6 februari 2018

Salvador Dali en Sint Augustinus


Het is weer een tijd geleden dat ik Kaas van Willem Elsschot gelezen heb, en ik meen niet dat de heilige Augustinus daar een rol in speelde. Het had wel gekund nochtans, maar Elsschot ging niet over theologie. Bij Salvador Dali is dat anders als hij het onderwerp kaas behandelt. 



Un autre aspect de votre œuvre, votre passion pour les structures molles, pour les choses qui s’écoulent…

Alors ça, c’est tout-à-fait semblable à l’obsession de l’or, puisque l’élément mou, surtout le fromage – j’ai fait des montres molles qui sont vraiment comme du camembert qui est à point – sont un élément aussi mystique. J’avais toujours remarqué que les catholiques faisaient beaucoup l‘usage du pain et du vin, mais il y avait toujours très peu de fromage. Et le fromage est encore plus mystique que le pain. Et dernièrement j’ai trouvé dans Sint Augustin, qui est un très grand surréaliste mystique, tout un chapitre dans lequel il dit – ça c’est pas Dali, c’est Saint Augustin qui le dit – que Jésus c’est pas une montagne de fromage, mais c’est des montagnes de fromage. Montus coagulat…enfin il y a tout un passage des Psaumes dans lequel tous les phénomènes de coagulation et de fermentation sont identifiés à la figure mystique de Jésus.

Het mag duidelijk zijn: kaas, inzonderheid de Camembert, wordt in dit interview op een hoger niveau getild, ver weg van mercantiele overwegingen.
Over die uitspraak van Augustinus zou ik wel meer willen vernemen, want in wat ik van hem heb gelezen had hij het nooit over kaas. Maar ik las ook niet zoveel: kenners zullen hier klaarheid moeten brengen.

Waarin Dali duidelijk wel gelijk heeft, is dat kaas in de Bijbel bijna geen rol speelt. Met moderne machines is dat makkelijk na te gaan, en in het hele Nieuwe Testament is er zelfs niet één keer sprake van kaas.
In het Oude Testament zegt Samuel er twee keer iets over, en Job één keer. En dat in zo'n dik boek!

Laten we eerst Job aan het woord met zijn klacht: 10:9  Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. 10  Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? (sicut caseum me coagulasti) 11  Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten.

1Samuel dan: 17:18  Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; (decem formellas casei) en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.
2Samuel 17:27  En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiel, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim, 28  Beddewerk, en schalen, en aarden vaten, en tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en bonen, en linzen, ook geroost, 29  En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David (et mel et butyrum oves et pingues vitulos dederuntque David), en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moede, en dorstig in de woestijn.

4 opmerkingen:

Marc Bergmans zei

Drie vermeldingen in de hele Bijbel is inderdaad niet veel, en die derde vindplaats (2 Samuel 17:27), tja, daar zit misschien zelfs een luchtje aan, als ik me de uitdrukking in deze kaascontext mag veroorloven… “Pingues vituli” (ik zet die vitulos even in de nominatief), dat zijn toch “vette kalveren” en geen kazen? Kalveren lijken me ook een stuk plausibeler, zo vlak na die schapen.

Ik kan natuurlijk alleen maar samen met u vaststellen dat de Statenvertaling het over “honing, en boter, en schapen, en koeienkazen” heeft. De Willibrordvertaling geeft hier echter “honing en boter, schapen en runderen”. De vertaling op www.bijbelencultuur.nl houdt een slag om de arm en zegt “honing, boter, kaas en schapen en geiten”. Zou het kunnen dat al die gewetensvolle theologen, ondanks hun filologische acribie, het “mel et butyrum, oves et pingues vitulos” van de Vulgaat toch een beetje uit de losse pols hebben vertaald?

