30 oktober 2004

Rocco Buttiglione of Tariq Ramadan?

Le Figaro, 15 octobre 2004
Le bloc-notes d'Ivan Rioufol


De «schandalige» M. Buttiglione

Beslist is het politiek correcte denken aan een onverdroten afdaling begonnen, tot in de gangen van het Europees Parlement. Deze keer kwam het schandaal van Rocco Buttiglione, die was voorbestemd voor de post van commissaris belast met justitie en binnenlandse zaken. Men verwijt aan deze katholieke Italiaan uit de omgeving van Johannes-Paulus II de uitspraak: “Volgens mij is homoseksualiteit zonde”, waar hij aan toevoegde “maar dat mag de politiek niet beïnvloeden”. Volgens het officiële verslag heeft hij ook verklaard: “Een vrouw heeft het recht om kinderen te hebben en de bescherming te genieten van een man”. (De versie van de media doet hem zeggen: “het gezin is er om aan de vrouw toe te laten kinderen te hebben, en een kerel die hen beschermt”). Afgrijzen dus deze week onder de Europese vertegenwoordigers, die de homofobe en seksistische uitspraken aan de kaak stelden. Curieus daarbij is het, dat deze hooggestemde gewetens zich nooit hebben geërgerd aan de aanwezigheid van de islamistische theoloog Tariq Ramadan in een groep van “wijzen” die werd aangesteld door uittredend commissievoorzitter Romano Prodi. Ramadan is de man die ijvert voor de her-islamisering van de muzelmannen en die inzake de steniging van vrouwen om een “moratorium” vraagt. In Brussel zijn er die hem fatsoenlijker vinden dan de al te christelijke Buttiglione.


Le "scandaleux" M. Buttiglione
Décidément, le politiquement correct se décline inépuisablement, jusque dans les couloirs du Parlement européen. Cette fois, le scandale est venu de Rocco Buttiglione, pressenti au poste de commissaire chargé de la justice et des affaires intérieures. Il est reproché à ce catholique italien proche de Jean-Paul II d'avoir dit: «A mon avis, l'homosexualité est un péché», en ajoutant «mais cela ne doit pas influencer la politique». Il a également déclaré, selon le compte rendu officiel : «Une femme a le droit d'avoir des enfants et de bénéficier de la protection d'un homme.» (La version des médias lui fait dire : «La famille existe pour permettre à une femme d'avoir des enfants et d'avoir un mâle qui les défend»). Effroi donc cette semaine chez les députés européens dénonçant des propos homophobes et sexistes. Curieusement, ces grandes consciences ne se seront jamais offusquées de la présence du théologien islamiste Tariq Ramadan dans un groupe de «sages» nommé par Romano Prodi, président sortant de la Commission. Ramadan est celui qui œuvre à la réislamisation des musulmans et qui demande un «moratoire» pour la lapidation des femmes. À Bruxelles, certains le trouvent plus fréquentable que le trop chrétien Buttiglione.

27 oktober 2004

Buttiglione en het Europarlement

.
ook dit was de moeite van het vertalen waard; de Duitse tekst volgt; en helemaal onderaan een vertaald stukje uit een editoriaal van Die Welt 27/10... Konrad Adam over de rol van Daniel Cohn-Bendit.



Hoe Brussel de spirituele fundamenten van Europa aan stukken slaat
Dr. Karlheinz Weißmann
[1]

Het „geval Buttiglione“ – bedoeld wordt de discussie rond de als EU-commissaris voor Justitie genomineerde Rocco Buttiglione – lijkt te zullen uitlopen op een zware machtsstrijd tussen de commissievoorzitter en de parlementsleden. Hierbij draait het echter niet om het roemruchte democratische deficit van de Unie, dus om de gebrekkige scheiding der machten en controle van de wetgevende op de uitvoerende macht in de EU, maar om een conflict rond wereldbeschouwingen.

Dit conflict is ontstaan omdat de linksen en liberalen in het Europese Parlement de opvattingen van Buttiglione inzake familie en homoseksualiteit te baat namen om hem als kandidaat af te wijzen. Dat Buttiglione er uitdrukkelijk het accent op legde dat hij wel degelijk het onderscheid wist te maken tussen zijn persoonlijke mening, volgens welke homoseksualiteit zonde is, en zijn ambtsplichten, waardoor hij tot een gelijke behandeling van homosexuelen en heteroseksuelen is gehouden, dat vond geen geloof, en ook zijn verzekering dat hij „tegelijk een goede christen en een goede Europeër kon zijn“ werd genegeerd.

Haal je nu even de oorsprong van de Europese éénmaking na de Tweede Wereldoorlog voor ogen, dan zal je deze ontwikkeling met enige irritatie gadeslaan. Want naast de algemene overtuiging dat er op het Continent nooit nog een broederoorlog mocht uitbreken, was ook het christelijke erfgoed van de volkeren van het Avondland een beslissende grondslag voor het besluit tot economische, politieke en culturele samenwerking.

En het was geen toeval dat alle leiders van deze beweging – Alcide De Gasperi, Robert Schuman en Konrad Adenauer – uit het politieke katholicisme voortkwamen, terwijl omgekeerd de tegenstanders van de uitbouw van de Gemeenschap (of van deze manier om de Gemeenschap uit te bouwen) niet enkel particuliere nationale belangen in stelling brachten maar ook, zoals de Duitse sociaal-democraat Kurt Schumacher, de verdenking koesterden dat het hier een klerikaal-kapitalistische samenzwering betrof.

Als vandaag iemand als Buttiglione in het Europese Parlement voor suspect doorgaat, omdat hij zich als christen tot de leer van zijn kerk bekent, dan vraagt deze situatie om opheldering. Maar de verklaring is niet moeilijk te vinden. Zoals de zaken staan betreft het hier een gevolg van een soort van politieke omslag in de maatschappij zoals die zich ook in afzonderlijke staten van de Europese Unie, voornamelijk in de Bondsrepubliek, heeft voltrokken. De vaders van de Grondwet zouden hun ogen nauwelijks zouden geloven als je hen zou confronteren met de huidige stand van wettelijkheid in Duitsland, en zo zouden ook de vaders van het verenigd Europa zich ergeren aan wat men van hun project heeft gemaakt. Dit geldt zeker met het oog op het wereldbeschouwelijke aspect.

Wat dat betreft had de relatieve openheid van de Europese Economische Gemeenschap, en daarvoor van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, hiermee te maken dat men zich rond de periode van hun ontstaan nog zelfverzekerd voelde wat betreft religieuze en culturele inhouden. De concurrerende Europaconcepten – Midden-Europa, Paneuropa, een grote autarkische ruimte of een socialistische federatie – waren mislukt of hadden geen uitzicht op verwerkelijking.

In de ogen van velen, waarschijnlijk de meerderheid van de mensen, leek de catastrofe van 1945 mede een gevolg van een zich afkeren van de traditionele waarden. Dat deze waarden, in goed geweten of uit nonchalance, nogmaals in twijfel zouden worden getrokken kon men zich nauwelijks voorstellen. In de opvatting van de leidende elites konden enkel het Christendom en de Antieken een draagkrachtige basis leveren voor een nieuw begin.

Zeker heeft men de stabiliteit hiervan overschat, en dat hing samen met een psychologisch begrijpelijk maar in de feitelijkheid niet ondersteund optimisme omtrent het verdere verloop van de geschiedenis. De inhouden waar men op rekende stonden al niet meer ter beschikking, maar wie dat inzag die sprak enkel met gedempte stem. Dit verklaart ook iets van de weerloosheid, toen de grote overleveringen werden opgeruimd – een proces dat in de zestiger jaren begon en waarvan wij nu het eindstadium meemaken.

