27 mei 2009

Het verschil tussen kapitalisme en socialisme

.
In het algemeen springt onze pers nog wel zachtaardig om met de corrupte jongens en meisjes van de PS. Trouwens niet enkel met de betrokken individuen doet zij dat, ook de Partij zelf mag niet klagen. De journalistieke omzichtigheid in dezen, de discretie zelfs, kun je alleen maar voorbeeldig noemen.
De behoedzaamheid in het taalgebruik blijkt nog het duidelijkst hieruit, dat je enkel passiefzinnen leest in de aard van: De PS alweer door een corruptieschandaal getroffen, of Di Rupo opnieuw geplaagd met affaire in de partij, of varianten zoals Vlaag van schandalen trekt nu ook over Bergen.
Over de bankjongens lees je ook wel dat er in hun wereld een graaicultuur heerst, maar toch zijn de aanvallen op Mittler, Lippens en consorten heel wat bitsiger en persoonlijker. Terecht denk ik, maar je vraagt je toch af waar dat verschil vandaan komt. Dat het bij de banken om grotere bedragen gaat, kan niet de hele verklaring zijn, het betreft hier immers principes.
De diepere grond voor het verschil in behandeling, hoef gelukkig niet ik te onderzoeken, want dat heeft Karel van het Reve al lang voor ons allen gedaan:.
.






.

Zo kan radio ook zijn, met zulke zinnen

.
Marc Fumaroli:


Il est bien évident que s’il y a un point sur lequel la Gauche et la Droite sont complètement d’accord, et où même elles rivalisent de ...de ...de sottises, c’est bien dans le domaine de ce que vous [Michel Deguy] appelez à juste titre “le culturel”, la “politique culturelle”.
Et effectivement, il me semble que le culturel, c’est justement l’hypo-thèse selon laquelle un monde homogénéisé, technologiquement, peut être aussi –mais de manière logique– le plus capable de rendre la vie ...intense, intéressante, occupée, et même suroccupée.
En fin de compte le culturel se propose d’occuper tous les instants de chaque citoyen. Il faut aller le plus souvent aux musées, il faut aller le plus souvent dans les fêtes du livre, dans les fêtes de l’art, dans la force de l’art, et au fond, à la limite, on pourrait naître et mourir dans ce genre d’activités, qui à mon avis ne sont pour beaucoup ...qui enfin ne sont pas des contrepoids à ce qu’a d’abstrait le monde des servi-ces, ou le monde de l’industrie, mais qui est en réalité une simple ad-jonction, une sorte de complément, dans l’ordre du divertissement, du monde de la ...de l’agitation, de l’agitation ...moderne.

“L'art, la culture et le culturel”
Alain Finkielkraut reçoit Michel Deguy et Marc Fumaroli.
Émission “Répliques”, France Culture, du 23 mai 2009.


.
Marc Fumaroli:
Het is duidelijk, dat als er één punt is waar Links en Rechts elkaar uitstekend vinden, en waar zij in dwaasheden mekaar zelfs de loef willen afsteken, dit punt zich bevindt op het domein van wat, terecht, u [Michel Deguy]  de “culturele wereld”, of de “cultuurpolitiek” noemt.
En inderdaad, zo lijkt mij, leeft de cultuurwereld
.juist bij gratie van de hypothese dat een technologisch gehomogeniseerde wereld –bijna logischerwijs– ook bij uitstek in staat is om het leven intens te maken …interessant, drukbezet, overbezet zelfs.
Het culturele neemt zich per slot van rekening voor, om beslag te leggen op ieder vrij moment van elke burger. Je moet nodig de musea in, nodig ook boekenbeurzen in, of kunstbeurzen, je moet in de greep van de kunst blijven.
En ja, welbezien kan men desnoods van wieg tot graf zich met zulke zaken onledig houden, terwijl die volgens mij nauwelijks uitstaans …enfin, geen tegengewicht kunnen vormen tegen de abstracties van de dienstenmaatschappij of van de industriële wereld, maar in feite een simpele toevoeging zijn, een complement kun je zeggen, behorend tot de
sfeer van het vermaak, van de wereld van de drukte, de ...moderne drukte.
.

