25 juli 2016

Wat te verkiezen, de stad of het land?


Houellebecq heb ik op enkele korte stukken na niet gelezen, maar door zijn toedoen nam ik toch Joris-Karl Huysmans (1848-1907) bij de hand. Die halve Hollander schrijft op een manier die je eigen misantropie, mocht die aanwezig zijn, sterk kan relativeren.
Iedereen kent het klassieke gedicht van de echte Hollander Jakobus Cornelis Bloem, anderhalve generatie na Huysmans, waarin die de stad verheerlijkt – Amsterdam in zijn geval – en de natuur tussen haakjes plaatst. Hij schrijft het zo mooi dat het hier moet staan – en daarna komt Huysmans ook beter tot zijn recht:

       De Dapperstraat

Natuur is voor tevredenen of legen.
En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
Verregend, op een miezerigen morgen,
Domweg gelukkig in de Dapperstraat.


Bij Huysmans – in Certains, 1889 – lezen we over Parijs. Hij ziet niet veel goeds in die stad:

[...] cette honte du goût moderne, la rue; ces boulevards sur lesquels végètent des arbres orthopédiquement corsetés de fer et comprimés par les bandagistes des Ponts et Chaussées, dans des roues de fonte; ces chaussées secouées par d’énormes omnibus et par des voitures de réclame ignobles; ces trottoirs remplis d’une hideuse foule en quête d’argent, de femmes dégradées par les gésines, abêties par d’affreux négoces, d’hommes lisant des journaux infâmes ou songeant à des fornications et à des dols le long de boutiques d’où les épient pour les dépouiller, les forbans patentés des commerces et des banques […].

Hij, anders dan Bloem, moet de stad uit: fuyant dans les au-delà, planant dans le rêve, loin des excrémentielles idées, secrétées par tout un peuple.

Ongetwijfeld zal de natuur hem een troost zijn? bijvoorbeeld in een villa of landhuisje dicht bij een vaart of een bos? Of anders de kunst, een mooi natuurschilderij misschien?

La nature a fait son temps; elle a définitivement lassé, par la dégoûtante uniformité de ses paysages et de ses ciels […] quel monotone magasin de prairies et d’arbres, quelle banale agence de montagnes et de mers!

Zulke dingen lezen doet een mens deugd aan het hart. Chesterton had gelijk: ‘Unfortunately, good temper is sometimes more irritating than bad temper.’


22 juli 2016

Rémi Brague: naar de bronnen van het islamisme




Europa maakt de vergissing de islam te interpreteren naar het model van het christendom

Le Figaro, 20 juli 2016

Rémi Brague, filosoof, specialist van de middeleeuwse Arabische filosofie, lid van het Institut, legt uit wat de theologische bronnen zijn waaruit de Islamitische Staat put, en verwondert zich erover dat men de mohammedaanse religie door een christelijk prisma blijft bekijken.

Le Figaro: Voortgaand op zijn omgeving had Mohamed Lahouaiej Bouhel niet het profiel van een jihadist. De minister van Binnenlandse Zaken had het over een ‘bliksemradicalisering’. Wat denkt u over die opmerking?

Ik sta wat perplex. In het specifieke geval van de moordenaar van Nice hebben we nog geen volledige klaarheid over zijn motieven. En wat het tempo ook is waarin ze plaatsheeft, ‘radicalisering’ is geen duidelijk afgebakend begrip. Vooraf zouden we het eens moeten worden over de wortels waar het woord naar verwijst [de Franse woorden racine, en radicalisation gaan terug op het Latijnse radix, dat als eerste betekenis ‘wortel’ heeft, en verder volgens de Oxford Latin Dictionary: onderliggend gedeelte, basis, oorsprong, bron enzovoort.]. Waarom zou een terugkeer tot de bron naar misdaad moeten leiden?

De levensloop van de man (pretmaker, alcoholdrinker, salsadanser) spreekt juist voor een afstandelijkheid ten opzichte van de islam. Ook de mannen van 11 september hadden schijnbaar een ‘westerse’ levensstijl. Hoe is die schizofrenie te verklaren?

Vooreerst zouden we de verklaringen moeten natrekken van hen die over dit individu spreken. Nogal wat van de mensen die zich hebben laten ontploffen of gemoord hebben, worden ons voorgesteld als vriendelijke jongens, gedienstig en probleemloos, of zelfs, bij wijze van opperste compliment als voetbalspelers… Schizofrenie? Wellicht niet. Het is denkbaar dat het in praktijk brengen van de gewelddadige jihād voor sommigen een manier is om ‘vergiffenis te krijgen’ voor hun al te makkelijke aanpassing aan de westerse zeden, die als verdorven worden beschouwd, of nog, om zichzelf te bestraffen voor hun meegaandheid. Zichzelf opblazen gaat sneller dan een pijnlijk en lang proces van bekering aanvatten.

Daech [de Islamitische Staat] lijkt een geweldige aantrekkingskracht uit te oefenen op delinquenten. Hoe verloopt die overgang van delinquentie naar de heilige oorlog?

Die overgang verklaren, of hem enkel maar analyseren, zou psychologische en sociologische vaardigheden vereisen die ik niet bezit. Maar ik zal nader ingaan op dat begrip ‘heilige oorlog’. Nogal wat moslims vandaag willen die uitdrukking graag vermijden, en enkel de Arabische term jihād gebruiken, soms begrepen als een puur geestelijke oefening, als een gevecht met de eigen passies. Je treft hem nochtans heel vaak aan in een zeer concrete betekenis, bijvoorbeeld in juridische handleidingen (fikh) [plichtenleer; de jurisprudentie van de sharia], waar het hoofdstuk met als titel ‘jihād’ over heel feitelijke vijandelijkheden handelt. Daar legt men uit dat het om een zogenaamde verplichting ‘ten overvloede’ gaat: ze rust niet op alle moslims, en om aan de plicht tegemoet te komen volstaat het dat een bepaald aantal zich daarop toelegt. Het gaat dan over voorafgaande sommaties, men stelt zich de vraag of het toegestaan is de palmbomen van de tegenstander om te hakken of hem te bombarderen, en of men daartoe de vrouwen en kinderen moet doden die hij als schild gebruikt. Er wordt uitgelegd wat men met gevangenen aan moet, hoe de buit te verdelen enzovoort. In de mystieke betekenis gebruikt men trouwens eerder de andere term met dezelfde vorm en van dezelfde wortel, te weten mujâhada.
In elk geval loont het de moeite om stil te staan bij de paradox die besloten ligt in het samengaan van de woorden “heilige oorlog”. Daarin zit een kostbare boodschap vervat: de islam heeft op de andere levende religies dit immense voordeel, dat hij toelaat om in eenzelfde model het beste en het slechtste op één lijn te plaatsen, de laagste instincten en het meest heilige schepsel, moord en God. De kruisvaarders en inquisiteurs konden maar doen wat ze deden door zich in duizend bochten te wringen: de veroveringstochten van het Oude Testament, of de banvloeken tegen de ketters voor nog geldende aanbevelingen nemen enzovoort, en de Bergrede al helemaal omzeilen. Sommige verdwenen religies, zoals die van de Carthagers of de Azteken – en van de Galliërs! – namen die dubbelheid voor lief en bevalen mensenoffers. Voor de Islamitische Staat is het God die beveelt om jezelf op te offeren en daarbij zo veel mogelijk andere mensen te doden. Die islam laat ook toe om mensen die van hun leven niet veel hebben terechtgebracht te laten geloven dat alles de schuld van de anderen is, die slecht zijn, en die men dus uit de weg moet ruimen. Voelen dat men van ‘de partij van God’ is (Koran V,56) en strijd levert tegen “de slechtste dieren”, zijnde de ongelovigen (Koran VIII,22), kan voor een bepaalde opwinding zorgen. En overigens is elk schuldgevoel meteen van de baan, want het is God zelf die zijn vijanden doodt (Koran, VIII,17) [‘doch niet gij hebt hen gedood, maar God heeft hen gedood’ (vertaling Kramers, bewerkt en geannoteerd door Jaber en Jansen, Arbeiderspers 1992)].

Volgens Gilles Kepel is het doel van de Islamitische Staat een burgeroorlog op ons grondgebied te ontketenen, en zo alle moslims van Frankrijk achter hun vaandel te krijgen. Deelt u die mening?

