29 juni 2011

Heidense klassieken

.
“Als paarden en ossen goden hadden, dan zouden die van de paarden eruitzien als paarden, en die van de ossen als ossen. Ethiopiërs hebben zwarte goden met platte neuzen en bij de Thraciërs hebben zij blauwe ogen en ros haar”, wist Xenophanes.
Zulke opgewekte mededelingen zul je natuurlijk niet in een of ander Openbaringsboek vinden. Die boeken zijn ook een stuk jonger. Xenophanes schreef dit al in de zesde eeuw, in het Grieks, een taal die hier nauwelijks nog onderwezen wordt.

Elke gecultiveerde Europeaan zal Xenophanes gelijk geven, maar hem in het Oudgrieks lezen, dat kan bijna niemand meer. Hooguit nog wat puzzelen, met op de oneven bladzijden een vertaling. Elk begrepen woord is dan wel een overwinning en een stuk eigendom.
Latijn gaat vaak vlotter, maar als onze pedagogen, onderwijskundigen en nieuwlichters hun zin krijgen, dan gaat dat Latijn binnenkort dezelfde kant op als het Grieks. En dat hoewel die taal een van de bouwstenen van onze Europese cultuur is, van onze rechtspraak, onze filosofie, onze politiek.

In een interview sprak Martin Ros, van De Arbeiderspers, nog over iets anders: over het plezier van Klassieke Talen. Ros is de man die gestalte gaf aan de onovertroffen reeks Privé-domein, en hij is ook de jongste uit een arm gezin van negen. Wat hij vertelt over het ‘elitaire’ onderwijs in de Klassieke Talen zal Pascal Smet boeien:

"Ik ben geworden wat ik altijd heb gewild. Directeur van De Arbeiderspers heb ik nooit willen worden, maar tweede man, met het fonds en de boeken. Ik heb dat allemaal te danken aan het oude, degelijke onderwijs op het Gymnasium alfa. Je leerde de klassieken grondig, Latijn en Grieks, de moderne talen. De lust en zin en aardigheid van de cultuur, die eigenlijk het leven moet vullen. De wezenlijkste zaken, essenties van het leven, de verhoging en intensivering ervan. Dat zijn de klassieken, dat zijn de Grieken. Het was een puur zwaar katholiek lyceum, en toch brachten ze je een liefde bij voor die heidense klassieken. Een merkwaardige combinatie, die het begin is van de verdraagzaamheid."

De gedachte dat Latijn en Grieks elitair zijn, leeft overal.
Wijlen Jacqueline de Romilly, de grote filologe, had een reeks gesprekken met een jongere collega aan de Sorbonne, Alexandre Grandazzi, en die geven een beeld van de moderne opvattingen over de Oude Talen:

A.G. – Vanuit een soort rechtvaardigheidsgevoel hebben sommigen dit vak willen afschaffen, omdat het lange tijd een sociaal privilege was.
J. de R. – Ja, ik herinner mij een uitstekende studente die ik had aan de Sorbonne, die mij kort na mei 68 zonder omwegen zei: ”Oh! neen, cultuur, daar wil ik niets meer mee te maken hebben, want ik denk aan al diegenen die er geen hebben.”
A.G. – Als was het een materieel goed, terwijl cultuur juist onbeperkt overdraagbaar is. Maar is mei ’68 dan de oorzaak van het verval van de Oude Talen?
J. de R. – Nee. Mei 68 heeft de evolutie wel versneld, maar die was er al vlak na de oorlog.