Het benieuwt me natuurlijk te horen wat Marjorie Hoefmans hierover te zeggen heeft :-)

Marc Vanfraechem zei

Het Grieks maakt ons misschien wat wijzer: μελι και βουτυρον και προβατα και σαφφωθ βοων και προσηνεγκαν τω δαυιδ
שָׁפָה shâphâh shaw-faw' in the sense of clarifying; a cheese (as strained from the whey): - cheese.
Ook een oude Franse vertaling houdt het bij kaas: du miel, et du caillé, et du menu bétail, et des fromages de vache
En ook Luther vertaalde: Honig, Butter, Schafe und Rinderkäse

Marc Vanfraechem zei

Dali vertelt geen onzin, mocht iemand dat denken ("La seule différence entre Dali et un fou, c'est que Dali n'est pas fou", zegt hijzelf): op FB zette lezer Bert Govaerts me op het spoor Augustinus’ commentaar bij Psalm 68:
19. But this mountain he calls the "mountain of God, a mountain fruitful, a mountain full of curds" (ver. 15), or "a mountain fat." But here what else would he call fat but fruitful? For there is also a mountain called by that name, that is to say, Selmon. But what mountain ought we to understand by "the mountain of God, a mountain fruitful, a mountain full of curds," but the same Lord Christ? Of whom also another Prophet says, "There shall be manifest in the last times the mountain of the Lord prepared on the top of the mountains"? Isaiah 2:2 He is Himself the "Mountain full of curds," because of the babes to be fed with grace as though it were with milk; 1 Corinthians 3:1 a mountain rich to strengthen and enrich them by the excellence of the gifts; for even the milk itself whence curd is made, in a wonderful manner signifies grace; for it flows out of the overflowing of the mother's bowels, and of a sweet compassion unto babes freely it is poured forth. But in the Greek the case is doubtful, whether it be the nominative or the accusative: for in that language mountain is of the neuter gender, not of the masculine: therefore some Latin translators have not translated it, "unto the Mountain of God," but, "the Mountain of God." But I think, "unto Selmon the Mountain of God," is better, that is, "unto" the Mountain of God which is called Selmon: according to the interpretation which, as we best could, we have explained above.
20. Secondly, in the expression, "Mountain of God, Mountain full of curds," Mountain "fruitful," let no one dare from this to compare the Lord Jesus Christ with the rest of the Saints, who are themselves also called mountains of God.…For there were not wanting men to call Him, some John Baptist, some Elias, some Jeremias, or one of the Prophets; Matthew 16:14 He turns to them and says, "Why do ye imagine mountains full of curds, a mountain," he says, "wherein it has pleased God to dwell therein"? (ver. 16). "Why do ye imagine?" For as they are a light, because to themselves also has been said, "You are the Light of the world," Matthew 5:14 but something different has been called "the true Light which enlightens every man," John 1:9 so they are mountains; but far different is the Mountain "prepared on the top of the mountains." Isaiah 2:2 These mountains therefore in bearing that Mountain are glorious: one of which mountains says, "but from me far be it to glory, save in the Cross of our Lord Jesus Christ, through whom to me the world has been crucified, and I to the world:" Galatians 6:14 so that "he has glories, not in himself, but in the Lord may glory." 1 Corinthians 1:31 "Why" then "do ye imagine mountains full of curds," that "Mountain wherein it has pleased God to dwell therein"? Not because in other men He dwells not, but because in them through Him. "For in Him dwells all the fullness of the Godhead," Colossians 2:9 not in a shadow, as in the temple made by king Solomon, 1Kings 8:27 but "bodily," that is, solidly and truly.…"For there is One God, and One Mediator of God and men, the Man Christ Jesus," 1 Timothy 2:5 Mountain of mountains, as Saint of saints. Whence He says, "I in them and You in Me." John 17:23 "Why then do ye imagine mountains full of curds, the mountain wherein it has pleased God to dwell in Him?" For those mountains full of curds that Mountain the Lord shall inhabit even unto the end, that something they may be to whom He says, "for without Me nothing you are able to do." John 15:5

Marc Bergmans zei

@ uw eerste reactie hierboven: wellicht heeft de grote kaas-verdwijntruc dus plaatsgevonden in de Vulgaat! Maar de makers van de Statenvertaling hebben zich natuurlijk niet op de Vulgaat gebaseerd, maar op de beschikbare Griekse en Hebreeuwse bronnen - dat had ik zelf ook moeten bedenken. Bedankt voor de toelichting!

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html