28 augustus 2006

263 jaar geleden werden delinquente jongeren nog anders opgevangen

.
Een zeventienjarige Venetiaan, doctor in beide Rechten, die wellicht enkele meubelstukken te gelde had gemaakt die hem strikt genomen niet toebehoorden, en die ten tweede onterecht werd beschuldigd van een homo-erotische activiteit, wat voor een "abbé" –hij heeft de lagere wijdingen ontvangen– vanzelfsprekend volstrekt verboden was, wordt opgesloten in een fort even buiten de stad. De majoor, commandant van het fort, spreekt hem toe (ik vertaal vlug, maar de oorspronkelijke Franse tekst staat verderop, en is een stuk charmanter) :

Voor het moment, monsieur l’abbé, zijn mijn orders enkel om u hier in het fort onder arrest te houden, en in te staan voor uw persoon. Als cel geef ik u heel de vesting. U hebt een goede kamer, en gisteren heeft men daar uw bed binnengebracht, en uw koffer. U kunt wandelen waar u maar wenst, en bedenk dan dat, mocht u ontsnappen, u de oorzaak van mijn ondergang wordt. Het spijt mij dat het mijn orders zijn om u slechts tien stuiver per dag te geven; maar als u in Venetië vrienden hebt die u geld kunnen geven, schrijf dan, en vertrouw op mij voor wat de veiligheid van uw brieven aangaat. U kunt gaan slapen, mocht u dat kunnen gebruiken.
Men bracht mij naar mijn kamer, die er mooi uitzag, één hoog en met twee vensterramen die mij een schitterend uitzicht boden. Ik zag mijn bed, dat opgemaakt was, en ook mijn koffer waarvan ik de sleutels bij me had, en die ze niet geforceerd hadden. De majoor had de attentie gehad om mij op een tafel al het nodige schrijfgerei klaar te laten leggen. Een Slavonische soldaat kwam mij beleefd zeggen dat hij me ten dienste zou staan, en dat ik hem kon betalen wanneer ik de mogelijkheid daartoe zou hebben, want iedereen wist dat ik maar tien stuivers had. Na een lekkere soep gegeten te hebben sloot ik mij af en ging in bed liggen, waar ik negen uur heb geslapen. Toen ik weer op was, liet de majoor mij inviteren voor het souper. Het ging allemaal nog zo kwaad niet zag ik.
Ik vervoeg mij bij deze keurige man, die ik aantref in groot gezelschap. Hij heeft mij eerst zijn vrouw voorgesteld en vervolgens noemde hij mij alle andere aanwezigen op. Een aantal militaire officieren waren het, op twee na, waarvan één de aalmoezenier van het fort, en de andere een muzikant van de San Marcokerk, Paolo Vida van naam, wiens vrouw de zus van de majoor was, jong nog, en haar man had haar in het fort ondergebracht omdat hij jaloers op haar was, en al wie jaloers is zit in Venetië in een slecht parket. De andere vrouwen daar waren niet mooi en niet lelijk, niet jong en niet oud; maar door hun welwillende maniertjes vond ik ze allemaal interessant.

Ik wil maar zeggen, om onze haastige ministers te troosten die weer à la minute nieuwe regeltjes hebben moeten verzinnen: in dit geval hebben jullie gelijk! Wij kunnen jongeren het inderdaad niet aandoen om, bovenop het feit dat zij van hun vrijheid worden beroofd, hen naar een match van de Rode Duivels te sturen. Zo weinig echte Belgen zijn daarvoor te strikken, en tenslotte gaat het om inburgering.