Une certaine idée de la Grèce
Entretiens
Paris, 2003, Éditions de Fallois

Stukje verschenen in de Knack vandaag


22 juni 2011

Bestuurlijke babbelziekte

.
Het graf van Jehan Cauvin, Jean Calvin of Jan Calvijn is te vinden op het Cimetière des Rois in Genève. Tenminste, men neemt aan dat hij daar ligt, want helemaal zeker is het niet. Ook is de naam van het kerkhof misleidend, want er liggen geen koningen. Met zulke zaken als koningen hebben de Zwitsers zich nooit afgegeven. Het kerkhof ligt wel aan de Rue des Rois, vandaar die volksnaam. Officieel heet het Cimetière de Plainpalais, midden in de stad.
Dat graf is een eenvoudig groen perkje, met een hek eromheen. Je kunt er zo aan voorbijlopen, want er zijn daar ook een paar grote sculpturen te zien. Calvijn heeft er immers het gezelschap van schrijvers, van diplomaten, hoge officieren, burgemeesters, wetenschapslui, componisten en muzikanten, enzovoort.
.
Maar wie goed kijkt, ziet tussen het groen een zwarte steen liggen, een kubus van een kleine halve meter, met in het bovenvlak de letters J C gebeiteld. Die steen is er gekomen geruime tijd na Calvijns dood, omdat een rijke Hollandse calvinist hem daar liet plaatsen. Dat was nog een hele zaak toen, want Calvijn had in zijn testament gezegd dat hij een anoniem graf wenste. Gelukkig konden de letters J C ook  gelezen worden als Jésus-Christ en zo kwam de steen er. Enkele eeuwen lang bleef het graf – misschien niet volslagen anoniem maar toch zeer discreet. Vele bezoekers van het kerkhof liepen eraan voorbij.

Nu besloot in 1999 de gemeenteraad van Genève, misschien onder druk van de stedelijke Toeristische Dienst, om vóór het genoemde hek een tweede steen te plaatsen, met daarop een sober plaatje met de naam van Calvijn, zijn geboorteplaats, sterfplaats, die data ook, en twee-drie feiten uit zijn leven. Tegen de wil in van enkele streng-in-de-leerse raadsleden werd er zo beslist, en dus kwam dat plaatje er.
.
Na twee dagen was het alweer weg. In de korte tekst was een ergerlijke fout tegen de grammatica geslopen. Er was iets misgegaan met een accord du participe passé. Intussen is die fout verbeterd en is het plaatje er toch. Betreurenswaardige zaak.
.
In Gent, die andere calvinistische republiek, is iets vergelijkbaars aan de gang. Op het Sint-Veerlepleintje, naast het Gravenkasteel (Gravensteen voor de niet-Gentenaars), staat al enkele dagen een hek. Dat staat daar omdat het stadsbestuur, misschien onder druk van de stedelijke Toeristische Dienst, er een steen heeft laten inmetselen met een inscriptie in het Nederlands, Frans en Engels.
De Engelse tekst is garrulous en de Franse bavard. De Nederlandse is beide, en nog eens slecht Nederlands ook. Schabouwelijk is hij, onmachtig, ten hemel schreiend:

De lantaarns op het Sint-Veerleplein zijn verbonden met
de materniteiten van de stad Gent.
Elke keer het licht langzaam knippert, is er een kind geboren.
Dit werk is opgedragen aan de pasgeborene en aan alle kinderen
die vandaag in de stad geboren zijn.

Kijk, Raadsleden, als er toch gezeverd moet worden, laat dan eerst jullie tekstje lapidair herschrijven, en opnieuw beitelen.
.
Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

21 juni 2011

De zaak Van Bellingen


Onderstaand stuk is van Marc Schoeters, lesgever Nederlands aan anderstaligen en anti-fascist, die ik hier graag een tribune geef. De auteur wijst op de hypocrisie van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR), dat immers weigert om racisme bij allochtonen aan te pakken. Tegelijk wijst hij ook op de hypocrisie en onbetrouwbaarheid van zowel de journalisten, als van de politieke gezagsdragers van Sint-Niklaas.
o-o-o-o-o-o-o-o-o

DE ZAAK VAN BELLINGEN

In februari 2007 raakte bekend dat drie koppels hadden geweigerd getrouwd te worden door de Sint-Niklase schepen Wouter Van Bellingen. Van Bellingen is zwart en dat konden ze niet aanvaarden. Op 21 maart 2007 volgde een mediastunt : 626 koppels lieten zich op de Grote Markt van Sint-Niklaas trouwen door diezelfde Wouter Van Bellingen.

