verzekeren van het racistische** antisemitisme.
In de groep van de intellectuelen die aan uw kant staan bij deze anti-joodse gemeenheid, word ik gewoonlijk voor antisemiet uitgescholden. Maar het enige wat ik doe is het onderhouden en in positieve zin transformeren van het overgeërfde universalisme, niet enkel van een plejade van joodse denkers en uitvinders, maar van honderdduizenden joodse communistische militanten die voortkwamen uit de populaire en arbeidersmilieus. En als het nationalisme en kolonialisme van een bepaald land aan de kaak stellen «antisemitisch» is, als het Israël betreft, welke naam moeten we dit dan geven als het bijvoorbeeld om Frankrijk gaat? Veel radicaler en onophoudelijker dan wat ik deed als het om Israël ging, heb ik kritiek gegeven, tot vandaag nog, op het Franse beleid dat zowel koloniaal als reactionair is. Zult u dan zeggen, zoals de kolonisten in Algerije dat in de jaren vijftig deden, dat ik behoor tot het «anti-Frankrijk»? Weliswaar lijkt u de charme van kolonisten wel te kunnen smaken, tenminste als het Israëliërs zijn.
U bent zelf in een duistere valkuil getrapt van een soort geborneerd anti-universalisme dat geen toekomst heeft behalve dan een aartsreactionaire. Ik meen te kunnen raden (vergis ik mij?) dat u langzaam begint te beseffen dat de plek waar u zich bevindt muf ruikt, en erger nog. Ik heb de indruk dat als u er zo op gesteld bent dat ik naar de verjaardag van uw programma kom (waaraan ik vier keer meewerkte, in de tijd dat het nog fatsoenlijk was om met u om te gaan, zij ook toen al het onder enig voorbehoud), of dat ik nog zou meewerken aan genoemd programma, dat is omdat het u enigszins zou kunnen verlossen uit uw kuil. «Als Badiou, de filosoof, platonist en communist van dienst accepteert om mij in het hol waarin ik zit een bezoek te brengen,» denkt u wellicht, «dan zal mij dat in de ogen van de velen, en hun aantal groeit, die mij ervan beschuldigen te koketteren met het Front National, wat verse lucht bezorgen.»
Maar ziet u, ik heb, omdat ik veel te vaak met u in dialoog ben gegaan, al kritiek gekregen vanuit het kamp waarvan u zich inbeeldt dat het het mijne is (een bepaald «radicaal links», dat helemaal niet mijn kamp is, maar laat maar zitten). Ik houd zonder aarzelen vol dat ik gelijk had dat te doen. Maar ik moet heel eenvoudig vaststellen dat de lust mij nu ontbreekt. Te veel is te veel, ziet u. Ik laat u achter in uw hol, of ik laat u, als u dat verkiest in het gezelschap van uw nieuwe «vrienden». Diegenen die zo’n groot succes hebben gemaakt van de tranen die u liet over het einde van de «Etnische Staten», laat hen voortaan zorg voor u dragen. Mijn hoop bestaat erin dat op het moment dat u begrijpt wie zij zijn, en waar u staat, dat u uw gezond verstand dan zult terugvinden dat, als we de klassieke filosofie mogen geloven, eigen is aan het menselijk wezen.
Alain Badiou

Een mens vraagt zich af waar zo’n Badiou de onbeschaamdheid vandaan haalt om iemand te bestempelen als infréquentable, terwijl hijzelf al jaren de grofste praat uitslaat en die zelfs laat drukken. Nu sprak hij enkel van een hol, un trou, wat nog meevalt want tegen zijn gewoonte in gebruikte hij deze keer geen dierennamen voor zijn tegenstander.
Simon Leys herinnert in «Le Studio de l’inutilité» (Flammarion 2012) aan volgende woorden van Badiou:

« S’agissant de figures comme Robespierre, Saint-Just, Babeuf, Blanqui, Bakounine, Marx, Engels, Lénine, Trotski, Rosa Luxemburg, Staline, Mao Zedong, Chou En-lai, Tito, Enver Hoxha, Che Guevara et quelques autres, il est capital de ne rien céder au contexte de criminalisation et d’anecdotes ébouriffantes dans lesquelles depuis toujours la réaction tente de les enclore et de les annuler» (p. 286 in Mao. De la pratique et de la contradiction, avec une lettre d’Alain Badiou et la réponse de Slavoj Zizek; La Fabrique, 2008).
Waar het gaat om figuren als Robespierre, Saint-Just, Babeuf, Blanqui, Bakoenin, Marx, Engels, Lenin, Trotski, Rosa Luxemburg, Stalin, Mao Zedong, Chou En-lai, Tito, Enver Hoxha, Che Guevara en enkele anderen, is het van kapitaal belang om in het geheel niet mee te gaan in de context van criminalisering en onwaarschijnlijke anekdotes waarin de reactie hen altijd heeft willen opsluiten en uitschakelen.