De lusteloosheid van de discussie rond de inhoudelijke aspecten van het ontwerp van een Europese Grondwet kan hiervoor een graadmeter zijn. Een andere indicatie is de manier waarop er in de EU gereageerd werd op de wens van Turkije tot volwaardig lidmaatschap. Niemand waagde het om, onder verwijzing naar religieuze of historische factoren vraagtekens te plaatsen bij het voornemen van Ankara, en om het feit te laten gelden dat Turkije onder geen beding als een deel van Europa kan doorgaan. Elkeen verschuilde zich achter economische argumenten en technische overwegingen. Enkel het plan van de Turkse regering van Recep Tayyip Erdogan om echtbreuk als een strafbaar feit te stellen stuitte op principiële weerstand. Iets dergelijks, zo luidde het ook in conservatieve en christen-democratische rangen, was niet in overeenstemming met de Europese “liberale maatstaven”.

Wat zulks op de keper te betekenen heeft is snel verklaard. De Europese identiteit bestaat uit een mengsel van hedonisme en secularisme, naar smaak gegarneerd met een beetje meer Markt of een beetje meer Verzorgingsstaat. Nu kun je hier als je dat wil naar waarden zoeken, je zult er geen vinden. Het is eerder zo dat wie de vraag naar waarden stelt, die deze naam verdienen, als verdacht voorkomt.

Onder die verdenking is nu Buttiglione gekomen, en het ontbreken van steun voor zijn kandidatuur vanwege de burgerlijke partijen van het Straatsburger Parlement toont duidelijk aan hoe het gesteld is met de bereidheid om dergelijke stellingnamen te dekken. Wat er ook in programma’s mag staan of wat voor verklaringen er worden afgelegd, niet eens een halfweg duidelijk beeld van wat Europa te betekenen heeft, of op welke grondvesten het rust, of tot welk doel de vereniging moet voeren zal je er uit kunnen afleiden. Te gronde genomen geldt Buttiglione’s enkele verwijzing naar christendom, humanisme en Aufklärung reeds als een verstoring van het “integratieproces”, dat zomaar vooruitholt, openstaand voor gelijk wat voor uitkomst. De algemene overtuiging is: pragmatisme zal de richting wel aanwijzen en economisch succes zorgt voor de rest.

De politieke klasse van Europa slaat geen acht op dit geestelijk vacuüm. Maar dit soort van lege ruimte kan niet voor een langere periode blijven bestaan. Zij zal worden opgevuld met ideeën en denkbeelden, wellicht niet die van Buttiglione, wellicht niet eens denkbeelden die überhaupt nog op de een of andere manier voor “Europees” kunnen doorgaan.




Wie Brüssel die geistigen Fundamente Europas zertrümmert


Der „Fall Buttiglione“ – also die Auseinandersetzung um den als EU-Kommissar für Justiz nominierten Rocco Buttiglione – scheint zu einer ernsthaften Machtprobe zwischen Kommissionspräsident und Parlamentsausschuß zu werden. Dabei geht es aber nicht um das vielbeschworene Demokratiedefizit der Union, also den Mangel an Gewaltenteilung und Kontrolle der Exekutive durch die Legislative in der EU, sondern um einen Weltanschauungskonflikt.
Dieser Konflikt wurde ausgelöst von Buttigliones Haltung zu Familie und Homosexualität, die Linke und Liberale im EU-Ausschuß zum Anlaß nahmen, ihn als Kandidaten zurückzuweisen. Daß Buttiglione ausdrücklich betonte, er werde zwischen seiner persönlichen Meinung, derzufolge Homosexualität Sünde sei, und seinen Amtspflichten, die ihn auf die Gleichbehandlung von Homosexuellen und Heterosexuellen festlegen, zu trennen wissen, fand keinen Glauben, und auch die Versicherung, er könne „zugleich ein guter Christ und ein guter Europäer sein“, wurde übergangen.
Wenn man sich für einen Augenblick die Ursprünge der europäischen Einigung nach dem Zweiten Weltkrieg vor Augen hält, dann wird man diesen Vorgang mit einer gewissen Irritation zur Kenntnis nehmen. Denn neben der allgemeinen Überzeugung, daß es auf dem Kontinent keine weiteren Bruderkriege geben dürfe, bildete das christliche Erbe der abendländischen Völker eine entscheidende Grundlage für den Entschluß zur wirtschaftlichen, politischen und kulturellen Zusammenarbeit.
Und es war kein Zufall, daß alle Führer der Bewegung – Alcide De Gasperi, Robert Schuman und Konrad Adenauer – aus dem politischen Katholizismus kamen, während umgekehrt die Gegner der Gemeinschaftsbildung (oder dieser Art von Gemeinschaftsbildung) nicht nur nationale Sonderinteressen ins Feld führten, sondern wie der deutsche Sozialdemokrat Kurt Schumacher auch den Verdacht hegten, es handele sich um eine klerikal-kapitalistische Verschwörung.
Wenn heute jemand wie Buttiglione im Europäischen Parlament als suspekt gilt, weil er sich als Christ zur Lehre seiner Kirche bekennt, dann ist dieser Sachverhalt erklärungsbedürftig. Aber die Erklärung ist nicht schwer zu finden. Faktisch handelt es sich um eine Folge jener Art von politischer Umgründung des Gemeinwesens, wie sie sich auch in Einzelstaaten der Europäischen Union, vor allem in der Bundesrepublik, vollzogen hat. So wie die Väter des Grundgesetzes ihren Augen kaum trauen dürften, wenn man sie mit der heutigen Verfassungswirklichkeit in Deutschland konfrontierte, so wären auch die Väter des vereinten Europa irritiert über das, was man aus ihrem Projekt gemacht hat. Das gilt gerade im Hinblick auf die weltanschauliche Dimension.
Die relative Offenheit der Europäischen Wirtschaftsgemeinschaft und davor der Europäischen Gemeinschaft für Kohle und Stahl in dieser Hinsicht hatte damit zu tun, daß man zum Zeitpunkt ihres Entstehens der religiösen und kulturellen Bestände noch sicher zu sein meinte. Die konkurrierenden Europakonzepte – Mitteleuropa, Paneuropa, ein autarker „Großraum“ oder eine sozialistische Föderation – waren gescheitert oder ohne Aussicht auf Verwirklichung.
Die Katastrophe von 1945 erschien in den Augen vieler, wahrscheinlich der Mehrheit der Menschen, auch als Ergebnis einer Abwendung von den traditionellen Werten. Daß diese noch einmal guten Gewissens oder fahrlässig in Frage gestellt werden könnten, war kaum vorstellbar. Das Christentum und die Antike bildeten nach Auffassung der tonangebenden Eliten die einzig tragfähigen Grundlagen für einen Neubeginn.
Sicherlich überschätzte man deren Stabilität, was mit einem psychologisch verständlichen, aber in der Sache nicht begründeten Optimismus bezogen auf die weitere geschichtliche Entwicklung zusammenhing. Über die Bestände, mit denen man rechnete, verfügte man schon nicht mehr, aber wer das erkannte, sprach nur mit gesenkter Stimme. Das erklärt auch etwas von der Widerstandslosigkeit, als die großen Überlieferungen abgeräumt wurden – ein Prozeß, der in den sechziger Jahren begann und dessen Endstadium wir jetzt erleben.
Die Lustlosigkeit, mit der über die inhaltlichen Aspekte des Entwurfs für eine europäische Verfassung diskutiert wurde, kann dafür als Indikator dienen. Ein anderer ist die Art und Weise, wie auf den Wunsch der Türkei nach Vollmitgliedschaft in der EU reagiert wurde. Niemand wagte, die Absicht Ankaras unter Hinweis auf religiöse oder historische Faktoren in Frage zu stellen und der Tatsache Geltung zu verschaffen, daß die Türkei keinesfalls als Teil Europas gelten kann. Jeder verschanzte sich hinter wirtschaftlichen Argumenten und technischen Erwägungen. Nur die Absicht der türkischen Regierung unter Recep Tayyip Erdogan, Ehebruch als Straftat zu ahnden, stieß auf grundsätzlichen Widerstand. Derlei, so verlautete auch aus den Reihen der Konservativen und der Christdemokraten, entspreche nicht den europäischen „Liberalitätsstandards“.
Was das im Kern heißt, ist rasch geklärt. Europas Identität besteht in einer Mischung aus Hedonismus und Säkularität, nach Geschmack garniert mit etwas mehr Markt oder etwas mehr Sozialstaat. Da kann, wer mag, nach „Werten“ suchen, er wird keine finden, vielmehr macht jede Werthaltung, die diesen Namen verdient, verdächtig.
Unter solchen Verdacht ist Buttiglione jetzt geraten, und die mangelnde Unterstützung seiner Kandidatur durch die bürgerlichen Parteien des Straßburger Parlaments zeigt deutlich, wie es um die Bereitschaft bestellt ist, derartige Positionen zu decken. Was auch immer in Programmen steht oder in Deklamationen bekundet wird, eine halbwegs klare Vorstellung davon, was Europa ausmacht, auf welchen Fundamenten es beruht, zu welchem Ziel seine Einigung führen soll, wird sich daraus nicht ableiten lassen. Buttigliones Bezugnahme auf Christentum, Humanismus und Aufklärung gilt im Grunde schon als Störung des „Integrationsprozesses“, der ergebnisoffen vor sich hin läuft. Die Überzeugung ist allgemein, der Pragmatismus werde es richten und alles andere verbürge der ökonomische Erfolg.
Die politische Klasse Europas ignoriert das geistige Vakuum, das sich gebildet hat. Aber Leerräume dieser Art können nicht über längere Zeit bestehen. Es wird Ideen und Vorstellungen geben, die sie auffüllen, vielleicht nicht die von Buttiglione, vielleicht nicht einmal solche, die überhaupt noch in irgendeiner Weise als „europäisch“ gelten können.



