24 oktober 2010

Necla Kelek kent nog het juiste perspectief

.
Vrijdag had de Frankfurter Allgemeine een schitterend artikel van Necla Kelek, de Duitse journaliste die u hier vaker las, want al sinds 2005 vertaal ik af en toe een stukje. Deze keer voorziet zij een redevoering van de Bondspresident van enkele bedenkingen:


De Republiek der Gelovigen volgens Bondspresident Wulff


Voor het Turkse Parlement gaf de Bondspresident een sterk staaltje van bagatellisering weg, en tegelijk deed hij een goed woordje voor een terugkeer van de religie in de politiek. Zijn toespraak was historisch vals, en stelde de seculiere Republiek ter discussie. De media merken enkel wat er aan de oppervlakte is geschied.

Een repliek van Necla Kelek

Toen ik zag met welke voorzichtige passen Christian Wulff in Ankara in het Turkse Parlement naar het spreekgestoelte ging, was mijn indruk niet dat hier een president van de Duitse Bonds-republiek aantrad. Die tastende korte schreden, een blik die niet gericht was op wat voor hem lag, maar enkel strak voor zich uit keek. Hij leek bevreesd te zijn voor een verkeerd woord. Wellicht was hij te fel onder de indruk van de martiale façade van het Anit Kabir in Ankara, het mausoleum van Atatürk, dat groter is dan de Akropolis van Athene, waar hij kort daarvoor een krans had neergelegd. Of van de militaire optocht, waarbij hij als smoes diende om voor de eerste keer een gesluierde presidentsvrouw te laten aantreden. Het was een voorzichtige man die ik achter de lessenaar zag staan.
Zijn rede –snel en zonder intonatie afgelezen– begint met enkele terugblikken op de Duits-Turkse geschiedenis, die “de ontwikkeling van onze naties steeds weer verrijkt hebben”. Zo beschrijft hij de militaire betrekkingen en de wapenbroederschap van het Hoge Poort en het Keizerrijk;  Keizer Wilhelm, die in de strijd tegen Engeland op de “islamitische kaart” inzette, de Duitse militairen die in de Eerste Wereldoorlog als wapenbroeders vochten, en wier “verrijking” er onder meer in bestond dat zij logistieke steun gaven aan de Jonge Turken bij de organisatie van de genocide op de Osmaanse Armeniërs. De etnische zuivering was de premisse voor de stichting van de Turkse Republiek, zonder christenen en joden, zonder de “ongelovigen” dus.
Een bijzonder woord van dank richtte Wulff tot de Turken die in 1933 werk boden aan bijna duizend leden van de “Noodgemeenschap der Duitse Wetenschappers”, die onder de nazi’s een beroepsverbod hadden gekregen.
Onvermeld liet hij daarbij dat vanaf 1940, de tijd van de hoogste nood, deze regeling niet meer gold voor joden, maar enkel nog voor diegenen die een Ariërbewijs konden voorleggen. De opvolger van Atatürk, president Ismet Inönü, verklaarde dat Turkije geen asiel bood aan “mensen die elders ongewenst waren”. Tot zover het historische deel van deze redevoering.

Bagatellisering op het hoogste niveau
Na enkele algemeenheden over de internationale toestand, komt Christian Wulff op het bijzonder belangwekkende thema van de Turken in Duitsland. Zeer open brengt hij successen en problemen ter sprake, noemt “vasthouden aan staatsuitkeringen, criminaliteits-cijfers, machogedrag, onderwijs- en werkweigering”, die echter “beslist niet enkel problemen met inwijkelingen zijn”, en in één adem voegt hij er nog aan toe: “Niemand wordt verplicht of verondersteld zijn culturele identiteit te verloochenen.”
Wie als argumentatie een dergelijke combinatie van pure gemeenplaatsen neerzet, en deze aldus aan de analyse onttrekt, versluiert meer dan hij benoemt. Wie sociale fraude onschuldig voorstelt als “vasthouden aan staatsuitkeringen”, die kan niet in ernst ervan uitgaan dat de oproep aan de migranten om zich aan de geldende regels te houden, ook doorgezet kan worden. Dat is de bagatellisering van problemen, op het hoogste niveau.
De zinsnede “Turkije kan laten zien dat islam en democratie, islam en rechtsstaat, islam en pluralisme geen contradicties hoeven te zijn” dient kritisch gelezen te worden, dat willen we de president goed aanrekenen. “Kan laten zien” drukt als vorm een mogelijkheid uit, geen realiteit, want in werkelijkheid zijn in Turkije zowel de Grondwet als de toepassing ervan nog zeer ver verwijderd van wat in Europa verstaan wordt onder een civiele samenleving of rechtsstaat. Als dat de betekenis was, dan had hij concreter moeten zijn.

Schokkende analogie
Het opvallendst was aan het eind van de redevoering het betoog over de islam in Duitsland en de christenen in Turkije. Aan de opmerking die twee weken geleden viel, “De islam hoort zonder twijfel in Duitsland thuis”, voegt hij een spiegelbeeld toe: “Het christendom hoort zonder twijfel in Turkije thuis”. Als betrof het hier de twee zijden van één medaille. Laten we nog buiten beschouwing dat de moslims in Duitsland geen “minderheid” zijn, maar deel uitmaken van deze samenleving, en met bijna 3000 gebedshuizen en evenveel voorgangers religieus net zo goed verzorgd worden als de christenen. Maar de christenen in Turkije zijn nog steeds een onderdrukte minderheid, die zich in het Oosten van het land achter hoge muren verborgen moet houden, en waarvan de kerken vaak enkel als musea te bezoeken zijn. En zoals alle niet-Sunnieten staan zij aan discriminaties bloot.
Deze beide zaken over een kam scheren is schokkend en vals. Hier worden retorisch niet enkel granaatappels met poires williams vergeleken, hier heeft de Bondspresident begrip en lof voor de terugkeer van de religie als politieke categorie, en praat hij deze terugkeer goed. Zijn wij dan geen Duitsers of Turken, maar eerst en vooral christenen, joden of moslims? geen burgers, maar gelovigen of ongelovigen? Is dat de boodschap van de ProChrist-katholiek Christian Wulff?
Als de terugkeer van de religie in de politiek de presidentiële boodschap uit Ankara is, dan staan wij in onze staat voor een nieuwe godsdienstoorlog. En in het diepe Turkije heeft de President hem met een eenvoudige redevoering ontketend.
.

18 oktober 2010

Mijnheer Bart over Herr Thilo

.
Bart Beirlant doet Buitenland voor de kwaliteitstabloid, en vandaag had hij het over het boek van Thilo Sarrazin, dat in Duitsland al meer dan een miljoen kopers vond.

'Elke samenleving kan een bepaalde proportie mensen van buitenlandse afkomst opnemen en integreren', schreef de Frankfurter Allgemeine Zeitung gisteren in een commentaar. 'Er zijn geen objectieve criteria om die proportie vast te leggen. Maar er zijn aanwijzingen. En als een boek dat wijst op de tekortkomingen in de integratie in enkele weken meer dan een miljoen keer over de toonbank gaat, is dat zo'n signaal'. Het bewuste boek is 'Deutschland schafft sich ab' (Duitsland schaft zichzelf af) van Thilo Sarrazin, dat begin september werd gepubliceerd.* Daarin klaagde de (toenmalige) bestuurder van de Bundesbank aan dat moslims niet willen integreren in Duitsland en de staat vooral geld kosten.
De sociaaldemocraat Sarrazin, die ook de joden schoffeerde door te zeggen dat ze over een eigen gen beschikken, betaalde prompt de rekening voor zijn opvattingen: hij mocht opstappen bij de Bundesbank. Maar de geest was uit de fles, in de vorm van een intens debat over de integratie van moslims én migratie.

Wat mij bij Beirlant interesseert, is zijn tussenzinnetje: “
…die ook de joden schoffeerde door te zeggen dat ze over een eigen gen beschikken”.
Ik vermoed dat Bart het boek niet gelezen heeft, en gewoon overschrijft wat hij bij andere kwaliteitsjournalisten gelezen heeft, of toch meent gelezen te hebben, want die zin met dat unieke “gen” vind ik niet terug. En al erkende Sarrazin dat zijn biologische kennis beperkt is, een dergelijke dwaasheid als die welke Beirlant
rapporteert, heb ik bij hem niet gelezen.
Let wel: dat bewuste gen zou dan bepalend zijn voor intelligentie, want daarover ging het bij Sarrazin. Misschien wist Bart dat niet. Of denkt Beirlant misschien toch dat er een “
gen voor intelligentie” bestaat? En dat je bovendien iemand kunt beledigen door hem intelligent te noemen? Alleszins lijkt hij niet te weten dat er een verschil is tussen “een gen”, en de uitdrukking “genetisch bepaald”.

Blijft dat joden die uit Oost-Europa afkomstig zijn, gemiddeld heel hoog scoren bij IQ-tests. Niet zomaar een beetje hoger dan de rest, zij halen 115 punten. Aan zijn Standaardcollega
Mark Eeckhaut heb ik de betekenis van zulke getallen een paar jaar geleden al uitgelegd, en hij zal aan Bart graag opheldering verschaffen.
Nu wil ik Beirlant niet verplichten om heel het boek van Sarrazin te lezen („
Es ist kein Roman“, gaf de auteur toe). Met het derde hoofdstuk kan hij volstaan. En zelfs dát hoeft hij niet te lezen, want ik zal enkele relevante passages voor hem citeren en vertalen, te beginnen op p.95.
Erklärt wird die durchschnittliche höhere Intelligenz der Juden mit dem außerordentlichen Selektionsdruck, dem sie sich im christlichen Abendland ausgesetzt sahen.“

[De meer dan gemiddeld hoge intelligentie van de joden wordt verklaard door de buitengewoon hoge selectiedruk, waaraan zij zich in het christelijke Avondland blootgesteld zagen] **

De Duitse joden, die meest uit Polen en Oekraïne afkomstig waren, “Asjkenazim” dus, waren al eeuwen verplicht om “intellectuele” beroepen te kiezen, want: „herkömmliche Handwerksberufe wie auch die Landwirtschaft waren ihnen lange versperrt, umgekehrt waren die Christen lange im Geld- und Finanzwesen durch das Zinsverbot gehindert.“

[gewone beroepen, zoals ook de landbouw, waren voor hen lange tijd uitgesloten, en omgekeerd konden lange tijd de christenen het geld- en financiewezen niet in, door het interestverbod]

En op p.97 is het al gedaan over de joden: „
Ich bin auf die deutsch-jüdischen Ursprünge der Intelligenzforschung etwas näher eingegangen, weil die Diskussion der genetischen Komponente von Intelligenz häufig auf große emotionale Widerstände stößt. Die Erkenntnis, das Intelligenz zum Teil erblich ist, verträgt sich nur schwer mit Gleichheitsvorstellungen, nach denen die Ursachen von Ungleichheit unter Menschen möglichst weitgehend in den sozialen und politischen Verhältnissen zu suchen ist.
[Ik ben op de Duits-joodse oorsprong van het intelligentie-onderzoek wat nader ingegaan, omdat de discussie over genetische componenten van intelligentie dikwijls op grote emotionele weerstanden stuit. Het besef dat intelligentie gedeeltelijk erfelijk is, laat zich moeilijk verenigen met gelijkheidsdenkbeelden, volgens welke de oorzaken voor ongelijkheden onder mensen liefst verregaand te zoeken zijn in de politieke en sociale verhoudingen.]