Leys had kritiek op dit lijstje: «… je suis choqué: quelle injustice! Le nom de Pol Pot a été omis du petit panthéon badiolien – et il aurait pourtant tellement mérité d’y figurer […]». Schokkend, wat een onrechtvaardigheid! De naam van Pol Pot is weggelaten uit dit kleine badoliaanse pantheon – en hij had nog zo verdiend erin te staan.
_____________
* Badiou gebruikt “naguère” in deze betekenis. Strikt genomen betekent dit “onlangs”
** Hij schrijft “racialiste”, wat in geen Frans woordenboek voorkomt, maar de term is in de mode gekomen door het Engels, waar het een synoniem is voor “racistisch”

In wat voor parket zit Europa?


The predicament of Europe was de titel van een seminarie dat de Franse politiek filosoof Pierre Manent gaf, een paar jaar terug in Harvard. We vallen met onderstaande transcriptie en vertaling in tijdens het vragenuurtje, na 1u.13'40" in het YouTube-verslag.

Maar voor u dat leest, zou ik u nog gauw een boek van hem willen aanraden, waarin hij kort vertelt wat de bestaansreden is van naties. U ziet het hiernaast, Gallimard 2006: La Raison des Nations, Réflexions sur la démocratie en Europe.

Nu, iemand uit het gehoor had hem gevraagd wat precies de betekenis was van de tekst van de "Europese Grondwet" – die zoals we weten niet zo mag heten. De betekenis van enkele begrippen uit de "Verdragstekst" dus, onder meer die van het woord "reunited", "herenigd" dat hem had getroffen, en eerst die van de wending "religieus en humanistisch":


Pierre Manent: Ik meen dat het vooral niets betekent. En het is ook niet bedoeld om iets te betekenen. Het was… men wilde vermijden andere dingen te zeggen. En ‘religieus en humanistisch’ is het resultaat van een lang proces. Een lang proces dat teruggaat op de weigering om de christelijke wortels van Europa te vermelden. Dus, ‘religieus en humanistisch’ was een manier om zogenaamd iedereen gelukkig te maken. Het belangrijkste feit blijft vanzelfsprekend dat men geweigerd heeft om een vermelding van het christendom in te voegen. Dit betekent dat wat “Europa” als gemeenschappelijk zag, de gemeenschappelijke kenmerken die samen Europa vormen, iets is dat er misschien ooit zal komen, na verloop, maar het is niet iets dat al een wezenlijk gemeenschappelijk deel van Europa was of is. Bijgevolg is “Europa” helemaal geen continuering… “Europa” – de Europese Unie – is geen continuering van het bestaande Europa. Want het weigert elke verwijzing naar wat het bestaande Europa voor gemeenschappelijks had. Zodat... het ging zo verre dat Jacques Chirac, de Franse president, en hij was het die de verwerping van de vermelding van christelijke wortels bekwam, ook de staatsman was die het bestond te vertellen dat in de geschiedenis van Europa – in de geschiedenis van Europa! – de islam een even grote rol had gespeeld als het christendom.
Je maakt het hier dus mee… wij allen… wij zijn aan het werken, enfin, wij zijn aan het maken, fabriceren, bouwen wat ik noemde een Potemkindorp in een ideologische geschiedenis die even absurd is als wat de Sovjets in hun tijd allemaal hadden bedacht voor de Sovjet-Unie. De ideologie van “Europa” gaat in tegen de realiteit van Europa.