19 mei 2009

Nogmaals Jean-Pierre en Driek !

Over het martelen van krijgsgevangenen, soldaten of combattanten, kun je van mening verschillen. Sommigen zijn voor, anderen weer tegen. Ook kan één persoon, bij wisselende omstandigheden, er nu zus en later weer zo over denken.
Bijvoorbeeld Mitterrand was een enthousiaste voorstander destijds –we spreken nu van zijn tijd als Ministre de l'Intérieur, tijdens de guerre d’Algérie. Maar later, als president was hij geloof ik tégen. Een opdracht tot moord kon eventueel nog net, bijvoorbeeld met de Rainbow Warrior, maar moorden is nog geen martelen.
Ik zou zijn redenatie eens precies moeten natrekken, misschien in die biografie van Vincent Gounod, maar in elk geval: il n'y a que les fous qui ne varient jamais, en gek was François niet.

Van Bush, Cheney, Rumsfeld, Rice, Bliar &cs. weten we dat ze sterk geloofden in hun goede recht om te martelen –the gloves had to come off– en voor dat martelen hadden ze, zoals al hun historische voorgangers, ook een subtiel vocabularium ontworpen: “enhanced interrogation”, “an alternative set of procedures”, “specific techniques” &c.

Wat Barack Hussein Obama nu doet is deze “procedures” weliswaar afkeuren in theorie, maar in de praktijk wil hij de schuldigen in geen geval voor de rechtbank zien, ook niet als zij persisteren, en openlijk hun opvattingen blijven verkondigen zoals bv. een Dick Cheney dat doet:

"No regrets. I think it was absolutely the right thing to do," he said on CBS television, adamant that techniques decried by critics as torture were essential to break the resistance of captured extremists.

"I'm convinced, absolutely convinced, that we saved thousands, perhaps hundreds of thousands, of lives," Mr Cheney said, arguing again that Al Qaeda was bent on attacking a US city with a nuclear device.
Beetje schooljongensachtig misschien om met grote getallen te willen aankomen – en met dat “nuclear device” wordt Dick helemaal ridicuul. Voor zijn beweringen kan hij zich trouwens enkel beroepen op geheime documenten.
In de wetenschap worden theorieën die een beroep doen op hidden variables gewoonlijk weggelachen, en elders klinken ze minstens goedkoop. Wil Dick Trom ons echt doen geloven dat Al Qaeda, met hun aanslagen van 11 september, de Amerikanen eerst wilden waarschuwen voor hun nucleaire dreiging, zodat de verrassing niet al te groot zou zijn? Zulke aanpak is in de militaire geschiedenis zeer zeldzaam, en hij zou getuigen van een ouderwetse ridderlijkheid.

Overigens is er altijd nog de vraag, of martelen ook iets nuttigs oplevert. Het is immers bewezen dat gevangenen die gemarteld worden gelijk wát kunnen bekennen, en wat schiet je dan op?

In het gedichtfragment hieronder kunnen wij dit fenomeen waarnemen. Er wordt een –mislukte– aanslag op Willem van Oranje beschreven. Zekere Hans Hanszoon koesterde dit snode plan:

[...dus ging]
Hans Hanszoon Willems gangen na
en toen hij die was nagegaan
dacht hij zijn slag te kunnen slaan

tijdens de godsdienstoefening,
want als de prins ter kerke ging
zat hij steeds op dezelfde stoel.
Dus kocht Hans buskruit met het doel
een gang te graven met een schop
en dan door één druk op de knop
de hele boel te doen ontploffen.
Maar door de nachtwacht aangetroffen
’s nachts op het kerkhof met een spade
zag hij zijn voorbedachte daden
ontijdig in de kiem gesmoord,
en ingerekend en verhoord
ontkende de schavuit eerst alles
zoals wel vaker het geval is
bij lieden die niet willen deugen.

Maar toen men eenmaal zijn geheugen
professioneel had opgefrist

bekende hij als terrorist
tenslotte alles wat men wou:
hij toonde niet alleen berouw
over wat hij met Willem voorhad,
maar ook, nu men hem eenmaal doorhad,
verklaarde hij de moordenaar

te zijn van Jan van Schaffelaar,
Floris de Vijfde en Don Juan,
van Bonifatius en van
de Gorinchemse martelaren.
Hij werd door de gerechtsdienaren
natuurlijk op zijn woord geloofd,
ter dood veroordeeld en onthoofd.