Wouter Van Bellingen (Antwerpen, 20 april 1972) is een Vlaamse ambtenaar en politicus. Tot eind december 2008 was hij lid van de links-liberale politieke partij Vlaams-Progressieven. Als zoon van Rwandese ouders werd Van Bellingen indertijd door een Vlaams gezin geadopteerd – waarvan de vader Volksunie-militant in het Waasland was. Zijn oudoom Amedee Verbruggen was een voortrekker van de Vlaamse Beweging. Daardoor voelt deze adoptiezoon zichzelf verwant met de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Wouter Van Bellingen is getrouwd en vader van twee kinderen. Kerkelijk behoort hij tot de Verenigde Protestantse Kerk in België.
Sinds 2 januari 2007 was Van Bellingen schepen in de gemeente Sint-Niklaas – en in die hoedanigheid de eerste zwarte schepen van Vlaanderen. Zijn portefeuille bestond uit jeugd, internationale samenwerking en burgerzaken. Van Bellingen, die zich ook op federaal niveau voor de Vlaamse zaak heeft ingezet, was voorheen in Sint-Niklaas werkzaam als jeugd- en noord-zuidconsulent. Hij zegt zich betrokken te voelen bij zaken die zich afspelen op het sociaal-culturele terrein, waaronder de Derde Wereld.
Als ambtenaar van de Burgerlijke Stand kwam Van Bellingen begin 2007 in het nieuws toen bleek dat een drietal aanstaande echtparen vanwege zijn donkere huidskleur niet door hem in de echt verbonden wilden worden. Als reactie hierop kwam er een grote hoeveelheid steunbetuigingen binnen in de vorm van aanmeldingen bij de Burgerlijke Stand van Sint-Niklaas om door Van Bellingen te worden getrouwd.

Van Bellingen besloot – om tot op heden onverklaarbare redenen – geen proces tegen de drie koppels aan te spannen. Hun identiteit is officieel nooit openbaar gemaakt – hoewel hun namen bij de Sint-Niklase overheid meer dan waarschijnlijk bekend zijn. In plaats daarvan hield hij op de Internationale Dag voor de Uitbanning van Rassendiscriminatie op 21 maart 2007 een grote symbolische trouwpartij op de Grote Markt van Sint-Niklaas. Er kwamen 626 koppels opdagen. Maar kan en moet men zich niet afvragen – wat er zich werkelijk achter de schermen van deze mediastunt heeft afgespeeld ? Marc Schoeters – leraar Nederlands voor anderstaligen in Antwerpen – kan en wil niet langer meer zwijgen over de ware feiten achter deze affaire.

NIETS IS WIT OF ZWART 
[OPEN MAAR GEWEIGERDE BRIEF AAN DE STANDAARD – MAART 2007]

Drie families in Sint-Niklaas hebben een huwelijksplechtigheid afgelast omdat de betrokken schepen van hun stad toevallig een donkere huidskleur heeft. Hun beslissing heeft terecht alle welmenende burgers van dit land geschokt. De kranten werden overspoeld met verontwaardigde lezersbrieven. Zelden werd er in dit land zo’n flagrant aanwijsbare en duidelijk bewijsbare overtreding van de antiracismewet vertoond. Veel mensen verkeerden daarom in de veronderstelling dat de overheid zonder aarzelen alles in het werk zou stellen om een gerechtelijk onderzoek tegen de racistische families te starten. Maar blijkbaar vinden noch de betrokken schepen, noch de stedelijke overheid van Sint-Niklaas, noch het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR) het opportuun klacht in te dienen tegen de daders. Verbijstering alom. En veel vraagtekens.

Niet lang geleden kreeg ik betrouwbare informatie die misschien een tipje van de sluier kan oplichten. Ik ben al jarenlang lesgever Nederlands aan anderstaligen in een school met duizenden studenten. Onder zo’n enorme allochtone studentenpopulatie blijven gevoelige gebeurtenissen als die van Sint-Niklaas natuurlijk niet lang onbesproken. Uit goede bron weet ik nu dat de drie racistische families in Sint-Niklaas van allochtone afkomst zijn. Mijn beide bronnen zijn onverdacht – want zelf mensen van allochtone afkomst. En zij zijn in deze zaak heel precies en formeel. Ik ben natuurlijk geen onderzoeksrechter en vind dat het de taak is van het gerecht om alle feiten in deze kwalijke zaak vast te stellen. Maar dan moet het gerechtelijk onderzoek natuurlijk wel zijn beloop krijgen. En daar wringt het schoentje.

Ik kan me best voorstellen dat Wouter Van Bellingen het in zijn kersverse rol als schepen politiek niet opportuun vindt om klacht tegen de betrokken families in te dienen. Hij is schepen van een kleine provinciestad en wil waarschijnlijk niet dat de tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen op de spits worden opgedreven. Maar hoe nobel zijn overwegingen ook zijn om de zaak te laten rusten – in dit geval zou het middel wel eens erger kunnen blijken dan de kwaal. Op dit moment gaat de ware identiteit van de racistische daders als een lopend vuurtje door de allochtonengemeenschap. Nu reeds zijn er zwarte Afrikanen die zich dubbel gediscrimineerd voelen – zowel door een deel van de Vlamingen als door sommige groepen allochtonen. Bovendien krijgen deze laatste nu onbedoeld de boodschap dat ze de facto boven de wet staan – en dat zij er voortaan lustig op los kunnen discrimineren. Door geen klacht tegen de racistische daders van Sint-Niklaas in te dienen, creëert men een rechtsonzekerheid die de grondvesten zelf van de multiculturele samenleving ondermijnt. En dat is voor mij – en anderen die van de ware toedracht op de hoogte zijn – onaanvaardbaar.