Daar kan ik me nauwelijks met gezag over uitspreken, maar het lijkt me heel goed mogelijk. Als dat het geval zou zijn, dan staan we voor een geactualiseerde versie van de tactiek die in de jaren zeventig door extremistisch gauchistische groeperingen werd aangewend: een repressie uitlokken die door haar excessen een reactie van solidariteit zou meebrengen bij de rest. Bij de Rode Brigades en de Baader-Meinhof-groep is dat niet gelukt, terwijl die de hele bevolking van grote landen als Italië en Duitsland viseerden.
De Islamitische Staat heeft misschien wat meer kans op slagen, want de beoogde groep, de moslims die in Frankrijk leven vertoont al een zekere vorm van samenhang, eerder losjes overigens, waardoor er misschien makkelijker schot in de zaak komt. Die eenheid berust op meerdere factoren: het gevoel tot een minderheid te behoren die schouder aan schouder moet staan, of nog dat men zich vaak heeft moeten tevredenstellen met baantjes die anderen niet wilden, en men dus onderaan de ladder staat, soms ook speelt een gedeeld herkomstland, dat men een gemeenschappelijke taal gebruikt, of heel simpel het feit dat men in dezelfde buurten woont, en tot slot natuurlijk de minder of meer uitgesproken beklemtoning van de religie.

Tal van politici en intellectuelen trekken een strikte scheidingslijn tussen de moslimreligie en de Islamitische Staat of al-Qaida, die zij zelfs als tegengesteld aan de islam zien. Daech zou met de islam dan niets te maken hebben?

De ‘moslimreligie’ is al een misleidende uitdrukking. Het mag duidelijk zijn dat als we de islam willen onderbrengen in een van de grote categorieën van de menselijke bezigheden, we hem beter kunnen klasseren onder de rubriek “religie” dan in de rubriek “tuinieren”. Maar die rubriek is erg ruim. En vooral: de Europeanen, van de vroomste kerkgangers tot de onverbeterlijke papenvreter, denken over religie allemaal en onbewust in christelijke termen. Zij reduceren religie dus tot wat ze zien bij de onderscheiden christelijke genootschappen: erediensten, gebed, eventueel ook vastenperiodes en bedevaarten. Wat daarbij niet onder te brengen is, valt volgens hen buiten de religie.
Maar voor de islam is religie essentieel de toepassing van de goddelijke wet. Omdat die dat beveelt, moet men bidden, vasten enzovoort. En ze eist ook de sluier, halalvoeding enzovoort. De Islamitische Staat beweert trouw te zijn aan het adjectief waarmee hij praalt. Met welk recht hen daar tegenspreken? Hun propagandisten beschouwen diegenen die wij ‘gematigd’ noemen als slappelingen, of zelfs verraders. Wie ben ik om brevetten van islamitische orthodoxie uit te delen? Voor mijn part zou ik zeggen dat, al valt de Islamitische Staat niet samen met heel de islam, en al is hij dus niet de islam, hij toch een islam onder andere is. Hij doet een poging om met de middelen van vandaag de praktijken nieuw leven in te blazen die de oudste biografieën aan Mohammed zelf toeschrijven, ‘het mooie voorbeeld’ (Koran, XXXIII,21). [‘Gods schoon voorbeeld’, vertaling Kramers]

Men gaat ervan uit dat het internet, meer nog dan de moskeeën, jongeren tot de jihād aanzet. Aan welke bron laven zich die internetsites?

Een gedetailleerd antwoord geven valt me moeilijk, want mijn bezoeken aan sites die de jihād voorstaan zijn weinig regelmatig. En die zijn van heel verschillende strekking. Algemeen gesproken, laat het internet de grootst mogelijke straffeloosheid toe. Beschut door het anonimaat, of liever het pseudonimaat, kan men het zich veroorloven wat dan ook te vertellen, te liegen, te lasteren, te beledigen, tot moord op te roepen. Dat geldt trouwens niet enkel voor jihadistische sites. Wat hen betreft, het valt ze in elk geval niet moeilijk om zich een imaginair paradijs op aarde te bouwen.

Vaak vergelijkt men de islam met de katholieke kerk, en dan benadrukt men dat de mohammedaanse religie een Vaticanum II moet doormaken. Slaat die parallel ergens op?

De vergelijking gaat me dunkt volkomen mank, en om tal van redenen. Om te beginnen is de katholieke kerk een organisatie met duidelijk gedefinieerde dogma’s, en een vrij heldere hiërarchie; ze heeft een catechismus en bisschoppen, waaronder deze van Rome, de paus. Het was een van hen, Johannes XXIII, die besloot een tweede concilie bijeen te roepen in het Vaticaan. Wie in de islam zou een soortgelijke oproep kunnen doen, en daarbij gehoor vinden en de genomen besluiten doen toepassen? Verder beoogde Vaticanum II een herbronning, voorbij de later aangekoekte ballast, min of meer in de geest van Franciscus van Assisi, die wilde terugkeren naar het Evangelie zonder de interpretaties die het verzwakken. Maar in de islam zit het slechtste aan het begin. De periode van Medina (622-632) is waar de mensen van de Islamitische Staat hun inspiratie halen. Ze idealiseren die, maar zonder weglating van de slachtpartijen, de moorden en de folteringen. De evangelies bevatten geen oproep tot geweld. De Koran en de Hadith, letterlijk gelezen wel…

Wat betekent ‘een Islam van de Verlichting’?

Men gebruikt die uitdrukking al een tijdje. Ik vraag me af of Malek Chebel haar niet als eerste lanceerde in zijn Manifest voor een Islam van de Verlichting, van 2004. Het spreekt dat wat hij daaronder verstaat een uitstekende gedachte zou zijn. Maar ik zal toch twee opmerkingen maken.
Aan de ene kant, kan men enkel met grote behoedzaamheid op zoek gaan naar de verwerkelijking van een dergelijke islam in het verleden. Als we het willen hebben over intellectuele of artistieke prestaties, geen probleem. Maar als het over ‘tolerantie’ gaat? Averroes? Hij sluit een filosofische redenering af met ‘en daarom is het een verplichting om de ketters te doden’ (Tahafut at-Tahafut, XVII, 17). Andalusië? Daarover kunnen we beter romanciers lezen dan historici…
Aan de andere kant is de Verlichting een van onze heilige koeien, en het zou geen kwaad kunnen om in ons eigen westerse verleden eens schoon schip te maken, en te zien dat de Verlichting ook heel wat schaduwzijden vertoont, alvorens we haar aanbieden aan de rest van de wereld, de islam inbegrepen…


16 juli 2016

Het belang van voet- respectievelijk eindnoten


In een van zijn boeken, “La Loi de Dieu” (Gallimard 2005), legt Rémi Brague, hier al vaker genoemd, uit wat een goddelijke wet is. De titel van het boek liet dit misschien al vermoeden. Zijn ondertitel is “Histoire philosophique d’une alliance”, en hij heeft het over de Egyptenaren, de Perzen, Grieken en Romeinen, over de Bijbel, over de Koran enzovoort.

Brague stelt de moderne, en godbetert misschien ongelovige lezer wel snel gerust, op pagina zestig al: “Je ferai certes intervenir les textes, mais en les prenant uniquement comme des documents historiques, à interroger pour les renseignements qu’ils peuvent nous fournir quant à leur rédaction.”
Na bladzijde 443 beginnen dan de indexen en noten en bij bladzijde 582 is alles achter de rug. Een indrukwekkend boek, het tweede van een trilogie.

Maar ik wilde het hebben over voet- en eindnoten. Hieronder, lezer, ziet u groen aangeduid (en wie klikt op de foto krijgt een beter beeld) mijn favoriete eindnoot in “La Loi de Dieu” :




12 juli 2016

Als de geschiedenis ergens heengaat, waarheen dan?


In mei dit jaar verscheen er een schitterend boek bij Éditions Salvator in Parijs: Où va l'Histoire?  Het is de vertaling van een gesprek met professor Rémi Brague, arabist die doceert in Parijs en München. Een vertaling uit het Italiaans (Dove va la storia? Dilemmi e speranze, La Scuola Brescia, 2015), want het gesprek ging in die taal. Er worden hem door Giulio Brotti, zelf filosoof, uitgever en journalist, vragen gesteld over vele onderwerpen, met als centrale thema, als ik het zo eenvoudig mag stellen: wat is moderniteit? Het vierde hoofdstuk heet trouwens « Les malentendus de la modernité ». 
De boeken van Brague (Europe, la voie Romaine; Sagesse du Monde enzovoort) zijn natuurlijk allemaal schitterend, en soms best moeilijk ook, maar dit is een wat makkelijker boek aangezien het een conversatie is.