Zo zie je dat ook in die dagen
het stellen van de juiste vragen
de waarheid boven tafel bracht
net zoals nu. Ook in de jacht
op hedendaagse terroristen
–of ze nu moslim zijn of christen–
gaat het vooral om waarheidsvinding
als wapen tegen de verblinding
van allerlei geloofsfanaten:
Door stevig op ze in te praten
tijdens een doelgericht verhoor
slaan op de duur de meesten door.


Voor wie proza boven poëzie verkiest, is dit de versie van P.C. Hooft:

Ten ingaan van Lentemaant lestleeden, bedroegh een Vries, geheeten Aukema, eenen Hans Hanszoon, koopman tot Vlissinge; en meldde, uit hem verstaan te hebben, hoe hy, door bezondren haat gevat op den Prins, dien in d'een' oft d'andre maniere dacht te verdelghen. Dat Hans, in een' kelder onder 't stadthuys, daar zyne Doorluchtigheit gewoon was te herberghen, etlyke tonnen buskruids meinde te zetten, om ze aan te steeken wen zy maaltydt hielde: oft in de kerke, ontrent het gestoelte des Prinsen, een' myne te graaven, en kruyds genoegh, daarin verborghen, te doen slagh maaken door een loopend vuur, als het pas gaave: oft in een huys, gehuurt teeghen oover de Fransche kerk tot Middelburgh, drie oft vierhondert gelaade mosketten te leggen, om ze te lossen op den Prins en zyn gezelschap, in 't voorby gaan: oft eyntlyk, zoo geen van drien gelukken wilde, met eyghen handt, waar hy zyn schoonst zaaghe, zyne Doorluchtigheit om te brengen; en Vlissinge in 's vyands gewelt te stellen. Dit verhaalde de aanbrenger, teffens getuygh, en enkel. Waaroover Hans, gevangen zynde, alles loochende. Doch, scherpelyk ondervraaght, bekende hy 't stuk, en van 't zelve gehandelt te hebben met den Spaanschen Ambassadeur in Vrankryk: werd derhalven onthalst, zyn hooft op een' staak en de veste der stadt geplant.


Ach, veel wat vroeger is gebeurd,
moet ethisch worden afgekeurd!


.

16 mei 2009

Vaderlandse Geschiedenis

.
Iedereen weet dat er zaken zijn die je in gezelschap beter kunt nalaten, of die je tenminste wilt onderdrukken. Flatulentie valt daar zeker onder, maar ook het uitspreken van bepaalde woorden. “Poëzie” is er zo een.

Laat je deze term onverhoeds vallen, in een vrolijk gezelschap, dan ontmoet je blikken waarin medelijden, ontzetting, zelfs afgrijzen en walg te lezen staan. Een Engelsman –ik weet niet meer wie– vergeleek het effect met dat van het woord “god”.
Ik vind dat niet onbegrijpelijk. Het gemoraliseer en de navelstaarderij die tegenwoordig voor poëzie doorgaan kun je een mens niet aandoen. Zelfs een kleine droefgeestige haiku kan al snel te veel worden.

Nu had ik hier nochtans graag een gedicht ter sprake gebracht dat 3944 regels beslaat, en moraliserend van aard is. Bovendien is het een leerdicht, over Vaderlandse Geschiedenis.
Gelukkig werd het door twee verzenmakers geschreven, en niet door wat tegenwoordig zoal voor dichters doorgaat. Meer in de traditie dus van versifiers als bv. Dryden, Pope of Kipling, die ook onpoëtische thema's gebruiken, en woorden en wendingen die nog naar dagelijks brood smaken, en geen sentimentele of geëffemineerde luchtjes afgeven.

Onze twee dichters spreken in hun gedicht overigens niet zelf, maar geven het woord aan prins Willem-Alexander –die u beter zult kennen als de man van de mooie Maxima.
Deze Willem-Alexander is blijkbaar een goede vader, want aan zijn kinderen vertelt hij voor het slapengaan verhaaltjes uit de geschiedenis van hun land. Immers het onderricht in de scholen, vindt hij, laat wat dit betreft te wensen over, en tenslotte:
“Dat alles is zoals het is, komt voort uit de geschiedenis”.