Wat ik tot slot nog even aan Bart Beirlant wilde vragen is, of een blad als
The New York Review of Books, dat hij misschien kent, en dat geloof ik voor ongeveer 50% door joden wordt volgeschreven, de joden ook heeft geschoffeerd met
volgende voetnoot, waarin een genetisch verband wordt gesuggereerd tussen de intelligentie van Asjkenazim, en een bepaalde ziekte die veelvuldig voorkomt in die groep. En natuurlijk gaat het niet over één gen, Bart, zo simpel is de wereld niet, maar wel over een polygenetisch samenspel.

Ik cursiveer:
[The] account is based on recent work by G. Cochran, J. Hardy, and H. Harpending, all of the University of Utah, who claim that the moderately high frequencies of several disease mutations, including that causing
Tay-Sachs, among Ashkenazi Jews might be explained by natural selection. Because the genes involved also play some role in the brain, Cochran and colleagues speculate that the relevant mutations might increase intelligence, perhaps reflecting a history of selection among medieval European Jews, who often worked in finance or related professions. Such a hypothesis is certainly possible; the critical issue is the strength of the empirical evidence.
___________________
* Verwaarloosbaar foutje van Beirlant: het boek verscheen eind augustus. Beirlant kan dit natrekken op de site van DVA (Random House), maar in dié zin heeft hij natuurlijk wel gelijk, dat onze kwaliteitspers pas half september lucht kreeg van de heisa bij onze buren.
Hiernaast mijn bestelling bij amazon.de (dat geen portkosten aanrekent aangezien België, net als bv. Oostenrijk, Zwitserland of Liechtenstein een Duitssprekend land is. Verheugend hier is dat amazon.fr van mening is dat België géén Franssprekend land is, want zij rekenen wel portkosten aan, maar gelukkig kun je de meeste Franse boeken ook bij het Duitse filiaal bestellen. Overigens kreeg ik, tegen hun gewoonte, het boek een paar dagen later dan ze hadden beloofd, maar het was dan ook al de vierde druk.)
** Dit lijkt mij een goed argument voor diegenen onder ons die menen dat de Sefarden, met hun islamitische bazen, het beter hadden getroffen want zij scoren IQ-gewijs minder goed dan hun Oost-Europese broeders.
.

17 oktober 2010

Wat zou het woord "populisme" toch betekenen?

.
Wie Vlaamse kranten leest, en overal de woorden populisme, populistisch of populist aanstreept, zou na verloop van tijd een soort definitie moeten kunnen geven. Uit de contextuele informatie moet die af te leiden zijn. Dat is ook zo, en ik kom dan uit op: slecht, gemeen, gevaarlijk, goedkoop, afkeurenswaardig, smerig, doortrapt, onbeschaafd, kwaadwillig, fout. Het is blijkbaar een term die uit de moraalfilosofie komt, en niet uit de politieke filosofie, al lees ik dat juist heel wat politici populisten zijn.
Franse journalisten werken graag met klare definities. Loze en sentimentele kreten staan bij hen minder in aanzien.
Daarom vroeg Finkielkraut gistermorgen aan twee wetenschappers, wat we moesten verstaan onder die term populisme. Ik vertaal enkele zinnen uit zijn gesprek. De rest vindt u op France Culture.

.
De quoi parle-t-on exactement, quand on parle de populisme, à quel trait reconnaît-on un discours, une idéologie, une ambiance populiste, Jacques Julliard?
Euh, c’est pas toujours facile à définir parce que comme beaucoup de termes de la science politique, celui-ci est un terme un peu vague […] alors une fois cela dit, qu’est-ce que le populisme? Je pense que c’est …une doctrine c’est trop dire, mais une pensée, une manière de penser, qui fait du peuple, un: la source là, de la souveraineté, jusqu’ici c’est une donnée de faits dans nos sociétés, et ça se confond avec la démocratie elle-même, et c’est d’ailleurs toute la question de savoir si le populisme ne se confond pas avec une certaine acception de la démocratie. Deuxièmement: alors ça va déjà un peu plus loin, la source de toute légitimité, mais en plus, j’ajouterais, de toute sagesse et de toute infaillibilité. Le peuple en tant que tel, notion qui resterait à définir, a toujours raison, alors que les élites –puisque dès qu’on parle de peuple, dans un optique populiste, et bien, on a immédiatement tendance à l’opposer aux élites– le peuple-lui est sage, le peuple est d’une certaine manière infaillible. Alors, juste un mot sur cette définition que je propose: on voit qu’elle collerait très bien avec le Contrat Social de Rousseau. Tout ce que j’ai dit là, au fond, on pourrait le tirer du Contrat Social.
Or, quelle est la différence entre le populisme au sens un peu général du terme et la démocratie elle-même ? À mon avis c’est la notion de Droit. Dans la démocratie, telle que nous la concevons, il y a la souveraineté du peuple, tel qu’il a été pensé par Rousseau, enfin, la volonté générale si vous préférez. Et deuxièmement il y a l’idée de Droit, telle qu’elle sort… surgit notamment de Montesquieu, mais de bien d’autres évidemment. Alors que dans le populisme, le Droit disparaît. D’une certaine manière le populisme c’est le peuple, moins la démocratie, moins les institutions formelles, dont le Droit, dont le Parlement etc., qui sont l’œuvre, qui sont les effets de la démocratie. Voilà comment…

Et diriez-vous que le populisme, Jacques Julliard, est particulièrement présent aujourd’hui?
Alors, il n’y a aucun doute qu’il y a une remontée du populisme. Je ne sais pas si on s’engage tout de suite dans le débat de fond, mais moi je dirais si vous me sollicitez là-dessus, je dirais qu’il y a trois raisons qui expliquent cette montée du populisme.
Il y a d’une part la défiance à l’égard du système représentatif. Ça c’est déjà assez ancien, mais je pense que c’est en train de monter. Toute une série de facteurs le montrent évidemment. Le système représentatif, tel qu’il a été inventé au dix-neuvième siècle reposait sur trois piliers: le Parlement, ou plus exactement, le suffrage universel, le Parlement et les partis. Or vous voyez que ces trois institutions sont en crise. Ça c’est la première cause, à mes yeux.
La seconde cause évidemment, c’est le… c’est le… l’immigration, le fait que les migrations dans nos sociétés sont importantes. Et lorsqu’on dit: «Mais, ça se produisait déjà au dix-neuvième siècle!». Non. Pas dans ces mêmes proportions. Vous me direz, il y a le cas des États-Unis, mais justement, il y a eu un populisme aux Etats-Unis à la fin du dix-neuvième siècle.
Et la troisième raison à mes yeux, mais je pense qu’il va falloir un peu revenir sur tout ça, la troisième raison c’est la crise. C’est la crise qui a accentué à la fois la réalité de la coupure entre les riches et les pauvres, mais a accentué encore d’avantage la perception de cette coupure.
___________________

Waar hebben wij het precies over, als we van populisme spreken? Aan welke trekken herken je een discours, een ideologie of een stemming als populistisch, Jacques Julliard?
Wel, dat is niet altijd makkelijk af te bakenen, want zoals veel termen van de politieke wetenschap, is het een wat vage term […], maar dit gezegd zijnde, wat is populisme? Volgens mij is het een …een doctrine is te veel gezegd, maar een gedachtegoed, een denkwijze die van het volk, ten eerste de bron maakt van de soevereiniteit. Tot vandaag is dit een feitelijk gegeven in onze samenleving, en is het niet te onderscheiden van de democratie zelf. Dat is trouwens de hele vraag: of populisme niet versmelt met een bepaalde betekenis van de term democratie?
Bron ten tweede –en dit gaat al wat verder– van elke legitimiteit en, ik voeg er nog aan toe, van elke wijsheid en elke onfeilbaarheid. Het volk als zodanig, een term die om een definitie vraagt, heeft altijd gelijk, terwijl de elites –want zodra je in een populistische optiek van volk spreekt, heb je onmiddellijk de neiging om de elites er tegenover te plaatsen– het volk dus, is wijs, het volk is in zekere zin onfeilbaar.
Nog een kleine toelichting bij de definitie die ik voorstelde: iedereen ziet dat zij zonder moeite aansluit bij het Contrat Social van Rousseau. Alles wat ik hier gezegd heb kun je tenslotte uit het Contrat Social halen.
Wat is dan het verschil tussen het populisme in enigszins brede zin, en de democratie zelf? Naar mijn oordeel is dat het besef van wat Recht is. In de democratie, zoals wij die opvatten, ligt de soevereiniteit bij het volk, in de betekenis die Rousseau er aan gaf, kortom, de brede volkswil zo u verkiest.
En ten tweede is er de rechtsopvatting zoals die naar voren komt bij Montesquieu, en bij vanzelfsprekend ook vele anderen. Terwijl in het populisme, het Recht verdwijnt. Op een bepaalde manier is het populisme: het volk minus de democratie, minus de gevestigde lichamen, waaronder het Recht, het Parlement etc., die het werk zijn, of effecten zijn van de democratie. Ziedaar hoe…
En zou u zeggen, Jacques Julliard, dat het populisme vandaag bijzonder aanwezig is?
Wel, er is geen twijfel dat het populisme opnieuw opgang maakt. Ik weet niet of wij hier meteen het debat ten gronde aangaan, maar ik zou desgevraagd daarop zeggen dat er drie redenen zijn die deze opgang van het populisme verklaren.
Aan de ene kant is er het wantrouwen ten opzichte van het vertegenwoordigend systeem. Dat is er al langer, maar ik meen dat het stijgend is. En hele reeks factoren tonen dit duidelijk aan. Het systeem van de vertegenwoordiging, zoals het in de negentiende eeuw is uitgevonden, berustte op drie pijlers: het Parlement, of juister gezegd, het algemeen kiesrecht, het Parlement en de partijen. Maar nu zien we dat deze drie instellingen een crisis doormaken. Dat is in mijn ogen de eerste oorzaak.
De tweede oorzaak is natuurlijk de, de …de immigratie, het feit dat de migratiestromen vandaag aanzienlijk zijn. En dan zegt men: “Maar, die kwamen al in de negentiende eeuw voor!”. Nee. Niet in diezelfde proporties. U zult me het geval van de Verenigde Staten tegenwerpen, maar precies in de Verenigde Staten was er aan het eind van de negentiende eeuw een populistische stroming.
En de derde reden in mijn ogen, maar ik denk dat we op dit alles nog moeten terugkomen, de derde reden is de crisis. Het is de crisis die tegelijk de realiteit van de kloof tussen arm en rijk heeft geaccentueerd, maar die op de gewaarwording van deze kloof nog sterker het accent heeft gelegd.
.