En de tweede opmerking die u maakte, was waarom wij, het viel u op, ons herenigden – herenigden!
Ook hier weer dezelfde droom. Men wil ons doen geloven dat “Europa” al bestaat. Omdat… als het immers al bestaat kun je er onmogelijk nog tegen zijn. Het is daar, je moet enkel nog je ogen openen. Dat moet je doen. Het gaat dus waarlijk, waarlijk om een religieuze scène: als je “Europa” niet ziet, zie je de Waarheid niet. Trek je ogen open.
Dat mag dan… mijn interpretatie zijn van deze bijzonder slordige tekst. “Europa” is gebouwd op de negatie van al de constituerende onderdelen van Europa, zijnde de naties – Europa werd gebouwd uit een mengsel rivaliteit en wederzijds ontzag – en op de negatie van wat deze naties gemeenschappelijk hadden, en dat is bijvoorbeeld, en wel in de eerste plaats het christendom. En ik geef toe dat het christendom niet altijd een verbindende kracht is geweest, het was ook een splijtzwam, we zullen het hier eens zijn.
Maar niettemin: het ideologische karakter van “Europa” is extreem geprononceerd. En als je een voorbeeld wil… en is het gerechtigheid of noodlot? ik weet het niet, maar de “nieuwe Europese religie” is nadrukkelijk antichristelijk en antikatholiek. De laatste, de jongste episode, en ze is nogal grappig, is dat de Europese Commissie vorig jaar een nieuwe kalender uitbracht. Een nieuwe kalender met alle religieuze feesten erin, álle religieuze feesten behalve de christelijke. Tot daar “Europa”.
En er kwam natuurlijk enig protest, en toen klonk het: “Ach ja! Foutje gemaakt!” en ik meen dat ze het dan hebben rechtgezet, achteraf. Maar weet u… ik zou wel meer voorbeelden kunnen geven, een hele hoop.



I think that, most of all, it does not mean anything. And it’s not meant to mean something. Or it was… it is to avoid to say other things. And ‘religious and humanist’, has been the result of a long initiation. Of a long initiation which ascended with the rejection of a mention of the Christian roots of Europe. So, ‘religious and humanist’ has been a way of making supposedly everybody happy. But the most important fact, is of course that they refused to insert the mention of Christianity. Which means that, what “Europe” put in common, of the commonality which constitutes Europe, is perhaps something which will happen, after a while, but it’s not something which has been, was or is a real common part of Europe. So “Europe” is not at all a continuation… “Europe”, the European Union, is not a continuation of real Europe. Because it refuses any mention of what real Europe had in common. So that, it went so far that Jacques Chirac – the French president, who was the one who obtained the rejection of the mention of the Christian roots – is also the statesman who was able to say that islam played in the history of Europe – in the history of Europe! – a role as great as Christianity. So you assist to a... we all… we’re working, we all, enfin we’re making, fabricating, producing what I call a Potemkin village of an ideological history as absurd as anything the Soviets have devised in their time for the Soviet Union. The ideology of “Europe” is bent against the reality of Europe. And the second mention you made, why we, it struck you, reunited – reunited! Again it’s the same dream. They want us to believe that “Europe” is already there. Because… so if it is already there, you have no way of being against it. It is there, you only have to open your eyes. You have to. So it is really, it’s really a religious situation. If you don’t see “Europe”, you don’t see the Truth. Open your eyes. That would be the… my interpretation of this very sloppy text. “Europe” is built on the negation of all the constituent elements of Europe. That is the nations – through the mixes of rivalry and comity Europe was built – and the negation of what these nations had in common, that is for instance and first of all Christianity. I admit that Christianity was not only, has not always been a unifying force, it was also a separating force, we agree. But nevertheless, the ideological character of “Europe” is extremely pronounced. And if you want a… and what is, is it justice, is it nemesis, I don’t know, but the new “European” religion is emphatically antichristian and anti-Catholic. The last, the latest episode, which is rather funny, is that the European Commission the other year produced a new calendar. A new calendar with all the religious feasts, all the religious feasts, except the Christian ones. So much for “Europe”. And, and of course there was some protests, and then: ‘Oh yeah! My mistake!’ And I think they corrected it, afterwards. But you know the… I could give other examples, many of them.

9 november 2015

De Duitsers zitten in hun puberteit


Dit is een interview dat de Neue Zürcher Zeitung had met de filosoof Rüdiger Safranski, bekend bij het grote Duitse publiek van het programma Das Philosophische Quartett op de ZDF, destijds, dat hij samen met Peter Sloterdijk droeg.