Op het punt waar wij zullen invallen, is vader al bij de Tachtigjarige Oorlog aanbeland …en hij geeft zijn kinderen terloops een actuele beschouwing mee, waar wij allen straks in het kieshokje wellicht ons voordeel mee kunnen doen:

Binnen de Staten-Generaal
besloot men zich niet andermaal
met vreemde snuiters in te laten.
Dat was verstandig van de Staten,
want Nederland werd soeverein
en zo behoort het ook te zijn:
men moet niet naar het pijpen dansen
van Duitsers, Engelsen of Fransen.
Laat die zelfingenomen buren
maar mooi hun eigen land besturen –
wij blijven liever ongemoeid.
Wien Neêrlands bloed in d’aders vloeit,
van vreemde smetten vrij, die ziet
zo’n buitenlander liever niet
die onze lakens uit komt delen.
En hier, ondanks mijn officiële
staatkundige onschendbaarheid,
wil ik sub rosa aan je kwijt
(het blijft tenslotte entre nous)
dat ik dat eenwordingsgedoe
hier in Europa niet zie zitten.
Dat Fransen, Duitsers, Belgen, Britten
eenzelfde lijn ooit zouden trekken
is toch te zot en van de gekke!
Want ondanks alle goeie wil
blijft er een wereld van verschil.
Wat hebben Tsjechen en Slowaken
bijvoorbeeld met elkaar te maken?
Of Zevenburgers met Roemenen?
Straks staan de Turken nog voor Wenen
wanneer je ze een vinger geeft!
[…]

P.S. Bij een volgende gelegenheid kom ik nog terug op dit leerdicht, en wel met een passage waar zelfs Obama iets aan zal hebben.

Jean-Pierre Rawie & Driek van Wissen
Rijmkroniek des Vaderlands
De opkomst van de Nederlandse Republiek (2005)
De Gouden Eeuw (2007)
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam

.

11 mei 2009

Iets voor Frank Vandenbroucke om over na te denken bij zijn onderwijshervormingen

.
In zijn laatste rubriekje in De Standaard, gewijd aan het Latijn, maakt Sam De Graeve bij zijn eerste twee citaten twee klijne fautjes tegen het Latijn.

"In onze scholen onderwijst men nog volop Latijn en terecht, want Latijnse uitdrukkingen zijn ook vandaag nog altijd sexy. Nihil nove sub sole. Niks nieuws onder de zon. Wie de kranten leest, kan niet anders dan besluiten dat zulks vaak het geval is. Het zijn binnenkort verkiezingen en ze lijken verdacht veel op de vorige, alleen wordt bij de moddergevechten nog een tikkeltje meer modder gebruikt, van die stinkende, donkerbruine modder met hier en daar een stuk glas erin, waar je je lelijk aan kunt bezeren. Nog een mooie: Verba volent, scripta manent. Woorden vervliegen, maar het geschrevene blijft. [...] "

Statistisch gesproken blijft De Standaard een kwaliteitskrant natuurlijk, met een eindredacteur &c., want de andere Latijnse citaten waren correct, en trouwens, bv. over de zaak Tom Boonen hadden ze heel diepzinnige dingen te vertellen, al hadden ze daar wel wat paginaatjes voor nodig. Acht geloof ik.
.

9 mei 2009

Te veel lezen is ook niet goed !

.
Omdat we politiek gesproken min of meer in de komkommertijd zitten –politieke of maatschappelijke thema’s komen nergens nog aan bod aangezien er verkiezingen op komst zijn, én aangezien ten tweede wij tot ieders tevredenheid toch al een soort regering hebben– daarom zullen wij het vandaag over literatuur hebben. Meer bepaald over de gevaren daarvan.

