Casanova als genadeloos recensent
Giacomo Casanova publiceerde in 1797, een jaar voor zijn dood (4 juni 1798), een grondige bespreking van een pas verschenen woordenboek.
Leonhard Wilhelm Snethlage, docent Frans aan de Universiteit van Göttingen,* had er namelijk een laten verschijnen met neologismen die na de Franse Revolutie in zwang waren geraakt. Het was bedoeld als aanvulling bij de Dictionnaire de l’Académie française.
Casanova was geen voorstander van de Revolutie (heel wat Parijse vrienden hadden de Terreur niet overleefd) en evenmin van de meeste neologismen waar Snethlage mee uitpakte** en nog minder was hij een liefhebber van diens gedichten.
Zijn kritiek is genadeloos, maar in het algemeen is Casanova's toon toch vriendschappelijk. Hij kende Snethlage goed en sprak hem aan met mon cher confrère – beiden immers waren docteur en droit.

Als het over de Franse taal gaat, meen ik als Italiaan evenveel recht als u te hebben om me daarmee te bemoeien. [...] Ik spreek zonder omwegen en verontschuldig me op voorhand, mochten de waarheden die ik vertel u iets te zwaar vallen. Non potes me simul amico et adulatore uti.***
En inderdaad, een zin als deze liegt er niet om:
Wat een intelligent man dwingt om zich meteen te corrigeren als hij beseft dat hij zich belachelijk heeft gemaakt, is dat zoiets op zijn minst twijfel zaait over zijn verstand, en bij die gedachte beeft hij, want alleen een ware dwaas is nooit bang om voor dwaas te worden versleten. Dit maakt dat ik er zeker van ben dat u pas dan nog gedichten of woordenboeken zult maken als we weer enkele jaren verder zijn.
cadentque quae nunc sunt in honore vocabula, si volet usus,
quem penes arbitrium est et ius et norma loquendi.
*** [Als vriend en vleier tegelijk heb je niks aan mij]. Toegeschreven aan de Atheense generaal Phokion.









.png)