Welkomstcultuur en een recordaantal rechts-radicale misdrijven, VW-bedrog, en een afgekocht wereldkampioenschap voetbal. Zelden voorheen heeft Duitsland de wereld – en zichzelf – zo verrast als thans. Wat is er in het land van onze noorderburen toch aan de hand? Filosoof en auteur Rüdiger Safranski in een interview over een Duits noodlotsjaar.


NZZ am Sonntag, Martin Helg.

Martin Helg: Herr Safranski, uw nieuwe boek gaat over de tijd. Nog maar net heeft de halve wereld tegelijk de horloges bijgesteld. Wat betekent deze synchrone prestatie voor de gemeenschap als geheel?

Rüdiger Safranski: De instelling van een eenvormige wereldtijd is werkelijk een kolossale gebeurtenis, die zich voorheen in de menselijke geschiedenis nooit zo heeft voorgedaan, maar we zijn er gewend aan geraakt. Tot voor de industriële revolutie en de opkomst van de spoorweg, had elke plek zijn eigen tijd. Tot nog in de negentiende eeuw was het principieel uitgesloten dat op verafgelegen plekken een gevoel van gelijktijdigheid zou zijn opgekomen. Vandaag ervaart men gelijktijdigheid op grote afstand als een werkelijkheid. De verwijdering wordt verwijderd.* Pas sinds dan bestaat er echt iets als een globaal bewustzijn.

Wat mag Schiller dan bedoeld hebben toen hij riep: Omhels elkaar, miljoenen?

Dat was abstract, iets verhevens uit de ideeënwereld. Vandaag zou het ons kunnen overkomen dat niet wij de miljoenen omhelzen, maar de miljoenen ons. Zij staan bijvoorbeeld als vluchtelingen voor de deur. Ze kennen ons van de beelden. Voor hen zijn wij het paradijs. Alles is tegenwoordig met alles verknoopt. Niet enkel virtueel.

In het jaar 2015 ging juist in Duitsland bijzonder veel om, voornamelijk vanwege de vluchtelingen. Is het een Duits noodlotsjaar?

Dat weet je pas naderhand. In elk geval vind ik bij de mensen die publiekelijk daarover nadenken, hun gedachteloosheid rond de problemen van de immigratie beangstigend.

Wat boezemt u angst in?


De politieke islam, zoals die zich in de meerderheid van de staten van het Nabije Oosten opwerpt, is een onvergelijkelijke catastrofe. Niet de islam als religie is het gevaar, maar wel de politieke structuur die hij vandaag voortbrengt. Deze politieke islam leeft bij velen, en daardoor zal in Duitsland het antisemitisme, met name het islamitische antisemitisme machtig worden. In Frankrijk is dit al te merken, daar voelen joden zich niet langer veilig. Velen onder de moslims weten niet wat het te betekenen mag hebben, respect voor een andere religie. Men is hier vergeten dat op de vluchtelingenboten christenen in het water zijn geworpen. In de vluchtelingenkampen bevechten de etnische en religieuze groepen elkaar, en ze zijn dus nu al zover dat ze hun vijandschappen, de oorzaak van hun eigen vlucht, in ons land binnenslepen. De scheidslijn tussen religie en staat is hen begrijpelijkerwijs onbekend. De jonge mannen brengen hun machogedrag mee, brengen geweld mee, wat voor iedereen erg is, in het bijzonder alleszins voor de vrouwen.

Duitsland heeft ervaring met het multiculturalisme Waarom zou het ook deze uitdaging niet de baas kunnen?

Als het aantal moslims te groot wordt, dan stelt dat heel de liberale samenleving zelf op de proef, zeker in Duitsland waar de integratiekracht gering is omdat men er met zichzelf niet in het reine is. Nog niet zo lang geleden hield men het begrip «Leitkultur» voor radicaal-rechts, en de eis om de Duitse taal te leren voor een brutaliteit en een vorm van repressieve assimilatie.

Vele Duitsers stellen tegenover die angstbeelden de welkomstcultuur.