Het vele bochtenwerk en de vreemde hersenkronkels in deze zaak zijn soms werkelijk verbazingwekkend. Zo kon men in sommige kranten het argument lezen dat elke burger de vrijheid moet hebben om zelf te beslissen of hij zijn brood wel of niet bij een allochtone bakker mag kopen. Dat is een ronduit verbijsterend argument. Een schepen is namelijk geen bakker. Een schepen oefent een openbaar ambt uit – en heeft dat ambt te danken aan de democratische regels van onze rechtsstaat. Elke inwoner van dit land die om religieuze of etnische redenen een ambtenaar meent te moeten wraken, ondermijnt de basis zelf van de rechtsstaat. Stel u voor – een beklaagde die de uitspraak van een rechter naast zich neerlegt omdat die katholiek is. Of iemand die weigert zijn rijbewijs te tonen aan een politieagent omdat die moslim is. Of een burger die alleen met een loketambtenaar van de juiste huidskleur wil spreken. Het is te grotesk voor woorden.

Daarom moet men in deze zaak een duidelijk onderscheid maken tussen Wouter Van Bellingen als persoon en als schepen. De heer Van Bellingen als privépersoon heeft natuurlijk het recht om geen klacht in te dienen. Maar mijns inziens heeft hij als schepen, dus als vertegenwoordiger van de democratische rechtsstaat, de plicht om dat wél te doen. Wie de racistische families uit Sint-Niklaas vrijuit laat gaan, stelt in mijn ogen een incivieke daad van de eerste orde en ondergraaft elke rechtszekerheid. Door niet op te treden tegen racistische misdrijven herleidt men niet alleen de antiracismewet tot een vodje papier maar zet men de deur wagenwijd open voor een gebalkaniseerde samenleving – waarin iedereen naar eigen willekeur wetten en regels aan zijn laars lapt. En daar is niemand bij gebaat.

Dat de geviseerde schepen uit Sint-Niklaas de zaak “niet op de spits wil drijven” en geen “symbooldossier” wil, valt nog enigszins te begrijpen. Maar dat het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding de zaak verder blauwblauw zou laten is volstrekt ontoelaatbaar. De argumenten die het Centrum aanhaalt om geen klacht in te dienen zijn juridisch zwak en maatschappelijk gezien verwerpelijk. Zo wordt beweerd dat men geen klacht kan neerleggen als het slachtoffer zelf dat niet doet. Maar het Centrum is precies opgericht om bij een flagrante overtreding van de antiracismewet klacht te kunnen indienen – óók als het slachtoffer van het misdrijf dat niet doet of zelfs als er geen direct aanwijsbaar slachtoffer is. Zo werden in een recent verleden organisaties verbonden met het toenmalige Vlaams Blok terecht aangeklaagd op basis van racistische publicaties die hele bevolkingsgroepen stigmatiseerden – ook al werd er niemand persoonlijk geviseerd.

Ook het argument dat de racistische daders in Sint-Niklaas onbekend zouden zijn, is te belachelijk voor woorden. Er bestaat bij elk misdrijf de mogelijkheid klacht neer te leggen tegen onbekenden. Het is de taak van het gerecht om na een klacht mogelijke daders op te sporen en te identificeren. Het gerecht zal in het geval van de racistische misdrijven in Sint-Niklaas niet lang moeten zoeken. Verscheidene medewerkers op het stadhuis van Sint-Niklaas weten perfect wie de daders zijn en wat ze precies gezegd hebben. En schepen Van Bellingen weet ook veel meer dan wat hij in de media kwijt wil. Misschien kent hij de daders niet bij naam en toenaam. Maar ik weet formeel dat hij aan mensen uit zijn omgeving heeft verklaard dat het om allochtone families gaat. Het zou me dan ook niet verbazen dat er tussen kopstukken van de stedelijke overheid van Sint-Niklaas en topmedewerkers van het Centrum intensief overleg is gepleegd over hoe deze “delicate” zaak moet worden aangepakt.