Hier een vraag over de Arabische filosoof en rechter Ibn Rushd, die wij kennen als Averroes, en die door goedmenende onwetenden vaak wordt voorgesteld als een van de lichtende voorbeelden van de islamitische verdraagzaamheid, in het toen zo sprookjesachtige Andalusië. Maar hoe verspreid de onwetendheid ook is: geleerdheid haalt het soms toch.

Giulio Brotti : En référence aux lieux communs qui se sont renforcées au cours du temps, au point de se révéler quasi-invincibles : qui était vraiment l’Averroès de Cordoue ? un libre-penseur capable de préfigurer « les lointains arguments d’un Hume encore problématique », comme nous le lisons dans un célèbre récit de Borges ? Un promoteur de la tolérance religieuse – quasi un homme des Lumières –, tel que le cinéaste Youssef Chahine le montre dans son film de 1997, Le Destin ?
Rémi Brague : Averroès a eu un destin paradoxal. Il a été oublié dans son pays natal, l’Andalousie, à peu près dès sa mort en 1198. En revanche, son œuvre a eu une réception énorme au nord de la Méditerranée, aussi bien en hébreu dans les communautés juives, que dans la chrétienté latine. […] Chahine se moquait bien de l’Averroès de l’histoire, encore plus que Brecht du Galilée de l’histoire. […] Quant à Borges, il est amusant qu’il se soit trompé à cent quatre-vingt degrés sur ce sujet. Car le véritable précurseur du scepticisme de David Hume, ce n’est nullement Averroès, mais bien plutôt al-Ghazali, celui-là même contre lequel Averroès écrivit un gros livre entier pour défendre la philosophie que l’autre avait attaquée. C’est Ghazali qui a mis en doute la possibilité de démontrer qu’un phénomène soit la cause d’un autre. […] Toujours est-il qu’Averroès, dans ses travaux juridiques, emploie le mot jihād dans le sens qu’il a presque toujours eu, c’est-à-dire au sens d’une guerre tout à fait concrète, où l’on fait des sommations, où l’on capture des prisonniers, où l’on amasse et partage le butin. Et l’on rapporte qu’il aurait prêché ce même jihād dans des sermons au peuple. En tout cas, même dans ses œuvres philosophiques, telles que les commentaires sur la République de Platon et sur l’Ethique à Nicomaque d’Aristote, des passages le révèlent comme un philosophe pas spécialement tendre : il n’a aucune objection à faire contre l’élimination des handicapés. Il s’y montre, en même temps, un musulman aux vues tout à fait conformes à l’orthodoxie dont – ne l’oublions pas – il était, en grand cadi de Cordoue, le défenseur attitré. S’il dit que le jihād visant à éradiquer les adversaires de l’islam n’est pas toujours souhaitable, c’est lorsqu’il risque de n’être pas victorieux. Et c’est encore dans une œuvre spécifiquement philosophique, et justement écrite pour défendre la légitimité de la philosophie, qu’Averroès conclut un raisonnement par : « La négation et la mise en discussion des principes religieux met en danger l’existence même de l’homme ; c’est pourquoi il faut tuer les hérétiques. » Donc, quand on en fait un avocat de la « tolérance », je souris doucement…

(pp. 86-89)
o-o-o-o-o

Giulio Brotti: Om het over de gemeenplaatsen te hebben die mettertijd nog aan kracht hebben gewonnen, tot ze op den duur bijna onoverwinnelijk bleken: wie was nu Averroes van Cordoba echt? een vrijdenker die in staat was om een voorafschaduwing te bieden van ‘de toekomstige argumentatie van de nog steeds problematische Hume’, zoals we in een beroemd verhaal lezen bij Borges?*  Een voorvechter van de religieuze verdraagzaamheid – bijna een Verlichtingsmens – zoals de cineast Youssef Chahine hem in 1997 laat zien in zijn film Le Destin?
Rémi Brague: Het lot van Averroes was paradoxaal. In zijn geboorteland Andalusië werd hij vergeten, ongeveer onmiddellijk al na zijn dood in 1198. Ten noorden van de Middellandse Zee daarentegen kende zijn werk een enorme receptie, zowel in het Hebreeuws bij de Joodse gemeenschappen, als in de Latijnse christenheid. […]
Chahine heeft zich weinig gelegen laten liggen aan de historische Averroes, nog minder dan Brecht aan de historische Galilei. […]
Wat Borges betreft is het grappig dat hij zich in dit onderwerp honderdtachtig graden vergist. Want de ware voorloper van het scepticisme van David Hume is geenszins Averroes, maar veeleer al-Ghazali, dezelfde tegen wie Averroes een dik boek schreef, helemaal gewijd aan de verdediging van de filosofie die de ander juist had aangevallen.**  Het was al-Ghazali die het in twijfel trok of men kon bewijzen dat een bepaald fenomeen de oorzaak was van een ander. […]
Zoveel is zeker dat Averroes in zijn juridische schriften het woord jihād gebruikt in de betekenis die het omzeggens altijd heeft gehad, te weten in de betekenis van een helemaal concrete oorlog, waar men dwangbevelen geeft, waar men gevangenen maakt, waar men buit vergaart en verdeelt. En in verslagen staat dat hij diezelfde jihād ook zou gepredikt hebben voor het volk. Wat er ook van zij, zelfs in zijn filosofische werken, zoals de commentaren bij Plato’s Republiek, of de Ethica Nicomachea van Aristoteles, laten sommige passages hem kennen als een niet bijzonder zachtaardige filosoof: tegen het ombrengen van gehandicapten formuleert hij geen enkele tegenwerping. Tegelijk openbaart hij zich daar ook als moslim met opvattingen volkomen conform aan de orthodoxie, waarvan hij – we moeten dit niet vergeten – als de grote cadi*** van Cordoba de officiële behoeder was. Als hij zegt dat de jihād ter uitroeiing van de vijanden van de islam niet altijd wenselijk is, dan is dat wanneer die dreigt niet zegerijk af te lopen. En elders in een specifiek filosofisch werk, en nog wel geschreven ter verdediging van de geldigheid van de filosofie, besluit Averroes een gedachtegang met: ‘De verloochening en het ter discussie stellen van de religieuze beginselen brengt het bestaan zelf van de mens in gevaar; dat is de reden waarom men de ketters moet doden.’
Als men bijgevolg van hem een advocaat van de ‘tolerantie’ maakt, dan glimlach ik stilletjes…

________
La busca de Averroes (De zoektocht van Averroes): prefigurando las remotas razones de todavía problemático Hume.
** In 'Tahafut at-Tahafut', ‘Wartaal van de Verwarden’, bestreed hij Hamid al-Ghazali, die een ‘Tahafut al falasifa’, ‘Wartaal van de Filosofen’ had geschreven, met daarin vanzelfsprekend kritiek op de filosofie. De titels doen me denken aan ‘De armoede van de filosofie’, het antwoord dat Marx (in het Frans) schreef op Proudhons ‘Filosofie van de armoede’.
*** soort opperrechter.

23 juni 2016

Vandaag op Boulevard Voltaire


Ik vertaal een klein stukje uit een gesprek dat de journalist Nicolas Gauthier voor Boulevard Voltaire had met Alain de Benoist. Gelukkig voor ons heeft de Benoist het over toestanden die enkel in Frankrijk voorkomen. 

Het publiek wordt zich meer en meer bewust van de desinformatie. Maar het interpreteert die slecht. Op een paar professionele desinformanten na, die meestal tegen betaling nieuws verspreiden waarvan ze weten dat het vals is, is de grote meerderheid van de journalisten volkomen eerlijk. Die meerderheid meent wat ze zegt, want ze zit gevangen in wat ze zelf verspreidt. Journalisten zijn ervan overtuigd dat ze aan de kant van de waarheid staan, want zijzelf zijn slachtoffers van de overredingsstrategie die ze overnemen.
Enkel de meest oubollige rechterzijde gelooft nog dat journalisten gauchisten, communisten of vreselijke trotskisten zijn. De overgrote meerderheid van hen hangen de liberaal-libertaire Vulgaat aan, en dat is een mengsel van mensenrechtenideologie, op maat gemaakt antiracisme, simplistische progressiviteit, eerbied voor de markt en politieke correctheid. Alle mantra’s ervan nemen zij over, en unaniem veroordelen zij populisme, protectionisme, identiteit, soevereiniteit, overtuigd als ze allemaal zijn dat mensen overal gelijk zijn en dat hun toekomst erin bestaat zich te bekeren tot de grote wereldmarkt. Resultaat: terwijl in de meeste landen journalisten de eerste slachtoffers van de censuur zijn, zijn zij in Frankrijk de werktuigen ervan.

