30 maart 2013

Een Frans geluid


Al vermoed ik dat François Hollande, in tegenstelling met onze Elio, nooit is verschenen op de feestjes in de Belgische ambassade in de tijd dat Zijne Excellentie Pierre-Dominique Schmidt daar nog onze vertegenwoordiger was, en er daar behalve de Parijse lucht nog veel andere dingen te snuiven waren en vele donkere krochten te exploreren, tóch lijkt de Franse president, die meer belangstelling heeft voor wezens als Valérie Trierweiler –van Julie Gayet was toen nog geen sprake– toch lijkt François goed te weten hoe het met ons vaderland is gesteld. 
Ik hoorde hem in zijn entretien met David Pujadas op France2 twee keer het woord België uitspreken. Beide malen in ongunstige zin.
Als Elio die misvatting van François wil rechtzetten, dan zou ik hem graag aanraden om, ter afwisseling, in onze ambassade eens een feestje te organiseren waar François kan verschijnen met Valérie – of met Julie, dat hangt van hemzelf af natuurlijk.
Want wat François daar op de televisie vertelde, dat horen wij niet graag: 



L’Europe est en récession. En récession. C'est-à-dire que l’Italie, l’Espagne, le Portugal, la Belgique, le Royaume-Uni, c’est pas une croissance que ces pays connaissent, c’est une récession! Nous, on ne va pas s’en vanter, on est croissance zéro, nulle.

Europa zit in een recessie. In een recessie. Nemen we Italië, Spanje, Portugal, België, het Verenigd Koninkrijk: wat deze landen kennen is geen groei, het is een recessie. Wij, zonder te willen bluffen, zitten op een nulgroei, houden stand.



Aujourd’hui, prolonger l’austérité, c’est le risque de ne pas aboutir à réduire les déficits, et la certitude d’avoir des gouvernements impopulaires, dont les populistes ne feront qu’une bouchée, le moment venu.
Mais qui vous entendez? 
Alors! ceux qui sont concernés! l’Espagne, l’Italie, Portugal, euh, Belgique.

Vandaag doorgaan met bezuinigingen, houdt het risico in dat wij er niet toe zullen komen om de tekorten terug te dringen, en het bezorgt ons met zekerheid onpopulaire regeringen die als het moment er is door de populisten moeiteloos opgeslokt zullen worden.
Wie bedoelt u dan?
Hoezo? diegenen die het aangaat! Spanje, Italië, Portugal, euh, België.

Een aankomende filosoof


De naam Thomas Decreus zegt u misschien nog niets, maar dat is een aankomende Belgische filosoof. Geen kamergeleerde, want al in januari 2011 –amper 26 was hij toen!– trad hij naar voren als een van de initiatiefnemers van de SHAME-betoging, waarin volgens de kranten 36.000 mensen meeliepen, allemaal verontwaardigd en kwaad omdat er maar geen echte federale regering wilde komen.
Goede overzichtsfoto’s van deze massa hebben de kranten helaas niet afgedrukt, en juist door het ontbreken daarvan, of door de schaarse beelden die we wél konden zien –genomen vanaf schouderhoogte– kregen velen het vermoeden dat het hooguit om enkele duizenden Franstaligen ging, weliswaar in het gezelschap van enkele tientallen Vlamingen, zoals onze filosoof Decreus.

Een jaar later waren het volgens de PVDA (Amada voor de volwassenen onder ons) al “40.000 Walen, Vlamingen en Brusselaars [die] protesteerden tegen de politieke cultuur van de elite.” Waarom deze partij het overnamebod van de kranten met nog eens 11 procent verhoogde is onduidelijk.

Maar nu hoorde ik deze middag in het programma Trio van Klara een gesprek van deze filosoof met Johan Van Overtveldt van Trends. Dat gesprek was soms een beetje gênant want Decreus inmiddels al achtentwintig jaar oud vermoed ik gebruikte soms namen van collega’s van hem, Plato, Aristoteles enzovoort, en daarbij was hij niet altijd even plankvast.
Ook beweerde hij soms dat hij iets niet had gezegd, maar dan bleek dat hij het eerder wel al had geschreven. Aan het eind van het gespreksuurtje moest gastheer Werner Trio hem min of meer tegen zichzelf in bescherming nemen, want de jonge filosoof was in de immer vloeiende stroom van het gesprek enigszins op drift geraakt.
Werner zei, na alweer een sprongetje achteruit van Thomas: “Je gaat toch niet zeggen dat je dat alleen maar theoretisch bedoelt hé, want…”
Wellicht wilde Werner, zoals het een goede gastheer betaamt, hem een tweede afstraffing besparen, na deze eerdere:



Johan Van Overtveldt: Als ik zie dat in landen als België, Nederland, Frankrijk, het overheidsaandeel in heel het economisch gebeuren tussen de vijftig en de zestig procent zit, en dus die marktsector relatief gezien eigenlijk altijd minder belangrijk wordt, dan stel ik me de vraag of we vandaag al niet een situatie hebben waar het politieke gebeuren –in tegenstelling tot wat u beweert– wel degelijk en grote impact uitoefent op die markt.
Thomas Decreus: Maar ik heb het over een bepaald discours, ik heb het over een bepaalde ideologie die de zaken zo voorstelt, niet over de feitelijke situatie.
Johan Van Overtveldt: Wel, is het misschien toch niet zinvoller om ook eens naar de feitelijke situatie te kijken, en van daaruit dan eventueel terug te keren?
Thomas Decreus: Nee!
Johan Van Overtveldt: Dan moeten we toch gaan uitleggen wat er vandaag fout loopt, als het dus klopt, wat volgens mij zo is, dat de impact van de overheid op het economisch gebeuren nooit groter geweest is dan nu.

22 maart 2013

De President vindt democratie hinderlijk


Het mooiste citaat ongetwijfeld, uit het klankfragment hieronder –uit de Zevende Dag– is: "om da woord eens te gebruiken". Uitdrukking die onze President-dichter Herman Van Rompuy zich liet ontvallen. Het ging over legitimiteit.
Maar er zijn meer mooie dingen. Zo weet de President goed wat het "algemeen belang" is. Hij weet dat zelfs daardoor zo goed, omdat hij niet verkozen is noch ooit moet worden.
Dat is een negatieve reden, bijna zelfs een bovennatuurlijke reden zegt de filosoof in mij. Wat zijn positieve bron van kennis mag zijn, verklapt Herman ons helaas niet. Het enige dat wij met zekerheid mogen weten, is dat zijn wijsheid niet uit de stembus is voortgekomen.
Ik ken een paar politieke denkers in wier gezelschap onze President Herman zich volkomen op zijn gemak zou voelen.



De Vadder: U bent een primus inter pares en u bent niet verkozen door de [ordinaire?] Europeaan, he?
De President: Nee, maar ik denk dat het ook maar best zo is. In die zin hebben de vaders van het Verdrag van Lissabon een wijze beslissing genomen. Kijkt, als ge direct verkozen zijt, dat geeft u natuurlijk een enorme democratische legitimiteit, om da woord eens te gebruiken. Dat is ook wel zo. Maar op den duur zijt ge meer bezig met úw verkiezing, en met uw herverkiezing, dan met het zoeken naar een compromis tussen de zevenentwintig regeringsleiders. Ik denk, iemand die niét verkozen is, heeft een handicap ten opzichte van zijn collega’s die allemaal verkozen zijn, weliswaar elk in hun land. Dat is een handicap, ik voel dat ook. Maar langs de andere kant: het is ook een enorme troef, want ik moet mij, ik moet mij alleen bezig houden met ervoor te zorgen dat we allemaal overeenkomen. En tot nu toe, in de moéilijke omstandigheden die we de laatste drie jaar hebben gehad, is dat telkens bijna, bijna telkens gelukt, om niet te zeggen bijna altijd gelukt. En dat is alleen maar omdat men …ja die ruimte heeft, euh, om niet alleen aan zichzelf te moeten denken, aan zijn eigen verkiezing en herverkiezing, maar vooral te kunnen denken aan wat het algemeen belang is.
De Vadder: Ja, dus geen pleidooi om die functie rechtstreeks te laten verkiezen?
De President: Nee, daarvoor moet ge het Verdrag wijzigen, en ik denk dat daar nog veel water door vele rivieren zal vloeien, vooraleer dat men aan een nieuwe verdragswijziging...  [&c.]


20 maart 2013

Reynebeau en het inpikken van andermans termen


Tot grote voldoening van de twitterende Noël Slangen schreef Marc Reynebeau vandaag in De Standaard:
"In diezelfde lijn zocht de N-VA andere, verhullende woorden voor haar separatisme. Opdat ze onschadelijk zouden ogen, kaapte ze die bij haar politieke opponenten."
Dat is mogelijk, ik wil dat niet ontkennen, maar over het kapen van andermans termen zou Reynebeau toch beter zijn mond houden.