Een paar dagen, een paar wekenlang, de opiniërende feuilletonisten wellicht nog iets langer, maar dan zullen ook zij weer heel gewone mensen worden die het werk graag aan beroepsmensen overlaten, en enkel nog uitkijken dat ze in hun onmiddellijke omgeving niet gestoord worden door de nieuw aangelanden. Die begroetingscultuur is maar voor een tijdje leuk, zeker als men begint te vermoeden dat aan het eind de rekening nog volgt. Zeventig procent van de intussen zowat één miljoen vluchtelingen zijn zo te horen jonge mannen, die hun families zullen laten nakomen. Dat worden er dan al snel meerdere miljoenen. Dan zullen de protesten bij de bevolking rabiater worden, en als de gewelddadigheden uitbreiding nemen, zal voor de publieke opinie Duitsland als moreel voorbeeld al snel weer plaats maken voor het Duitsland van het fascistische gevaar.

Hoe ontsnapt het land uit die val?

Men moet de vluchtelingen helpen dicht bij de regio waar ze vandaan komen, en men kan enkel welbepaalde, afgesproken contingenten opnemen. Zonder stevige grenzen zal dat niet mogelijk zijn. Wij beliegen onszelf door om het feit heen te willen draaien dat Europa ook een vesting moet zijn. Tenslotte hebben wij ook echt iets te verdedigen. De volgende vluchtelingengolf komt al uit Afghanistan aangerold. Van de vele miljoenen uit de arme gebieden van Afrika, Bangladesh en Pakistan spreken we dan niet eens.

Doen de Zwitsers het beter, die nu SVP stemmen?**

Meningen die bij iemand niet in de smaak vallen, bestempelt men al heel snel als rechts-populistisch. Dat is gewoonweg vadsig denken. Immigratiepolitiek is een elementair bestanddeel van een soevereine staat, die niet minder dan de plicht heeft zijn grenzen te bewaken.

Waarom doet Hongarije wel, wat Duitsland zich niet permitteert? Waarom gedragen de andere Balkanlanden zich overeenkomstig?

Omdat zij al eens hebben behoord tot het gebied van de islam, pas in 1908 heeft het Ottomaanse Rijk zich uit de Balkan helemaal teruggetrokken. Deze landen bekijken de vluchtelingenstroom niet vanuit een humanitair gezichtspunt, maar willen niet opnieuw islam krijgen. Men mag niet vergeten dat nog in de Joegoslavische burgeroorlog moslimgemeenschappen en christelijke gemeenschappen elkaar aanvlogen. En wat doen we nu? Zoals het nu met de vluchtelingenstromen gaat, planten wij machtige islamitische culturen in het land, en geen mens kan weten wat daaruit voortkomt.

Hoe verklaart u deze Duitse uitzonderingspositie?

Men ziet zichzelf als noodanker voor alle verdrevenen en verworpenen, in plaats van een ethiek van verantwoordelijkheid hanteert men een ethiek uitgaand van overtuigingen. Ethisch in de zin van een morele stelregel, is de uitspraak van Merkel: er bestaat geen bovengrens bij de opname van vluchtelingen. Ethisch in de zin van verantwoordelijk zou de uitspraak zijn: voor een afzonderlijk land, zoals Duitsland, is er een bovengrens. De Duitse politiek is te hard van stapel gelopen. Nu merkt men: de Europese landen willen niet meedoen met wat Merkel doet. Zij willen zich ook niet de Duitse morele missie laten opdringen.

Is die ethica vanuit overtuigingen een reactie op de eigen geschiedenis?

In de Duitse publieke opinie is er een grote bereidheid om zich schuldig te voelen. Men heeft er veel aan gedaan om de misdadige kanten van de nationale geschiedenis te interpreteren en zichzelf te louteren. Daardoor is er in de politiek ook een overmaat van gemoraliseer gekomen. Politiek hoort zich aan morele beginselen te houden, maar heeft zelf geen morele missie. Het discours over de vluchtelingen wordt deels zo gevoerd, alsof een staat de plicht zou hebben alle vluchtelingen op te nemen. Merkel zei dat daar geen grens aan was. Dat is onzin. Tot de soevereiniteit van een staat behoort het, dat hij zijn territorium beschermt. Men kan niet gewoonweg zeggen dat de grens zich niet laat afsluiten. Natuurlijk kan een grens gesloten worden als men dat wil.


Speelt hier ook wat de Angelsaksen “German Angst” noemen?