© JUNGE FREIHEIT Verlag GmbH & Co. 44/04 22. Oktober 2004

[1] Dr. Karlheinz Weißmann, geboren in 1959, onderwijst geschiedenis en evangelische godsdienst aan een gymnasium, en is de auteur van een boek “Mythen und Symbole“.






Uittreksel uit een editoriaal van Die Welt 27/10


[...] De derde in het spel is Rode, intussen Groene Dany. Nadat in Frankrijk zijn rapport bekend was geworden, over zijn belevenissen uit de tijd toen hij in de zestiger en zeventiger jaren in Frankfort kleuterleider was, brak daar een storm van verontwaardiging los, wat ertoe leidde dat Cohn-Bendit de Franse kieslijst inwisselde voor de Duitse.
In Frankrijk namelijk hoort men het niet graag dat iemand herinneringen ophaalt aan zulke zaken, als hem meermaals zijn overkomen, “dat kinderen mijn gulp openmaakten en mij streelden…, hun verlangens stelden mij voor problemen…, maar als zij daarop aandrongen heb ik hen toch maar aangeraakt.” Het is een wonder waar zo’n man de vermetelheid vandaan haalt om Buttiglione en de kerk het verwijt te maken van “leugenachtigheid” inzake seksualiteit.
[…]
Zeker, Cohn-Bendit heeft zijn “pedofiele avonturen”, zoals ze vergoelijkend worden genoemd, toegegeven en ze door de tijdsgeest verontschuldigd, want het was toen eenmaal zoals het was. Iets gelijkaardigs moest ook Buttiglione doen; ook hij heeft zich verontschuldigd, zij het niet voor welke daden dan ook, maar gewoon voor woorden. Baten deed het hem niet. “Alle beesten zijn gelijk, maar sommige zijn gelijker dan anderen”, heeft Orwell als motto boven zijn Animal Farm gezet. Dit kan best ook het devies van het Europese Parlement worden. “Te katholiek” is een vonnis dat voor een Europeaan gevaarlijk kan zijn, “te pedofiel” blijkbaar niet.

Multipliant les justifications, s’entourant de mille précautions, pesant chacun de ses mots comme si elle avait conscience de pénétrer dans un sanctuaire réputé inviolable, la journaliste Jacqueline Remy – elle-même ancienne soixantehuiteuse – rappelle donc au mauvais souvenir de Dany le ludion quelques lignes écrites dans Le Grand Bazar, livre publié en 1977 par Belfond et aujourd’hui épuisé. Dany le transgressif y raconte son expérience d’éducateur dans un jardin d’enfants autogéré de Francfort: «Il m’était arrivé plusieurs fois que certains gosses ouvrent ma braguette et commencent à me chatouiller. Je réagissais de manière différente selon les circonstances, mais leur désir me posait un problème. Je leur demandais: "Pourquoi ne jouez-vous pas ensemble, pourquoi m’avez-vous choisi, moi et pas les autres gosses?" Mais s’ils insistaient, je les caressais quand même.»



Élisabeth Lévy
Les maîtres censeurs
pour en finir avec la pensée unique
2002, éditions Jean-Claude Lattès
Livre de Poche, p. 363
[en zie: l’Express van 22 februari 2001]


Ik begrijp niet waarom Elisabeth Lévy het citaat daar laat eindigen: in het oorspronkelijke boekje had Daniel Cohn-Bendit nog lang niet gedaan. Tenslotte waren die pedofiele lotgevallen slechts anekdotisch, dat waren futiliteiten en een politieke analist van zijn caliber hoort zulke zaken in een breder kader te plaatsen. Wat waren de sociale implicaties bijvoorbeeld? Volgens pedofiele Daniel was het voornaamste gevolg dat Daniel ...op een bepaald moment zijn job als kleuterleider dreigde te verliezen!

Mais s’ils insistaient, je les caressais quand-même. Alors on m’accusait de «perversion». Il y a eu une demande au Parlement pour savoir si j’étais payé par la municipalité, toujours au nom de la loi qui interdit aux extrémistes d’être fonctionnaires. J’avais heureusement un contrat direct avec l’association des parents, sans quoi j’aurais été licencié. En tant qu’extrémiste je n’avais pas le droit d’être avec des enfants. C’était trop dangereux. L’interdiction d’exercer des fonctions dans l’enseignement frappe les gauchistes, les communistes et même parfois les sociaux-démocrates de gauche.


Daniel Cohn-Bendit
Le Grand Bazar
Mai et Après
Entretiens avec Michel Lévy, Jean-Marc Salmon, Maren Sell
Bibliothèque Méditations, Denoël/Gonthier, Paris, 1975, p. 203

Carl Decaluwe en de anakoloet

.
Waar hebben wij Vlamingen het toch aan verdiend dat een kerel als de CD&V'er Carl Decaluwe voor vol wordt aangezien?
Even mijn uitgangspunt geven: iemand die niet in staat is om zich voor de vuist helder uit te drukken, die verdenk ik sterk ervan dat hij ook niet in staat is om een heldere gedachte te koesteren.
Nu zei Decaluwe daarnet iets over kijk- en luistercijfers, na voorbereiding natuurlijk, helemaal niet voor de vuist. Wat zei hij precies? en vooral hoe formuleerde hij dat?
Ik heb geprobeerd om zijn zin op te schrijven nadat ik hem op
TV had gehoord… bij een normale Nederlandse zin is zoiets kinderspel.
Hier raakte ik niet verder dan: men heeft de know-how binnen de openbare omroep en dat men dat wel min of meer probeert te mikken op welke niche of bijvoorbeeld naar informatie en andere programma’s te doen.
Ik ben ervan overtuigd dat ik die zin van Carl nog enigszins gefatsoeneerd heb, want zo werkt het geheugen: onbewust komt er toch een bepaalde structuur in de herinnering.