14 oktober 2010

Lezing van Oskar Freysinger, Brussel, 9 oktober


Staat u mij, bij wijze van inleiding, deze vaststelling toe: dat het in de EU, tegen het eind van het eerste decennium van de 21ste eeuw, een waagstuk is geworden om vragen op te werpen, en daarover te debatteren. Eerst hield het centrum Diamant in Schaarbeek voor mij de deur dicht, onder druk van burgemeester en politie op de zaalverhuurder, en dan was het Crowne Plaza hotel aan de beurt om mij een zaal te weigeren. Deze eigenaar had tenminste nog de beleefdheid, nadat hij de lezing eerst had toegezegd en vervolgens geweigerd, om ons, Marcel Castermans en mijzelf te ontmoeten, en zijn verlegenheid uit te drukken met het feit dat hij zijn toezegging niet kon inlossen. “Let wel,” liet hij ons tijdens dit onderhoud weten, “Crowne Plaza vormt hier geen uitzondering met zijn weigering. Op dit moment zult u in Brussel niet één hotel of zaal bereid vinden om u te ontvangen, zo sterk is de politieke druk. Ziet u, ik ben zakenman, en kan niet tegen het systeem ingaan.”
De directeur van het Crowne Plaza had meer gelijk dan hijzelf vermoedde, want vanochtend zelf nog heeft een derde zaaleigenaar zich teruggetrokken, terwijl ook hij eerst had toegezegd.
Hier zien we hoe het komt dat Europa op drift raakt: niet door de fanatici die het terrein bezetten, maar door de lafaards die hen laten begaan. Intussen ben ik wel blij met de ontknoping van deze kwestie, waardoor ik mij nu in een zaal van het Vlaams Parlement in het Frans kan uitdrukken. Een dankwoord aan Filip Dewinter die als enige vanmorgen zich heeft ingezet voor de vrije meningsuiting in deze stad Brussel, die onder de domper van een kliek van vrijheidverkrachters zit. Intolerantie en censuur zijn tegenwoordig het voorrecht van diegenen die de woorden “ruimdenkendheid” en “verdraagzaamheid” voortdurend op de lippen hebben.
En al proberen zij ons te muilkorven, paradoxaal genoeg voeren wij ook voor hún kinderen onze strijd voor de vrijheid. De komende drie kwartier zal ik alvast een poging doen om de argumenten samen te vatten, die ons in Zwitserland hebben bewogen om een krachtig signaal te geven aan de islam, door de bouw van minaretten te verbieden.

Is de islam een bedreiging? Zo ja, op welk vlak, en door welke aspecten ervan? Dat zijn dus de vragen die ik zal proberen te beantwoorden, zonder de minste vijandigheid ten opzichte van de individuele moslims, want vaak zijn zij de eerste slachtoffers van het onverbiddelijke dogma dat hen slechts in zeer beperkte mate toelaat om een zelfgekozen leven te leiden.

1. Alle religies op voet van gelijkheid

Bij het begin van deze overdenking dienen wij ons af te vragen op welke manier om het even welke Rechtsstaat intern de religieuze vrede vrijwaart. Hij slaagt daar slechts in door middel van een eeuwenoud regime van wettelijkheid, dat zich boven de religieuze dogma’s stelt en dezelfde behandeling waarborgt aan alle geloofsovertuigingen. Om de bescherming doelmatig te laten zijn, en te zorgen dat zij aan allen gelijkelijk wordt verleend, dient de beschermende instantie boven de beschermde te staan.
Een religieus geloof is fundamenteel onbewijsbaar en ontsnapt zodoende aan elke verificatie. Voor een wetgever die een gelijke behandeling wil waarborgen aan alle religies, betekent dit dat geloof X en geloof Y noodzakelijkerwijs op gelijke hoogte staan, en dat het de mensen vrijstaat om een geloof te kiezen, en dus ook om van de ene religie op de andere over te gaan.
Godsdienstvrijheid is trouwens het oudste fundamentele recht in gelijk welke moderne constitutionele Staat. Zodra echter geloofsovertuigingen verpolitiekt raken, dreigt de politiek dogmatisch te worden. De godsdienst beïnvloedt de politiek dan in zulke mate dat deze laatste alle andere religieuze overtuigingen tenslotte verbiedt, isoleert of verdrukt (zie Iran, Afghanistan etc.), en daarbij een dogma oplegt (dat onveranderlijk en onbewijsbaar is). Staat u mij toe dat ik enkele stichtelijke gevallen aanhaal, in verband met de wet op de godslastering, die enige tijd geleden werd ingevoerd in Pakistan, dat zich nochtans als een democratie voordoet:
– De familie van een zesentwintigjarige vrouw van de Punjab, moeder van drie kinderen, beschuldigd en gevangen gezet op valse aantijgingen van blasfemie, overweegt nu wanhopig om een regeling te treffen met de aanklagers: intrekking van de klacht, en dus de vrijheid, in ruil voor bekering tot de islam. In maart 2010 werd Rubina beschuldigd door een muzelmaanse winkelierster, als gevolg van een twist over een voedingsproduct. De zittingen van de rechtbank verliepen onder sterke druk van de extremistische islamitische groeperingen. Om tot een buitengerechtelijk akkoord te komen, werd er aan de familie van Rubina gezegd dat de beschuldigingen zouden worden ingetrokken, in geval van bekering tot de islam.
– In februari 2010 werd Qamar David, een christen uit Lahore, in 2006 gevangengezet, tot levenslang veroordeeld wegens godslastering. Al drie jaar zijn zijn familie en zijn advocaat het voorwerp van bedreigingen en intimidatie. “De veroordeling is gebaseerd, enkel op verklaringen en getuigenissen die artificieel tot stand zijn gebracht, als vrucht van haat en vooroordelen”, laat de advocaat Parvez Choudry weten.
– In januari 2010 werd Imran Masih, 26 jaar, van Faisalabad, veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, voor godslastering. Een buur heeft hem beschuldigd van het verbranden van een koran. De jongeman was in de val gelokt: bij het opruimen van zijn winkel wilde hij zich inderdaad ontdoen van enkele boeken die in Arabisch schrift gesteld waren (taal die hij niet begrijpt). Hij had de raad ingewonnen van een buur die hem eerst toestemming gaf om dat te doen, en hem vervolgens beschuldigde van godslastering.
– Begin juli 2010 werd Zahid Masih van Model Town, niet ver van Lahore, gedwongen de vlucht te nemen en onder te duiken met zijn familie, nadat hij van godslastering was beschuldigd door de moslim Manat Ali, die een menigte fundamentalisten ophitste in een poging hem te laten lynchen. Zahid wordt er van beschuldigd een paneel met daarop enkele koranverzen te hebben gebruikt om een badkamer te bekleden.
Als wij deze feiten onder ogen nemen, dan is het probleem dat de islam stelt aan westerse democratieën niet in de eerste plaats theologisch van aard, maar vooral politiek en juridisch.

2. Tegengestelde rechtsopvattingen

In Zwitserland, zoals in elke democratie die naam waardig, is er voor elke wet een democratische legitimatie. Dit houdt in dat onze wetten gewijzigd kunnen worden, in tegenstelling tot het religieuze islamitische recht dat onomkeerbaar en autonoom is, want het geldt van goddelijke oorsprong te zijn; het is eens en voor altijd gegeven, en hoeft geen rekenschap te geven aan wie dan ook. De sharia berust op de koran, die aan de profeet Mohammed is gegeven terwijl die in een staat van mystieke extase verkeerde. De koran bestond als ongeschapen wet in het paradijs al, en door de tussenkomst van Mohammed is die ter beschikking van de mensen gekomen. De sharia gaat terug op nog een andere oorsprong, de hadiths, die door hun status als bron op hetzelfde niveau staan als de koran, en die inlichtingen verschaffen over het leven van de profeet en de handelingen die hij stelde. Er bestaan desbetreffend, al naargelang de koranscholen, verschillende opvattingen. Sommige hadiths worden door de enen wel, door anderen niet geaccepteerd. De religieuze teksten vertonen een grote interne verscheidenheid die tot sterk uiteenlopende interpretaties en praktijken leidt. Tot slot worden de contradicties binnen de koran zelf, en de domeinen die hij niet bestrijkt, vaststaand geïnterpreteerd door de ijmā , die een consensus naar voren brengt van zelfverklaarde juristen (de ulema), en die fatwa’s formuleert (juridische arresten).
Het probleem zit hem hier dat de alim (meervoud: ulema) doorgaat voor iemand die “weet”, die bijgevolg wetenschappelijke kennis bezit, terwijl het om vragen van geloof gaat. Zo wordt het begrijpelijk dat in de islam het geloof doorgaat voor kennis, en als een wetenschappelijk verifieerbaar domein van kennis. Deze opvatting is slecht te verenigen met onze idee over geloof, en zij brengt extreem kwalijke gevolgen mee voor het dagelijks leven.
In tegenstelling met de inwoners van de 57 lidstaten van de Organisatie der Islamitische Conferentie, kan het Zwitserse volk, dankzij onze rechtsopvatting, in ruime mate deelnemen aan de politieke besluitvorming, door middel van de instrumenten van de directe democratie. Het volk zou bijvoorbeeld in staat zijn om de verwijzing naar de Almachtige in de Federale Grondwet te schrappen. Geen enkel volk van de islamitische staten daarentegen, heeft het recht om de sharia ter discussie te stellen, die in die landen gelijkstaat met onwrikbaar wetenschappelijk inzicht, ongeveer zoals wijzelf, Zwitsers, voor een feit aannemen dat de aarde rond is, en rond de zon draait.
De tijd dat de kerk pogingen ondernam om zulke directe kennis te verbieden is voorbij; Galileo belichaamt om zo te zeggen de aanvang van de emancipatie van de moderne wetenschap ten overstaan van de religie. Het Turkse Constitutioneel Hof stelde in een arrest, dat door het Europees Hof voor de Mensenrechten werd bevestigd, dat de sharia de antithese is van de democratie, en dat zij de Staat zijn rol als bewaarder van de individuele vrijheden en rechten wilde ontzeggen. In dit verband is de volgende uitspraak van Dalil Boubakeur, oud-voorzitter van de Franse Raad van de islamgemeenschap, opmerkenswaard: “De islam is tegelijk religie, gemeenschap, wet en beschaving.” De Organisatie van de Conferentie der Islamitische Staten –die zoals gezegd 57 staten omvat– deed een soortgelijke vaststelling: “De islam is religie, Staat en complete levensregel”.
In overeenstemming met dit principe accepteert de Organisatie van de Conferentie der Islamitische Staten de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens slechts in zoverre deze niet in tegenspraak is met de sharia.
Het is precies deze neiging van de islam om zowel het privéleven als de publieke organisatie in een samenleving te beheersen, zijn omvattende invloed dus op de manier van leven van de mensen, die de islam onderscheidt van de andere religies. Het boeddhisme, judaïsme, hindoeïsme etc. beleven religie in de eerste plaats als een individuele mening over het leven, zonder een merkbaar politiek-juridisch bestanddeel. Zij respecteren de politiek, het recht, maar ook de wetenschap en de kunst als autonome “systemen”, terwijl schrijvers of tekenaars die kritiek op de islam leveren zich aan gewelddadige reacties mogen verwachten van de kant van de bewakers van de islamitische religie. We mogen in dit verband de terdoodveroordeling van Salman Rushdie in herinnering brengen, het werk van ayatollah Khomeiny in 1989, of nog de vernieling van Deense eigendommen in de islamitische staten, na de publicatie van de mohammedcartoons in 2006. Kurt Westergaard, een van de tekenaars, leeft trouwens nog steeds met de bedreiging van een fatwa. Na drie keer aan een aanslag ontsnapt te zijn, wisselt hij vaak van stad en land, komt nooit buiten zonder gewapende escorte, en heeft hij zijn huis tot een fort omgebouwd. Vijf jaren duurt die hel nu al. Ruim voldoende om andere adepten van de “misplaatste humor” te ontmoedigen.