Wat nu? Indien schepen Van Bellingen en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding bij hun beslissing blijven om geen formele klacht wegens racisme in te dienen dan blijven er nog een aantal wegen over. Omdat de schepen een democratisch verkozen ambtsdrager is, zou in principe elke burger van Sint-Niklaas – of van dit land – in deze zaak klacht kunnen neerleggen. En als het Centrum, een officieel door de overheid ingesteld en gesubsidieerd orgaan dat moet waken over het naleven van de antiracismewet, op basis van al dan niet opportunistische overwegingen weigert naar behoren te functioneren, dan ondergraaft het zijn eigen bestaansreden. En stelt het zich in principe bloot aan een klacht van elke burger en belastingbetaler. Een racist is een racist – ongeacht zijn of haar huidskleur. Het Centrum mag zelfs niet de schijn wekken dat het met twee maten en gewichten meet. Dat zou een aanfluiting zijn van precies die waarden waarover het Centrum behoort te waken – gelijkheid van alle burgers, ongeacht hun afkomst of religie. Ik roep dan ook alle politieke verantwoordelijken op om in deze zaak op te treden. Ik beschuldig niemand – maar ik vraag op zijn minst wel een onafhankelijk onderzoek. Ook als er uiteindelijk koppen zouden kunnen rollen. De fundamenten zelf van de rechtsstaat staan op het spel.

De recente en vaak ondoordachte commotie rond heel deze zaak noopt mij tot een bredere slotopmerking. Misschien wordt het eens tijd om een publiek debat te houden over de nefaste rol die het zogenaamde politiek correcte “denken” in onze samenleving speelt. Racisme en politieke correctheid vormen in wezen elkaars spiegelbeeld. Reeds jaren geleden toonde Robert Hughes in zijn boek ‘Culture of Complaint’ aan dat het hier fundamenteel om twee kanten van hetzelfde gedachtegoed gaat. Zowel een racist als een politiek correct “denker” gaan uit van een rigide zwart-wit-tegenstelling tussen een edele ingroup en een verwerpelijke outgroup. De kiezer voor het Vlaams Belang ziet alleen nog de criminele vreemdeling, de politiek correcte “denker” alleen nog de Vlaamse fascist. Beiden zijn blind voor de oneindige complexiteit van een moderne samenleving, waarin niets helemaal zwart of helemaal wit is.

Zo is een krantenjournalist er in een editoriaal weer eens in geslaagd om, naar aanleiding van de gebeurtenissen in Sint-Niklaas, in te hakken op de grote groep mensen die het Vlaams Belang steunt. Ik vind deze partij ook verwerpelijk – laat daar geen twijfel over bestaan. Maar de waarheid heeft haar rechten. Blijkbaar kan men als “kritische” journalist van een “onafhankelijk” dagblad alle regels van de journalistiek aan zijn laars lappen en is het koesteren van de eigen vooroordelen belangrijker dan een echt kritisch onderzoek naar de werkelijke feiten.

En de feiten zijn dat er in dit land mensen zijn – zowel autochtonen als allochtonen – die een open en verdraagzame samenleving geen goed hart toedragen. Zoals veel goedmenende maar niet blinde Antwerpenaren ken ik uit eigen ervaring ook de donkere keerzijde van het multiculturele ideaal – de vele momenten dat de droom een nachtmerrie blijkt. Een kleine – maar helaas steeds sneller radicaliserende – groep mensen staat vijandig tegenover een open en democratische samenleving. In Antwerpen woekeren haat en onverdraagzaamheid – bij álle bevolkingsgroepen. Een duidelijk teken aan de wand was de bijna totale afwezigheid van (jonge) allochtonen op het concert voor verdraagzaamheid in oktober. Het wordt tijd dat alle opiniemakers, óók de politiek correcte, zich van deze tweespalt bewust worden. Nu niet optreden tegen de racistische families uit Sint-Niklaas – wat hun achtergrond ook moge wezen – betekent een tijdbom leggen onder de fundamentele waarden van onze samenleving.


Marc Schoeters
lesgever Nederlands aan anderstaligen en anti-fascist
(welke gedaante het fascisme ook heeft)
.