En u raakt niet wijs uit deze volzin? U vindt hem betekenisloos?
De woordjes know-how, niche en informatie zijn bekend nochtans: iedereen heeft die wel ergens opgepikt, en zo ook onze vriend. Of achter deze termen een betekenis schuilgaat weet ik niet, maar dat doet er nu niet toe.
Het probleem is natuurlijk de relatief zeldzame stijlfiguur die Decaluwe hier hanteert: de anakoloet. Je zou kunnen zeggen: het zich opzettelijk ongrammaticaal uitdrukken.

Maar in het West-Vlaams zegt men: den déén kan nie klapp'n en verzekers nie peinz'n oëk ?.
.

26 oktober 2004

Marino Keulen op het pad van le pauvre général Frédéric Vandingenen !

.
De uitleg die Marino Keulen moest geven over de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, die nu toch niet zal doorgaan en in een forum terechtkomt: die uitleg wordt bij de bevolking met hetzelfde sérieux ontvangen als de uitleg over de Kongolese officieren die sneller naar huis mochten omdat hun peil zo geweldig was...

Maar ernstig. Dat partijen in een stelsel van representatieve democratie nooit zo'n rechtstreekse verkiezing in overweging hadden mogen nemen, evenmin als referenda trouwens, dat zal je noch Patrick Janssens –met zijn slimme Gaullistische voorstel om en ballotage, ttz in twee ronden te werken– en nog minder de VLD horen vertellen. Terwijl we hier te maken hebben met antipolitiek in de ware zin des woords. Zulke zaken gaan in tegen ons systeem, maar dat besefte burger Verhofstadt niet toen hij vanuit de oppositie zijn populistische voorstellen uitkraaide.

Natuurlijk kan ook een referendum of –verwant daarmee– de rechtstreekse verkiezing van bepaalde mandatarissen een democratische vorm hebben. Kijk naar Zwitser­land. Maar dan zijn er heel andere consequenties: in dat land is het bijvoorbeeld ondenkbaar dat verkozenen over een bepaalde kwestie, die toevallig hen niet goed uitkomt, een referendum zouden weigeren. Ze mogen dat best willen, maar de bevolking beslist of er een referendum komt of niet, want zij heeft het initiatiefrecht! en onder voorwaarden is zulk referendum bindend, en kan het een wet die is goedgekeurd in het parlement alsnog ongedaan maken. Zwitserland zou ik gerust een democratie durven noemen.

Ondertussen staan hier in dit land twee zaken vast: er komt geen rechtstreekse verkiezing van de burgemeester, omdat het Vlaams Blok te sterk staat, én er komt geen referendum over de toetreding van Turkije tot de EU, omdat 70 à 80 procent van de bevolking dat hersenspinsel zou wegblazen.

Ik houd van definities en dus mijn vraag: in wat voor stelsel leven wij?
.

22 oktober 2004

Een Eroscentrum in de XVIIIe E.

.


Ferdinando Galiani

Hebben we daar wel iets bij te winnen, Staf Nimmegeers, bij zo'n Eroscentrum? Madame d'Épinay schijnt te denken van niet. En het minste wat je hieronder kunt zien, is dat onze tijd het warme water niet uitgevonden heeft.
o-o-o-o-o-o
Lettre de Mme d’Épinay à l’abbé Ferdinando Galiani

À Paris ce 29 7bre 1769
[…]
Il parait un livre depuis un mois qui excite l’attention des amateurs. Il est intitulé Le Pornographe ou idées d’un honnête homme sur un projet de règlement pour les prostituées pour prévenir les malheurs qu’occasionne le publicisme des femmes avec des notes historiques et justificatives.[1]

Il est incroyable qu’un homme qui a du style, des idées, de l’érudition, la connais­sance des langues et des mœurs anciennes passe son temps à évaluer les gueuses d’un royaume, à les classer, à établir un tarif de leurs charmes, à leur élever un édifice et à leur donner une règle aussi réfléchie qu’aucun fondateur de monastère l’ait jamais fait.

Si cependant un souverain jaloux de la santé de ses sujets exécutait ce projet je ne doute pas que la sécurité du plaisir jointe à l’impulsion du luxe ne multipliât les célibataires à l’infini, et n’éteignit la galanterie auprès des femmes; les anciennes mœurs reprendraient faveur. Les femmes resteraient dans l’intérieur de leur maison; les hommes iraient au cabaret peut-être, nos poètes libertins chanteraient les Laïs[2] modernes. Les orateurs et les historiens célébreraient les Cornélies les Véturies[3] et les philosophes diraient aux jeunes gens comme Caton, macte virtute esto: huc melius juvenes descendere quam alienas permolere uxores.[4]
Y gagnerait-on ? Dites-moi cela l'abbé ?
[…]

Ferdinando Galiani
Louise d’Épinay
Correspondance I, 1769-1770
Les Éditions Desjonquères, 1992, pp. 78-9

[1] Rétif de la Bretonne liet dit werk anoniem, in 1769 verschijnen. Mme d’Épinay citeert uit een bespreking door Diderot.
[2] Laïs, van Marie de France, XIIe Eeuwse romances.
[3] Twee deugdzame vrouwen uit “De viris illustribus urbis romae”, respectievelijk de echtgenote van Tiberius Sempronius Gracchus, en de moeder van Caïus Marcius Coriolanus.
[4] “Bravo, flink zo! jonge kerels kunnen beter daar afstappen, dan dat ze andermans vrouwen met hun stamper bewerken”. Mme d'Épinay citeert vrij uit Horatius, Satiren 1,2, 31-32 en 34-35.

17 oktober 2004

Staf Nimmegeers over Verlichting en islam... en bij de eerste gelegenheid over zichzelf

.
het begon met een mailtje dat ik aan de eerwaarde heer Nimmegeers stuurde, omdat hij blijkbaar niet goed besefte wat hijzelf had geschreven in zijn column, en ik hem daar graag op wilde wijzen, want het is nooit plezierig om een goedmenende mens te zien sukkelen. Ik schreef dus aan Staf en Standaard:

't en zal Staf!
In de Standaard van vandaag schrijft priester-schrijver en SP.A-senator Staf Nimmegeers, in zijn kolommetje “Weg van Brussel”:


De tijd zal, zoals steeds, bepaalde vormen van obscurantisme wel genezen, zoals dat ook bij ons gebeurde. Waakzaamheid blijft steeds geboden. Kaalgeschoren bepruikte joodse vrouwen, moslimvrouwen in boerka en een kerk zonder vrouwen en met gebrandmerkte homo's, vrijmetselaarsloges met al dan niet vermeende intriges: het moet eruit, het gaat eruit, misschien trager dan we verhopen, met ups en downs, maar 't en zal!

Deze wat lukraak aandoende opsomming getuigt niettemin van Stafs zin voor evenwicht, maar in zijn goedmoedige ijver schrijft hij helaas iets anders dan wat hij bedoelt... misschien, in het vervolg Staf, eerst om raad vragen bij collega priester-schrijver Gezelle? Die kan haarfijn uitleggen wat ’t en zal juist betekent, en dat soort zaken moet je eens horen uitleggen want met de tijd alleen komt zulk een inzicht niet.