21 juni 2016

Een halve bekering


Joël De Ceulaer en Filip Dewinter hadden daarnet een debat op VTM, onder leiding van Jan De Meulemeester, en daaruit dit fragmentje:



Joël De Ceulaer: En wat nu gebeurt in de rest van Europa en in de Verenigde Staten, met Trump enzovoort, als je daarover leest nu, dan spreekt men inderdaad over Frankrijk en over Wilders en over Oostenrijk enzoverder, maar, ere wie ere toekomt – enfin, hoe akelig dat ook klinkt want ik vond dat bijzonder ongunstig natuurlijk, dat mag wel duidelijk zijn – maar Vlaams Blok was eerst hé, Vlaams Blok was vóór Pim Fortuyn en vóór Geert Wilders, en vóór Oostenrijk en FN…
Filip Dewinter: Dat is juist.
Joël De Ceulaer: …in Frankrijk. Dat is zo. Dus in feite, wat nu gebeurt in Europa, dat hebben wij in Vlaanderen al eens meegemaakt, en de partij zal opnieuw stijgen, dat maakt me niet bang. Waarom niet? Omdat ze vastzit in het cordon sanitaire, daarin zal blijven vastzitten, en de instellingen en de democratie robuust genoeg is gebleken om zo’n partij uit te zweten.

Opmerkelijk dat Joël De Ceulaer in de eerste minuten van het gesprek het cordon médiatique, waar hij en alle journalisten jarenlang bij hebben gezworen, resoluut afwees als zijnde contraproductief, schadelijk dus. Maar op het cordon sanitaire blijft hij rotsvast vertrouwen. Misschien gelooft hij het zelf wel – of toch half en half – van die robuuste instellingen en die stevige democratie, maar wat moeten we van dat "uitzweten" maken? In welke zin hebben zijn robuuste structuren een partij uitgezweet waarvan hijzelf zegt dat ze flink zal groeien, en de "invloedrijkste politicus van de voorbije dertig jaar" heeft voortgebracht?

20 juni 2016

Post hoc non est propter hoc


Onderstaande tekst is de vertaling van een artikel dat ik gepikt heb op de site van RTL. En ik weet het, verreweg de meeste Vlamingen hebben zo'n vertaling niet nodig, maar ik doe het toch maar.
Merkwaardig is de laatste zin, waar men een oorzakelijk verband suggereert zonder enig bewijs. Dat van die weerzin voor het Nederlands wisten we tenslotte al honderd jaar en meer.

Voor het RTL-magazine « C’est pas tous les jours dimanche » is Christophe Deborsu de straat opgetrokken in Charleroi, om aan jongeren* daar te vragen hoe ze over het Nederlands dachten. Hun antwoorden laten weinig twijfel bestaan.
Minder en minder Waalse leerlingen kiezen voor het Nederlands als eerste vreemde taal, terwijl in het secundair onderwijs in Vlaanderen Frans als eerste vreemde taal voor hen een verplichting is. Is het Nederlands op weg om in het zuiden van het land langzamerhand een dode taal te worden? In 2009-2010 kozen 49 procent van de jonge Walen nog voor het Nederlands. Maar sinds de opkomst van de N-VA maakt de taal van Bart De Wever een tuimeling, en opteren er nog maar 39 procent voor.
Voor de uitzending « C’est pas tous les jours dimanche » ging Christophe Deborsu jonge Karolingers opzoeken, en probeerde hun keuze te begrijpen.
“Het is niet mooi, het interesseert me niet”, “Het is minder hartelijk dan het Frans”, “Ik heb altijd gezegd dat het een barbarentaal was”, waren de antwoorden die enkelen hem gaven.
Anderen integendeel gaven er zich rekenschap van dat het onlogisch was dat de Vlamingen Frans konden spreken, terwijl zijzelf niet in staat zijn om Nederlands te spreken.
“Zij kunnen Frans spreken, en wij kunnen niet eens de moeite opbrengen om in hun taal een zin te vormen”, was de reactie van een jonge vrouw, die nog stelde dat de keuze voor het Nederlands een verplichting zou moeten zijn in de Waalse scholen.
In de loop van het programma onthulde Christophe Deborsu exclusieve cijfers, die aantonen dat de Walen minder Nederlands leren sinds de opkomst van de N-VA in 2010.
____________

* ik gebruik dit woord hier nog in een oude betekenis.
____________

Misschien is het te dom om er aandacht aan te besteden, maar naar mijn smaak het mooiste straatinterviewtje van Deborsu leverde dit op:
C’est une langue germanique, du coup c’est, c’est, c’est d’origine barbare. Du coup c’est normal que ce soit ...qu’on dise que ce soit une langue pareille.
Het is een Germaanse taal, zodoende is het, is het, is het van oorsprong barbaars. Zodoende is het normaal dat het zo’n taal ...dat men zegt dat het zo’n taal is.



Walen verkiezen – áls ze al een vreemde taal leren – het Engels boven het Nederlands hoorden we nog. Wellicht is volgens de jonge dwaas hierboven (al kan hij toch de subjonctif correct hanteren) Engels geen Germaanse taal.
Overigens was Frans eerst ook een barbarentaal, waar Latijnen op neerkeken. Frans is namelijk de Romaanse taal waar het vaakst Germaanse, dus barbaarse stammen in voorkomen. Maar dat weten francofonen gelukkig niet.
Wat zijn ze vaak toch bekrompen en repliés sur eux-mêmes...

19 juni 2016

Een Franse wijsneus over het Mysterie van de Drievuldigheid


Yann Moix, schrijver en cineast, en destijds een ontdekking van BHL, die geregeld op radio en tv komt en dan gewoonlijk iets over Levinas zegt – of dat nu te pas komt of niet – zei gisteren niets over Levinas, maar wist ter vervanging toch een vraag te stellen die in haar pedanterie lachwekkend was. De man die hij ondervroeg was een van de (voorlopig) dertien of veertien kandidaat-kandidaten voor het Franse presidentschap die zichzelf bij centrumrechts al in stelling hebben gebracht. En die man had het bestaan om niet te houden van le mariage pour tous, en om vragen te stellen bij draagmoederschap en dergelijke. De altijd wat huilerige en anderzijds pretentieuze Yann Moix vond daarom dat hij zijn slachtoffer een lesje theologie moest geven... er kwam applaus van het zoals altijd zorgvuldig gescreende studiopubliek.