15 juni 2011

Toen schrijvers nog meetelden

.
Het verslag over de cholera-epidemie in Parijs in 1832 kwam hier vorige week even aan bod. Heinrich Heine schreef het voor de krant, maar hij nam die hartverscheurende tekst later onveranderd op in zijn Französische Zustände. Dat was een dik en duur boek van wel twintig vellen, en als zodanig niet aan censuur onderworpen. De censoren van Oostenrijk en Pruisen waren verstandige mannen, die wisten dat dikke boeken ongevaarlijk waren en geen voorafgaande censuur behoefden. Dunne, goedkope boekjes bestudeerden zij wel nauwgezet, vooraleer die naar de drukker mochten.
Losse geschriften van Heine waren dus verboden, en Metternich was zo vooruitziend om naast bestaand werk meteen al zijn toekomstige teksten in de ban te doen.
Maar van een dik boek kon Alexander Poesjkin (1799-1837) zich in het verre Petersburg een exemplaar laten bezorgen. Via de Oostenrijkse gezant nog wel, want ook de tsaar had een goed werkende censuur, die weer andere regels volgde. In het Rusland van de jaren dertig was Heine echte smokkelwaar.
Poesjkin had zijn eigen problemen met de censuur, en enkele van zijn werken verschenen pas na zijn dood. In zijn dagboek noteerde hij: “De tijden van Krasovski zijn terug. Nikitenko is dommer dan Biroekov”. Namen van drie censors. Maar ook de tsaar zelf deed soms een ingreep. Zo vond hij in een bepaald gedicht het woord pispot, oeriljnik, ongepast. Hij wijzigde het in boediljnik, wekker. Voor het verhaal, rijm of metrum maakte dit niet uit en Poesjkin dankte de tsaar voor de correctie op zijn wansmaak. Poesjkin was een aristocraat en hij had geen bezwaar tegen censoren die over verstand beschikten. Dit alles is mooi na te lezen in “De Buurman van God, een Poesjkin-biografie”, van Arie van der Ent.
Ook Heine liet zich vaak gunstig uit over zijn censors. Voor hem, zoals voor Poesjkin, waren zij een soort medespelers die om de tuin moesten worden geleid. Zonder hen was hij verloren geweest, want uit zichzelf had hij “om het even welke dwaasheid nog opgeschreven”. Nu had hij de geruststelling dat er na hem wijzere mannen kwamen, die zijn grootste stommiteiten zouden schrappen.
Josif Brodsky, de Russische dichter die in 1972 naar de Verenigde Staten uitweek, bekende dat hij in dat land de censuur soms miste:
[…] the machinery of constraint, of censorship, of suppression turns out to be —this is a paradox— useful to literature. Censorship is unwittingly an impetus to metaphorical language.
Dat denkt blijkbaar ook de Syrische auteur Ghalia Qabbani. Op de BBC-World Service deze week vroeg een journaliste haar, of zij zich niet gedwongen voelde om te schrijven “in a slightly oblique way?”
“Ja,” antwoordde zij, “maar weet u wat ik denk? Dat je op die manier een bekwame auteur wordt, die weet hoe dingen te vermijden die gecensureerd of verboden zullen worden.”
Op den duur krijg je medelijden met onze eigen auteurs die bedolven onder de officiële prijzen en nominaties alles maar op eigen houtje moeten verzinnen.

Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

11 juni 2011

Radio 1, De Ochtend 12 juni.

.
Dames en heren,
morgenochtend zal ik via R1, als alles goed gaat, het woord tot u richten met onderstaande boodschap. Het idee is dat ze bij de De Ochtend (gepresenteerd door Sara Van Boxstael) iets willen doen rond de treurige omstandigheid dat ons koninkrijk al enige tijd zonder regering zit. Omstandigheid die mij koud laat, maar daarom moest ik hun verzoek om een column nog niet afwijzen.

Kruismans en enkele BV’s, acteurs, kwaliteitscolumnisten &c., kregen dat verzoek ook, dus ik ben in honorabel gezelschap.
Ons werd gevraagd een brief te schrijven aan een politicus of een andere gezagsdrager, met als vaststaande aanspreektitel: Niet zo geachte heer (mevrouw) zus of zo, …”
Aan die regel heb ik min of meer voldaan (en het mocht 2 min. duren):