Ik kreeg het volgende antwoordje:

Friday, October 15, 2004
----- Original Message -----
From: Staf Nimmegeers
To: Marc Vanfraechem
Sent: Saturday, October 16, 2004 12:28 PM
Subject: RE: goedmenendheid volstaat niet

Beste mijnheer Vanfraechem
Dank voor uw aandachtig lezen van mijn column.
Guido Gezelle was telefonisch niet te bereiken en de einderadacteur van de opiniebladzijde is in dezelfde val gelopen als ikzelf.
Ons Standaardnederlands is blijkbaar niet meer dan van de heer Gezelle.
Hartelijk
Staf Nimmegeers
http://www.stafnimmegeers.be/

Omdat ik nu vond dat hij ook wel iets had mogen zeggen over mijn andere, impliciete opmerkingen, over lukraak en zo, besloot ik om onze man in duidelijker bewoordingen toe te spreken

Beste heer Nimmegeers,
ik ben een groot bewonderaar van Gezelle, de dichter én de polemist, zoals u zal hebben gemerkt in mijn briefje waarin ik u erop wees dat ‘t en zal iets anders betekent dan wat u dacht. Maar ik bewonder niet alle aspecten van Gezelle, inzonderheid deel ik een bepaald “particularisme” van hem niet.
Wat ik wel bewonder is het volwassen debat dat er in Nederland en Frankrijk en Duitsland plaatsheeft over, zovele onderwerpen. In Vlaanderen is er nauwelijks een debat die naam waard, en als er een dreigt te ontstaan dan wordt het vlug een halt toegeroepen door de welmenendheid. Ik zie u schrijven:


Wordt het echter mode om in naam van een zogezegd 'verlicht denken' alles wat op verscheidenheid of anders zijn slaat bot de kop in te drukken, dan haak ik af. Het eindeloos geouwehoer over sluiers, gearrangeerde huwelijken en vrouwen als fabrieken van baby's moet maar eens ophouden.

...en dan ben ik jaloers op het intellectuele peil en de morele integriteit in de ons omringende landen.
Om te beginnen: het past een pastoor niet om over de Verlichting te spreken, laten we wel wezen! De hypocrisie van een Danneels is al te doorzichtig, en komt logischer­wijs neer op ongehoorzaamheid aan het pauselijk leergezag en ontrouw aan zijn eigen geloften, die geloof ik ook de uwe zijn. Want als hij, of een andere pastoor de ideeën van de Verlichting graag wil aanhangen, dan moeten zij vooraf en expressis verbis een aantal katholieke leerstellingen verwerpen.
Ik hoef het niet te zeggen: wat mij betreft zijn alle monotheïsmen gelijk verwerpelijk, zowel in moreel opzicht als in het perspectief van enige intellectuele coherentie. Ik beoordeel zulke fenomenen enkel op hun gevaarlijkheid. Ik lig bijgevolg niet wakker van het jodendom hier, of de katholieke kerk hier. En ik bewonder hun kerken, synagogen, schilderijen, muziek, gedichten, gregoriaanse en orthodoxe gezangen, klaagzangen, ik verafgood de Statenvertaling, zelfs ben ik gevoelig voor voorlezingen uit de koran, wat je op het internet zo mooi kan horen, met simultaan een engelse tekstbalk en al, door verschillende lezers, elk in een eigen stijl. Ik ben zelfs bereid om te zeggen dat ik geloof dat alle schoonheid een soort religiositeit veronderstelt; tenminste ik ken geen andere ontroering, zelfs niet in bed.
Maar dat er niet meer zou mogen geouwehoerd worden over de hoofddoek?
Kijk mijnheer, ook in zulke zaken betaamt het een pastoor om zijn bek te houden (ik mag aannemen dat we elkaar hiermee hebben gevonden in éénzelfde taalregister?). Beeldt u zich echter in dat een vertegenwoordiger van de roomse kerk het morele recht heeft om wie dan ook het zwijgen nog op te leggen? Ook u mag natuurlijk spreken, maar decus est et scire tacere: het is passend om te weten waar je er beter het zwijgen toe doet ...om even terug te vallen op een register dat mij beter ligt.
Over de hoofddoek is geloof ik Ayaan Hirsi Ali beter dan u geplaatst om te oordelen, of Chahdortt Djavann, en die twee mensen getuigen, of confesseren van de fundamentele onmenselijkheid van de islam. Djavann: J’ai porté dix ans le voile. C’était le voile ou la mort. Je sais de quoi je parle. Kan u dat ook zeggen: ik weet waar ik het over heb? Toch niet met uw sigaartjes in een Brusselse straat te zitten smoren zeker? In een ander boekje stelt Djavann gewoon vast: À l’origine de l’islamisme il y a l’islam. Zij wéét dat een brave, gedomesticeerde vorm van de islam een illusie is.
Er is geen vergelijking met het christendom dat wij nog kennen, maar door analogie geloven velen dat de islam ook wel iets dergelijks zal zijn, zodat ze er au fond geen zaken mee hebben. Brave zielen! Naar mijn mening is er tussen de islam en énig christendom dat wij hebben doorstaan niet eens een vergelijking, en ik reken inclusief de prelaten die ervoor zorgden dat in 1766 in Abbeville een negentienjarige jongen die zijn rug naar de processie had gekeerd… de tong werd uitgerukt, en hem vervolgens enkele ledematen werden afgehakt, en dat daarna de genadige onthoofding volgde, voor hij werd verbrand. C’est le sang humain légèrement répandu, c’est la torture, c’est le supplice de la langue arrachée, de la main coupée, du corps jeté dans les flammes, qui est abominable et exécrable. Misschien moet die Danneels …en die Nimmegeers er Voltaire eens op naslaan voor ze over de Verlichting, laat staan over de Franse Revolutie beginnen. Ik stel voor dat onze Godfried –niet zichzelf de tong uitrukt– maar een krans neerlegt bij het monument van de chevalier de la Barre. Ik kan hem zonodig de weg wijzen.

Natuurlijk is dat hele christendom tegenwoordig ongevaarlijk in Europa! die godsdienst is door de scheiding van Kerk en Staat –tien eeuwen geleden was de aanzet daartoe– en vervolgens door de Reformatie, en eindelijk door de Verlichting inderdaad gedomesticeerd en tot enige rede gebracht. Maar als Danneels het vandaag heeft over een Revolutie die de islam nodig heeft –of azo abeetje nodig heeft– dan hoor ik enkel een bedeesde en in de hoek geslagen intellectuele sukkel die stilletjes hoopt dat het met zijn godsdienst zijn tijd nog wel zal duren. Meer stelt dat gedachtegoed niet voor. In zijn doodsnood wil Danneels de argumenten van zijn eigen grafdelvers nog tot de zijne maken, ten koste van het laatste schaamtegevoel.
Ik bedoel maar: ook onder de dekmantel van uw beider ecclesiastische obese bonhomie ...kan een echte vrijzinnige, iemand die geen lid is van enige door u genoemde vereniging, zijn schaapjes nog wel herkennen hoor!
Over ernstige zaken gesproken: als zijnde onnozel verwerp ik uw veronderstelling dat bepaalde obscurantismen vanzelf wel zullen verdwijnen. Ik ben een Burger, en wat u daar vertelt is een senator niet waardig, maar goed u bent verkozen. Toch, u moet enig benul van geschiedenis hebben mag ik veronderstellen: er is nog nooit een obscurantisme enkel met de tijd verdwenen. Uw woordgebruik is significant, en ik begrijp u, zulk een woordeke zet uw kuddeke aan tot passiviteit. Per slot van rekening wordt er van Hierboven bestuurd. Helaas heer Nimmegeers, u zit niet meer aan de knopjes van de vluchtsimulator van uw god. Er komt helemaal géén gedomesticeerde islam in de tijdsschaal die u en ik kunnen overzien.
Een Algerijnse generaal zei ooit in een openhartige bui: Cet islam modéré, je ne vois pas de quoi ils parlent! Er is inderdaad maar één rechte islamleer. Hen kun je geen hypocrisie verwijten, en katholieken kunnen enkel jaloers toekijken zeker?
Waar wij burgers van Europa echter recht op hebben is: een Europees straatbeeld. Er moeten een aantal minimale eisen worden gesteld. Ik heb er niet voor gekozen om in Anatolië te wonen, net zomin als ik de Anatoliërs wens te europeaniseren, gesteld dat zoiets mogelijk zou zijn en zij dit zelf ook zouden overwegen. Nee, hier zijn we in Europa, en ook de symbolen van onze cultuur zijn belangrijk.
U wil het debat smoren, eerwaarde heer Nimmegeers, maar het debat over het openlijk dragen van de symbolen van een cultuur die de onze op termijn, maar zonder omwegen wenst af te schaffen: bij dat debat bent u niet van tel.
Citoyen Nimmegeers, ik begrijp u ook ten dele hoor, u meent het ongetwijfeld goed, maar tracht niet de aandacht af te leiden van de werkelijke wereld, want er is er geen andere.
Mijn burgerlijke groet,
Marc Vanfraechem