Actuellement, monsieur l'abbé, je n'ai autre ordre que celui de vous tenir dans le fort aux arrêts, et de répondre de votre personne. Je vous donne pour prison toute la forteresse. Vous avez une bonne chambre, où on a mis hier votre lit, et votre malle. Promenez-vous où il vous plaira, et souvenez-vous, que si vous vous échappez, vous serez la cause de mon précipice. Je suis fâché qu'on m'ait ordonné de ne vous donner que dix sous par jour ; mais si vous avez des amis à Venise qui soient en état de vous donner de l'argent, écrivez, et fiez-vous à moi pour ce qui regarde la sûreté de vos lettres. Allez vous coucher si vous en avez besoin.
On m'a conduit dans ma chambre qui était belle, et au premier étage avec deux fenêtres qui me procuraient une vue superbe. J'ai vu mon lit fait, et ma malle, dont j'avais les clefs, et qu'on n'avait pas forcée. Le major avait eu l'attention de me faire mettre sur une table tout le nécessaire pour écrire. Un soldat esclavon vint me dire poliment qu'il me servirait, et que je le paierais quand je pourrais, car tout le monde savait que je n'avais que dix sous. Après avoir mangé une bonne soupe, je me suis enfermé, puis je me suis mis au lit, où j'ai dormi neuf heures. À mon réveil le major me fit inviter à souper. J'ai vu que cela n'allait pas si mal.
Je monte chez cet honnête homme que je trouve en grande compagnie. Après m'avoir présenté à son épouse, il me nomma toutes les autres personnes qui étaient là. Plusieurs officiers militaires excepté deux, dont l'un était aumônier du fort, l'autre un musicien de l'église de Saint-Marc nommé Paolo Vida, dont la femme était sœur du major, encore jeune, que le mari faisait habiter dans le fort à cause qu'il en était jaloux, car à Venise les jaloux se trouvent tous mal logés. Les autres femmes qui étaient là n'étaient ni belles ni laides, ni jeunes, ni vieilles; mais leur air de bonté me les rendit toutes intéressantes.

Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Suivie de textes inédits
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Robert Laffont, 1993, 2002

17 augustus 2006

Over de Franstalige cortex


De vraag of de Franstaligen van Brussel en de Vlaamse Rand intellectueel minderwaardig zijn ­– zoals minister-president Leterme in Libération beweerde ­– is, om het op zijn Brussels te zeggen, niet-in-een-ik-en-een-gij te beantwoorden. Voer voor psychologen.

Puur als amateur wil ik mij wel aan een antwoord wagen, maar daarbij zou ik niet graag in aanvaring komen met de professionals van het Anti-Discriminatiebureau. Yves Leterme zelf zag dat gevaar ook, en van zijn eigen moed wellicht wat geschrokken heeft hij rap laten weten dat het maar om te lachen was. Onnodig wat mij betreft, want in het zicht van de verkiezingen had ik hem ook zo begrepen.

Maar over zijn uitspraak zelf nu: zijn inderdaad onze Franstalige medemensen cerebraal minder- of toch andersvalide?


– Een kleine excursus van prof.dr.sc..Elio di Rupo (die blijkbaar insinueerde dat Leterme zich in het Frans niet kan uitdrukken, én dat Libération ook journalisten in dienst zou hebben die een interview in het Nederlands aankunnen): “Comment dire ...het iis aan Lienks op de prentsche wej zien de center voor te verstaan of te begreeip die tael, en aan Rex tis proper gezeg, voor te spreek hemzelf”.