3. Historische wortels van de islamitische rechtsopvatting

De islamitische religieuze teksten zijn niet enkel van ethische of morele aard, maar zij beogen ook de Staatsvorm te beïnvloeden. De koran werd samengesteld en geschreven na het jaar 800, toen de islamitische veroveringen tot in Spanje reikten. de invoering van een geheel van juridische regels met normatief karakter. De invoering van een geheel van juridische regels met normatief karakter was een vereiste om organisatie te brengen onder de veroverende stammen en clans, die zichzelf in die tijd niet als muzelmannen betitelden, maar als Saracenen.
In tegen,stelling met wat men gewoonlijk denkt, zijn moskeeën niet te vergelijken met onze kerken; ze lijken veeleer op kantoren van de burgerlijke staat, want het gaat er meestal over juridische geschillen en burgerlijk recht.
De bevoorrechte relatie tussen de muzelman en Allah passeert via de sharia, de islamitische regel. In de islam is de moraal gebaseerd op de wet, terwijl in onze opvatting de wet gebaseerd is op de moraal.
Een voorbeeld om dit te illustreren: bij ons bestaat er een moreel principe dat zegt dat doodslag een kwaad is; daarbij moet de wet, die uit dit principe volgt, in aanmerking nemen dat in het geval van zelfverdediging het kan voorkomen dat iemand een ander doodt, zonder dat hij naderhand daarvoor gestraft wordt. Doodslag blijft een kwaad, maar de wetgever erkent in bepaalde noodgevallen een wettige grond. Heel anders gaat dat in de islam. De sharia schrijft juist heel nauwkeurig voor wanneer, en in welke omstandigheden, en hoe bepaalde personen mogen gedood worden of niet. De moraal vereist eenvoudig dat deze catalogus gerespecteerd wordt; omgekeerd is het immoreel om deze catalogus niet te respecteren. Moraal wordt afgeleid uit de wettelijk norm, komt pas na de wet, hetgeen overigens logisch is binnen het islamitische stelsel, want de wet is goddelijk en ongeschapen en geldt bijgevolg eens en voor altijd.
Als een muzelman de koran reciteert, dan reciteert hij een tekst die in zekere zin dicht bij onze Code Civil staat; het verschil is dat de wetten van de islam van goddelijke oorsprong zijn en door dat enkele feit onveranderlijk.
Het hoeft dus niet te verbazen dat een muzelman die aan zijn geloof verzaakt zich blootstelt aan de doodstraf, en dat 94 procent van de zonden die de koran bestraft met verblijf in de hel te maken hebben met twijfel aan, of kritiek op Mohammed en de islam.
Alleen op zich al, geven deze tegenstrijdige opvattingen over de oorsprong van de het recht aan, hoe moeilijk de twee uitgangspunten verenigbaar zijn, en hoe zo goed als onmogelijk in de praktijk realiseerbaar.

4. Territorialiteitsproblemen

Als de problematische compatibiliteit van de islamitische cultuur en die van het Westen niet van religieuze, maar van juridische aard is, dan is dat omdat de sharia voorafgaat aan de vorming van de Staat, en als het ware de sokkel is waarop de Staat wordt opgericht (de islamitische nomocratie, de voorrang van de wet).
De islam kent drie soorten grondgebied: in het Dar al Islam (huis van de vrede) heeft de islam getriomfeerd, en heerst hij zonder tegenspraak; in het Dar al Harb (huis van de oorlog) zijn de ongelovigen aan de macht; en in het Dar al Suhl (wat te vertalen is als het huis van het wapenbestand), is de islam nog in de minderheid en moet hij zich dus flexibel opstellen, maar het is de plicht van elke muzelman die daar leeft om alles in het werk te stellen om zijn religie daar op een dag te laten triomferen.
In deze gedachtegang worden minaretten, gescheiden begraafplaatsen, koranscholen ook en moskeeën, kleine extraterritoriale gebiedjes op onrein terrein, kleine bruggenhoofden van de islam, op het grondgebied waarvan, zelfs al gebeurt dat op kleine schaal, enkel de islamitische wet van toepassing is.
In het Dar al Islam, het heilige land waar de islam gevestigd is, kan er geen wet concurrerend met de sharia –ons strafrecht of burgerlijk recht bijvoorbeeld – toegelaten worden.
Dit “heilig land” van de islam omvat in Europa vele stadskwartieren in Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland. De muzelmannen zijn er de meerderheid; zij hebben hun begraafplaatsen, hun moskeeën, hun koranscholen. Deze plekken liggen verspreid over heel het Westen, en groeien in oppervlakte en bevolking. Minaretten staan hoogstens symbool voor deze penetratiegraad, ongeveer zoals de vlaggetjes die generaals op hun stafkaarten prikken, om aan te geven hoever hun troepen zijn opgerukt.
Het woord minaret komt van “al manar”, vuurtoren. Maar deze “vuurtorens van de jihad”, of “bajonetten van de islam”, om de woorden van de Turkse eerste minister Erdoğan te hernemen, beantwoorden niet aan enig koranisch voorschrift, en spelen in het religieuze ritueel van de islam geen rol. De muezzin is pas later uitgevonden, maar zijn aanwezigheid wordt vaak verantwoord door een betwistbare parallel met de klokken van de christelijke kerken. In werkelijkheid is de minaret voor alles een symbool voor de totale onderwerping aan een doctrine, en aan de daaruit volgende onverdraagzaamheid – zelfs al is deze laatste voorwerp van controverse tussen de verschillende strekkingen in de islam.
Als wij op het Zwitserse grondgebied de bouw van minaretten toestaan, dan zullen de conflicten die in de Oriënt plaatshebben, bijvoorbeeld tussen muzelmaanse ottomanen en alevieten, zich bij ons voortzetten.
In plaats van de wederzijdse verdraagzaamheid en de religieuze vrede aan te moedigen, wakkeren wij conflicten aan in de grote doctrinaire verscheidenheid van de islam. Inderdaad zijn voor de alevieten en de geseculariseerde moslims minaretten een belediging, en het teken dat een bepaalde interpretatie van de islam probeert zich door te zetten als enige representant van deze religie in Zwitserland. Onder radicale islamieten geldt algemeen de opvatting dat alle gebieden, waar ook ter wereld, die ooit islamitisch waren, dat opnieuw worden. Het middel daartoe is de jihad, die in 97% van de gevallen waar de term voorkomt in de koran, “heilige oorlog tegen de ongelovigen” betekent, en in slechts 3% van de gevallen moet dat woord begrepen worden als “innerlijke strijd”, “geestelijke loutering” of “zoektocht”.
Elke plek van waaraf een minaret zichtbaar is, en elke streek die men van op een minaret kan zien, moeten islamitisch worden. Deze aanspraak in acht genomen wordt het begrijpelijk dat zulk bouwsel, door de Europeanen vaak onderschat, een veel belangrijkere rol speelt dan gemeenlijk wordt aangenomen.
In Poitiers is men nu een minaret van 21 meter aan het bouwen, de stad waar Karel Martel in 732 de Saracenen op de vlucht dreef. Er worden luidsprekers geïnstalleerd. Maar aan de bevolking heeft men beloofd dat ze stom zullen blijven. Waar worden ze dan voor geïnstalleerd? Feit is dat op vele plekken waar men de bouw van een minaret heeft toegestaan, de stem van de muezzin nu meermaals dagelijks weerklinkt. Dat is het geval bijvoorbeeld in Granada, in Bosnië, in Oxford, in Londen, in Nieuw-Delhi, en zelfs in Lhassa, de hoofdstad van Tibet.
Hiertegen groeien ook elders weerstanden, en dat is goed te begrijpen: het doel van deze beweging is het installeren van de islamitische orde in de hele wereld, en de minaretten zijn enkel het zichtbare –en vaak luidruchtige– gedeelte van deze penetratie.
De Islamitische Raad van Groot-Brittannië sprak zich duidelijk uit in maart 2008: “De oproep tot het gebed moet een wezenlijk deel worden van het leven in Groot-Brittannië en Europa.” Welnu, deze oproep herhaalt vijfmaal dagelijks volgend beginsel: “Allah is de grootste. Ik getuig dat er geen god is buiten Allah. Ik getuig dat Mohammed de boodschapper is van Allah. Kom naar het gebed. Treed toe tot de vreugde. Allah is de grootste. Er is geen waarachtiger god dan Allah.”
Naast deze geloofsbelijdenis klinken de klokken van onze kerken opmerkelijk neutraal – temeer omdat zij hoofdzakelijk dienen om het uur aan te geven.