Zoals ik hier eerder al aantoonde –maar voor hem onvoldoende duidelijk– is hijzelf een meesterdief. En de man gelooft ook dat door de herhaling van een leugen, deze op den duur waarheid wordt.
Dat laatste klopt, en zo komt het bijvoorbeeld dat de meeste journalisten nu braaf geloven dat Reynebeau de uitvinder is van het begrip lasagne-identiteit.
Tenslotte pronkt hij overal met dat begrip en dus moet het wel waar zijn. Zo werken journalisten eenmaal: op gezag. Feiten moeten zichzelf maar zien te redden.
En omdat het gedrukte woord voor Reynebeau kennelijk niet volstaat, geef ik hieronder een geluidsbestandje, een fragment uit een lang gesprek dat Jean-Pierre Rondas had met Matthias Storme, de achtentwintigste december van het jaar tweeduizend en vier. In januari tweeduizend en vijf ging dat fragment “op antenne” zoals men zegt, en een paar weken daarna vond Marc Reynebeau het warm water opnieuw uit, en sindsdien noemt hij zich steevast “de tevreden uitvinder van het begrip lasagne-identiteit.



Storme: Ik geloof niet in het Verfassungspatriotismus in de ontklede zin van het woord die sommigen daaraan geven. Er is een bepaalde interpretatie van Verfassungspatriotismus [Kan mooi zijn hé!] die natuurlijk correct is. Maar ik bedoel: sommige mensen gebruiken het woord verfassungspatriotisme, om eigenlijk het woord patriotisme uit te schakelen.
In de zin van: het enige dat telt, is dat de wetgeving voor iedereen dezelfde is, en dat je de wetten respecteert [Voor wie hier woont], en voor het overige heeft het geen enkel belang of de personen die aan die wetten onderworpen zijn nog iets gemeenschappelijks hebben, of daar ook een socio-culturele homogeniteit is.
Er is geen noodzaak om, tot op zekere hoogte dezelfde taal te spreken, letterlijk of/en figuurlijk, en dergelijke meer.
Ik ben ervan overtuigd dat dit niet functioneert. Al je nog een klein beetje geloof hecht aan de noodzaak van een polis, welvaartsstaat, sociale zekerheid, draagvlak voor fiscaliteit –een territoriale gemeenschap in de moderne betekenis van het woord– dan moet je die gemeenschap structureren op basis van niveaus en grenzen die beantwoorden aan een voldoende socio-culturele homogeniteit.
Nu, die homogeniteit is natuurlijk gelaagd. Ik heb van mijzelf ooit gezegd: ik ben lasagne-nationalist. Want ik weet natuurlijk dat mijn identiteit zich niet op één niveau bevindt. Dat mijn identiteit zowel Europees, als Vlaams, als Gents, en zelfs ook een beetje Belgisch is. Ik ga dat natuurlijk niet ontkennen, dat is evident.
De vraag is: welke politieke conclusies moet je daaruit trekken? Het subsidiariteitsbeginsel beantwoordt aan die lasagna. Je legt bevoegdheden en macht, en beslissingsbevoegdheden leg je op verschillende niveaus, of kan je op verschillende niveaus leggen.
En vanuit dat oogpunt, heeft inderdaad België nauwelijks nog een meerwaarde.
______

En omdat hij zo actueel is, zowel wat België als wat de EU betreft, en hij  het ook over identiteit en homogeniteit heeft, wil ik graag Aristoteles zelf er even bij halen: 
"Immigratie is, bij gebreke aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen. Zoals evenmin een stad door een toevallige verzameling mensen tot stand komt, of op een willekeurig moment: daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meesten burgeroorlogen hebben gekend."
στασιωτικὸν δὲ καὶ τὸ μὴ ὁμόφυλον, ἕως ἂν συμπνεύσῃ: ὥσπερ γὰρ οὐδ᾽ ἐκ τοῦ τυχόντος πλήθους πόλις γίγνεται, οὕτως οὐδ᾽ ἐν τῷ τυχόντι χρόνῳ: διὸ ὅσοι ἤδη συνοίκους ἐδέξαντο ἢ ἐποίκους, οἱ πλεῖστοι διεστασίασαν

«Πολιτικά», 1303a, 25-28
Op het web vindt men vele vertalingen, die onderling nogal verschillen, bv.: La diversité d'origine peut aussi produire des révolutions jusqu'à ce que le mélange des races soit complet; car l'État ne peut pas plus se former du premier peuple venu, qu'il ne se forme dans une circonstance quelconque. Le plus souvent, ces changements politiques ont été causés par l'admission au droit de cité d'étrangers domiciliés dès longtemps, ou nouveaux arrivants.

