1 oktober 2008

Niet actueel, wél toepasselijk

.
Marc Reynebeau kwam gisteren in zijn rubriekje “Overstekend Wild” met een gedurfde stelling op de proppen:

Want beurskoersen staan in geen enkele verhouding tot de reële economie, de welvaart, laat staan het levensgeluk van wie van de economie moet leven, wij allen dus.
De waarde van aandelen zegt in principe niets over de concrete gezondheidstoestand van concrete bedrijven. Wat koersen wel uitdrukken zijn emoties, verwachtingen, ambities, vertrouwen en angst. Wat dat betreft verschilt de beursvloer niet van een gemiddeld N-VA-congres.
Afgezien van de wat onnozele laatste verwijzing, getuigt deze analyse van een misschien benijdenswaardige, maar naar mijn smaak toch onbezonnen jongensachtigheid. “In principe niets”, is net iets te weinig, en iets te principieel. Dat weet iedereen die niet voor het eerst over het fenomeen nadenkt.
Vermoedelijk bedoelt Reynebeau iets anders dan wat hij zegt. Dat overkomt hem. Toen Bart De Wever met zijn camionette naar Wallonië trok om de transfers te illustreren, schreef Reynebeau nog dat er helemaal geen transfers wáren. Ook toen drukte hij zich ongelukkig uit, want hij bedoelde natuurlijk: die transfers zijn er wel maar je mag dat niet zeggen.
En beurskoersen weerspiegelen allicht niet uitsluitend de reële economie, maar spreken inderdaad ook verwachtingen uit, zoals Reynebeau gelukkig nog opmerkt, en zo begrepen kan ik onze analist goed volgen.

Toch stel ik voor dat wij naast zijn stukje, nog een stukje lezen van een andere beursspecialist.

De dichter, journalist en essayist Heinrich Heine beschreef in 1832 een mooie Parijse beurs-scène, en hij lijkt hier en daar met onze man van mening te verschillen.
Heine lóóft juist de luciditeit van beursspeculanten, en maakt een prachtige vergelijking. Over hun moraliteit denkt hij ongeveer zoals Marc Reynebeau, vermoed ik, al moet de dichter zich hier wellicht een beetje forceren, want hijzelf bezat ook aandelen, bijvoorbeeld in de maatschappij die de spoorweg Parijs-Lyon aanlegde, die “tijd en ruimte zou vernietigen”. Zijn aandelen brachten weinig of niets op, integendeel zij kelderden, maar ze waren hem wel aangeraden door baron Rothschild.
De baron (in die dagen werd men nog baron, niet meteen graaf) was een vriend van Heines oom, Salomon Heine, ook bankier en de rijkste man van Duitsland na Rothschild zelf.
Als Heine in het fragment hierna dus spreekt over enkel een brief die hij op de post ging doen, mogen wij argwanend zijn. Misschien waren er op de beurs ook andere zaken gaande, die, naast de brief, om zijn aandacht vroegen.