5. Godsdienstbeoefening is geen absoluut recht

De vrije uitoefening van godsdienstige praktijken –rituele slachting bijvoorbeeld– wordt in het nationale en internationale recht slechts toegestaan binnen de grenzen van de wet. Restricties zijn perfect mogelijk. Artikel 9 alinea 2 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens, artikel 29 alinea 2 van het Charter van de Mensenrechten van de VN, zoals ook artikel 36 van de Federale Grondwet laten een inperking van de godsdienstvrijheid toe, als deze inperking het algemeen belang dient, en als gezien de omstandigheden de inperking passend is.
Het is om die reden dat Senaat en Kamer zich genoopt zagen ermee in te stemmen dat het volksinitiatief tegen de minaretten niet inging tegen de wet, en bijgevolg aan het volk diende te worden voorgelegd. Wat we nu echter zien is dat de regering zich weinig gelegen laat aan de klaar uitgedrukte wil van het volk in de stemming die daarop gevolgd is, want zij heeft niet de intentie zich te verzetten tegen de bouw van een minaret in Langenthal, met als valse voorwendsel dat de bouwaanvraag al ingediend werd voor 29 november 2009. Nochtans had de minister van justitie op de avond van het referendum bij hoog en laag bevestigd dat de volkswil zou gerespecteerd worden, en dat er geen enkele minaret in Zwitserland nog zou gebouwd worden. Nog erger: in zijn antwoord van 15 september, aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, permitteert de minister zich, in een totaal misprijzen voor het begrip soevereiniteit, en met veronachtzaming van de volkswil zoals uitgedrukt in een algemene raadpleging, permitteert hij het zich te bevestigen dat “de recente jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof voorbeelden kent waar een internationaal verdrag (en een federale wet) voorrang krijgt boven een bepaling in de Grondwet.”
En iets verder voegt hij nog toe: “Deze jurisprudentie zou kunnen toegepast worden op de relatie tussen internationale normen en grondwettelijke, temeer daar artikel 190 van de Grondwet geen gewag maakt van de Grondwet zelf als zijnde relevant recht.” Op die manier wijkt de directe democratie en het algemeen stemrecht voor een “democratie van de rechters”, die op een veel kleinere democratische legitimatie kan bogen, want zij zijn gecoöpteerd door het bestaand systeem. Door zo te werk te gaan slaagt het systeem erin om het volk te muilkorven, en de democratie voor antidemocratisch te verklaren, en de politieke besluitvorming als illegaal, overal waar deze ingaat tegen de rechte leer van de globalisering.

6.Dhimmitude en integratie

Als in de VS de staat Michigan niet langer vereist dat gesluierde vrouwen bij de controle van personen hun hoofd ontbloten, dan creëert hij op zijn eigen grondgebied een concurrerende juridische situatie. In naam van een postmodern, wettelijk en tolerant pluralisme, wordt het wettelijk regime op dat grondgebied geleidelijk aangelengd. Hetzelfde, als men in een lyceum van de Oise, aan de adolescenten toestaat dat zij integraal gesluierd hun eindexamen afleggen (Le Figaro, 19 juni 2010). De beroepscommissie inzake asielkwesties heeft beslist dat “het Zwitserse recht zich niet mocht veroorloven zich boven een buitenlands recht verheven te voelen”; als gevolg van deze bevestiging, heeft zij een huwelijk toegestaan met een minderjarige, in afwezigheid van de man.
Een bijzonder treffend voorbeeld van dit juridisch pluralisme: in Duitsland heeft een rechter geweigerd een echtscheiding uit te spreken “want de echtgenote lijfelijk straffen is in de islam toegestaan”.
Deze voorbeelden tonen aan dat de westerse democratieën vandaag bereid zijn om op hun eigen grondgebied een afwijkend en concurrerend rechtssysteem toe te laten, ten koste van hun eigen stelsel. Ons zelfrespect, en voorzichtigheid zouden ons er nochtans moeten toe aanzetten om te beletten dat op ons grondgebied een rechtstelsel uitbreiding neemt, dat in tegenspraak is met de Zwitserse wet, en dat berust op een totaal andere interpretatie van de mensenrechten. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft vastgesteld, is de sharia onverenigbaar met onze opvattingen over recht, meer bepaald op het gebied van het huwelijksrecht, de mensenrechten, of nog het strafrecht.
Accepteren dat moslimonderwijzeressen de sluier dragen, of gescheiden zwemlessen voor moslimkinderen aanvaarden, zijn voorbeelden van toegevingen die door de tolerantie voor vreemde culturen gerechtvaardigd worden, en ze lijken ook weinig belangrijk, terwijl in werkelijkheid, vanuit juridisch oogpunt, zij de doos van Pandora openmaken. Deze ogenschijnlijk bescheiden aanpassingen van wetten en regels hebben tot doel om in Zwitserland een parallel rechtstelsel te doen erkennen, dat aan het onze compleet vreemd is.
Waar het bijvoorbeeld gaat om gearrangeerde huwelijken met minderjarigen, laat men toe dat fundamentele rechten (het recht te huwen), geschonden worden in naam van andere mensenrechten (de godsdienstvrijheid als groepsrecht). Maar een samenleving waar het inmiddels de bon ton is om dhimmitude te betonen –deze profylactische dienstbaarheid die geacht wordt de bliksems van Allah van onze koppen af te wenden– laat zich niet in met beschouwingen over de draagwijdte van de toegevingen die aan de islam worden gedaan.
Zagen we niet M. Delanoë, burgemeester van Parijs, de moslims feliciteren met de ramadan, en minister Hugues Hiltpold hetzelfde doen in Genève? Nooit hebben we deze mensen de christenen horen feliciteren met de Vasten? En nooit zullen we hen felicitaties zien geven aan de deelnemers van een groot straataperitief met wijn en worst! Deze dhimmitude (onderwering aan de islamitische vereisten, door “ongelovigen”) is evenwel niet enkel aan de Europese landen voorbehouden. Als ik dan verneem (Le Temps de Genève, van 28 mei 2010) dat Marokko vreemde christenen versneld van zijn grondgebied verdrijft, dan moet ik wel denken dat deze manoeuvres vanwege de koning een toegeving zijn aan de islamisten wier invloed groeiend is. Met zulke toegevingen riskeert hij, zoveel Marokkaan en koning als hij is, aan het eind een kalifaat in de plaats van een natiestaat aan te treffen. Het is niet door zich voor te doen als nog islamistischer dan de islamisten, dat het hem zal lukken om hun voortgang af te remmen, want gods gekken laten zich weinig gelegen aan reputaties, verblind als zij zijn door de vereisten van hun leer.

7. Culturele getto’s, individualistische samenleving en clansysteem

Dit parallelle voorkomen van twee verschillende rechtssystemen op het grondgebied van eenzelfde staat is bijzonder gevaarlijk, door het toenemende isolement van bepaalde etno-religieuze groepen in getto’s. Al sinds de eeuw van de Verlichting, wordt onze samenleving opgebouwd volgens beginsel van het individualisme; zij is er dus niet klaar voor, om groepen te ontvangen en te integreren die als quasi-ontoegankelijk collectief functioneren. Individualisme begunstigt de vrije opinievorming, en daardoor ook de vernieuwende kracht die karakteristiek is voor de westerse gemeenschappen. Parallel wordt het nepotisme afgeremd, omdat het clansysteem verzwakt wordt. Omdat het individualisme de persoon uit de greep van zijn clan haalt, laat het aan elke persoon toe om toenadering te zoeken tot een andere, die hem daarvoor nog vreemd was. Het eindresultaat is dat het algemeen belang, het welzijn van alle burgers dus, voorrang krijgt op particuliere clanbelangen. Maar zulk systeem werkt enkel in een min of meer homogene samenleving, met leden die de algemene regels kennen en respecteren. Wat meer is, de Staat moet ook bereid zijn deze regels op te leggen.
Probleem is, dat het merendeel van de buiten-Europese staten functioneert op een manier die van deze uitgangspunten totaal verschilt; de clan- en familiebelangen gaan voor op het algemeen belang, dat hoogstens een abstract begrip blijft in dergelijk kader. Naarmate het aantal immigranten afkomstig uit staten met een uitgesproken clansysteem groter is, des te meer kent onze maatschappij problemen.
Zo gezien is het ontstellend dat men toelaat, onder het voorwendsel van “familiehereniging” –een concept dat steunt op de Europese kernfamilie–, dat niet enkel de echtgenote en kinderen, maar ook broers, zussen, grootouders en neven de EU-ruimte binnenkomen. Het grootste probleem van de Europese staten komt voort uit het feit dat de ongecontroleerde immigratie, en de verzwakking of zelfs opheffing van de buitengrenzen, voor gevolg hebben dat er talrijke, en soms onzichtbare binnengrenzen ontstaan.
Als wij weigeren om op deze problemen geschikt te reageren, als wij er een taboe van maken om ze niet te hoeven aanpakken, dan riskeert het gebied van de EU, met zijn belofte van grote vrijheid, een gebied te worden van groepen die met elkaar in conflict leven.
Zwitserland ontkomt niet aan deze evolutie, want de gecumuleerde gevolgen van Schengen/Dublin, het vrij verkeer van personen en de toevloed van asielzoekers laten ons land nauwelijks nog toe om strenge regels aan het grensverkeer op te leggen. Dit heeft voor gevolg dat er handelwijzen worden geïmporteerd die slecht assimileerbaar zijn, en beschermd worden door clans die zich gehergroepeerd hebben.
Zo komt het dat zowat overal in Europa de polygamie weer opduikt. Ik breng hier het emblematische geval van Lies Hebbadi in herinnering, voorpaginanieuws de 23ste april 2010, omdat hij publiekelijk protesteerde tegen het proces-verbaal dat aan een van zijn gezellinnen te beurt was gevallen, die achter het stuur een niqab droeg. Op 9 juni werd hij aangehouden op verdenking van sociale fraude –een toestand van “feitelijke polygamie” die hem toeliet om ten onrechte van uitkeringen te genieten–, oplichting en zwartwerk. Hij is sedertdien opnieuw aangehouden voor verkrachtingen met verzwarende omstandigheden. Wordt vervolgd.
Ook in de ziekenhuizen doen de integristische buitenissigheden hun intrede: de man die weigert om zijn vrouw te laten verzorgen door een mannelijke arts, weigering van behandelingen etc. Dit levert absurde situaties op. In “Libération” van 7 juli 2010 vertelt Isabelle Lévy het geval van een patiënte die tijdens haar zwangerschap nooit onderzocht was, en die zich aanmeldde bij de spoeddienst, want zij had contracties. Zij weigerde onderzocht te worden door een mannelijke arts, en is met haar contracties weer vertrokken. Plots hoorde het personeel kreten. De vrouw in kwestie was aan het bevallen op het grasperk. De verpleegster zei haar: “U wilde niet onderzocht worden door een man, maar nu bent u bevallen in het zicht van misschien honderd man!”
Maar het rijtje stopt daar niet. Soms neemt de sociale en culturele onverenigbaarheid heel wat dramatischere vormen aan.
Wat te zeggen van het dramatische geval van de zestienjarige Swera, een Zwitserse van Pakistaanse origine die net als haar klasgenootjes het Schwyzerdütsch sprak, en die door haar vader werd gedood omdat zij een pakje sigaretten had gestolen, wat naar het oordeel van de vader, getrouw aan zijn religieuze overtuigingen, in bloed moest worden uitgewist?
Kind van zijn eigen bloed? Voor de eer, om de schande weg te vegen. Maar achter dit verschrikkelijke fait-divers, hoeveel meisjes worden er niet gemuilkorfd, bevoogd, geslagen? In clanmilieus is de heersende omerta totaal. Haar doorbreken is dodelijk. Uitgaand van deze vaststellingen wil ik mijn exposé besluiten met volgende aanbevelingen:

1. Onze rechtsstaat heeft de plicht om van de immigranten volledig respect te eisen voor ons wettelijk regime, en dient elke toegeving –hoe bescheiden deze ook mag lijken– uit de weg te gaan, die een aanmoediging zou kunnen zijn, hoe vaag ook, om parallelle rechtssystemen op poten te zetten. Door toe te geven aan de segregatie van groepen, in het bijzonder van de islamitische populatie, door de kunstgreep van uitzonderingsrechten, zoals gescheiden begraafplaatsen, algemene vrijstelling van zwemlessen, gedwongen huwelijken, verhinderen wij deze groepen om dichter bij ons cultureel patrimonium te komen, met als resultaat dat de veelgeprezen integratie enkel nog een schertsoefening is.
2. Zelfs als wij aan de vrijheid van vestiging dreigen te raken, moeten wij beletten dat er zich etnische getto’s vormen, dat er parallelle werelden groeien die onverschillig staan tegenover elkaar. Naast elkaar leven in etnische groepen heeft met integratie geen uitstaans.
3. Wij moeten beletten dat religieuze chefs bepaalde etnische groepen op sleeptouw nemen, door deze extremistische menners strenger aan te pakken.
4. Wij moeten pogen om de instroom van immigranten in te dijken, zodat wij immigranten in kleinere aantallen, maar beter kunnen opvangen, met het oog op integratie. Tenslotte moeten wij hopen dat in de komende jaren de islam zich van binnenuit hervormt, en dat hij ook een soort eeuw van Verlichting meemaakt die aan het fanatieke islamisme een eind stelt.
Zolang dat niet het geval is, hebben wij de plicht om onze eigen staat te beschermen tegen elke vorm van subversie. Het is onaanvaardbaar dat de liberale beginselen van onze Staat gebruikt zouden worden als instrumenten van zijn desintegratie, en op de duur zijn vernietiging.

Het gaat tenslotte ook om de vrijheid en de veiligheid van de moslims zelf, vooral van hen die zich bij ons echt wensen te integreren. Ik veroorloof mij in dit verband het droeve lot van de imam van Drancy, Hassan Chalgoumi, in herinnering te brengen, die zich publiek had uitgesproken voor een verbod in heel Frankrijk, van de alles bedekkende sluier. Sinds die dag worden alle gebedsdiensten die hij leidt verstoord. De 43 geestelijken die hij in 2009 bij elkaar had gebracht in de “Conferentie van Franse Imams”, om “de dubbele missie van de imams, cultureel zowel als republikeins” te bevorderen, laten een na een verstek gaan. Chalgoumi raakt inmiddels meer en meer geïsoleerd, en leeft onder politiebescherming, bedreigd als hij wordt voor die paar woorden gericht tegen het integrisme en antisemitisme. Op christelijk grondgebied vechten tegen de uitwassen van de islam, is misschien wel in de eerste plaats: de moslims beschermen tegen hun eigen “broeders”.
.

10 oktober 2010

Het leven kan mooi zijn


Misschien kan Luckas Vander Taelen eens een gesprek voeren met deze Groene Europolitica?

Politici verduidelijken ons de toestand van de wereld:
vandaag Claudia Roth over Turkije.


"Turkije is voor mij mijn tweede thuis. Ik doe al 20 jaar aan Turkijepolitiek, dat zijn vele jaren, en ik hou van de mensen in Turkije, ik hou van de conflicten in Turkije, er zijn altijd weer problemen, altijd weer conficten. Mij bevalt in Turkije de zon, de maan en de sterren. Mij bevalt water en wind. Mij bevallen de mezze, mij bevalt kikkererwtenpuree, burek (ik kan goede burek maken!).
[Naam] is mijn vriend, en Turkije is mijn vriendin, en nu strijd ik met de vrienden van [Naam] opdat dit Turkije een democratisch Turkije mag zijn. Dank u wel."
.

5 oktober 2010

Joëlle en de Fehlleistung

.
Het Frans heeft zijn eigenaardigheden. De dubbele negatie is er een van.
De Romeinen zegden eenvoudigweg NON, als zij wilden zeggen dat iets niet waar was, of niet plaats had gehad en zo meer. Ze stonden bekend om hun brevitas. Ook vandaag ontmoeten wij nog geregeld de uitdrukking “quod non”, in geschriften van kwaliteitsjournalisten. Zij bedoelen dan eveneens te zeggen dat iets niet het geval is, of nooit is geweest. Quod non komt tegenwoordig zelfs meer voor dan de kreet “pacta sunt servanda”, die je tot voor kort vaak nog zag staan. Die pacten hebben aan populariteit ingeboet is mijn indruk.

In het Frans, als Latijnse taal, volstaat het eenvoudige “non” ook dikwijls, bijvoorbeeld als antwoord op een vraag. Beetje brutaal klinkt dat, maar grammaticaal is er niets aan de hand. Toch zul je in een gewone zin altijd “ne …pas”, “non …pas”, “ne …rien”, “non …point” , “non …plus” en varianten hiervan ontmoeten.
Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer, zei zoals iedereen weet de Zwijger, waarbij we ook “ni” ontmoeten, als herbevestiging van zijn eerste “ne …point”.
Het woordje “ne” is te klein als negatie, en zou makkelijk verloren kunnen gaan, zodat er voor een goed begrip nog een tweede kleinigheid aan toegevoegd wordt, een stipje, een stapje of iets dergelijks.
Als je bijvoorbeeld niet graag broccoli eet, en je bent Fransman, dan zeg je: “Je n’aime pas les brocolis!”, terwijl bijvoorbeeld Bush jr.  –in een helder moment van hem–  kon volstaan met: and I don’t like broccoli!”.

Een minder helder moment had vanmorgen Joëlle Milquet, invitée de Matin Première bij de RTBf-radio, want daar riep zij de Franstaligen op tot capitulatie. Zij moesten het hoofd niet laten zakken, maar het zelfs verliezen! Dat moet een Freudiaanse verspreking geweest zijn, maar op zulke momenten ben ik geneigd om toch weer iets te zien in die oude Weense theorie.
Haar laatste dubbele negatie was wel correct, ne ...pas, maar misschien beheerst Joëlle toch beter de enkele negatie?



…ce qui se passe est grave. Ça c'est ...ça je pourrais pas faire autre chose que le reconnaître. Mais c’est pas pour autant que nous ne devons pas, nous, perdre notre sang-froid, notre calme, notre ténacité et surtout notre volonté de sortir les Belges de la crise.

.

2 oktober 2010

Le regard politique de Pierre Manent


Snel getranscribeerd, deze ochtend van France Culture, Répliques ...voor de belangstellenden. Alain Finkielkraut heeft een filosoof te gast, die onder meer benadrukt dat territoriale afbakening onontbeerlijk is.
En, misschien om onze simpele minister van onderwijs ter wille te zijn, geef ik ook een vertaling van het gesprek ...niet in zijn simpel Engels weliswaar (zoals deze simpele ministerziel het wellicht zou wensen) maar simpelweg in het Nederlands. Ook de eenvoudigen dienen wij immers te eren, zegt Matteüs 5; 3.



Alain Finkielkraut: Nous voulons vivre aujourd’hui, notre humeur en tout cas est post-nationale, et vous l’avez décrite, donc je n’y reviens pas, mais est-ce que cela ne veut pas dire précisément que ce passé, ces anciennes propositions d’humanité sont oubliées, éclipsées, absentes? Dans la nation il y avait quelque chose de la cité grecque
Pierre Manent: Bien sûrbien sûr.

AF: Dans notre état, ou notre illusion post-nationale, que reste-t-il de la grande dynamique de l’Occident, que vous décrivez précisément, Pierre Manent?
PM: C’est il est très difficile d’être juste, parce que, d’abord nous sommes à la pointe extrême du présent, [oui] et, et la direction du mouvement est visible, mais, quelle issue trouvera-t-il? C’est très difficile de le dire. Ce qui me frappe aujourd’hui en Europe, c’est que il y a une sorte de perte de confiance radicale des Européens dans ...dans toute action commune en réalité, et on se plaint qu’il n y ait pas d’Europe politique, mais si j’ose dire, l’Europe est organisée pour qu’il n’y en ait pas, parce que les conditions de formation d’une action commune ont été systématiquement démantelées dans la dernière période. Les cadres dans lesquels une action commune aurait sens ont été progressivement démantelés, au profit, au profit d’une, comment dire, de l’abandon à un processus, ou à des processus qui devraient, par des mécanismes irrésistibles, produire une civilisation qui en quelque sorte préserverait les règles d’une vie commune, sans que les hommes soient obligés en quelque sorte de se gouverner eux-mêmes.
Il y a une confiance qui me parait démesurée et destinée à être très cruellement déçue, dans ce qu’on peut appeler une civilisation démocratique, où le progrès des mœurs démocratiques nous dispenserait de la nécessité de constituer des associations humaines, capables de se gouverner eux-elles-mêmes, et d’abord capables de se défendre elles-même. Donc je crois, si vous voulez, que nous sommes véritablement à la crête d’une grande illusion, mais qui est une illusion propre à l’Europe: les Etats-Unis ne la partagent pas, la Chine ne la partage pas, personne ne la partage dans le monde musulman, c’est une illusion très spécifiquement Européenne, une illusion d’une civilisation apolitique, et dont on peut d’ailleurs très aisément rappeler les conditions politiques. C’est dû à certaines conditions politiques très particulières à l’Europe, que l’Europe a l’illusion de pouvoir vivre hors des contraintes, grandeurs et misères du politique.

AF: Et donc de cette illusion, elle sortira à la faveur ou à la défaveur de l’Histoire semble-t-il. C’est l’Histoire qui risque un jour ou l’autre, et peut-être même un jour prochain de réveiller l’Europe. C’est ça qu’on peut penser, Pierre Manent?
PM: Ce qui me frappe c’est que l’Europe se construit comme si il n’y avait rien en dehors d’elle.

