Uit de biecht geklapt
Vaak zijn bij auteurs de dialogen een zwak punt. Niet zo bij Casanova.
In deel negen, hoofdstuk VII, Mes amours
avec Donna Ignacia, zien we een proeve van zijn schrijverskunst. Hij vond het niet nodig dat Donna Ignacia zo vaak ter biechte ging:– Zeventig is hij.
– Vertelt u hem alle details van uw zonden op zwakke momenten?
– O, wat dat betreft vertel ik hem alles want elk detail, hoe klein ook, is een zware doodzonde.
– Ondervraagt hij u?
– Nee, want hij weet dat ik hem alles vertel. Dat is heel pijnlijk, het is een grote schande, maar men moet het verdragen. Ik heb deze nu al twee jaar, vóór hem had ik er een die onuitstaanbaar was. Hij vroeg me dingen die me verontwaardigden, die me beledigden. Ik heb hem laten zitten.
– Wat vroeg hij u?
– O! Bespaar mij u dat te vertellen.
– Waarom moet u zo vaak te biecht gaan?
– Waarom? Bij God, ik wou dat ik het niet nodig had. Ik ga trouwens maar eens in de acht dagen.
– Dat is te veel.
– Dat is niet te veel want als ik in doodzonde ben kan ik de slaap niet vatten. Ik ben bang om in mijn slaap te sterven.
– Ik beklaag u, mijn lieve vriendin, want die angst moet u ongelukkig maken. Ik heb een voorrecht dat u niet hebt. Veel meer dan u vertrouw ik op de barmhartigheid Gods.
En soms wisselt de auteur ook af met een nuttige, wat algemenere beschouwing:
Niets is trouwens zekerder dan dit. Een godvruchtig meisje beleeft bij het bedrijven van de liefde met haar minnaar honderd keer meer genot dan een andere die vrij is van die vooroordelen. Deze waarheid ligt zo voor de hand dat ik het niet nodig acht om ze aan mijn lezer te bewijzen.
Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013, Tome III, pp. 638-9

Geen opmerkingen:
Een reactie posten