Hoe Nimmegeers discussies wil afsluiten
(iedereen die van een kort zondagspreekje houdt zal hier aan zijn trekken komen)


----- Original Message -----
From: Staf Nimmegeers
To: Marc Vanfraechem
Sent: Sunday, October 17, 2004 7:46 PM
Subject: RE: goedmenendheid volstaat niet
Beste
Mijn column heeft u wel erg geraakt en houdt u blijvend bezig.
Ik eerbiedig uw levensbeschouwing tenvolle, mijn beste vrienden zijn trouwens niet gelovig (lees mijn boek met Yves Desmet, 'Gesprekken in Jeruzalem', Lannoo).
Dat ik niet over de Verlichting zou mogen spreken doet me denken aan een zeer dogmatische houding die trouwens ook uit de meeste van uw woorden en woordkeuze spreekt.
Veel lezen, veel reizen, veel contact met andere mensen (ook andersdenkenden) is een suggestie voor u, dezelfde suggestie die ik ook geef aan conservatieve katholieken.
Want evenals u, leven zij niet toekomstgericht, blijkbaar is die houding niet aan hen besteed.
Discussie gesloten.
Hartelijk
Staf Nimmegeers



Ik heb hem enkel dit nog geantwoord, al was natuurlijk "de discussie" gesloten:


----- Original Message -----
From: Marc Vanfraechem
To: Staf Nimmegeers
Sent: Sunday, October 17, 2004 6:24 PM
Subject: Re: goedmenendheid volstaat niet


ik stel vast dat u elk inhoudelijk argument terzijde schuift
dat u mij een pastoorspreekje geeft waarin u enkele suggesties doet, die ik niet nodig heb
dat u graag inhoudloze termen als "toekomstgericht" en dergelijke hanteert
en dat u vooral graag discussies wil afsluiten




Gedenkplaat in Parijs (nabij Montmartre) en de Rue du Chevalier de la Barre

16 oktober 2004

Voluntarisme in de XVIIIe E.

.

Samenspraak in 1770, tussen een rechter (le président), een ridder, en een markies (die op dit moment eventjes afwezig is), over economie en politiek.

Le Chevalier
Alors l’enthousiasme est encore pire que jamais.
Le Président
Comment cela?
Le Chevalier
Parce que toute la science de la conduite des hommes, toute la science de l’administration, aussi bien que toute la science de la manœuvre d’un vaisseau se réduit à ce seul et unique principe très-simple et très-court, nil repente, rien tout-à-coup. Pour faire bonne route il faudra virer de bord. C’est bien, mais si vous tournez trop court, l’eau entre par les sabords, le vaisseau est englouti des ondes et tout est dit. Vous manquez l’objet, le moyen, vous manquez tout, vous périssez. Il ne suffit pas de savoir à quel but on veut mener les choses, il faut savoir les y conduire; et cette conduite est difficile, puisqu’il s’agit d’éviter toujours les mouvemens [oorspronkelijke spelling] trop rapides, trop précipités, d’adoucir par des voies courbes l’excessive vitesse de la ligne droite; et comme la ligne droite est la plus courte, il vous faut allonger le chemin et perdre du temps. Or rien n’est si contraire à l’enthousiasme qui veut tout faire et tout faire à l’instant, qui ne sait jamais attendre, qui brûle et se dévore d’impatience. Ainsi soyez persuadé qu’enthousiasme et administration sont deux mots contradictoires, et que même en allant au port de cette fameuse évidence, en supposant qu’on l’ait apperçu [sic], il ne faut jamais tellement prêter le flanc au vent et à la vague que le vaisseau fasse calotte. C’est-là le principal, on arrivera quand on pourra, mais il faut arriver.
Le Président

Cela est vrai […].

Ferdinand Galiani
Dialogues sur le Commerce des Bleds (1770)
CORPUS des ŒUVRES de PHILOSOPHIE en LANGUE FRANÇAISE

Fayard, 1984, pp. 208-9

Administratieve vereenvoudiging in de XVIIIde E.

.

Samenspraak in 1770, tussen een rechter (le président), een ridder, en een markies (die op dit moment eventjes afwezig is), over economie en politiek. Er was toen nog geen staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging, maar dat betekent niet dat er geen inspanningen werden geleverd.


Le Président:
Mais du moins croyez-vous que nous fassions des progrès, quelle qu’en soit la cause.
Le Chevalier:
Je le crois.
Le Président:
Et espérez-vous qu’avec le temps nous puissions parvenir à voir la perception des impôts simplifiée, la charge proportionnelle au revenu, le tarif rendu uniforme, et reculé aux frontières, la variété gênante des provinces de l’État, d’élections étrangères, réputées étrangères, abolie; les loix rendues claires et générales, l’absurde bigarrure des coutumes détruite, le grand nombre de charges inutiles supprimé, et mille autres améliorations qui restent encore à faire.
Le Chevalier:
Si… Mais voici le Marquis qui arrive.

Ferdinand Galiani
Dialogues sur le Commerce des Bleds (1770)
CORPUS des ŒUVRES de PHILOSOPHIE en LANGUE FRANÇAISE
Fayard, 1984, pp.212-3
.

13 oktober 2004

Over de heilige Augustinus

.