AF: Oui c’est sûr.
PM: Comme s’il n y avait pas d’extérieur, et toute sa tâche est une sorte de transformation intérieure, les progrès de la gouvernance Européenne. Nous, nous cultivons nos vertus. Nous cultivons nos vertus en supposant que l’exemple de nos vertus convertira bientôt le reste de l’humanité. Mais nous oublions que nos vertus sont à la merci du reste de l’humanité, et que nous n’assurons pas nous-mêmes la protection du cadre dans lequel nous les exerçons donc nous avons reculé, nous reculons indéfiniment le moment de prendre des décisions concernant notre relation avec le reste du monde. Et le signe le plus, si j’ose dire le plus étonnant, qui révèle en quelque sorte ce refus méthodique de prendre la moindre décision politique importante, c’est le refus de décider des limites de l’Union Européenne.

AF: …de l’Europe, oui.
PM: Le fait même que nous nous étendions indéfiniment c’est l’aveu –dont nous faisons gloire– que nous sommes incapables de nous définir comme corps politique. Et donc, nous, les limites, puisque ce n’est pas nous qui fixons nos limites, ce sont les autres qui se chargeront de les fixer, et peut-être dans des conditions qui ne nous plairont pas. Mais ce sera un peu tard.

AF: C’est la religion d’Humanité qui nous empêche de fixer ces limites, ou qui condamne de la manière la plus vive, ceux qui osent encore parler en termes de limites. Y aurait-t-il quelque chose comme une civilisation Européenne? et, disent-ils, délimiter c’est discriminer! Délimiter c’est exclure, donc l’unité de l’espèce humaine refuse toute séparation. Et là justement, je voudrais vous poser une question plus précise. Dans «La Raison des Nations» vous analysez, de manière je crois très juste, très pertinente, la signification profonde des attentats du onze septembre. Vous dites que l’information la plus troublante, apportée par l’événement, n’est pas tant la révélation paroxystique du terrorisme, mais plutôt ceci: l’humanité présente est marquée par des séparations bien plus profondes, bien plus intraitables que nous ne le pensions. On a abo... on a détruit le mur de Berlin, et puis tout d’un coup, le onze septembre, un autre mur s’est élevé. La question que je me pose c’est justement: comment penser ces séparations? Et je vous la pose à vous, parce que notamment dans «La Cité de l’Homme», vous critiquez la définition de l’Homme, comme Être de culture. Et votre fidélité à Leo Strauss, elle tient beaucoup dans cette très courageuse, très belle réhabilitation de l’idée d’une Nature humaine. Mais précisément, n’assiste-t-on pas à un choc des cultures, ou, pour reprendre la formule d’Huntington –qu’il a payé cher d’ailleurs– un choc des civilisations, et le politiquement correcte que vous décrivez très bien, ne constitue-t-il pas lui, précisément, à dire que: Non, il n y a rien de tel, et ce qui existe c’est l’Humanité. Et donc nous, comme vous le dites d’ailleurs, nous ne sommes pas libres de voir ce que nous voyons, parce que nous voyons ce choc des civilisations, et la religion de l’Humanité nous interdit de le voir, Pierre Manent.
PM: Une chose qui est très surprenante aujourd’hui, qui me surprend beaucoup, c’est l’horreur sacrée, il n’y a pas d’autre mot, l’horreur sacrée des frontières que beaucoup de nos concitoyens éprouvent. Les frontières leur paraissent un scandale. Moi au contraire, j’aime beaucoup les frontières…

AF: …moi aussi.
PM: Je trouve que passer une frontière, était il y a vingt ans, trente ans un des grands plaisirs du voyage. Et je dois dire aujourd’hui en Europe, je suis un peu frustré, même si c’est plus commode, je suis frustré que l’on ne passe plus de frontières. Pourquoi tracer une frontière entre une population et une autre, serait-il une offense pour l’une ou l’autre de ces populations? L’idée que chacun s’organise à sa manière et reconnait à l’autre, de l’autre côté de la frontière le droit de s’organiser à sa manière, ça me parait plutôt une des grandes inventions de la civilisation. Bien tracer une frontière, et chacun reste bien de son côté de la frontière, ça me parait un progrès de la civilisation.
Celui qui fait la guerre, ce n’est pas celui qui trace la frontière, c’est lui qui franchit la frontière. Donc il y a là quelque chose de très étrange, c’est complètement déraisonnable, donc il est clair qu’il y a un motif d’un autre ordre, à cette horreur de la frontière, et en effet, et en effet il y a cette idée que l’Humanité devrait être une. Mais il y a aussi autre chose, qui est plus …qui est très spécifique à l’Europe je crois, et c’est que –un sentiment étrange n’est-ce pas?– c’est que nous sommes tellement supérieurs aux autres que, n’est-ce pas, que si nous traçons une frontière qui les sépare de nous, et bien, nous leur faisons offense. Ça, c’est vraiment garder, si j'ose dire, le préjugé colonial, mais transformé dans un, dans le langage de la religion de l’Humanité. Or, si nous nous séparons des autres, les autres se séparent également de nous, et nous sommes égaux de part et d’autre de la frontière. Donc, c’était le premier point…

AF: Mais comment concilier, si vous voulez, l’idée d’une Nature humaine, ce n’est plus la religion de l’Humanité, c’est l’idée de Nature humaine, et, non seulement l’existence des frontières, mais surtout la différence, peut-être insurmontable, des civilisations, des cultures. Voilà la question que je vous pose parce que, bien entendu, je me la pose. Je trouve que c’est un grand progrès que d’être revenu en arrière, et d’avoir réhabilité cette notion de Nature, abandonnée d’une manière très cavalière par les sciences sociales, Pierre Manent.
PM: Je disais, «réaliser la nature humaine», mais précisément la nature humaine a une telle amplitude, a une telle amplitude que, elle ne se réalise pas comme un corps d’animal se développe, n’est-ce pas? Le signe de l’amplitude de la nature humaine c’est que l’homme ne peut pas s’abandonner à sa nature, il doit se gouverner lui-même. Il doit se gouverner lui-même, et donc il y a un grand nombre de modalités de gouvernement de soi, un grand nombre de régimes politiques, de régimes de l’humanité et donc déjà il y a ce principe de diversité, qu’il y a différents régimes politiques au sens large du terme ou au sens stricte du terme, et donc cela ouvre une grande diversité et donc différences, objections, et y compris guerres.
On sait bien que entre les régimes démocratiques et les régimes qui ne l’étaient pas, il y a eu des guerres. Les guerres en Grèce c’étaient pour une bonne part entre cités démocratiques et cités aristocratiques, donc voilà un principe de différence. Autre principe de différence, lié lui aussi à l’immense amplitude de la nature humaine: la nature humaine vise quelque chose de plus grand qu’elle, qu’elle appelle le divin, les dieux, le dieu, dieu que sais-je. Et dans son rapport à cette chose, qui existe ou qui n’existe pas, mais auquel l’humanité se rapporte –en un certain sens naturellement, car il y a toujours eu des religions, et je crois qu'il y en aura toujours– et bien, dans ce rapport au divin, les groupes humains prennent une certaine forme. Prennent une certaine forme, il y a donc des religions diverses. Et si vous ajoutez, on pourrait multiplier d’autres facteurs, les ressources économiques, la démographie, toutes sortes de choses dont s’occupent les différentes sciences, il n’est pas difficile si vous voulez, je crois il n’est pas si difficile que cela, de réconcilier l’idée d’une humanité commune, se réalisant, se concrétisant dans une grande diversité de formes. Mais, la conséquence est inévitable, ce qu’il faut immédiatement ajouter, c’est que ces formes sont fortes. C’est-à-dire que ces formes ne sont pas la forme que prend la pâte à modeler dans la main de l’enfant. Une fois que les cités, les églises, les civilisations ont pris une certaine forme, bien pour l’essentiel elles la gardent, n’est-ce pas? Elles la gardent, et donc les civilisations des sociétés qui ont pris des formes diverses, et bien, se rapportent à l’humanité, à elles-mêmes de façon différente, et donc cela crée des séparations, cela crée des malentendus, cela crée des conflits, cela peut créer des guerres. C’est dans l’ordre des choses, et, si j’ose dire, il faut évidemment en pratique s’efforcer au maximum de limiter les conflits, mais si j’ose dire, on ne peut pas, on ne peut pas supprimer la racine des conflits, parce que supprimer la racine des conflits, c’est supprimer la racine de l’humanité, puisque ça supposerait que les hommes cessent de se réaliser eux-mêmes dans des formes particulières.

____________________________________________

Alain Finkielkraut: Onze ingesteldheid is post-nationaal, of daar willen wij tegenwoordig in ieder geval naar leven. U hebt dit beschreven, ik kom er dus niet meer op terug, maar betekent dit precies niet dat dit verleden, de oude begrippen over de menselijke Natuur vergeten zijn, stilletjes verdwenen, afwezig? In het begrip natie zat iets van de Griekse stadsstaat…
Pierre Manent: Zeker …zeker.

AF: Wat blijft er nog over van de grote dynamiek van het Westen, in deze postnationale gesteldheid, of illusie, die u beschrijft, Pierre Manent?
PM: Moeilijk om hier een juist oordeel te geven, want dit zijn bijzonder recente ontwikkelingen en de richting van de beweging mag dan zichtbaar zijn, waar zal ze tenslotte op uitmonden? Dat valt moeilijk te zeggen. Wat mij vandaag in Europa treft, is dat er bij werkelijk elke gemeenschappelijke onderneming een radicale vertrouwensbreuk is bij de Europeanen, en dan klaagt men dat er geen Europese politiek bestaat, maar laat mij toe te zeggen dat Europa juist zo is ingericht om die tegen te gaan, want de voorwaarden om tot zulke gemeenschappelijke actie te komen, zijn de laatste tijd systematisch ontmanteld. Het kader waarbinnen een dergelijke actie zinvol zou zijn is geleidelijk aan ontmanteld, ten voordele van, hoe zal ik het zeggen, ten voordele van een of meerdere processen die onontkoombaar moesten leiden tot het ontstaan van een samenleving die min of meer gemeenschappelijke regels zou hebben, evenwel zonder dat de mensen verplicht zouden zijn om in enige mate zichzelf te besturen. Er lijkt mij een zeer bittere ontgoocheling te zullen volgen na het mateloze vertrouwen dat men stelt, in wat je een democratische beschaving zou kunnen noemen, waarin de voortschrijdende democratische zeden ons zouden ontslaan van de noodzaak om menselijke groepsverbanden te smeden, die zichzelf kunnen besturen en allereerst in staat zijn zichzelf te verdedigen. Ik geloof dus, als u me toestaat, dat wij werkelijk op de bergkam van een grote begoocheling staan, en wel een begoocheling die eigen is aan Europa: De VS delen die niet, China deelt die niet, niemand in de muzelmaanse wereld deelt die. Het is een zeer specifiek Europese illusie, deze illusie van een apolitieke beschaving, en het is trouwens heel eenvoudig om de politieke randvoorwaarden ervan aan te wijzen. Dat Europa de illusie koestert te kunnen bestaan los van de knelpunten, of de hoogten en laagten van de politiek, gaat terug op heel specifieke, politieke omstandigheden in Europa.