Henri Guaino: J’ai pas de …je ne mène pas un combat contre des homosexuels. Ça, jamais de ma vie je n’ai eu cette intention. Euh, je ne mène pas un combat pour la morale ‘pure’, je distingue ça de mes combats politiques et personnels, de mes convictions religieuses. Voilà, simplement, je pense que ça nous entraîne vers quelque chose dont je ne veux pas. C’est comme les gens qui m’expliquent que les progrès de la génétique c’est formidable, ce qui est vrai, mais qui ne veulent absolument mettre aucune barrière et aucune règle aux folies qu’on peut commettre avec l’eugénisme génétique. Bien, c’est vrai que c’est formidable, mais en même temps ça me pose des problèmes, et je pense qu’il faut les gérer.
Léa Salamé: C’est un sujet qui vous met mal à l’aise?
Henri Guaino:  Quoi?
Léa Salamé: Cette idée du mariage d’homosexuels, cette homosexualité et tout ça.
Henri Guaino: Ce n’est pas cela qui me met mal à l’aise. C’est la filiation. C’est que le mariage, depuis toujours c’est une institution sociale qui a un but – anthropologiquement en tout cas – un but: c’est de mettre de l’ordre dans la filiation. Et il n y a pas de sociétés qui puissent se passer d’un minimum de...
Yann Moix: Ou juste de faire en sorte que…
Léa Salamé: Non, mais ce n’est pas que ça…
Yann Moix: De faire en sorte qu’un héritage reste au sein d’une famille.
Henri Guaino: Comment?
Yann Moix: Non, mais les raisons historiques du mariage ne sont pas toujours excellentes. C’est aussi pour faire en sorte qu’un héritage reste à l’intérieur d’une même famille.
Henri Guaino: Oui, mais si l’institution a perduré aussi longtemps dans toutes les sociétés, depuis qu’il y a des sociétés […] depuis qu’il y a des sociétés qu’on appellerait aujourd’hui civilisées, dans l’idée que nous nous faisons de ce qui est un civilisation civilisée, organisée, le mariage existe. Et il existe quelques soient les religions, et quelques soient les cultures. Parce qu’il a une raison d’être fondamentale, c’est de mettre de l’ordre dans la filiation, parce que la société ne peut pas s’en passer. Après, il y a d’autres raisons qui s’y rajoutent. […] Euh, moi je trouve dramatique qu’on ait pas fait le contrat d’union civile, indépendamment du problème de…
Yann Moix: Ah, mais ça je vous l’accorde!
Henri Guaino: …parce que ça permettait de ne pas mélanger le mariage qui, encore une fois est une institution qui a un rapport direct avec la filiation, avec le problème de l’amour homosexuel, de la, de l’envie d’ailleurs de montrer cet amour, d’avoir des droits de…
Yann Moix: Vous êtes catholique, monsieur Guaino? Vous êtes catholique?
Henri Guaino: Oui je suis catholique, mais...
Yann Moix: C’est étrange quand même parce que le catholicisme repose intégralement sur le fait qu’un fils n’est pas le fils de son père.
Henri Guaino: Hahaha…
Yann Moix: C’est pas le fils biologique de son père. Et si on aurait été choqué de…
Henri Guaino: C’est parce que vous n’avez jamais essayé de comprendre le père [¿?] du Mystère de la Trinité.
Yann Moix: Si, justement. C’est justement l’abolition de la biologie. Et le Saint Esprit était précisément inventé pour qu’on ne se pose pas la question de la filiation, de la manière dont vous vous la posez.
Henri Guaino: Mais c’était le fils de Dieu…


[Applaudissements – on se demande pour qui]


12 juni 2016

Over een echte schrijver gesproken


Een groot schrijver weet altijd, met gelijk welk onderwerp zijn lezer vast te houden en te amuseren, ook na een paar eeuwen. Stendhal beschrijft in zijn dagboek, op de zeventiende nivôse van het jaar XIII (7 januari 1805) de pijnigingen die hij die dag heeft moeten ondergaan:

Il est singulier que, malgré l’affreux abandon où me laisse mon bâtard de père, je sois encore content. Je renvoie depuis plusieurs jours de faire le tableau ma misère. Ce tableau avec celui du contentement dont je jouis, serait cependant curieux.
M. Thorenc-Tardivy vient me voir à sept heures pour me demander vingt-cinq livres que je lui dois et que je ne puis lui payer, n’ayant que trois livres que Crozet m’a prêtées.
[Het is merkwaardig dat, in weerwil van de affreuze verwaarlozing waarin die bastaard van een vader me laat zitten, ik toch nog opgewekt ben.* Al meerdere dagen schuif ik de schildering mijn miserie voor me uit. In combinatie met de opgewektheid die ik nu geniet, zou die schildering nochtans een zonderlinge indruk maken.
Om zeven uur komt M. Thorenc-Tardivy me opzoeken, om me de vijfentwintig pond te vragen die ik hem schuldig ben en die ik hem niet kan betalen, aangezien ik enkel drie pond bezit die Crozet me heeft geleend.]

Later op de avond gaat hij op bezoek bij Pierre en Mme Daru, en treft er Mme Rebuffel en ook haar dochter Adèle, waar hij verliefd op is, zonder succes .** De dames onderhouden hem over het grote bal van de dag daarvoor, waar hijzelf begrijpelijkerwijs niet bij was:

Grands détails sur le bal des Maréchaux hier; il coûte, je crois, cent quatre-vingt mille francs; le plus beau qui ait été donné depuis très longtemps; quatre mille bougies, renouvelées à deux heures, douze cent femmes, trois mille personnes en tout […].
[Uitvoerige details over het Maarschalksbal gisteren; dat heeft meen ik honderd tachtigduizend frank gekost; het mooiste dat er sinds zeer lang is gegeven; vierduizend kaarsen, die om de twee uur werden ververst, twaalfhonderd vrouwen, drieduizend man in totaal]

Die precisie van Stendhal, eerst over dat geld, en dan bij de telling van het aantal kaarsen en vrouwen, welke lezer blijft daar ongevoelig voor?

___________
* Die vader betaalde geregeld wel een bepaalde som, maar die was ontoereikend.
** Het jaar daarvoor had Beyle genoteerd: Je fous Mme R. depuis le commencement de fructidor. We zullen dat hier onvertaald laten, maar even denken aan de beginregels van een gedicht van Heine:
In welche soll ich mich verlieben,
Da beide liebenswürdig sind?
Ein schönes Weib ist noch die Mutter,
Die Tochter ist ein schönes Kind. […]
Of Heine Stendhal gekend heeft weet ik niet. Brieven zijn er niet. Maar het moet bijna wel, want ze leefden allebei in Parijs (Stendhal intermitterend, Heine van 1830 tot zijn dood in ‘56), gingen vaak naar de opera, en Duitse filosofen interesseerden hen allebei (in een brief aan Crozet noemde Stendhal Schlegel bijvoorbeeld een armzalige, droefgeestige pedant, die vastgekleefd zat aan onbegrijpelijke, mystieke dwaasheden. Heine, evenmin met groot enthousiasme, dacht daar toch verschillend over).

Wat betekent het woord "modern"?


Dat woord hebben wij uit het Frans zegt van Dale, en in 1618 werd het voor het eerst bij ons aangetroffen. In het Frans kwam «moderne» al veel vroeger voor, zelfs voor 1455, en het betekende toen zoals nu: «qui est du temps présent, actuel» (CHASTELLAIN, Dict. de Vérités des Œuvres, éd. Kervyn de Lettenhove, t.6, p.223. Dat leert ons de Atilf die je op het web kunt raadplegen). Maar «modernité» is jonger. Dan zitten we al halfweg in de Franse negentiende eeuw, en wij hebben daar naderhand "moderniteit" van gemaakt. Blijkt nu, leren we van Rémi Brague, dat die substantivering een soort verstening heeft meegebracht: de cursor van de beschaving is blijven staan, en al wat daarvoor kwam mogen we rustig vergeten.
Zulke dingen leer je op France Culture, bij Finkielkraut, in zijn programma «Répliques». Misschien moeten onze ministers, die geen van allen het Latijn en Grieks willen afschaffen in de humaniora – als die benaming hen nog iets zegt, én als we hen mogen geloven – eens naar Brague luisteren, of hem godbetert lezen.




Alain Finkielkraut: Chaque société, écrit Octavio Paz dans «Point de Convergence», repose sur un Nom, véritable pierre de fondation. Autrefois ce nom était celui d’un dieu, d’une croyance ou d’un destin: Islam, Christianisme, Empire du Milieu. Mais aucune société ni époque, hors la nôtre, ne s’est elle-même qualifiée de ‘moderne’. Qu’est-ce à dire? Et quelle place y-a-t-il pour la religion chrétienne dans une Europe qui ne se définit plus comme Chrétienté, mais qui la première a donné comme idéal le temps et ses changements? Telles sont les questions que je poserai aujourd’hui à Rémi Brague et à Philippe d’Iribarne. Mais je voudrais d’abord demander à mes deux invités, de nous éclairer sur ce mot étrange – qui nous spécifie, sans rien dire de substantiel – en quoi sommes-nous modernes, quel est le sens, le programme ou le projet de ce qu’on appelle la Modernité, Philippe d’Iribarne?

Bien, la modernité c’est au départ un projet d’émancipation par rapport au préjugés, aux idées reçues, aux idées toutes faites, imposées par un pouvoir disons de quelque nature qu’il soit, qu’il soit politique, religieux etcetera. Penser par soi-même, Kant, Descartes etcetera. Et puis, c’est devenu progressivement une émancipation, disons de plus en plus radicale. Et en particulier, pour rejoindre ce que disait Octavio Paz, l’émancipation à toute origine particulière, et l’idée de construire une sorte de société hors sol, qui ne devrait plus rien à une histoire, à une culture, à une religion, disons quelle qu’elle soit. Qui soit en quelque sorte autofondée. Et c’est en cela qu’on a vraiment une rupture radicale par rapport à toutes ces sociétés qui considéraient qu’elles devaient avoir un fondement. Que ce soit un fondement ou un fondement mythique d’une manière ou d’une autre.