Dat begrip maakte opgang in de jaren tachtig, toen men erachter kwam dat de Sovjet-unie nieuwe raketten geïnstalleerd had die Europa direct konden bereiken. De Navo had geen overeenkomstige wapens. Bondskanselier Helmut Schmidt zei: er zit een bres in de verdediging, wij moeten ons bewapenen. Er kwam het debat rond de bewapening en men zei: wij bewapenen ons nog dood, wij hebben angst, men moet ontwapenen. Dat was de oplossing die uit het congres van de Duitse Evangelische Kerk kwam.

Een vredelievende houding?

Een houding die een angstgevoel voorwendt om de realiteit niet onder ogen te moeten zien. In werkelijkheid waren de vrijheid en veiligheid in Europa enkel gegarandeerd door wapendreiging. Het Oostblok is ingestort, vooral omdat de economie er niet sterk genoeg was om met de wapenwedloop mee te doen. Het ging bankroet, het Westen heeft het tot de tanden bewapend, en de wederzijdse wapendreiging leverde tenslotte de vrijheid op. Hadden we toegegeven, dan waren we wellicht chanteerbaar geworden, en de “German Angst” zou toen geen goede raadgever zijn geweest.

Waarin wortelt die Duitse “Angst”?

Ik vermoed dat het een infantiele reactie was. Duitsland was onder de bezetting na 1945 niet soeverein, maar stond onder bescherming van de Amerikanen. Dat was comfortabel, men woonde in zekere zin nog bij zijn ouders in, en met de ernstige realiteit daarbuiten werd men niet geconfronteerd. Daardoor tekenden zich in de politiek patronen af van bemoederen, betuttelen en bedaren. De infantilisering van de Duitse samenleving was een gevolg van het soevereiniteitsverlies. Wie zich terugtrekt in zijn angsten, hoeft niet meer te argumenteren, het enige wat hij nodig heeft is een betuttelaar die voor hem zorgt.

Wat voor uitwerking hebben het jaar van de “Wende”, 1989, en het einde van de Koude Oorlog gehad op de voorstelling die Duitsland had van zijn rol?

Pas daarmee kwam de naoorlogse periode ten einde, en leefde Duitsland niet meer onder een bezettingsregime. Pas dan werd men een acteur in de wereldpolitiek, en hing men niet meer aan moeders rokken. Zo komt het dat Duitsland wat buitenlandpolitiek betreft nog altijd niet als een volwassen natie optreedt, en daardoor ook moraliseren ze zo sterk. De Duitsers zitten nu volop in hun puberteit.

Denkt u dat het typisch Duitse schuldbewustzijn ook in het VW-schandaal een rol heeft gespeeld?

Dat is ook een afgrondelijk bedrog. Ik kan het leedvermaak in het buitenland wel begrijpen: de Duitsers werken ons op de zenuwen met hun klimaatdoelstellingen, en wat doen ze nu? Ze bedriegen.

Nu is ook nog dat voetbalschandaal een reden voor berouw: het zomersprookje van het wereldkampioenschap zou afgekocht geweest zijn.

Niets is bewezen, maar ik vermoed: zonder betalen krijgt niemand een wereldkampioenschap. Dat was vroeger zo, en zal zo blijven. De kampioenschappen in Rusland en Qatar zijn vermoedelijk ook verkocht. Ik vraag mij af waarom de verantwoordelijken in Duitsland niet gewoon verklaren: natuurlijk was het wereldkampioenschap in 2006 gekocht! Ook een zomersprookje heeft zijn prijs!

Heeft het Duitse moralisme een voedingsbodem in de geestesgeschiedenis? Nietzsche al noemde Schiller «de moraaltrompetter van Säckingen».

Schiller stelde hoge morele eisen, maar was ook een realist met een feilloos instinct. Hij was enthousiast over de ideeën van de Franse Revolutie, het ontstaan van de volkssoevereiniteit vond hij geweldig, maar toen de Jakobijnse Terreur toenam, begon hij opnieuw na te denken over het redelijke gebruik van vrijheid, en over de wijze waarop de mens eerst vrijheidsbekwaam kan worden, zodat hij met de vrijheid iets weet aan te vangen.

Tegen zijn eigen vorsten is Schiller niet in opstand gekomen?

Hij moest zich schikken, maar nam geen blad voor de mond. Zijn vrijheid was de vrijheid van gedachte.

Hoe stond hij tegenover de idee van een Duitse natie?