Voorlopig niet zo geachte heren politicologen,
de kunst die jullie beoefenen wordt nog niet overal voor vol aangezien, maar geen nood: dat is wellicht enkel een kwestie van tijd.
Hebben wij niet uit de middeleeuwse alchimie, die goud wilde maken van lood, al in de achttiende eeuw de moderne chemie zien ontstaan? En uit de astrologie, die zo oud is als de mensheid zelf, is op de duur toch de sterrenkunde voortgekomen?
Komt nog bij dat alles tegenwoordig veel sneller gaat dan vroeger. Wellicht zullen onze kinderen, of anders onze kleinkinderen het nog meemaken dat er zich uit de kunst der politicologie een wetenschap ontwikkelt, waarvan wij nu de naam nog niet weten natuurlijk.
Helaas, vergeleken met de astrologie en de alchimie heeft de politicologie een paar nadelen. Lood of goud, direct controleerbare objecten, bezit zij niet. Ook geen verifieerbare zaken, zoals de indeling van de mensheid in twaalf soorten, volgens de dierenriem.
Bij de politicologie gaat het om iets dat oneindig veel complexer is, namelijk om mensen en hun intenties ...en die willen zij graag voor ons verborgen houden. En die verborgen intenties, dat is waar het in een democratie om draait tenslotte.
Gewoon stemmen tellen na een verkiezing, en de uitslagen vervolgens in gedachten naast de partijprogramma’s leggen: zoiets kan de eerste de beste advocaat die voorzitter is van een telbureau. Maar hij zal enkel de oppervlakkige, uitgesproken meningen van het kiesvolk zien en die stellen weinig voor.
Dan zou je er al van moeten uitgaan dat kiezers zelf weten wat ze willen, en dat is natuurlijk flauwekul.
Dat beseft bijvoorbeeld professor Swyngedouw, met zijn mooie middeleeuwse naam, beter dan gelijk wie.
Politicologie moet niet met eenvoudige rekenkunde verward worden!
In dat geval waren we er al lang uit, en was zijn wetenschappelijke leerstoel overbodig. En tenslotte zijn politicologische acrobatieën en trucs met vragenspelletjes best aardig.
Ik wens onze artiesten dan ook alle succes, bij hun wankele kunstjes.
.

8 juni 2011

Haast en spoed, zelden goed

.
Onderzoek van de Leuvense universiteit toont aan dat het geen kwaad kan om aan het water voor de aardappelen zout toe te voegen. Zelfs mag er zout in de mayonaise bij koude aardappelen. Of in de vinaigrette bij een tomaten- of komkommersalade.

Tot daar het goede nieuws, want de komkommers zelf en de tomaten en nieuwe aardappelen kwamen de jongste week in een kwaad daglicht. Twijfel heeft zich van ons meester gemaakt. Je leest ook over sojascheuten en vlees die schadelijke bacteriën in omloop brengen, en over de slaatjes van de Kartoffelkeller in Lübeck.

In april 1832 schreef Heine in de Augsburger Allgemeine Zeitung over de cholera-epidemie in Parijs. Tot tweeduizend doden per dag vielen daar. Hijzelf bleef ter plekke om verslag te doen, al kon hij zoals de meeste welgestelden de stad ontvluchten. En wat zag hij? Dat de overheid te snel was met haar berichtgeving.
Stadsgeruchten over gifmengers, die een wit poeder op de etenswaar in de winkels hadden gestrooid, deden de politieprefect onmiddellijk zeggen dat “men de gifmengers op het spoor was” en nu: “werd dit kwaadaardige gerucht natuurlijk ten volle bevestigd en heel Parijs raakte in een gruwelijke doodsverbijstering.
De politie hier vindt het minder belangrijk —hier zoals elders— om misdaden te verijdelen, dan om de indruk te wekken dat ze altijd weet hebben van wat er omgaat. […]
En natuurlijk, een goed dieet kan geen kwaad. Het is vermakelijk om te zien hoe schuw de mensen tegenwoordig aan tafel zitten, en hoe ze de mensvriendelijkste gerechten wantrouwig aanstaren. Diep zuchtend slikken ze de allerfijnste hapjes door. De dokters hebben hen verteld dat ze geen vrees mogen koesteren en elke ergernis dienen te vermijden; maar nu vrezen ze juist dat ze zich onverhoeds ergens aan zullen ergeren — en het ergert hen dat ze daar bang voor zijn.