Alain Finkielkraut: Rémi Brague?

Le mot «moderne» est lui-même riche d’enseignement, puisqu’il désigne à l’origine ce qui est récent, ce qui vient de se passer. En Latin ça se dit «modo», dont on a fait donc un adjectif «modernus», dont notre adjectif français et dans beaucoup de langues européennes est sorti. Ce qu’il y a d’extraordinaire justement, dans ce qui s’est appelé soi-même les Temps Modernes, c’est que ce curseur qui ne cesse de se déplacer – et qui fait que aujourd’hui nous sommes plus modernes que hier, mais nous sommes beaucoup moins modernes que demain, et il en sera éternellement ainsi – ce curseur a été paradoxalement arrêté. En ce sens qu’à un certain moment, il n’y a pas un partage des eaux bien précise, cela s’est cristallisé peu à peu, à un certain moment on s’est mis à dire : eh bien à partir de dorénavant et de désormais – pour citer une vieille blague – nous serons modernes, et nous ne serons plus que cela. Nous serons de plus en plus modernes, nous ne serons plus jamais le passé d’un futur, mais nous serons toujours le futur d’un passé. Passé pour lequel on a inventé diverses poubelles, si je puis dire, la principale étant la période qui est sensée avoir précédé justement les Temps Modernes, à savoir le Moyen Âge. Le Moyen Âge c’est donc une époque prémoderne, éventuellement antimoderne, par rapport à laquelle, et bien la modernité ne cessera de se détacher victorieusement.

9 juni 2016

Hoe we een gelukkig zwijntje kweken


De landman zal zijn zwijntje kopen als het de leeftijd heeft om alles te eten dat een oud varken ook eet.
Het zal wroeten aan de rand van het bos of de meent, en koolbladeren eten – tot de wortel toe bijna. Koolraapscheuten en het sap van de mangelwortel zullen hem wel bekomen.
Maar er moet meer zijn. Geef aan uw magere barg vijftien maten mout, en hij zal u twintigvoudig vergoeden in bacon. Mocht u het wagen hem te voeren met theerestjes, dan gaat hij na zeven dagen dood van de honger en schenkt u de nalatenschap van zijn skelet.
Maak hem gelukkig en vet – als hij in één ruk tweehonderd yard kan stappen is hij niet goed gemest. Hij zal u repen bacon opleveren die evenveel waard zijn als vijftig Methodistenpredikingen, want enkel het zicht ervan weerhoudt een mens van stropen en stelen, maakt het gemoed week en bevordert de huiselijke verstandhouding.
Het varken is een grote zegen.

William Cobbett (1763-1835)

7 juni 2016

Stendhal over Nederland als gidsland


Velen zullen geneigd zijn om de praatjes rond transgenderisme die je de laatste jaren overal hoort en leest – met die speciale toiletten enzovoort – af te doen als nieuwerwetse journalistieke sensatiezucht. Dat is verkeerd.

Op 23 messidor van het jaar XII – antirevolutionairen blijven zweren bij 12 juli 1804 – noteert Stendhal in zijn dagboek het volgende:

D’après le Journal de Paris, il est possible qu’un homme accouche d’un enfant et que tous deux vivent ensuite. Le fait est arrivé en Hollande. [Volgens de Journal de Paris is het mogelijk dat een man bevalt van een kind, en dat ze vervolgens allebei ook in leven blijven. Het feit heeft zich in Holland voorgedaan.]

Natuurlijk, men kan erover twisten of het hier wel om echt transgenderisme gaat, er zijn immers zo veel mogelijkheden en schakeringen, nuances en gradaties.
De finesses van de zaak vernemen we van Stendhal echter niet.

5 juni 2016

De beschavende invloed van Moderne Kunst


Moderne Kunst is een moeilijk begrip. Deels komt dat wellicht doordat die kunst al zo lang bestaat, en vaak voortborduurt op dingen die al voor de Eerste Wereldoorlog gedaan werden. Je zou het langzamerhand traditionele kunst moeten noemen.
Een spijtig gevolg hiervan is weer dat maar heel weinig mensen er interesse voor opbrengen. Hier en daar zien we een bankdirecteur die er geld inpompt, of een beheerder van een pensioenfonds die graag eens speculeert, of een industrieel die blijk wil geven van culturele belangstelling – tegenwoordig ook wel eens een sjeik die zich verveelt. Verder zijn er natuurlijk bestuurders allerhande die hun brede cultuur willen etaleren. Maar daar houdt het op.
Gelukkig is het niet allemaal treurnis, en in bepaalde gevallen zien we zelfs dat het brede publiek zijn inspiratie vindt in Moderne Kunst.
Weinigen zullen zich dat herinneren, maar een paar jaar geleden waren er in Gent overal op straat producten van die kunst te zien. Dat was een evenement, an event, en het stadsbestuur had er ook een mooie naam voor bedacht: Track.
Net als event is ook dit een Engels woord – het hoort eenmaal zo, en ze zullen het ergens gevonden hebben. Ik dacht dat het uit de atletiekwereld kwam, maar dat klopt niet: het Engels heeft dat woordje rond 1470 ontleend aan het Middelnederlandse “trek”: het spoor dat iets of iemand naliet, een karrenspoor bijvoorbeeld, of voetafdrukken op een bospad, een reeks vogelpootjes in de sneeuw, of nog het geurspoor van een vos dat de honden dan konden volgen.
Blijkt nu dat niet iedereen Track vergeten is, want een aantal onbekenden hebben dat spoor gevolgd, en hebben zelf een eigen kunstwerk ontworpen dat we nu al enige tijd in de stad kunnen bewonderen.
Vermoedelijk vonden zij hun inspiratie bij een werk dat Search and Destroy heette. Dat is ook Engels, en de kunstenaar en zijn opdrachtgevers wilden het publiek blijkbaar aanzetten tot vernielingen.
Op hun wens werd ingegaan, en al toont mijn foto hieronder maar een fragmentje, wie ter plaatse gaat kijken ziet dat de achtergevel van het Vleeshuis over de volle lengte getooid is met graffiti. They found and destroyed.
Waarom de stadsbestuurders dit werk, dit nagelaten spoor van volgzame burgers weer willen verwijderen is mij niet duidelijk …en ze slagen er ook maar half en half in.



Woorden wekken, voorbeelden trekken!

3 juni 2016

Tom redt de EU


We moeten in de EU nog een commissaris meer hebben, zegt de in Vlaanderen bekende schrijver Tom Lanoye in De Volkskrant – hij spreekt zelfs van een “minister”, wat veelzeggend is. En hij heeft meteen een origineel idee voor die minister: die moet een museum voor Moderne Kunst ergens neerpoten. Europa is immers zijn “geweldige kunst en filosofie” aan het verkwanselen, en met een ongetwijfeld populair museum komt daar een eind aan.

En verder moet de EU in het Eurovisiesongfestival meezingen. Zelf kijk ik weliswaar niet naar dat festival, al is het bij een niet gering aantal mannen erg populair, maar nu had ik menen te begrijpen dat de EU in de laatste editie ervan al hééft mogen meezingen, en zelfs de prijsuitreiking heeft mogen organiseren.

Ook moet de EU voetballen, zegt Lanoye. Naast die moderne kunst en die liedjes is dat al het derde onderwerp dat mij koud laat. Het zijn kroonjuwelen die in mijn cultuur helaas ontbreken.

Maar Lanoye daarom afblaffen zou ik niet doen, want Tom zegt dat hij “groots wil dromen over Europa, zonder afgeblaft te worden”. Journalisten spreken in zulke gevallen graag over de “slachtofferrol” waarin iemand “zich wentelt”.

We hebben een traditie van geweldige kunst en filosofie. Die kroonjuwelen zijn we nu aan het afbreken. Er moet een minister van Cultuur worden toegevoegd aan de Europese Commissie. Die zou zorg kunnen dragen voor een Europese opera, en een Europees museum van hedendaagse kunst waar het Europese verhaal levend wordt gehouden. En laat als Europese Commissie ook eens je smoel zien tijdens het Eurovisie Songfestival en de Champions League.

Geen geblaf dus, maar Tom uitlachen moet meen ik nog net kunnen.