19 maart 2013

Met Hugo Claus aan de kaarttafel


Een goede dertig, vijfendertig jaar geleden bracht Hugo Claus geregeld een avond door in de Hotsy Totsy –het Gentse artistiek café, toen nog privéclub– van zijn broer Guido. Als dan toevallig de vier broers samen present waren, werd er gekaart en stonden Motte en haar barman onder hun tweeën in voor de toog. Vaak waren er ook maar drie broers, en dan sprong een andere klant in, aan de kaarttafel welteverstaan.
Trouwe klanten van Motte en Guido vierden bij hen ook de overgang van Oud naar Nieuw, en om twaalf uur werd er gekust en champagne gedronken. Dit ceremonieel kon makkelijk een kwartier duren. Vele klanten gingen er nog langer mee door.
Maar na afloop van dat kwartier zei Hugo tegen zijn broers –Johan ontbrak maar Odo niet, en Guido natuurlijk niet– : “Zoeme ’t eerste spelleke van ’t jaar niet doen?”
Ik diende als vierde man, en we spraken af dat we zouden Kieskingen. Manillen durfde ik namelijk niet, want tegen West-Vlamingen manillen is geen goed idee.

Dat spel “Kieskingen” hier uitleggen zou te lang duren, maar iedereen ging direct akkoord en we zouden spelen voor een tarief van 320 frank voor Harten Heer, en de andere spelletjes navenant. Dat komt erop neer dat je normaal gesproken zoiets als duizend frank per uur kunt winnen of verliezen.
Alles verliep meteen al voorspoedig voor de twee broers en voor mij, maar niet voor Hugo die gedurig slechte kaarten kreeg.

Ik meen dat het iets over tweeën moet zijn geweest, dat Hugo terloops naar de stand vroeg. Hij stond een goede vijfduizend frank in het rood en begon zich luid te beklagen over de goden die hem ongunstig gezind waren.
En toen maakte Odo, die geen dichter was, een ongelukkige opmerking: “Mor Hugo, ge kent gi niet van kaarten ook, hé.”
Hugo stond op, grabbelde zes briefjes uit zijn broekzak, gooide die op tafel en liet ons beduusd achter in de feestvreugde.
Dat heb ik altijd erg kunnen appreciëren van hem, die plotse kolere.

10 maart 2013

Een verse columnist bij De Tijd


De nieuwe columnist Frank Van Massenhove, die al twee of drie keer in De Tijd iets heeft geschreven en dit om de twee weken zal gaan doen, lijkt goed op de hoogte van de wereld van de popmuziek.

Zaterdag begon zijn column met een historisch citaat, uit een lied van de Black Rebel Motorcycle Club, nog uit het jaar 2005. Nu kende ik die club niet, u misschien ook niet lezer, maar dat geeft niet want de columnist geeft ons de tijd om deze schade in te halen.
Bij die motorclub zingen ze af en toe liederen met een filosofische inslag. Als illustratie dit vers uit een hunner liederen: “Time won’t save our souls”. Alleenstaand genomen zal de kracht hiervan niet iedereen meteen opvallen, maar Frank geeft in zijn column deze regel drie keer na elkaar, nog voor hijzelf iets verteld heeft, en dat verandert veel:

Time won’t save our souls
Time won’t save our souls
Time won’t save our soul… no
When everything is going down
Nothing seem to feel the same

De regels komen uit het canto Shuffle Your Feet, te horen op de plaat Howl van genoemde motorrijdersclub. Ook zonder de aria verder te kennen: dat “nothing seem” zonder “s” is een vondst. Het geeft een schok, het werkt vervreemdend.

Frank blijft trouwens niet bij 2005 hangen. Hij gaat verder in de tijd terug, en heeft het over “dedicated followers of old fashion”. En alweer: die lichtvoetige, humoristische, tegen het zinsritme ingaande tussenvoeging “old” is een vondst en een schok. We mogen aannemen afkomstig van Frank zelf deze keer.