De Beurs lacht

De veldtocht naar België, de blokkade van Lissabon en de inname van Ancona zijn de drie karakteristieke heldendaden, waarmee onze juste-milieu-regering naar buiten uit haar kracht, haar wijsheid en haar heerlijkheid heeft laten gelden;* .in het binnenland plukte zij al even roemrijke lauweren, onder de pijlers van het Palais Royal, en in Lyon en Grenoble. Nooit stond Frankrijk lager aangeschreven in het buitenland, zelfs niet in de tijd van Madame de Pompadour of Madame Dubarry. Men kan tegenwoordig wel zien dat er erger dingen bestaan dan een maîtressenbewind. In het boudoir van een galante dame valt er nog altijd meer eer te vinden dan aan de comptoir van een bankier.
En de aanhangers van het ministerie – het is te zeggen de ambtenaren, de bankiers, de gezette burgers en de boutiquiers – die maken het alleen maar erger, als ze ons weer eens lachend verzekeren dat we met zijn allen in de allervreedzaamste toestand leven, dat de thermometer van het volksgeluk – namelijk de koers van de staatspapieren – gestegen is, dat de Opéra nooit eerder zo heeft gefloreerd** en dat we deze winter in Parijs meer bals hebben gezien dan ooit tevoren.
Dat laatste nu was werkelijk het geval; die lui hebben ook de middelen om bals te geven en ze dansten daar om te laten zien hoe gelukkig Frankrijk wel was; ze dansten voor hun systeem, voor de vrede, voor de rust in Europa; ze wilden de beurskoersen de hoogte in dansen, ze dansten
à la hausse. Hier moet evenwel worden opgemerkt dat tijdens hun luchtsprongen, tijdens hun vrolijkste entrechats, het corps diplomatique wel eens kwam aanzetten met allerhande jobstijdingen uit België, Spanje, uit Engeland en Italië – maar ze lieten geen ontsteltenis blijken en dansten vertwijfeld-vrolijk verder. Die mensen dansten voor hun renten, en hoe gematigder gezind zij waren, des te vuriger dansten ze: zelfs de dikste en deugdzaamste bankiers waagden zich aan de beruchte Nonnenwals uit Robert le Diable, de beroemde opera van Meyerbeer.
Ik erger mij altijd weer als ik de Beurs binnenstap, dat mooie marmeren huis, gebouwd in de edelste Griekse stijl en toegewijd aan het meest waardeloze handeltje. Hier, in die enorme ruimte van de hooggewelfde Beurshal, hier is het dat het gesjacher met staatspapieren plaatsheeft; al die rondstuivende personages met hun doordringend gekrijt: ze deinen heen en weer als een zee van eigenbaat, en de bankiers schieten dan als haaien naar voren uit die woeste mensengolven, en háppen. Het ene monster verslindt het andere. Boven in de galerie kan men zelfs speculerende dames zien, als loerende roofvogels op een klip. Hier is het ook dat de belangen wonen, die in deze tijd over oorlog en vrede beslissen.
Het is anderzijds een hele klus om de aard van die belangen juist in te schatten, en hun werking te begrijpen, of om zicht te krijgen op de gevolgen. Zeer zeker, de koers van de staatspapieren en de discontovoet zíjn een politieke thermometer; niettemin, het zou een vergissing zijn te geloven dat die thermometer kan dienen om de ontwikkelingen aan te tonen bij de ene of de andere grote vraag die de mensheid tegenwoordig beweegt. Het stijgen en dalen van de koersen is geen indicator voor het stijgen of dalen van de liberalen of de reactionairen. Die draaien veeleer rond de grotere, of juist geringere hoop die men heeft op pacificatie in Europa, en rond het in stand houden van de bestaande orde, of liever nog, de hoop dat alles bij het oude blijft, want daarvan hangt de terugbetaling van de staatsschuld af.
En – bij alle bedenkingen die je kunt hebben – in dít beperkte opzicht dwingen beursspeculanten bewondering af. Niet gestoord door enige overweging van geestelijke aard, richten zij al hun zinnen op de platte feiten, en met de dierlijke zekerheid van de weerkikvors worden zij gewaar of een bepaalde gebeurtenis, die er op het eerste gezicht misschien geruststellend uitziet, niet óóit een bron van stormen zou kunnen worden – en omgekeerd, of een groot onheil niet te langen leste de rust zou kunnen consolideren. In het geval van Warschau vroegen zij niet: hoeveel ongeluk daar nu voor de mensheid uit zou voortkomen, maar of de zege van Kantschu geen ontmoedigend effect zou hebben op de onruststokers – zij bedoelen natuurlijk de vrijheidsgezinden. Ze dachten inderdaad dat zulks het geval was, en de koersen schoten de hoogte in.
Veronderstel even dat er op de beurs een telegram aankomt met de boodschap dat mijnheer Talleyrand geloof hecht aan een Vergelding in het Hiernamaals: de Franse staatspapieren zouden direct tien procent zakken; de speculanten gaan er dan rekening mee houden dat hij zich misschien met God zal willen verzoenen. Hij zou Louis-Philippe en het hele juste-milieu dan vast laten vallen, hen sacrifiëren, en tegelijk de weldadige rust die wij nu genieten op het spel zetten. Niet to be or not to be is de grote vraag op de Beurs, maar wel – rust of onrust? Dáár houdt de disconto rekening mee.
In onrustige tijden is het geld angstig en trekt het zich terug in de koffers van de rijken, zoals in een vesting, en het houdt zich gedeisd; de disconto stijgt. In rustiger dagen wordt het geld weer zorgeloos, biedt zich te koop aan, toont zich in het openbaar en doet erg uit de hoogte; de disconto staat laag. Zo'n ouwe
louis-d'or heeft meer verstand dan een mens, en weet beter of het nu oorlog wordt of vrede.
Toen ik gisteren naar de Beurs ging,*** .om daar een brief op de post te doen, toen stond daar dat hele speculantenvolkje onder de colonnes voor de brede trappen van het Beursgebouw. Net was het bericht aangekomen dat de nederlaag van de vrijheidsgezinde patriotten zo goed als vaststond. De zoetste tevredenheid straalde van alle gezichten; je kon zeggen dat de hele Beurs lachte. Onder het gebulder van de kanonnen gingen de fondsen tien stuiver omhoog. Er werd namelijk geschoten tot vijf uur; omstreeks zessen was heel de revolutiepoging onderdrukt.

Heinrich Heine

Französische Zustände
in: Sämtliche Werke, Ernst Elster, 1893

_______________________

* Het gaat om de regering van Casimir-Pierre Périer (1777–1832); rijke bankier; autoritair premier in 1831; gehaat om de bloedige manier waarop hij de opstand van de zijdewerkers van Lyon liet neerslaan; stuurde een scheepseskader naar Lissabon, om bepaalde Franse schade-eisen kracht bij te zetten; stuurde een leger naar België om dit tegen de Hollanders te verdedigen; liet de Adriatische haven van Ancona afzetten om de Oostenrijkers de pas af te snijden naar de Pauselijke Staten. Périer stierf aan de cholera die Parijs trof, en die door Heine zó onnavolgbaar en gruwelijk mooi werd beschreven, dat ik zijn verslag vertaalde.
** Later in de XIXde E. kwam iemand tot de vaststelling dat er in Europa vijf instituties waren die, wat er ook gebeurde, altijd onverstoord bleven doorwerken: de Romeinse Curie, het Britse Parlement, het Russisch Ballet, de Franse Opera, en de Pruisische Generale Staf.
*** 6 juni 1832.
.

2 opmerkingen:

Duplo Duplex zei

Heu, ik zou zeggen: nog steeds actueel én toepasselijk.
Of heb ik het weer eens niet gesnapt?

Marc Vanfraechem zei

Ik denk dat wij hetzelfde bedoelen, duplo duplex.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html