2 juni 2016

Adembenemend


Hans Boland heeft een groot werk af. Poesjkin is volledig vertaald. Vanochtend vielen, omdat ik een abonnement had, de delen negen en tien van het Verzameld Werk in mijn bus (deel tien bevat een notenapparaat, aantekeningen en appendices). Boland is een geniale vertaler, dat zei ik eerder al, en hij heeft van Poesjkin een van de grote Nederlandse dichters gemaakt.

30 mei 2016

Professor doctor Nicolas Baygert analyseert


Wie nog een bijkomend bewijs nodig had voor de stelling dat de wetenschappen der politicologie en der communicatie om te beginnen geen wetenschappen zijn, en hun beoefenaars meestal ridicule dwazen zonder enig schaamtegevoel, die kwam bij Les Décodeurs (RTBf) vanmorgen aan zijn trekken.
Nicolas Baygert, professeur de communication à l’ULB-IHECS, was daar te gast bij Alain Gerlache, en liet meteen horen tot wat voor hoogten de ballon van zijn wetenschap kan opstijgen.
Gerlache had het eerst over serieuze dingen, stakingen enzovoort, maar wilde dan zijn deel van de uitzending met iets luchtigers afsluiten, zoals dat hoort in de amusementswereld, maar hij schoot meteen te kort in zijn omschrijving van Nuit debout. Als we Alain mogen geloven was Nuit debout een soort nachtelijke debatclub, zonder dat er veel gaande was. Gelukkig ging die onachtzaamheid van hem onopgemerkt voorbij want zijn gast – die door Moeder Natuur noch lichamelijk noch geestelijk rijkelijk verwend leek  kwam meteen met een lachwekkende onbeschaamdheid. Hij voelde zich verplicht, en dat hoort zo op  de RTBf, om eerst en vooral de naam Bart De Wever te laten vallen, al paste die in het geheel niet bij de twee andere voorbeelden die in zijn armzalige hersenen opkwamen:

Alain Gerlache : : Alors, plus ludique comme action, vous [vous] souvenez de «Nuit debout» hein ? Ces gens qui se réunissaient de façon nocturne pour discuter. Eh bien, le mouvement a évolué en France, et on en est maintenant à «Nu debout». On regarde cette image …voilà. [we zien de foto van een eenzame man die in zijn bloot gat op straat staat]  Heu, mais il y a un message là-dedans. On est à poil finalement.
Nicolas Baygert : Bien finalement on voit que les, l’argument, la nudité ou le corps parlent davantage finalement que les arguments qui auraient pu être construits, euh établis lors de «Nuit debout». Oui mais c’est une tradition, je veux dire, dans heu, dans, en politique, en communication politique le corps est un objet de communication: on peut mettre en scène son propre corps. On l’a connu avec le régime de Bart De Wever, on l’a connu avec heu, avec d’autres, heu d’autres dirigeants qui heu, qui ont joué sur heu, sur leur physique, justement pour heu, pour se mettre en scène. Euh, le jogging présidentiel de Sarkozy, heu la piscine et finalement le saut...
Alain Gerlache : La piscine d’Elio di Rupo…
Nicolas Baygert : …d’Elio di Rupo, qui saute dans la piscine de Mons pour montrer encore une fois la grande forme du Parti Socialiste…



Ja, en zoiets is prof aan de ULB, in de communicatiewetenschap, die net als de zusterwetenschap der politicologie – en Saint Verhaegen noch God weten waarom– met gemeenschapsgeld betaald wordt.

29 mei 2016

Die dingen zijn helemaal niet nieuw


Over ministers van cultuur gesproken die de miljoenen maar uit te delen hebben aan de Tuymansen en de Fabres: in Lucien Leuwen (1834) van Stendhal, een onafgewerkte, postuum uitgegeven roman van achthonderd bladzijden, komt er zo’n minister ter sprake, zekere de Vaize, en Lucien is zijn secretaris, kabinetchef zeggen wij nu. 
De minister stond bekend als een harde werker –un travailleur infatigable ... un lion pour le travail– maar niet als een briljant verstand. Stendhal laat ons enkele commentaren van tijdgenoten lezen. Hier wat Madame Grandet, de mooiste vrouw van Parijs over hem te vertellen had:

Mais, en vérité, M. de Vaize à la tête des Arts, cela était trop plaisant. On lui propose un tableau de Rembrandt à acheter pour le Musée, il écrit en marge du rapport : «Me dire ce que M. Rembrandt a exposé au dernier salon.» 
(Gallimard, Folio Classique, 2002, p.718)

Stendhal heeft zijn roman nooit afgewerkt, misschien uit voorzichtigheid, want het was een brandend politiek pamflet met vele, al te herkenbare figuren. Zo ging achter zijn de Vaize minstens deels le comte d'Argout schuil, die toen op Binnenlandse Zaken zat –Kunsten viel daar blijkbaar onder en die als secretaris Prosper Mérimée had. Mérimée was een goede vriend van Stendhal, en zo was hij net iets te goed op de hoogte van wat er allemaal omging in dat ministerie, en besloot hij wijselijk om zijn roman onafgewerkt te laten.

Ja, zonder voetnoten weet een moderne lezer dat allemaal niet.


24 mei 2016

De Grauwe werkelijkheid


Paul De Grauwe is columnist bij De Morgen. Het begin van zijn column vandaag was ontroerend, om de tranen in de ogen te krijgen, en wij hebben dus doorgelezen. 
Ter vertroosting van de gehaaste lezer nochtans knipten wij vervolgens 198 millimeter weg uit zijn schriftstuk, met pijn in het hart, maar dan trof ons oog plots de mooie wending: 
“Die visie staat haaks op de werkelijkheid van de dynamiek van het kapitalisme.”
Akkoord, er zullen altijd mensen bestaan die deze gedachte eenvoudiger weten te formuleren, maar toch mag ze er zijn. Nee, je hoort vaak anders, en in Engeland, Frankrijk, Nederland of Duitsland zou dit inderdaad niet passeren, maar ook wij Vlamingen hebben rasschrijvers in huis.

23 mei 2016

Zoiets willen ze in Laken, en bijgevolg ook in de krant


Heel die Daan is een leugenachtig ventje, met bovendien te weinig verstand om geloofwaardig te liegen. Toen het eerste vliegtuig insloeg (en gesteld dat hij daarvan meteen al weet had...) kon niemand zomaar tot terrorisme besluiten. En bij die tweede inslag was Daan zijn bak bier gaan halen, dus daarvan hoorde hij vermoedelijk pas toen hij weer thuiskwam. Sukkeltje toch!  Anderzijds: als je zo weinig verstand hebt meegekregen is het normaal dat je ooit in Laken terechtkomt.


Pech is dat: net iéts te dom zijn om geloofwaardig te liegen.

22 mei 2016

Elk op zijn beurt: na De Morgen nu De Standaard


Aljechin was wereldkampioen schaken nadat hij in 1927 de onverslaanbare Capablanca had verslagen. Hij gunde Capa geen revanchematch, en om de titel speelde hij enkel nog tegen spelers waarvan hij dacht makkelijk te zullen winnen. Zo bijvoorbeeld tegen de nochtans gevaarlijke Bogoljubov, en nu vroeg men aan Capablanca of die een kans maakte tegen Aljechin. Nee, zei hij. Waarom bent u daar zo zeker van? vroeg de journalist. “Not strong enough”, zei Capablanca.

Dat is meen ik een afdoende analyse, en ik moest eraan denken toen ik de hoofdredacteur van De Standaard, Karel Verhoeven bij De Vadder een partijtje zag spelen tegen De Wever, waarin die arme Karel werd afgeslacht.
Vandaag pas zag ik dat, want gewoon tv kijken – lineair kijken moet je tegenwoordig zeggen – doe ik al lang niet meer. Je verliest geen tijd met begin- en aftitelingen, gemonteerde fragmentjes, muziekjes en dode momenten in gesprekken, als je een dag of twee later op je pc naar een fragment of twee kijkt.

In het korte stukje hieronder leren we dat Verhoeven graag het woord “discours” gebruikt, al heeft hij zelf geen discours die naam waardig – not strong enough – en dat hij vindt dat consequent over iets doordenken onwenselijk is. En van De Wever vernemen we dat hij geen analyse van dé islam wil maken. Je vraagt je af waarom dat weer niet zou mogen, maar zulke vragen komen in een deftig programma niet aan bod.



