2 juni 2006

Hoe een beschaafde Europeër al enkele eeuwen over ongelovigen denkt

.
Het is de laatste weken verschrikkelijk vermoeiend om kranten, tijdschriften, radio en televisie mee te maken. Niet dat er geen nieuws was natuurlijk, maar de elucubraties van de verzamelde redacties waren mij te saai en te moraliserend. Voorspelbaar vanaf de eerste lettergreep.
Tegen zulke verveling is niet op te bloggen. Liever lees ik dan wat verstandige mensen uit vroegere eeuwen vertelden, en bijvoorbeeld de geschriften van de Napolitaan Ferdinando Galiani neem ik graag ter hand.
In onderstaand brieffragmentje (dat ik heb vertaald, maar het Frans is natuurlijk veruit te verkiezen) vertelt de beroemde econoom en diplomaat abbé Galiani aan een vriendin in Parijs hoe hij denkt over ongelovigen. Het lijkt mij een typisch, maar helaas exclusief Europees standpunt. Serieus onderwerp, maar Galiani is altijd grappig. [cursief is van mij]


Napels vandaag 21 september 1776
Ongeloof is de grootste inspanning die de menselijke geest kan leveren, tegen eigen instinct en voorkeur in. Het komt er op neer dat men zich eens en voor goed alle geneugten van de verbeelding ontzegt, en elke smaak in het wonderbaarlijke; het komt er op neer dat men de zak der kennis leegschudt, terwijl de mens naar kennis zucht. Dat men loochent en voortdurend twijfelt, aan alles, en achterblijft in verarmde denkbeelden over de kennis, de hogere wetenschappen etc. Wat een afschuwelijke leegte! wat een nietigheid! wat voor inspanning! Het is bijgevolg bewezen dat het overgrote deel van de mensen (en vooral van de vrouwen wier verbeelding dubbel is, aangezien zij de verbeelding van het hoofd bezitten, en de verbeelding van de baarmoeder) nooit ongelovig zou kunnen zijn, en diegenen die het wel kunnen, zullen de inspanning slechts volhouden zolang zij in de volheid van hun kracht verkeren en een jeugdig gemoed bezitten. Van zodra het gemoed wat ouder wordt, duikt het een of andere geloof weer op. Juist daarom ook zou men de ware ongelovigen nooit mogen vervolgen: en laat mij hieraan toevoegen dat zij inderdaad nooit vervolgd werden. Vervolgen doet men enkel de fanatieke stichters van sekten die misschien volgelingen kunnen krijgen. De fanaticus is iemand die midden in een menigte het op een lopen zet, en aanvankelijk volgt iedereen hem. De ongelovige doet heel wat meer. Hij is een koorddanser die in de lucht de meest ongelooflijke toeren uithaalt en voltigeert op zijn koord. Hij vervult alle toeschouwers met huiver en verbazing, en geen mens die de neiging voelt om hem te volgen of te imiteren.
o-o-o-o-o-o
Naples ce 21 7mbre 1776
L’incrédulité est le plus grand effort, que l’esprit de l’homme puisse faire contre son propre instinct, et son goût. Il s’agit de se priver à jamais de tous les plaisirs de l’imagination, de tout le goût du merveilleux; il s’agit de vider tout le sac du savoir, et l’homme voudrait savoir. De nier ou de douter toujours, et de tout, et rester dans l’appauvrissement de toutes les idées, des connaissances, des sciences sublimes etc. Quel vide affreux ! quel rien ! quel effort ! Il est donc démontré, que la très grande partie des hommes (et surtout des femmes dont l’imagination est double, attendu qu’elles ont l’imagination dans la tête, et l’imagination de la matrice) ne saurait être incrédule, et celle qui peut l’être n ‘en saurait soutenir l’effort que dans la plus grande force, et jeunesse de son âme. Si l’âme vieillit, quelque croyance reparaît. Voilà aussi pourquoi il ne faudrait jamais persécuter les vrais incrédules: et je vous ajouterais qu’en effet ils n’ont jamais été persécutés. On ne persécute que les fanatiques fondateurs de sectes qui pourraient être suivis. Le fanatique est un homme qui se met à courir au milieu d’une foule, et d’abord tout le monde suit. L’incrédule fait bien plus. C’est un danseur de corde, qui fait les tours les plus incroyables en l’air voltigeant autour de sa corde. Il remplit de frayeur, et d’étonnement tous les spectateurs, et personne n’est tenté de le suivre, ou de l’imiter.
Ferdinando Galiani - Louise d’Épinay
Correspondance V, juin 1775 - juillet 1782
Les Éditions Desjonquères, 1997, pp.102-3

o-o-o-o-o-o


P.S. Voor zijn eigen geloofsgenoten (bv. van de orde der jezuïeten) is Galiani trouwens even kritisch als voor ongelovigen:

Elke jezuïet [op zich] was aardig, welopgevoed, nuttig, en de sociëteit als geheel, die nochtans niets meer was dan de verzameling van al deze individuen, was hatelijk, moreel corrupt, verderfelijk. Laat anderen dit zonderlinge fenomeen verklaren; ikzelf kom er niet uit.

Chaque jésuite était aimable, morigéné, utile, et toute la société, qui n’était pourtant que la masse de tous les individus, était odieuse, corrompue dans la morale, pernicieuse. Que d’autres expliquent cet étrange phénomène; pour moi je m’y perds.

id. p.32

.

Geen opmerkingen:

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html