Voer voor psychologen dus, maar helaas: ik vermoed dat hun antwoorden zullen verschillen al naargelang de school waartoe zij behoren. Een behaviorist zal misschien zeggen dat de proefopstelling met de faciliteiten wetenschappelijk gesproken voldoende tijd in beslag heeft genomen, dat veel kredieten ondertussen zijn opgebruikt, en dat na al die jaren er bij de Franstalige onderzoeksobjecten (die hij ter vereenvoudiging zich voorstelt als zwarte dozen met een in- en output) geen significante verschillen worden genoteerd. Zo’n resultaat kan aan veel factoren liggen – slechte proefopstelling, slechte of ontbrekende bedrading binnenin die dozen misschien, maar over dat laatste kan onze behaviorist per definitie niets vertellen want hij houdt zich enkel bezig met in- en outputs. Op zich is dat nuttig, maar laten wij ook eens kijken wat anderen misschien te vertellen hebben.
Ik stel voor dat wij de geit bij de horens vatten en meteen bij Alfred Adler te rade gaan, de middelste van de drie gebroers Freud, Adler & Jung, en de man van de orgaanminderwaardigheid. Mogen wij nu – omdat uit vele cijfers blijkt dat overal, dus niet enkel in België het pover is gesteld met de talenkennis van de francofonen – mogen wij daaruit besluiten dat Franstaligen, gemiddeld welteverstaan, over een erbarmelijk stel hersens beschikken?
Ik meen van niet, al zijn er natuurlijk voorbeelden genoeg die mij tegenspreken. Denken wij nog maar aan Laken, waar de taalbaden zo weinig effect hebben. Een slecht exempel echter, zou hier onze arme koningin zijn, die thuis immers Italiaans sprak. Ik denk meer aan haar nazaten. Trouwens die koningin was vroeger heel mooi, en bij haar Blijde Intrede in Gent moesten wij met de jongens van de school defileren aan het Zuidpark, langs de tribune waarop zij gezeteld was, en dat liet ons niet onberoerd maar wij hielden ons gemak en begonnen niet zoals baron Vastapane schunnige liedjes te zingen in de trant van: “En maane vlieger, mee zaane steert, hij goat omhuuge, ‘t es ’t ziene weerd”.
Nee, orgaanminderwaardigheid is het ook niet.
In Brussel ben je als Nederlandstalige nog gelukkig als je te horen krijgt: Ah, keske c’est difficile le flamand! .Ze doen dan net of l’allemand en l’anglais stellen minder een probleem, enkel het Nederlands doet dat. Maar eigenlijk is er maar één taal die zij gemakkelijk vinden, en een andere vertikken zij te leren. De anderen moeten zich maar aanpassen ofwel opkrassen is hun devies. In Zwitserland is het Schwytzerdeutsch te moeilijk, in België het Nederlands. In Brussel lijkt zelfs goed Frans hen te moeilijk, zou ik als Nederlandstalige willen opmerken, mais passons: het is niet eenvoudig voor verfranste Vlamingen om de echte Fransen te imiteren.

Het ligt aan de Franse XVIIde en XVIIIde E., periode die Franssprekenden zowat overal ter wereld (met uitzonderingen: we hebben het hier bv. niet over Québec) met een hopeloos verouderd superioriteitsgevoel heeft opgezadeld. Begrijpelijke nostalgie naar een tijd toen heel Europa nog Frans sprak, van Lissabon tot Moskou. Maar zelfs al in de XIXde E. waren zij lichtelijk belachelijk, zoals de dichter Heinrich Heine hier liefdevol noteert (hij bracht de tweede helft van zijn leven in Parijs door):

Es will mich manchmal bedünken, als seien die Köpfe der Franzosen, eben so wie ihre Kaffeehäuser, inwendig mit lauter Spiegeln versehen, so daß jede Idee, die ihnen in den Kopf gelangt, sich dort unzähligemal reflektiert: eine optische Einrichtung, wodurch sogar die engsten und dürftigsten Köpfe sehr weit und strahlend erscheinen.
Die romantische Schule, Paris 1835
Vaak komt het mij voor als waren de koppen van de Fransen, net als hun cafés vanbinnen louter met spiegels bekleed, zodat elk idee dat hun kop te binnen schiet daar ontelbare malen gereflecteerd wordt: een optische inrichting waardoor zelfs de meest benauwde en schamelste koppen zeer ruim en stralend lijken.

.

11 augustus 2006

Brice analyseert !