De Vadder: Dat is de samenvatting van die peiling…
Verhoeven: Die vraag kun je inderdaad stellen, over euh, de verflinking op vlak van islam en op vlak van euh, migratie en asiel die de N-VA ge…gedaan heeft, hé?
De Vadder: Verflinking van wie?
Verhoeven: Van het discours, ook mijnheer De Wever is…
De Vadder: Ook N-VA, de partij?
Verhoeven: De partij is, is flink gegaan op heu, op heu migratie, kritisch op heu, islam…
De Wever: Kunt u daar eens een voorbeeld van geven, van waar ik kritisch ben over dé islam? Ik ken er namelijk geen.
Verhoeven: Wel u bent …euh als we de standpunten uiteenzetten van, van euh wat mevrouw Homans zegt, wat de staatssecretaris voor asiel en migratie… hoe…
De Wever: Over dé islam?
Verhoeven: Nee.
De Wever: Ik hoor het graag.
Verhoeven: Het gaat over een heu, het gaat over een hele euh, een, een, een heel sfeer die geschapen wordt, een discours, de manier waarop tegen politieke correctheid wordt ingebeukt. We moeten dingen kunnen, kunnen open vertellen.
De Wever: Dat is iets anders.
Verhoeven: Er moet een, ja van…
De Wever: Dat is iets anders.
Verhoeven: Het is heu …u… de manier bijvoorbeeld waarover u de Conventie van Genève, waarop u dan inbeukt, waarop u daar voorop liep hé? Euh…
De Wever: Waar zelfs Mark Elchardus zegt: hij heeft gelijk! En zelfs Luc Huyse zegt: hij heeft gelijk! Dat is niet direct Filip Dewinter dacht ik.
Verhoeven: Nee, nee, absoluut der is op dat vlak een wel een nieuwe lijn van heu, van gesprek en van discours geopend. En je kunt daar twee dingen over denken. Ofwel denk je: de schade is beperkt, ofwel denk je ja, maar dan, als we toch verder mogen denken, dan gaan we naar het radicalere, naar partijen die radicaal erover praten, die radicaler de, de conclusies ook trekt.

21 mei 2016

Schaamteloze praatjes van een journalist


Bart Eeckhout van De Morgen komt met een triestige, hypocriete en op de koop toe nog doorzichtige en domme redenering. Hij kan niet anders meer dan impliciet erkennen dat het cordon médiatique een zware en antidemocratische methode is geweest, maar nu probeert hij zijn gezicht te redden en fluit hij een nieuw deuntje:

“Filip Dewinter mag graag claimen dat dankzij hem en zijn partij het falend integratiebeleid eindelijk bespreekbaar is geraakt. Het tegendeel is waar. Het is juist het harde antimigrantendiscours van extreemrechts dat een nuchtere, kritische blik op tekortkomingen in het beleid langdurig taboe heeft gemaakt. Je was ofwel voor ofwel tegen. Op de tussenweg van de nuance was enkel stilte. Zo is veel tijd verloren gegaan.”

Hoe één partij, met wat voor standpunt ook, andere partijen en tegelijk alle journalisten jarenlang kan beletten om hun verstand (of minstens hun tong) te gebruiken ...dat vertelt onze brave Eeckhout niet.
Proberen min of meer slim te kijken op een foto is goed, maar het helpt niet als je vervolgens niets uit je doffe geest weet te putten dat ook voor een normaal begaafde lezer acceptabel is.


19 mei 2016

Ian Buruma over Brussel, over België en over de EU


Wim de Bie en Kees van Kooten  de Clichémannetjes destijds; later hebben ze het Simplisties Verbond opgericht – hadden vaak opmerkingen die een mens lang bijblijven. Zo zegden ze eens, maar ik moet uit mijn hoofd citeren: “De gemiddelde lezer van Vrij Nederland staat met zijn lectuur gemiddeld drie nummers achter.” Dat was de volle waarheid. Er stond veel in dat blad.
Nu heb ik al jaren hetzelfde met The New York Review of Books. Vandaag pas las ik in Volume LXIII, number 6, April 7, 2016 een artikel van Ian Buruma, terwijl de nummers zeven en acht hier naast mij liggen.

Buruma heeft het over Brussel en over de Europese Unie: In the Capital of Europe.
Die Review is een geweldig blad met ongeveer evenveel lezers in Europa als in de VS en iemand zei eens: alles wat erin staat moet je weten, en wat er niet in staat hoef je niet te weten. Maar Buruma is niet hun beste auteur, en wat hij hier vertelt kun je evengoed en misschien beter overslaan.

Brussel is hoofdzakelijk Franssprekend weet hij, en minstens voorlopig is dat nog waar ook, maar van een linguïst – Buruma is japanoloog – die schrijft voor een Engelstalig publiek verwacht je dan een kleine toelichting over de taalkundige geschiedenis van de hoofdstad van de Nederlanden.
Verder heeft Buruma het over de zaken die alle Belgen volgens hem gemeen hebben: een koningshuis en een voetbalploeg. Banaliteiten waar deze man belang aan hecht. Want in tegenstelling met Jules Destrée in 1912, denkt Buruma dat echte Belgen echt bestaan: “Common enemies can help to forge political cohesion: that is how Belgians became Belgians, after all—their common opposition to Dutch rule.” [Gemeenschappelijke vijanden kunnen een politieke samenhang helpen smeden: zo zijn de Belgen tenslotte Belg geworden – door hun gezamenlijke tegenstand tegen het Nederlands gezag.] Misschien weet Buruma zelf niet beter, maar over de orangisten in Gent, Antwerpen, Brussel of Luik zullen zijn lezers in elk geval niet veel vernemen.

More and more well-educated Flemish cannot or will not speak French. Nationalists in the N–VA openly support the ideal of Flemish independence”, weet Buruma nog. [Steeds meer goed opgeleide Vlamingen kunnen of willen geen Frans spreken. Nationalisten in de N-VA steunen openlijk het ideaal van Vlaamse onafhankelijkheid] Over de taalkennis van de Franstaligen heeft hij het niet. De onwil komt blijkbaar maar uit één richting en wat hem betreft geldt kennelijk nog onverkort ‘la Belgique sera latine ou ne sera pas’.

We zegden al dat Buruma niet al te veel weet van Brussel, en we zullen hem ook niet lastigvallen met weetjes over de toepassing van de taalwetten in die stad. Maar over de talenkennis in België als geheel weet hij blijkbaar nog minder. Nog even Destrée in 1912: «Le premier fait qu'on peut déplorer, mais qu'on doit constater, c'est la répugnance marquée que le Wallon a pour l'étude de la langue flamande.» [Het eerste feit, en men kan het betreuren maar moet het toch vaststellen, is de uitgesproken weerzin die een Waal voelt tegen de studie van de Vlaamse taal.] Onze auteur moet dringend eens statistieken onder ogen nemen over de kennis van het Frans in Vlaanderen vandaag (kennis die gaandeweg inderdaad wijkt voor het Engels), en over de kennis van vreemde talen bij de francofone Belgen, Nederlands, Engels of wat voor taal ook. Zijn opmerking over de “nationalisten in de N-VA” is te zot om dood te doen. Hij moet de statuten van die partij eens lezen (te zijner verontschuldiging: daarin verschilt hij niet van de meeste partijbonzen zelf).

Maar al zijn Buruma’s banaliteit en vooringenomenheid nog zo storend voor mensen die het onderwerp kennen: voor zijn Engelstalig publiek had hij toch iets klaarliggen dat ook hier in Belgenland opzien zal baren.

Over de Europese Unie en haar voorlopers meldt Ian Buruma namelijk het volgende: “…most of the leading figures in the unification of Europe—Konrad Adenauer, Schuman, Alcide De Gaspari, Paul-Henri Spaak—were Roman Catholics. The French intellectual Julien Benda was not.” [De meeste leidende figuren van de unificatie van Europa – Konrad Adenauer, Schuman, Alcide De Gaspari, Paul-Henri Spaak – waren rooms-katholieken. De Franse intellectueel Julien Benda was dat niet.]

Julien Benda, geen politicus maar een politiek filosoof (La Trahison des Clercs, 1927), is er voor het contrast bijgehaald, maar dat Spaak katholiek was …wie behalve Buruma was daarvan op de hoogte? Voor de zekerheid moeten we dit eens navragen bij zijn dochter Antoinette.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html