20 maart 2026

Bluffen is altijd gewaagd, en citeren ook

 

Je zult altijd mensen hebben die graag uitpakken met kennis die zij niet bezitten, en dan bijvoorbeeld met citaten van Einstein of anderen komen aanzetten. Niet alleen rectoren doen dat, ook lieden die zich voordoen als ernstige, betrouwbare journalisten wagen zich aan mooie citaten zonder die te controleren.

Bluffen is menselijk maar gevaarlijk. Niets op tegen, maar je moet het dan wel met verstand doen, en liefst nog met je eigen verstand, zoals we hier kunnen leren van Giacomo Casanova, toen die zich even voor geoloog en econoom uitgaf:

Dezelfde jonge kamerheer die me voor het bal had uitgenodigd stelde me voor aan de verzamelde adel van de stad, toch wat de dames betreft. Maar ik had geen tijd om er een het hof te maken.
De volgende dag dineerde ik bij de heer de Kaiserling, en ik bracht Lambert* naar een jood om hem fatsoenlijk te laten aankleden.
De dag daarop werd ik uitgenodigd aan het hof voor een diner met de hertog, waar ik alleen maar mannen zag.
Deze oude prins liet mij voortdurend aan het woord. Toen het gesprek tegen het eind van het diner op de bodemschatten van het land kwam, en dat zijn alleen mijnen en halfmineralen,** waagde ik te zeggen dat deze rijkdommen onzeker konden worden, afhankelijk van de exploitatie, en om mijn bewering te rechtvaardigen sprak ik over dit onderwerp alsof ik er zowel in theorie als in de praktijk volmaakt bekend mee was.
Een oude kamerheer die de leiding had over alle mijnen van Courland en Semigallia, liet me eerst alles vertellen wat mijn enthousiasme me ingaf maar mengde zich vervolgens in het gesprek en voerde tegenwerpingen aan, al keurde hij alles goed wat ik voor redelijks had gezegd over de bedrijfsvoering, waar het nut van de exploitatie volledig van afhing.
Mocht ik, toen ik als kenner aan mijn verhaal begon, geweten hebben dat er ook een echte kenner naar me luisterde, dan zou ik zeker veel minder hebben gezegd want ik was zeer onwetend op dit gebied. Maar ik zou erbij hebben ingeboet want dan had ik geen indruk gemaakt.
De hertog zelf was zo goed me als zeer geleerd te beschouwen, en na de maaltijd leidde hij me naar zijn kabinet en vroeg me of ik hem, mocht er geen haast zijn bij mijn reis naar Sint-Petersburg, twee weken van mijn tijd wilde schenken. Ik verklaarde me bereid om zijn wens in te willigen en hij zei me dat dezelfde kamerheer die me had aangesproken, mij zou rondleiden langs alle exploitaties die hij in zijn hertogdom bezat, en of ik zo vriendelijk wilde zijn mijn opmerkingen over de bedrijfsvoering op te schrijven.
Daar stemde ik direct mee in, en mijn vertrek werd vastgesteld op de volgende dag. De hertog, zeer tevreden met mijn bereidwilligheid om aan zijn wens tegemoet te komen, liet de kamerheer meteen roepen. Die verzekerde me bij dageraad voor de deur van mijn herberg te zullen staan in een koets met zes paarden.
Zodra ik thuiskwam pakte ik mijn spullen in, en liet Lambert weten dat hij zich klaar moest maken om met mij mee te gaan, met zijn wiskundekoffertje.*** Toen ik hem vertelde waar het om ging, verzekerde hij me dat hij, hoewel hij geen verstand had van de betreffende wetenschap, mij graag met al zijn kennis van dienst zou zijn.
We vertrokken op het afgesproken tijdstip met z'n drieën in de koets, een bediende zat achterin, en twee anderen reden te paard
voor ons uit, gewapend met sabels en geweren. Om de twee of drie uur kwamen we op een plek waar we van paarden wisselden. Daar verfristen we ons door iets te eten en goede wijn uit de Rijnstreek of uit Frankrijk te drinken, waarvan we een ruime voorraad in de koets hadden.
Tijdens onze reis, die vijftien dagen duurde, stopten we op vijf plaatsen met onderdak voor degenen die in de koper- of ijzermijnen werkten. Ik hoefde geen kenner te zijn om overal iets te noteren en goed te redeneren, vooral over de economie, het belangrijkste onderwerp dat de hertog mij had aanbevolen.
Op de ene plek hervormde ik wat ik nutteloos vond, en op een andere gaf ik opdracht tot uitbreiding van de mankracht om de inkomsten te verhogen. In een belangrijke mijn, waar dertig man aan het werk was, gaf ik opdracht tot de aanleg van een kanaal dat uitmondde in een klein riviertje dat, hoewel erg kort, door de kracht van zijn helling bij de opening van een sluis drie raderen zou aandrijven, waardoor de directeur van de mijn twintig man kon uitsparen. Lambert tekende onder mijn leiding het plan van het bouwwerk perfect uit, mat de hoogtes, tekende de sluis en de raderen, en plaatste zelf de markeringen van de hoogte van het terrein om het kanaal rechts en links af te bakenen tot aan het einde. Door middel van verschillende andere kanalen heb ik grote valleien drooggelegd om in grotere overvloed zwavel en vitriool te verzamelen, waar de gronden die we onderzochten verzadigd van waren.****
Ik keerde terug naar Mitau, verheugd dat ik niet had geposeerd maar geredeneerd, en dat ik een talent in mezelf had ontdekt waarvan ik niet wist dat ik het bezat.
De volgende dag besteedde ik helemaal aan het opschrijven van mijn waarnemingen, en het op groot formaat laten kopiëren van de tekeningen die ik erbij had gevoegd. De dag daarop legde ik al mijn waarnemingen aan de hertog voor, die zich zeer dankbaar toonde.
Tegelijk nam ik afscheid van hem en bedankte hem voor de eer die hij mij had bewezen. Hij zei dat hij me in een van zijn rijtuigen naar Riga zou laten brengen, en mij een brief zou meegeven voor prins Karel, zijn zoon die daar gelegerd was.
De wijze, door ervaring gevormde oude man vroeg me of ik liever een sieraad wilde, of de waarde daarvan in geld. Ik antwoordde hem dat ik van een prins als hij liever het geld zou ontvangen, hoewel ik al heel tevreden was met de eer zijn hand te mogen kussen. Hij gaf me een briefje waarin hij zijn penningmeester opdroeg mij contant vierhonderd Albersthaler uit te keren. Ik ontving deze in Hollandse dukaten, geslagen in de munt van Mitau. De Albersthaler is een halve dukaat waard. Ik kuste de hand van de hertogin en dineerde voor de tweede keer met de heer de Kaiserling.

Histoire de ma Vie
Édition établie par Jean-Christophe Igalens et Érik Leborgne
Bouquins, Éditions Robert Laffont, Paris 2013, Tome III, pp. 300-302

______________

      * Zijn bediende.
    ** Demi-minéraux is een term die in de Encyclopédie niet voorkomt bij Holbach. Minéraux wel, en dat waren dan geen gesteenten of metalen, maar bijvoorbeeld vitriool, sulfer en antimoon (voetnoot in Bouquins).
  *** Koffertje met meet- reken- en tekeninstrumenten.
**** Hier doet Casanova denken aan baron Munchausen. De auteur van die verhalen (1785), Rudolf Erich Raspe, was evenwel een échte geoloog.

Geen opmerkingen:

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html