Nu goed, ook zonder bacteriën is eten een groot probleem, wist later de eeuwige optimist Flaubert, in Bouvard et Pécuchet:

Alle soorten vlees hebben nadelen. Worst en charcuterie, zure haring, kreeft en wildbraad blijven vaak op de maag liggen. Hoe dikker de vis, hoe meer gelatine erin zit en hoe zwaarder hij bijgevolg valt. Groenten wekken het zuur op, macaroni geeft nare dromen; kazen, over het algemeen genomen, zijn slecht verteerbaar. Een glas water ‘s ochtends is gevaarlijk. Maar als elke drank of etenswaar een dergelijke waarschuwing meekrijgt, ofwel woorden als ‘slecht! –hoed u voor overmatig gebruik!– niet voor iedereen geschikt!’: waarom slecht? waar begint overmatig gebruik? hoe kom je te weten of iets geschikt voor je is?
Wat een probleem is niet het ontbijt! Koffie met melk lieten ze achterwege op basis van zijn kwalijke reputatie, en vervolgens de chocolade – want dat is een opeenstapeling van onverteerbare substanties. Bleef dus nog thee. Maar ‘personen met zwakke zenuwen dienen zich deze helemaal te ontzeggen’. En toch schreef Decker in de XVIIde eeuw er twintig deciliter per dag van voor, om zo de poel van de pancreas uit te baggeren.

Stukje verschenen in de Knack vandaag

1 juni 2011

Astralement vôtre

.
De wetenschap der astrologie kwam afgelopen week twee keer in het nieuws. Eerst was er die zaak met dat wc-papier in de Carrefour, waar astrologische symbolen op gedrukt stonden. Het waren zonder meer de gebruikelijke tekens voor Maagd en Steenbok, maar sommige medeburgers vonden sommige krulletjes toch te zeer op de naam van Mohammed lijken. Gelukkig deed Carrefour onmiddellijk een communicatie, en lieten zij weten dat het lasterlijke ontlastingspapier al in 2008 uit de rekken was genomen. Het ziet ernaar uit dat alles nog geregeld zal raken zonder dat er ook maar één druppel bloed aan te pas komt.
En dan was er Neelie Kroes. Haar naam kent iedereen want zij is een van de zes of zeven vicepresidenten van de EU. Van haar ex-man, de oud-burgemeester van Rotterdam en oud-minister Bram Peper, kwamen wij nu te weten dat Neelie graag astrologen raadpleegt voor zij beslissingen neemt.
Of die mededeling zo schokkend is, valt nog te bezien. Reagan en zijn Nancy deden dat ook, Bliar en zijn Cherie ook, en zelfs Mitterrand deed het, misschien buiten medeweten van zijn vrouw.

François raadpleegde graag en frequent Élizabeth. Élizabeth Hanselmann Teissier (Algiers, 1938) is de Duits/Zwitsers-Algerijns-Franse TV-astrologe die haar carrière begonnen was als model voor Coco Chanel, vervolgens poseerde voor ELLE, Vogue, Harper’s Bazaar enzovoort, en later zich tot de wetenschap aangetrokken voelde. Jarenlang was zij op Franse en Duitse zenders graag gezien in astrologische duidingsprogramma’s.
Voor die populariteit was een goede reden: soms deed ze ook goede voorspellingen. Zo wist zij begin 1993 al dat Boudewijn Coburg dat jaar zou aftreden pour raisons de santé.
Critici zijn er altijd –denken we maar aan die kerels van Skepp– en die zullen opmerken dat het mooier, of liever sterker was geweest als Teissier had voorspeld dat Baudouin meteen ook het loodje zou leggen.

Hoe precies moet iemand zich wel uitdrukken? En natuurlijk is er de last der jaren, en soms gaat het astrologische rekenwerk haar niet meer zo goed af. Zo is er recent een soort schaduw gekomen over haar voorspelling dat Dominique Strauss-Kahn un destin présidentiel te wachten stond.
Maar dan zou ik toch willen opmerken dat de 7de april van het jaar 2001, met andere woorden op haar 63ste, deze Élizabeth aan de Sorbonne een doctoraatsthesis heeft verdedigd, en dat zij daar onder het bezielende promotorschap van prof. Michel Maffesoli Docteur en Sociologie geworden is. De titel van haar thesis vertalen, laten we aan een beter man over: Situation épistémologique de l'astrologie à travers l'ambivalence fascination-rejet dans les sociétés postmodernes, maar zij kreeg wel de vermelding très honorable.
We mogen aannemen dat de Skeppmensen nu eventjes zoet zijn, en dat zij in de toekomst de astrologie even ernstig zullen nemen als de sociologie.
...En nu moest het hier eigenlijk over onze Neelie gaan. Door Élizabeth is zij in de verdrukking gekomen. Ik reken op begrip bij de lezer.

Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html