Mocht u, toevallige bezoeker, liever iets gelezen hebben over het legomannetje van de VLD, Bartje Somers, of anders over de coach van de LDD, JMDD, dan kunt u voor zulke mededelingen altijd terecht bij de kwaliteitsjournalisten.
De laatstgenoemde, Jean-Marie dus, heb ik te vaak meegemaakt ’s avonds op de trein vanuit Brussel (hij reed naar Oostende, maar ik stapte in Gent al uit), in het gezelschap van zijn maat Bart Tommelein.
De laatste tijd zie ik géén van de twee overigens nog – niet samen en niet afzonderlijk. Misschien zijn ze niet eens meer samen? voor mij niet gelaten alleszins, want dat luidruchtig getelefoneer met hun thuisbasis –waar ik gelukkig niets van verstond, anders was het nog erger geweest– stoorde mij vaak genoeg bij de lectuur van grote werken. En u zult het met mij eens zijn, lezer: het is niet eenvoudig om bijvoorbeeld Schopenhauer te lezen als er recht voor u twee zwaargewichten constant in hun blackberries zitten te roepen.

Dat roepen brengt mij op mijn eigenlijke onderwerp: Verhofstadt. Al bedoel ik hier niet de man die door de tv, de radio, de kranten en weekbladen zo gedorloteerd wordt, maar zijn stillere broertje, Dirk.

Die mens leest veel is mijn indruk! Ik maak dat op uit zijn mededelingen op Facebook. Dirk brengt daar dagelijks verslag uit van zijn intellectuele inspanningen.
Om u een idee te geven: op dag één deelt Dirk mee dat hij een boek over de holocaust aan het lezen is. Laten we een rond getal zeggen: vierhonderd bladzijden. Op dag twee leest hij dan een boek over Stuart Mill, ook vierhonderd. Op dag drie is het weer holocaust (ander boek). En op dag vier een Stuart Mill. Dag vijf is ontspannender, bijvoorbeeld een nieuwe Mortier, of er wordt een Claus hernomen, of hij slikt een Popper.
Op die manier is een week snel om, en tot voor kort kon ik dat allemaal goed volgen omdat ik vriendjes was met Dirk op het genoemde Facebook, maar daar is nu een eind aan gekomen.
De schuld ligt bij mij. Ik maakte een ongelukkige opmerking over de Burgermanifesten, dunne boekjes nochtans, tot daar, maar ik kon het niet laten en begon over de vorige keer dat grote broer Guy Europese ambities koesterde, en onze vriendschap werd in de knop gebroken.

Elke breuk is triestig, omdat er dan zaken onafgewerkt blijven. Zo had ik Dirk nog een raad willen meegeven, niet van mijzelf afkomstig maar van Schopenhauer, en die gelegenheid heb ik nu verbeurd.

Wat ik met de hulp van de filosoof had willen zeggen is dat constant lezen ook nadelen in zich bergt. Volgens Arthur Schopenhauer moet je tussen twee boeken altijd een kleine pauze inlassen, omdat anders het pas gelezen boek verdrongen wordt door het nieuwe. Het eerste had dan bij wijze van spreken net zo goed ongelezen kunnen blijven.

Misschien, zou ikzelf nog durven toevoegen, is het zelfs de vraag of veel lezen überhaupt tot aanbeveling strekt? Mensen die naar tv kijken worden vaak daartoe aangespoord, maar is dat wel goed? Kunnen zij in hun geliefkoosde programma's niet beter...enkel daartoe aangespoord worden, en vervolgens ook aangespoord blijven?
Er zijn aanwijzingen: in de laatste New York Review of Books stond een artikel met een mooie titel: "A Constant Reader". Ze gaven er een foto bij van iemand die blijkbaar heel veel las:



Maar laat ik na deze derde impertinentie van mij, liever aan Schopenhauer zelf het woord geven:


Wanneer wij lezen, denkt een ander voor ons: wij herhalen enkel zijn mentaal proces. Het is de situatie van de schooljongen die leert schrijven, en met zijn pen over de potloodlijntjes gaat die de leraar heeft getrokken. Van denkarbeid zijn wij tijdens het lezen dus grotendeels ontslagen. Vandaar de voelbare opluchting als wij onze eigen gedachten kunnen achterlaten en ons aan het lezen zetten. Dat is ook de reden waarom iemand die zeer veel, en bijna de hele dag leest, en tussendoor op krachten komt met gedachteloos tijdverdrijf, allengs het vermogen tot zelfstandig denken verliest, – zoals iemand die altijd paardrijdt ten slotte het stappen verleert.
Nochtans verkeren vele geleerden in dat geval: zij hebben zich dom gelezen. Want een bestendige, bij elk vrij ogenblik direct weer opgenomen lectuur is nog geestverlammender dan bestendige handenarbeid; want bij deze laatste kan men de eigen gedachten nog de vrije loop geven. Maar net zoals een springveer door de voortdurende druk van een vreemd lichaam haar elasticiteit ten slotte inboet, zo de geest de zijne door een aanhoudend opdringen van vreemde gedachten. En zoals men zijn maag bederft met te veel eten, en het hele lichaam hierdoor schade berokkent, zo kan men ook door een teveel aan geestelijk voedsel de geest overladen en verstikken. Want zelfs het gelezene maakt men zich pas eigen door latere overpeinzingen erbij, door herkauwen. Leest men daarentegen bestendig door, zonder naderhand er nog over na te denken, dan vat het geen wortel en gaat het in de meeste gevallen verloren. Met het geestelijke voedsel immers verloopt het over het algemeen niet anders dan met het lichamelijke: amper een vijftigste deel van hetgeen men tot zich neemt wordt geassimileerd: het overige vloeit af door evaporatie, respiratie en dergelijke.
Komt bij dit alles nog, dat op papier gezette gedachten hoegenaamd niets méér zijn dan het spoor van een voetganger in het zand: men ziet wel de weg die hij genomen heeft, maar om te weten wat hij onderweg heeft gezien moet men zijn eigen ogen gebruiken.



.Wann wir lesen, denkt ein Anderer für uns: wir wiederholen bloß seinen mentalen Proceß. Es ist damit, wie wenn beim Schreibenlernen der Schüler die vom Lehrer mit Bleistift geschriebenen Züge mit der Feder nachzieht. Demnach ist beim Lesen die Arbeit des Denkens uns zum größten Theile abgenommen. Daher die fühlbare Erleichterung, wenn wir von der Beschäftigung mit unsren eigenen Gedanken zum Lesen übergehn. Eben daher kommt es auch, daß wer sehr viel und fast den ganzen Tag liest, dazwischen aber sich in gedankenlosem Zeitvertreibe erholt, die Fähigkeit, selbst zu denken, allmälig verliert, – wie Einer, der immer reitet, zuletzt das Gehn verlernt. Solches aber ist der Fall sehr vieler Gelehrten: sie haben sich dumm gelesen. Denn beständiges, in jedem freien Augenblicke sogleich wieder aufgenommenes Lesen ist noch geisteslähmender, als beständige Handarbeit; da man bei dieser doch den eigenen Gedanken nachhängen kann. Aber wie eine Springfeder durch den anhaltenden Druck eines fremden Körpers ihre Elasticität endlich einbüßt; so der Geist die seine, durch fortwährendes Aufdringen fremder Gedanken. Und wie man durch zu viele Nahrung den Magen verdirbt und dadurch dem ganzen Leibe schadet; so kann man auch durch zu viele Geistesnahrung den Geist überfüllen und ersticken. Denn selbst das Gelesene eignet man sich erst durch späteres Nachdenken darüber an, durch Rumination. Liest man hingegen immerfort, ohne späterhin weiter daran zu denken; so faßt es nicht Wurzel und geht meistens verloren. Ueberhaupt aber geht es mit der geistigen Nahrung nicht anders, als mit der leiblichen: kaum der funfzigste Theil von dem, was man zu sich nimmt, wird assimilirt: das Uebrige geht durch Evaporation, Respiration, oder sonst ab.
Zu diesem Allen kommt, daß zu Papier gebrachte Gedanken überhaupt nichts weiter sind, als die Spur eines Fußgängers im Sande: man sieht wohl den Weg, welchen er genommen hat; aber um zu wissen, was er auf dem Wege gesehn, muß man seine eigenen Augen gebrauchen.


Arthur Schopenhauers Werke in fünf Bänden
Nach den Ausgaben letzter Hand herausgegeben von
Ludger Lütkehaus
Band V
Parerga und Paralipomena II
1988, Haffmans Verlag AG Zürich,
SS.480-1
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html