21 juni 2017

Over politieke propaganda


Met een frisse pint bij de hand een grappige tekst lezen is denk ik het beste dat een mens nu kan doen. Daarom vertaalde ik een klein fragmentje uit de Mémoires van de Cardinal de Retz (uitgesproken rè, zoals de rog, al neigt het soms wat naar de van de muzieknoot), waarin hij ons de herkomst van het woord ‘fronde’ verklaart. Wij kennen die term uit mantel- en degenfilms, en denken dan aan de opstand van de edellieden tegen kardinaal Mazarin, en tegen Anna van Oostenrijk die als voogdes regeerde omdat Lodewijk XIV nog maar vijf jaar oud was toen hij troonopvolger werd. Maar fronde betekent eerst ook ‘slinger’, het werpwapen. Genoeg nu, Retz zelf legt dat beter uit:

Dat woord herinnert me aan wat ik in het eerste boek van dit werk geloof ik vergeten ben u uit te leggen. De etymologie ervan namelijk, die wel niet zo belangrijk is maar toch niet mag ontbreken in een verhaal waarin die term onmogelijk niet meerdere keren moet vallen. Toen het Parlement vergaderingen begon te beleggen over de publieke toestand, verschenen de hertog van Orléans* en Monsieur le Prince** er nogal vaak, zoals u hebt gezien, en soms konden ze de gemoederen daar zelfs wat bedaren. Die rust was er enkel nu en dan. Na een dag of twee liep de temperatuur opnieuw op, en kwam men weer samen met de heftigheid van het eerste uur. Op een dag haalde Bachaumont*** het in zijn hoofd om schertsend te zeggen dat het Parlement deed zoals schooljongens die keitjes in de grachten van Parijs slingeren, uiteenstuiven als ze de burgerwacht zien opdagen en weer samentroepen zodra die weg is. Die vergelijking werd wel grappig gevonden, ze werd ook in liedjes bezongen, en ze leefde in het bijzonder weer op toen de vrede tussen de Koning en het Parlement tot stand was gebracht, en men ze graag gebruikte ter aanduiding van de specifieke factie van oproerigen die zich verzetten tegen een schikking met het hof. Wijzelf gebruikten ze nogal eens, omdat we zagen dat die betiteling de geesten verhitte. Toen voorzitter de Bellièvre**** me zei dat de eerste voorzitter ons in onze afwezigheid voor deze kwinkslag veroordeelde, liet ik hem een manuscript zien van Sint-Aldegonde, een van de vroegste stichters van de Hollandse republiek, waarin opgemerkt werd dat bij het prille begin van de opstand der Nederlanden, Brederode***** zich erover had opgewonden dat men hen de Geuzen noemde, maar dat de Prins van Oranje, die de ziel van de opstand was, hem schreef dat hij daar waarachtig het belang niet van inzag, dat hij er juist bijzonder mee in zijn schik was en zelfs niet zou nalaten, bij dezen en bij wijze van bevel, hen kleine bedelzakjes op hun mantels te doen borduren. Diezelfde avond besloten wij om hoedenlinten te nemen die min of meer op een slinger geleken. Een vertrouwde koopman vervaardigde voor ons een partij daarvan, en sleet die aan een massa mensen die de finesse in het geheel niet snapten. Wijzelf waren bij de laatsten om ze te dragen, om aanstellerij te vermijden, wat het mysterie helemaal zou hebben bedorven. Het effect van deze bagatel was ongelooflijk. Alles ging mee in die mode, het brood, hoeden, kanten kniestukken, handschoenen, manchetten en waaiertjes en alle versierselen. En wij waren meer in de mode door die zottigheid dan door de zaken waar het echt om ging.

________

* Gaston d’Orléans, broer van Louis XIII, ‘Monsieur’.
** Louis II de Bourbon-Condé, eerst bekend als le duc d'Enghien.
*** François Le Coigneux de Bachaumont.
**** Pompone de Bellièvre.
***** Henri, comte de Brederode. Antwerpen heeft een straat naar hem vernoemd.

Geen opmerkingen:

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html