Garry Wills
Saint Augustine’s Childhood
Confessiones Book One
Viking, 2001

Dit is een verbluffend boek. Het eerste van een reeks van vier, en drie deeltjes zijn inmiddels verschenen; naast Childhood ook Memory en Sin. Garry Wills vertaalt stukken uit de Confessiones van Augustinus en licht ze toe. Eerder schreef deze auteur een biografie van Augustinus.
Vanzelfsprekend, vóór hem deden anderen dat ook: er zijn massa’s vertalingen gemaakt. Maar Garry Wills doet het anders dan de anderen: hij toont Augustinus terwijl die zijn tekst nog aan het schrijven is. Hij toont beweegredenen, ambities van die man.
Dat doet Wills om te beginnen door zijn vertaling in een tijdloos Engels. Hij doet dat speciaal ook door de stijlkenmerken van Augustinus in de verf te zetten. Waarom kiest Augustinus juist dát woord en niet een ander, dat net hetzelfde zegt? Augustinus was iemand die zich graag op zijn stijl en vorm liet voorstaan, en Wills laat hem het meest schitterende Engels schrijven.
En tegelijk zijn er de glossen en eindnoten en verklarende stukken, soms gemaakt op grond van onontgonnen of vergeten materiaal uit Vaticaanse handschriften. We krijgen Vergilius, Martialis, Hiëronymus; duizelingwekkend is het wat deze vertaler zo ongedwongen en moeiteloos laat zien.
Wills heeft ook, voor zover zoiets mogelijk is, alles gelezen dat Augustinus zélf moet hebben gelezen. Hij gaat bijvoorbeeld enkel uit van de hier en daar gebrekkige Latijnse bijbelvertaling die Augustinus ter beschikking had. Die man was aangewezen op een Latijnse vertaling, want hij kon nauwelijks Grieks lezen. Grieks spreken deed hij helemaal niet. Zoals Augustinus zelf toegeeft: hij had op school nooit goed opgelet. De heilige Hiëronymus beschouwde hem om die reden nooit als een volwaardige intellectueel en beschimpte hem.
Als resultaat van dit alles klinkt Augustinus bij Wills veel minder “theologisch” dan in andere vertalingen. Door de manier van werken van Wills, die Augustinus zoals gezegd probeert te benaderen vanuit diens leef- en leeswereld, wordt het voor de lezer plots duidelijk dat veel van die theologische kwesties, hoe futiel en achterhaald en muggezifterig ze mogen lijken, meestal gewone en bijna banale wetenschappelijke moderne vragen zijn. Vragen uit de logica bijvoorbeeld, de fysica, de biologie, of de vraag hoe zich het bewustzijn van een kind ontwikkelt, hoe taal zich ontwikkelt.
Augustinus heeft een brede definitie van taal. De glimlach van een moeder naar haar pasgeborene valt voor hem onder het begrip. Meer nog: al van in de moederschoot spreekt de ongeborene tot zichzelf, onder invloed van de muziek der taal die hij daar ter plekke hoort. Elke gedachte en verbeelding is per slot in taal uitgedrukt zegt Augustinus. Maar het ontstaan van die taal kan hij niet verklaren. Het is een gave Gods, voorbij de grens van het menselijk begripsvermogen. Het is zelfs onrechtvaardig dat hij, hoewel met rede begiftigd, niettemin een aantal zaken onverklaard moet laten. Aan hem ligt het niet!
Om de kracht van de taal te illustreren geeft Augustinus een gedurfd voorbeeld, dat je laten we zeggen bij Chomsky niet direct zult aantreffen. We vinden het voorbeeld in de randnoten van Wills, want het komt uit een ander boek van Augustinus, met de aanlokkelijke titel: "Over de Drievuldigheid". Het grappige hierbij is dat je op de talloze internetsites die aan Augustinus zijn gewijd juist dit fragment nergens zult aantreffen; De Trinitate vind je makkelijk, maar telkens net niet die zin.

Maar voor we daartoe komen, moet u mij een korte digressie toestaan. Ik heb altijd een slecht gevoel gehad als ik de naam Ludwig Wittgenstein hoorde ...niet dat ik van die man iets gelezen heb, daar kan het niet aan liggen, nee, louter omdat ik te veel mensen tegenkom die enorm van die filosoof opgeven. Soms krijg ik de indruk dat iedereen behalve ik Wittgenstein heeft gelezen, en dat ze er nog van genoten hebben ook.
Nu kun je bij Garry Wills mooi nalezen dat Wittgenstein alvast bij één gelegenheid ...aantoonbaar uit zijn nek kletst. Kijk, wie vindt het niet aangenaam om er getuige van te zijn dat een auteur waar hijzelf nogal tegenop ziet gewoon wordt wéggeblazen?
Hij vroeg er ook om, want in een van zijn boude beweringen zegt helaas Ludwig Wittgenstein iets over het begrip taal bij Augustinus, en wat blijkt? Hij kent niet eens de basistekst ...waarin lijnrecht het omgekeerde staat van wat hijzelf dacht dat er stond. Der Ludwig hätte schweigen müssen!

Laten we vlug lezen wat Augustinus te vertellen heeft. Geen saaie piet aan het woord, maar een eersterangsauteur die perfect weet wat hij zijn lezers wil voeren
ook zie je in één oogopslag wat voor een kei van een vertaler Wills is:

So powerful is the soul’s active power of imagining things, its ability to mould an inner reality, that Augustine wondered at its creativity even in sinful misuses of it (Trinity 11.2.7):
“I recall hearing from a man that he could ordinarily hold in thought such a solid and, as it were, tangible image of a woman’s body that he felt as if he were in intercourse with her, to the point of ejaculation, so strong is the power of the soul’s imaging over the body – it can shift the body around, the way the body shifts the hanging of a cloak by its motions, making the cloak conform to its contours.”

De wetenschap der theologie is per saecula een pak saaier geworden!.

.

10 oktober 2004

Zou de groenteboer dat echt al weten?

.
De stukken waarin Van het Reve Freud ontmaskert als een oplichter zijn zeer goed, vaak ook nog grappig, onmisbaar eigenlijk. Maar tegenwoordig weet iedere groenteboer dat Freud een oplichter was [...].

Arnon Grunberg leest Karel van het Reve
Rainbow Pocket, 2004
in het Voorwoord.

Delocalisatie en kapitaalvlucht in de XVIIIde E.

.
De l’industrie des Manufactures vous devez attendre la guérison des deux grands maux de l’humanité, la superstition et l’esclavage. Et ces mêmes Manufactures si importantes à conserver, sont néanmoins très-délicates à manier, car le Manufacturier peut s’en aller pendant que l’agriculteur doit rester.

Abbé Ferdinand Galiani
Dialogues sur le Commerce des Bleds (1770)
CORPUS des ŒUVRES de PHILOSOPHIE en LANGUE FRANÇAISE
Fayard, 1984, p. 113

De Amicitia

.
Vriendschap is mooi maar in de politiek, hoor je vaak zeggen, komt vriendschap bijna nooit voor. Politici hebben het ontzettend druk en hun tijd is schaars. Toch zijn er uitzonderingen.
Dehaene-Tobback is zo’n uitzondering heb ik ergens gelezen. Die twee komen inderdaad vaak samen op de buis als er in de Belgische politiek belangrijke zaken aan de orde zijn, of anders als er zaken zijn waar de jongere generatie politici niet uit raakt, en bij die gelegenheden spreken zij elkaar nooit aan met de familie­naam, maar altijd met Louis en Jean-Luc. De interviewster blijft keurig mevrouw. Dat zullen dus wel vrienden zijn; temeer daar beiden lid zijn van verschillende partijen lijkt het me niet uitgesloten, en Louis is socialist zoals bekend en Jean-Luc christelijk.
Ook over de taalgrens heen kan de vriendschap, zoals men zegt bruggen slaan. Iemand vertelde me dat de oude Eyskens, de man van het Sleutelplan en van de Eénheidswet, heel goede maatjes was met André Cools, de man die later in Luik met een pistool werd doodgeschoten.
Maar zelfs binnen de schoot van één partij komt vriendschap voor: in vele inter­views kun je nalezen hoe Dirk Sterckx tot het liberalisme werd bekeerd door zijn vriend Karel De Gucht. Sommigen zullen zeggen dat we hier met een randgeval te maken hebben, want aanvanke­lijk was Dirk niet blauw, maar wel al bevriend met Karel. Dat is juist, maar in elk geval heeft zijn toetreding tot de partij hun weder­zijdse vriendschap niet bedorven en zelfs heeft Dirk zijn vriend later in moeilijke momenten nog flink geholpen.

Vriendschappen tussen politici komen meer voor dan wij denken, al was het maar omdat er ook gevallen moeten zijn waar wij geen weet van hebben. Daarbij, om met Phil Bosmans en Staf Nimmegeers te spreken: vriendschap kost enkel een beetje tijd. Phil en Staf zouden trouwens ook vrienden kunnen zijn zonder dat wij daarvan op de hoogte zijn, maar ze vallen buiten ons bestek omdat wij nu over politiek spreken.