Zijn standpunt was ervan af te zien om met de sterke politieke naties Frankrijk en Engeland in concurrentie te willen gaan. Schiller gaf er de voorkeur aan iets cultureels tot stand te brengen. Hij was geen nationalist in de politieke betekenis, hij droomde van de natie der cultuur! In Duitsland hebben wij, aan de bevolking afgemeten, de meeste theaters en symfonieorkesten. Dat stamt werkelijk uit de achttiende en negentiende eeuw.

Volstaat dat voor een identiteitsgevoel?

In Duitsland, na de kwalijke geschiedenis, is er niet iets als een vanzelfsprekend nationaal bewustzijn. Liever zegt men dat wij moesten opgaan in Europa, dat daar onze missie ligt. In Europa wilde Duitsland zich van zijn nationale gevoel ontdoen. De andere naties hebben daartoe geen reden.

En nu weigeren ze de Duitsers na te volgen?

De Duitse politiek heeft te weinig oog ervoor gehad dat de anderen niet zozeer Europa willen, als wel hun eigen natie. In het Oostblok wilden ze van de Sovjet-unie bevrijd worden, en ze willen van hun soevereiniteit nu eens genieten, en die niet gelijk weer aan Europa kwijtspelen. De Duitsers hebben niet begrepen dat hun Europese partners Europa ook hierom waardeerden, omdat er tegenover Duitsland nog een levendig gebleven wantrouwen bestaat, dat zich in een Europees Verbond heel goed laat neutraliseren. Elk land heeft zijn eigen belangen en houdt die voor ogen. Maar in Duitsland worden nationale belangen als onbehoorlijk beschouwd, en men verpakt ze graag in Europa-retoriek. Vaak geeft dat aan de Duitse politiek iets verkrampts, en tegelijk pathetisch.

Als er geld in het spel is, weet men anderzijds complexloos op te treden.

De kardinale fout van de politiek van de Eurozone is dat de economisten onvoldoende begrijpen dat nationale economieën hun eigen ondernemingscultuur hebben. De Duitse economie draait anders dan de Griekse of de Spaanse. En dan maakt men één euro en men denkt dat alles overal maar op dezelfde manier moet functioneren. Vroeger had men nog gezegd, nou ja, die Grieken zijn nu eenmaal zoals ze zijn. Nu roept iedereen, die zijn gewoon lui! Economistisch denken heeft ertoe bijgedragen dat er ruzies kwamen en de tegenstellingen binnen Europa scherper werden. Culturele verschillen, een rijkdom eigenlijk, worden tot last.

Schaden de Duitsers met hun geldpolitiek zwakkere leden van de Unie?

In elk geval hebben de Grieken maar kort geprofiteerd, en zitten ze nu in de puree. Ook daarom zou Zwitserland er beter aan doen de lokroep van de eurozone niet zomaar te volgen, want in vergelijking met Zwitserland heeft de EU minder democratie en minder economisch verstand. In Zwitserland bewonder ik zijn trotse wil tot onafhankelijkheid en zijn directe democratie. Die mag het niet prijsgeven omwille van Europa. Een eigen soevereine positie bekleden, en niet chanteerbaar zijn is belangrijk.

Hoe komt het dat Duitsland in Europa die eenzame machtspositie bereikt heeft?

Het land is de laatste dertig jaar niet de weg opgegaan die bijvoorbeeld Engeland wel is opgegaan, namelijk die van de de-industrialisering. Engeland was de leidende industriële natie, tot iedereen het enkel nog over de diensteneconomie had. De grote autobouwers werden opgekocht door Duitse firma’s. Vandaag maakt Engeland bijna niets meer klaar, op de financiële economie na, vooral gebakken lucht dus, want speculatie brengt eigenlijk geen waarde tot stand.

Uitgerekend die idealistische***  Duitsers blijken bodemvaster te zijn.

Ze waren verstandig genoeg om vooral op het gebied van de ideeën te speculeren. Spirituele metafysica dus. Het pragmatische Engeland is met zijn financieel centrum de plek van de materiële metafysica. De enen speculeren in de wereld van de geest, de anderen op de beurs.****

Wat heeft het protestantisme bijgedragen tot die Duitse deugden?