AF: En uit deze illusie zal het dus ook ontwaken, in gunstige of ongunstige omstandigheden, al naargelang het verloop van de Geschiedenis, zo lijkt het. De Geschiedenis zou van de ene dag op de andere, misschien wel een dichtbije dag, Europa kunnen wekken? Begrijpen we dat goed, Pierre Manent?
PM: Wat mij opvalt, is dat er aan Europa gebouwd wordt, alsof er daarbuiten niets bestond.

AF: Zoveel is zeker.
PM: Wij doen alsof er geen buitenwereld was, en alsof de volledige taak uit een soort inwendige omvorming bestond, namelijk de vooruitgang van het Europees bestuur, en wij gaan maar door met het cultiveren van onze deugden. Wij cultiveren onze deugden, in de veronderstelling dat het voorbeeld van onze deugdzaamheid binnenkort de rest van de mensheid tot inkeer zal brengen. Wat wij vergeten is dat onze deugden overgeleverd zijn aan de goede wil van de rest van de mensheid, en dat wijzelf geen bescherming bieden aan het kader waarbinnen wij de deugd beoefenen.
Bijgevolg hebben wij het moment uitgesteld, en blijven wij het uitstellen, om beslissingen te nemen over onze relatie met de rest van de wereld. Het opvallendste teken van deze weigering om ook maar de geringste politieke beslissing te treffen met toch enig gewicht, is, als ik dat zeggen mag, de weigering om een beslissing te nemen over de grenzen van de Europese Unie.

AF: …van Europa, ja.
PM: Het feit zelf dat wij maar blijven uitdeinen, zonder dat er een eind in zicht komt, houdt de bekentenis in –waar wij prat op gaan– dat wij niet in staat zijn onszelf als een politieke entiteit te definiëren. En bijgevolg, als wij het niet zijn die onze limieten vastleggen, zullen ànderen het op zich nemen om ze vast te leggen, misschien onder voorwaarden die ons niet zullen bevallen. Maar dan komen we iets te laat.

AF: Het is de Humaniteitsreligie die ons belet om deze grenzen vast te leggen, of die ten strengste hén veroordeelt die het nog aandurven om in termen van limieten te spreken. "Zou er zoiets bestaan als een Europese beschaving?" en, zeggen zij nog: "afbakenen is discrimineren!"
Afbakenen is uitsluiten, en de eenheid van de menselijke soort verzet zich tegen gelijk welke afscheiding. Net in dit verband zou ik u een meer precieze vraag willen stellen. U analyseert in “La Raison des Nations”, zeer correct en pertinent wat mij betreft, de diepere betekenis van de aanslagen van elf september. U zegt dat de meest verontrustende boodschap die deze gebeurtenis ons bracht, niet zozeer de paroxismale onthulling van het terrorisme was, maar eerder deze: de Mensheid vandaag is door scheidslijnen getekend die veel dieper en onverzettelijker zijn dan wij dachten. Men heeft de Berlijnse muur neergehaald en plots, als bij donderslag rees er op elf september een nieuwe muur op.
De vraag die ik mij nu stel is: wat te denken van deze scheidslijnen? En ik stel aan u de vraag omdat u, meer bepaald in “La Cité de l’Homme”, de kritiek maakt van de definitie van de mens, als zijnde een cultureel wezen. Uw gehechtheid aan de denkbeelden van Leo Strauss speelt hier een rol, bij dit zeer moedige en zeer mooie eerherstel voor het begrip menselijke Natuur.
Maar niettemin, maken wij hier niet een botsing van de culturen mee? om de uitdrukking van Huntington te hernemen –uitdrukking die hij trouwens zwaar heeft moeten bekopen– een botsing van beschavingen? En de politiek correctheid, die u zeer goed beschrijft, bestaat die er precies niet in te zeggen: “Nee, zo is het niet, het enige wat bestaat is de Mensheid”. En dan staat het ons niet meer vrij, zoals u trouwens opmerkt, om te zien wat wij zien, want wat wij zien is de botsing der beschavingen, en het is de Mensheidsreligie die ons verbiedt dit te zien, Pierre Manent.
PM: Zeer merkwaardig in onze tijd, ik vind het behoorlijk merkwaardig, is de heilige afschuw, er is geen ander woord, de heilige afschuw voor grenzen, die veel van onze medeburgers voelen. Grenzen zijn een schande lijken zij te vinden. Ik integendeel, ben zeer gesteld op grenzen…

AF: …ik ook.
PM: Voor mij was, twintig, dertig jaar geleden, het passeren van een grens één van de grote genoegens van het reizen. En ik moet bekennen dat ik mij in Europa tegenwoordig een beetje gefrustreerd voel, zelfs al brengt het een zeker comfort mee, gefrustreerd omdat je geen grenzen meer hebt om over te steken.
En waarom zou het een vergrijp zijn tegen deze of gene bevolking, als er een grens getrokken wordt tussen een bevolking en een andere? De idee dat elkeen zijn boontjes dopt op zijn eigen manier, en het recht erkent van de andere, aan de overkant van de grens, om hetzelfde te doen, lijkt me net een van de grote verworvenheden van de beschaving. Een goede scheidslijn trekken, waarbij elk netjes aan zijn eigen kant blijft: dat lijkt mij een stap vooruit voor de beschaving.
De oorlogsstoker is niet diegene die de scheidslijn trekt, het is diegene die de lijn overschrijdt. We hebben hier dus te maken met iets heel eigenaardigs, iets volslagen onredelijks. Klaarblijkelijk spelen hier beweegredenen van een andere orde, bij deze afschuw voor grenzen, en inderdaad, inderdaad is er de idee dat de Mensheid één geheel moet vormen. Maar er speelt nog iets anders, dat meer …dat meen ik zeer specifiek Europees is, en dat is –hoe vreemd ook, nietwaar?– dat wij zodanig superieur zijn aan alle anderen, nietwaar, dat wij door een grens te trekken die deze anderen van ons scheidt, wij hen beledigen. En dat, sta mij toe, komt neer op de instandhouding van koloniale vooroordelen in een ander gedaante, vertaald in termen uit de Mensheidreligie. Terwijl, als wij ons afscheiden van de anderen, die anderen zich ook van ons afscheiden, en wij aan beide kanten van de grens als gelijken zijn. Dat was dus mijn eerste punt…

AF: Maar hoe kun je, als u het goedvindt, de idee van een menselijke Natuur, niet langer de Mensheidsreligie, maar de idee van een menselijke Natuur, in overeenstemming brengen, niet enkel met het bestaan van grenzen, maar vooral met de misschien onoverbrugbare verschillen tussen beschavingen en culturen? Dat is de vraag die ik u wil stellen, omdat ik ze vanzelfsprekend aan mijzelf ook stel. Ik vind het een sterke vooruitgang om een pas terug te zetten, en de notie Natuur te rehabiliteren, die door de humane wetenschappen op een erg ongegeneerde manier opzij was gezet, Pierre Manent.
PM: Mijn uitdrukking was “de menselijke natuur ontwikkelen”, maar u begrijpt dat die menselijke natuur een zo groot veld beslaat, zulke amplitude bezit dat zij zich niet ontwikkelt zoals een dierlijk lichaam tot wasdom komt. Het kenmerk van deze amplitude van de menselijke natuur, bestaat er net in dat de mens zich niet zomaar kan overgeven aan zijn natuur. Hij moet zichzelf besturen. Hij kan er niet buiten zichzelf te besturen, en dus bestaat er ook een waaier van vormen van zelfbestuur, een groot aantal politieke regimes, door de mensheid voortgebracht. Het principe van de diversiteit is dus meteen gegeven. Er zullen verschillende politieke regimes voorkomen, term in brede of enge zin genomen, en dus is er een grote diversiteit, en bijgevolg ook aanleiding voor geschillen, tegenwerpingen, oorlogen inbegrepen.
We weten allemaal dat er tussen democratische regimes en andersgezinde regimes oorlogen voorkwamen. De Griekse oorlogen gingen grotendeels tussen democratische steden en aristocratische steden, dus daar hebben we al één punt van onderscheid. Een ander punt, dat ook weer verband houdt met de menselijke natuur: de menselijke natuur mikt altijd op iets hogers dan zijzelf, en dat andere heet dan het goddelijke, de goden, de god, god weet ik veel. En in hun verhouding tot dat andere, dat bestaat of niet bestaat, maar waar de mensheid zich toe verhoudt –in zekere zin van nature toe verhoudt, want religies zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn meen ik– welnu, in hun verhouding tot de godheid, gaan mensengroepen een bepaalde vorm aannemen. Ze nemen een bepaalde vorm aan, en dus zijn er ook verscheiden religies. En het gaat verder, je zou andere factoren kunnen toevoegen, economische rijkdommen, de demografie, allerhande zaken waar de verschillende wetenschappen zich over buigen. Ziet u, het is geen probleem, helemaal niet zo moeilijk dunkt me, om zich te verzoenen met de idee van een gemeenschappelijke mensheid die zich ontwikkelt, concretiseert in een grote veelheid van vormen. Maar dan komt onvermijdelijk de gevolgtrekking: je moet onmiddellijk er ook bij zeggen dat die vormen stevig zijn. Die vormen laten zich niet boetseren zoals de kneedpasta waar kinderen mee werken. Zodra hun steden, kerken, beschavingen een bepaalde vorm hebben aangenomen, behouden ze die vorm in essentie ook, zo is het toch?
Ze behouden hem, en de samenlevingsverbanden van die gemeenschappen, die verschillende vormen hebben aangenomen, verhouden zich tot de mensheid als geheel, en ook tot zichzelf op een verschillende manier, en dat brengt onderscheiden mee, dat zorgt voor misverstanden, dat creëert conflicten, dat kan oorlogen creëren. Zo is het eenmaal en in de alledaagse praktijk moet men zich natuurlijk tot het uiterste inspannen om de conflicten binnen de perken te houden, maar als ik dat mag zeggen, wat je niet kunt bereiken is het uitroeien van de wortel van deze conflicten, want met het vernietigen van de wortel van deze conflicten, zou je ook de wortel van het mens-zijn zelf aantasten, want dat zou inhouden dat de mensen ermee ophouden om zichzelf te zijn, in hun onderscheiden vormen.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html