Vaak staan niet eens continenten de vriendschap in de weg! Zo herinner ik me Henry Kissinger en Golda Meïr. Indertijd was daar veel om te doen, en de kranten vertelden alles op een eigenaardig toontje want er was de complicatie dat die twee van verschillend geslacht waren. Hetzelfde met Thatcher en Reagan.
In die dagen deden politici nog niet veel interviews en ze hadden bijgevolg weinig omhanden. Margaret had bovendien geen omzien naar haar huishouden, want dat werd omzeggens helemaal door haar man gedaan, Denis; zij kon dus flink wat tijd overhouden voor Ronald met zijn anekdotes over de film. Die Kissinger pendelde wat, of hij pingpongde, maar veel was er nooit aan de hand. Van Golda weten we minder, maar de hele sabbat zal ze wel vrij gehad hebben.

Komen zulke intercontinentale vriendschappen ook nu nog voor?
Net zagen we Bush in de VN-gangen “Hé, kaffer!”, of was het “Hé, koffie!” roepen, en ver­vol­gens gaf hij schouder­klopjes aan de Voorzitter van de Verenigde Naties. Ook legde hij bij herhaling zijn handje op de rug en in de lenden van die man. Maar om dat meteen vriend­schap te noemen? Daartoe moet er eerst sprake zijn van zekere zielsverwant­schap! Unilaterale ruggestrelingen en Texaanse kreten kunnen een aanzet zijn, maar meer niet. De beelden waren te kort om een oordeel te geven, maar ik geloof niet dat er bij die gelegenheid twee continenten met elkaar in ontmoeting zijn getreden.

Anders is het met Günter Verheugen en Recep Tayyip Erdoğan.
Laten we die mensen even voorstellen. Die Verheugen is geen Vlaming zoals ik eerst dacht, maar een Duitser en hij heet eigenlijk Verhoigen of Vérhoigen, maar dat wordt in het Duits anders geschreven. Verhoigen heeft een klein jaartje stage gelopen als Duitse Buitenland­minister, een post die weinig om het lijf heeft, en daarna is hij lid kunnen worden van de Europese Commissie. Zulke promotie komt meer voor. Het ging wat snel misschien deze keer, maar verder is er niets aan de hand.

Günter spreekt de laatste tijd vaak over zijn vriend Recep Tayyip, en over het vertrouwen dat zij in elkaar hebben, maar vooraleer we daarover verder gaan kan misschien de naam van Günters vriend uw nieuwsgierigheid gewekt hebben.
Inderdaad, Recep Tayyip klinkt voor ons heel raar, maar dat komt enkel omdat die man Turks is, zodat wij in zijn naam geen enkele Europese stam kunnen herkennen.
Neem de situatie dat je op de trein in gesprek raakt met een koppeltje dat zich voorstelt als Jekaterina en Pavel. Dan denk je al vlug: juist… Pol en Katrien. Moeilijker is het als ze Lindsey en Kevin heten maar dankzij de kabeltelevisie went ook dat. Voor Aziatische stammen echter heb je al direct een schotelantenne nodig, en niet iedereen heeft die.

Voor we verder gaan over de vriendschap tussen Günter en Recep: de functie van Recep is nog niet vermeld. Wel, Recep is niet enkel Turks, hij is de premier van Turkije. Aan piloten van chartermaatschappijen moet je niet uitleggen waar Turkije ligt, zij weten dat ze richting Oosten, of Azië moeten kiezen en dan zitten ze goed, maar het brede publiek heeft geen idee. Dat publiek vliegt tenslotte enkel mee, ziet onderweg nooit een kompas, en in een vliegtuig verlies je je benul van afstanden.

Wat je vroeger in de hoogste klassen van de lagere school zag, dat was een grote kaart aan de muur die de hele wereld voorstelde. Die kaarten zijn tegenwoordig te vinden op rommel­markten, want in de klassen hangt nu de creatieve inbreng van de leerlingetjes zelf, ofwel een affiche. Op die aardbolkaart konden geen details worden weergegeven; Engeland kon je nog net zien, maar bijvoorbeeld Cyprus was te klein en stond er niet op. Die kaart was groot maar weer niet zo groot. De continenten waren eenvormig ingekleurd. Blauw was voor de zee. Azië, heel logisch, kreeg geel. Afrika was donker gekleurd, ik meen donker­paars. Europa was groen. Met wat voor kleuren die andere continenten waren ingekleurd weet ik niet meer, maar ze waren duidelijk onderscheidbaar, en beide polen hadden de vorm van een horizontale witte streep. Dat laatste is een kleine fout zullen geologen opmerken want de Noordpool is geen continent, maar een bevroren stuk zee waar je zelfs onderdoor kunt varen als je over een Nautilus beschikt. Dat had dus ook blauw gemoeten. Die kaart was niet perfect. Zo waren alle kleurvlakken ten opzichte van de zwarte contouren een ietsje verschoven, waardoor de continenten een klein streepje blauw hadden aan één kant. Dat stoorde mij meer dan die polen waar ik toen nog niets van afwist.
Wat je wel kon zien was dat Turkije even geel was als Indië en China. Over Constantinopel kan ik me niet uitspreken want ik weet niet meer of er misschien een klein vlekje geel was op de plaats waar de grote kerk van de Heilige Wijsheid staat; ik denk dat de makers van die kaart dat stukje gemakshalve groen hadden gelaten, wellicht om druktechnische redenen.

Over die kerk gesproken, keizer Justinianus had er in de jaren vijfhonderd, vólle vijf jaar voor nodig om dat werk af te krijgen. Tegenwoordig zetten wij wel ingewikkel­der gebouwen, vaak met honderden bureaus erin, ik denk aan het Schumanplein in Brussel. Zulke werken duren vanzelfsprekend langer. Onze Justinianus was overigens geen man om vriendschap mee te sluiten, want toen zijn kerk af was riep hij: Salomon, ik heb u overtroffen!

Recep en Günter zul je nooit horen roepen. Die mannen weten wat vriendschap is en stil en ongedwongen hebben ze veel voor elkaar over. Wat Günter erg betreurt is dat zijn vriend altijd op een ander continent zit, en dat is begrijpelijk want je hebt je vrienden graag dichtbij. Recep zou het zelf ook anders willen. Maar volgens velen gaan zij de laatste tijd nogal ver in hun vriendschap. Om elkaar te troosten hebben ze nu praktisch op eigen houtje besloten om een soort continentale drift teweeg te brengen, en daar schijnen vele onderdanen van Günter niets voor te voelen. Bij aardverschuivingen vinden die, zijn de gevolgen niet te overzien. Günters onmondige onderdanen zouden liever een soort hoffelijke verbintenis zien, zonder dat het geel en het groen te ver over de lijntjes moet komen. Ik zie ook wel iets in zo’n verbintenis, en heb een constructief voorstel.

Enkelen onder ons zullen zich herinneren hoe vroeger koninkrijken al eens verenigd raakten in een Personele Unie. Dat was een duistere term, en wat ik er nog van weet is dat het vaak met een koninklijke trouwpartij gepaard ging, en dat die Unie ten einde kwam als het met dat huwelijk afgelopen was. Ook weet ik nog dat op een bepaald moment Luxemburg verenigd was met de Nederlanden, in een Personele Unie. In ieder geval was zo’n Unie altijd een tijdelijke kwestie.

Misschien weet iemand of vorst Günter dochters heeft, ik weet het niet, en ook als hij die heeft zullen ze vermoedelijk te oud zijn voor wat ik op het oog heb, maar misschien zijn er wel kleindochtertjes, of anders nichtjes. Enige voorwaarde is dat het gaat om meisjes van negen of iets ouder, en dat ze dichte familie van vorst Günter zijn. Hij kan er dan ééntje uithuwelijken aan sultan Recep, en we hebben allemaal wat we willen.


Kleine geschenken onderhouden de vriendschap !
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html