Duitsland was op de belangrijke gebieden zeer protestants gevormd, vlijt was een religieus onderbouwde deugd. Ook het moralisme heeft met protestantisme te maken. Maar vergeten we niet: met protestantisme is de halve weg al afgelegd naar het nihilisme. De religie als publieke uiting verliest betekenis en ze wordt opgeslagen in het binnenste, leeft daar een poosje verder als religieuze moraal, tot het religieuze verdwijnt en enkel de moraal nog overblijft. Ooit verdwijnt ook die moraal, en men is in het nihilisme beland. De moderne vorm van het nihilisme is het consumentisme. Ook als men geen god meer heeft, kan men zich altijd nog iets kopen.

De andere landen staan nog dichter bij de religie?

Wie zal het zeggen, misschien doen ze maar alsof. Maar we zien allemaal dat wij tegen de politieke islam iets te verdedigen hebben: onze vrijheid. Autonomie staat tegenover theonomie. De westerse manier van leven moet zich eens opnieuw herinneren dat ze vijanden heeft. Dat willen wij, verwende kinderen van het Westen niet geweten hebben.

Waarom niet?

Wij leven in een post-heroïsche samenleving, wij zijn de eindgebruikers van onze eigen levenswijze, die wij genieten en consumeren, maar waarvoor we nauwelijks zouden willen vechten. Ikzelf ben geen haar beter, want toen ik dat moest doen, vervulde ik geen dienstplicht, maar begon aan een theologieopleiding die ik vervolgens afbrak. Niettemin blijft: zonder Amerikaanse bescherming was Europa vijfentwintig jaar na het einde van de Koude Oorlog nog altijd niet in staat zich tegen andere machten staande te houden. Dat is de realiteit, en precies ook in Duitsland. De Duitsers legden Europa in as en puin, en dan werden zij brave kinderen. Het Wirtschaftswunder kwam eraan, en iedereen was blij verlost te zijn van die soevereiniteit. Europa is enkel door de Amerikaanse militante instelling halfweg veilig. De Oost-Europese staten weten dat beter dan wij.

Onderschat Duitsland de dreiging?

Een half jaar terug was er een debat rond de hervorming van de Bundeswehr. Het ging hierom, de carrière bij de Bundeswehr kindvriendelijker vorm te geven. Dat is allemaal ook heel belangrijk, maar je ziet dan toch weer die Duitse Biedermeiermentaliteit. Intussen heeft de verantwoordelijke minister echter grote zorgen: zij moet zich teweerstellen tegen de aantijgingen dat ze plagiaat pleegde in haar doctoraatsproefschrift. Een van haar voorgangers had daarop al schipbreuk geleden. Dat zijn onze ministers van landsverdediging.

Symptomen van decadentie?

Dat zegt u.
_______________

* Heinrich Heine dacht nog dat de tijd min of meer bewaard zou blijven: Sogar die Elementarbegriffe von Zeit und Raum sind schwankend geworden. Durch die Eisenbahnen wird der Raum getötet, und es bleibt uns nur noch die Zeit übrig. Hätten wir nur Geld genug, um auch letztere anständig zu töten! In vierthalb Stunden reist man jetzt nach Orléans, in ebensoviel Stunden nach Rouen. Was wird das erst geben, wenn die Linien nach Belgien und nach Deutschland ausgeführt und mit den dortigen Bahnen verbunden sein werden! Mir ist als kämen die Berge und Wälder aller Länder auf Paris angerückt. Ich rieche schon den Duft der deutschen Linden; vor meiner Thüre brandet die Nordsee.
Lutezia,
Berichte über Politik, Kunst und Volksleben, Zweiter Teil, LVII, Paris 1843.
Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben, Ernst Elster, 1893, sechster Band, S.360.

** "Zwitserse Volkspartij": SVP, of in het Frans UDC.

*** In de historisch-filosofische betekenis, verwijzend naar Kant, Fichte, Schelling, Hegel.

**** Natuurlijk denkt Safranski hier alweer aan Heine, aan “Deutschland, Ein Wintermärchen” (1844) Caput VII:

Franzosen und Russen gehört das Land,
Das Meer gehört den Briten,
Wir aber besitzen im Luftreich des Traums
Die Herrschaft unbestritten.

Hier üben wir die Hegemonie,
Hier sind wir unzerstückelt;
Die andern Völker haben sich
Auf platter Erde entwickelt.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html