.
Volgens Brice – u weet wel: de kerel die, toen ouders van vermoorde kinderen aandrongen op voorzichtigheid bij voorlopige invrijheidstelling, hen de raad gaf …niet het kind met het badwater weg te gooien (deze vulgariteit kunt u nalezen in De Morgen van 22 mei jl.*) – welnu volgens deze Brice is het tegenwoordig al de schuld van het Belang, meer bepaald van Dewinter, als een ouwe vent zijn buurman doodschiet omwille van een veranda.
Wat moet de paniek groot zijn in de VLD, dat zij iemand met zulke ridicule boodschap het veld insturen. En al stond de arme Brice natuurlijk niet op de eerste rij toen het verstand werd uitgedeeld – een toevalligheid die hem inderdaad geknipt maakt voor zijn rol: het blijft lelijk van Verhofstadt, De Gucht, Dewael & co, om een onnozele hals zulke vertelseltjes in te fluisteren in de hoop dat hij ze zal doorzeggen.
Al moet ik in hùn voordeel weer zeggen dat zij op die manier een bijna verdwenen traditie in stand houden. In vele dorpen zal zij teloor zijn gegaan, maar in mijn buurt, vlak bij de Gentse rosse buurt zie je het nog: een plaatselijke simpele die in ruil voor een vriendelijk woord en enkele povere centjes de commiskes doet voor het personeel dat echt werkt.

* DM: De ouders van vermoorde kinderen klagen ook daders aan die onterecht te vroeg zijn vrijgekomen. "Dat kan gebeuren, vergissingen zijn menselijk. Een vervroegde vrijlating is een berekende gok. Maar ik geloof dat het meer voordelen dan nadelen heeft. Je mag het kind niet met het badwater weggooien."

[En dat die ouders daders zouden hebben aangeklaagd is natuurlijk een onzin die enkel op rekening van de taalvaardigheid van de Morgenjournalist komt. De man bedoelde te zeggen, maar slaagde daar niet in, dat de ouders die vrijlating aanklagen... bon, on fait avec]

4 augustus 2006

L'ostracisme est un humanisme

.
Wat heeft onze vriend Yves Desmet toch weer lelijk de vinger in eigen oog gestoken met zijn artikeltje over de gebeurtenissen in Maasmechelen. Feiten waren er op dat moment nauwelijks bekend maar dat detail kon hem niet verhinderen een categoriek, moreel oordeel uit te spreken over alle betrokkenen en hun motieven. Lynchpartij, burgers die het recht in eigen hand nemen, omerta.
Desmet kan het ook zonder feiten: hij en De Morgen hebben geen politioneel onderzoek nodig, laat staan een rechter. Hun analyse staat los van die kleinigheden aangezien zij op een zekere immanentie berust.
Je hoort wel zeggen dat Vlaanderen een ontkerstend land is, compleet gelaïciseerd en met nog amper 3,7 percent kerkbezoekers, maar Desmet levert het bewijs van het tegendeel. Het Geloof is hier helemaal niet verdwenen, het heeft enkel een gedaanteverwisseling ondergaan. Desmet in ieder geval ziet er geen been in om medeburgers lichtzinnig te veroordelen in naam van zijn onbenoemde ideologie.
In dat nieuwe Geloof is één der cardinale deugden de snelheid. Marktgedreven als hij is denkt Desmet zelfs – al verkopen zijn waren almaar slechter – dat SNELHEID het enige criterium is in de journalistiek, en op pure vitesse pakt hij inderdaad iedereen. Niet zo verwonderlijk als je niet op feiten hoeft te wachten om te schrijven wat je al lang weet.
Eigenaardig: niemand in de andere ernstige media lijkt nog te willen terugkomen op Desmets premature analyse. Nu weet ik wel dat er in Vlaanderen geen intellectueel debat bestaat, en misschien ook speelt hier een zekere schroom, of in het slechtste geval platte camaraderie. Want zijn vakbroeders beseffen natuurlijk dat Yves zijn hand heeft overspeeld.
Helaas, ook zedig zwijgen is instemmen, en de collega’s zwijgen eendrachtig. Wellicht omdat zij vinden dat vriend Yves zich misschien, enfin, laten wij zeggen inderdaad, iets te snel en iets te verkeerd – toch op het rechte pad heeft begeven.
Bloggers hebben minder last van zulke genegenheden, en zij noemen iemand die over de schreef gaat al snel ongeloofwaardig, zeker als de kerel geen aanstalten maakt om zich meteen de dag daarop te verontschuldigen. Misschien dat blogs daardoor zo’n opgang kennen?


.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html