En dan mag popmuziek misschien niet alle lezers van De Tijd interesseren –anders zouden ze De Standaard of De Morgen of Humo wel lezen– maar ook eventuele voetballiefhebbers worden door de nieuwe columnist bedacht.
Frank spreekt honderduit over Supercups, League Cups, nog andere Cups en speciaal ook over een geestelijke vader of mentor van hem, zekere Alex Ferguson. Die man leidt al jaren een bekende voetbalclub, Manchester United.
Anders dan bij die motorclub hebt u van deze club zeker al gehoord. En Frank zelf is ook manager, dus een oude rot als die Alex spreekt hem wel aan, dat is niet abnormaal.

Zijn column bevat nog veel meer, ik kan niet alles vertellen, over zijn moeder enzovoort, maar mocht u morgen De Tijd van zaterdag ergens zien liggen, lezer, dan zeker pagina twaalf, links bovenaan niet overslaan!


9 maart 2013

Charles Baudelaire zag dat toen al


Charles Baudelaire heeft over ons vaderland België lelijke dingen geschreven, en over Brussel in het bijzonder. Iedereen weet dat, dat is geen nieuws, maar slechte mensen lezen zulke dingen graag opnieuw.
En naar goede uitgaven van Baudelaire is het niet lang zoeken, want de Fransen houden hun mensen in ere en weten ook hoe ze een boek moeten uitgeven. Tenminste, ik vind hen onovertroffen in een bepaald soort uitgaven. Die van boeken met een slappe kaft namelijk.
Neem bijvoorbeeld Gallimard, met zijn lichtgele kaften, en de titel en de naam van de auteur in zwarte en rode letters, alles in een fijn kadertje, ook in zwart en rood. Dat is niet te overtreffen. Als je bijvoorbeeld Simon Leys leest, met dat kaftje eromheen, ben je niet verwonderd dat die kerel zo goed schrijft.
Franse uitgevers gaan ervan uit dat als iemand per se een stijve kaft om zijn boeken wil, hij ze dan zelf naar de boekbinder moet brengen. Een juiste gedachte. Hard cover is ook geen Frans.

En om over Baudelaire door te gaan: hij zit natuurlijk bij de prestigieuze Bibliothèque de la Pléiade, in twee dure mooie stijve banden, maar ik vind die boeken van de Pléiade niet goed leesbaar. Prachtig voor in de kast, bruine ruggetjes en wetenschappelijk soms juweeltjes, prachtig papier ook, al wat je wilt, maar geef mij maar Robert Laffont bijvoorbeeld, zelfde papier maar met een goed-Franse slappe kaft en in een handzamer formaat, en evengoed vol voetnoten. En een stuk goedkoper ook, want duizend bladzijden Œuvres Complètes van Baudelaire kostten daar twintig jaar geleden op verre na geen duizend Belgische frank meen ik.

Nu hoorde ik vanavond over ruzies in onze Belgische regering, en in andere geledingen van onze staat, en ik haalde in diepe droefenis die Œuvres Complètes van de plank, want in zijn Belgische LieflijkhedenAmœnitates Belgicæ, had Charles Baudelaire deze treurige gang van zaken voorzien:

   Épitaphe pour la Belgique

On me demande une épitaphe
Pour la Belgique morte. En vain
Je creuse, et je rue et je piaffe;
Je ne trouve qu'un mot: "Enfin!"


Men vraagt mij om een epitaaf
Want België is dood. Hoe nobel
Ik graaf, ik trappel en ik popel;
Eén woord vind ik maar: “Keigaaf!”

8 maart 2013

La fable du chimiste et du coiffeur


Hoe mooi toch is de parlementaire democratie. In welk ander stelsel is een regent verplicht om op een vraag uit de volksvertegenwoordiging (zelfs al is die vertegenwoordiging ongrondwettelijk samengesteld) helder te antwoorden?
We horen een vraag van député Annemans, een oppositielid, en de Eerste Minister ("ónze eerste minister" zoals daarnet nog Jan Becaus zo mooi zei op de televisie) antwoordt hem voor de vuist weg, in vlekkeloos Nederlands en heel punctueel. Hij had de vraagstelling kennelijk helemaal begrepen. En na goed anderhalve minuut gaat het zo mogelijk nog vlekkelozer, want dan kan onze Elio van zijn briefje aflezen:



Hoe verschillend is het vaak niet gesteld met de begrensde Vlamingen. Pas nog analyseerde praatvaar Didier Reynders voor RTL de politieke toestand hier en in Europa, en hij komt onvermijdelijk tot de conclusie dat de Vlamingen een bekrompen volkje zijn: het eeuwige «repli sur soi». Dat Vlamingen massaal, en nog altijd volgens internationale rapporten, veel meer talen kennen dan Franstaligen, dat doet er niet toe voor deze veredelde coiffeur pour dames:



Sur le terrain institutionnel c’est tout-à-fait autre chose. La N-VA, c’est un parti nationaliste, c’est tout ce que nous n’aimons pas. À voir ces courants nationalistes, en Belgique comme en Europe, c’est probablement lié à la crise, c’est probablement lié au repli sur soi, et le libéralisme c’est tout le contraire.


5 maart 2013

Opinie&Analyse in de Kwaliteitskrant


Zoals elke dag drukt De Standaard een opmerkelijke “tweet” af, vanzelfsprekend nog van de dag daarvoor: dat zijn nu eenmaal de beperkingen van het medium. Wellicht willen zij lezers die niet over een webaansluiting beschikken, toch een venster op de digitale wereld bieden, en het twitterberichtje staat daarom ook onder de rubriek Opinie&Analyse.

Het is telkens een heel klein berichtje, 140 tekens, met een fotootje van de auteur ernaast. Toch trekt de redactie hiervoor al gauw 7% van de totale oppervlakte van een Standaardpagina uit, want op zich is die ook niet zo groot.

Vandaag is het twitterberichtje humoristisch van aard en zelfs lichtjes gewaagd, wat stout misschien, want er wordt gesuggereerd dat Heineken geen echt bier zou zijn.

Nu is het waar dat wie de laatste 15 à 20 jaar wel eens een café heeft bezocht die mop al lang kent, maar geef toe lezer: in deze beknopte, pregnante, spitse versie had u ze nog niet gehoord.

Goed dat er kwaliteitskranten zijn!

_______________

Noot van 7 maart: misschien keek ik erover, maar vandaag vond ik geen tweet in de Kwaliteitskrant. Nochtans had het EU-parlementslid Ivo Belet gisteren wel iets interessants verteld voor Opinie&Analyse : 



Ach, het wordt allemaal een beetje onkies natuurlijk, maar ik heb Ivo (die nog journalist is geweest) er toch maar op gewezen dat gaskamers en verbrandingsovens twee verschillende dingen zijn. Wellicht schaamt Ivo zich wat en wil hij zijn gebral snel laten vergeten, want een verontschuldiging heeft hij nog niet getweet.

3 maart 2013

Adolescentie op hoge leeftijd


Ik zou niet weten hoe het komt, maar om de één of andere reden ben ik ervan overtuigd dat de meeste mensen, politici, journalisten en anderen die vandaag hoog opgeven van het pamfletje “Indignez-vous!” van wijlen Stéphane Hessel, datzelfde pamfletje helemaal niet gelezen hebben of zelfs maar gezien, ook al is het in ongeveer zevenenzeventig talen vertaald.

Met nog grotere zekerheid beweer ik dat ze niet het antwoord van Orimont Bolacre“J’y crois pas!” in handen zullen hebben gehad (Renaud Camus, Éditions David Reinharc, 2011).
Zo gaat het met morele verontwaardiging in groep. De leden kunnen zich beter niet bekommeren om teksten, en hoeven zich alleen collectief ergens over te verontwaardigen, of ergens achter te staan.

Bij Alain Finkielkraut op France Culture, in zijn uitzending Répliques van zaterdagochtend, was het onderwerp: "L'autorité en démocratie". Bij hem gaat het altijd om teksten –Finkielkraut nodigt nooit analfabeten uit– en een van zijn gasten, Pierre-Henri Tavoillot, maître de conférences en philosophie politique à l'Université de Paris-Sorbonne, had gisteren ook een opmerking over dat pamfletje van Hessel.
Ik transcribeer wat hij zegt (in de uitzending vanaf 23'30") maar vertaal niet, enerzijds omdat ik te lui ben, en anderzijds omdat Frans geen probleem mag zijn voor mensen die hoog oplopen met Hessel:




D’une certaine façon nous sommes dans une situation que j’aurais tendance à qualifier de “abus de contrepouvoir”. Non pas abus de pouvoir, mais abus de contrepouvoir. Je pense que l’intellectuel a une responsabilité majeure dans cette affaire. L’intellectuel et notamment –pardon d’en parler après le décès de Stéphane Hessel– mais l’intellectuel qui s’indigne, et qui est dans une logique effectivement d’indignation et de contestation a une responsabilité pourquoi ? Parce que l’indignation, c’est une logique de simplification. C’est une logique un peu adolescente qui consiste à dire que le pouvoir est méchant. Et même, c’est une logique un peu réactionnaire qui consiste à dire: c’était beaucoup mieux à l’époque de la résistance, parce qu’il y avait de vrais salauds. Et bien, les vrais salauds sont toujours là. Il faut tout simplement les identifier. Et donc je trouve que c’est une logique où l’intellectuel ne joue pas son rôle, qui n’est pas de simplifier le monde: qui est de clarifier la complexité du monde. De ce point de vue-là, c’est tellement facile de dire qu’il y a des salauds, de dire qu’il y a des complots, on dit dans l’ombre. Il y a comme une forme de dopage intellectuel dans cette affaire. Un dopage intellectuel parce que voilà: on a la clé de la compréhension intégrale du monde à partir de l’identification d’un petit complot ou d’un petit groupe.
______________________

noot van 4 maart: luister ook naar wat Finkielkraut zegde bij Élisabeth Lévy, want op zijn beurt zegt ons dat veel over het niveau van het intellectuele debat op Franse cultuurzenders. Finkielkraut mag complexloos verwijzen naar de literaire canon, zonder vrees dat iemand hem elitair of onbegrijpelijk zou vinden:


Lévy:
Vous pensez, vous pensez que la demande de panthéonisation a une simple chance d’aboutir?
Finkielkraut: Ah non! non, non, je pense que l’on n'ira pas jusque là. Mais en même temps, si vous voulez, je passe ma vie, moi qui ne demanderais rien d’autre que d’être très optimiste, à être surpris par ce qui arrive, et à constater, comme l’aurait dit Racine, que mon malheur passe mon espérance, donc...

Andromaque (1667) Acte V, scène 5

1 maart 2013

De waan van de nacht


Grote dichters zijn, zoals iedereen weet, fijngevoelige mensen en Poesjkin is een grote dichter. Vaak ook hebben zij een bijzondere band met de natuur, en zien zij in de eenvoudigste bloem of veldvrucht dingen waar een gewone sterveling overheen kijkt.
In Poesjkins verhaal “Wij brachten de avond door op de datsja…”, dat onafgewerkt is gebleven en ook geen titel heeft gekregen, voeren enkele Russische adellijke mannen en vrouwen een gesprek –in slecht Frans zegt de auteur, die zelf zijn eerste gedichten in die taal schreef– en iemand vertelt een anekdote over Mme de Staël en Napoleon. Even later komt ook Cleopatra ter sprake, en de onwelvoeglijkheden die haar worden toegeschreven.
Iemand van het edele gezelschap was ooit aan een gedicht over haar begonnen, maar had het onafgewerkt gelaten:

Als Venus, op de grijze Nijl,
Een koningin die haar vertier zoekt
En elke dag weer nieuw plezier zoekt –
Maar ’s nachts een heilig sacrament
Voltrekt dat niemand, niemand kent…

Cleopatra moet namelijk geregeld haar behagen erin hebben gevonden om mannen die zij versmaadde en verachtte, voor één nacht haar charmes te gunnen op voorwaarde dat ze onmiddellijk na de daad zich eigenhandig van kant maakten.

Het gesprek gaat vervolgens over de toelaatbaarheid van zo’n voorwaarde, de contractuele afdwingbaarheid of niet-afdwingbaarheid ervan, en over de vraag of in moreel opzicht het gedrag van Cleopatra wel te verdedigen viel.
Op de schoorsteenmantel in de datsja ligt een essay van Balzac, “La Physiologie du mariage”, zo vernemen we van de gastvrouw, want de mannen aarzelden eerst nog om in het bijzijn van de vrouwen dit onderwerp in detail te behandelen.

Er worden veel verstandige en minder verstandige woorden gesproken, en plots komt in de prozaïst Poesjkin onweerstaanbaar de natuurdichter naar boven:

De jonge gravin K., een mollig dommerdje, trachtte haar neus, die op een in een raap gestoken ui leek, in een gewichtige plooi te trekken en zei: ‘Er zijn ook heden ten dage nog wel vrouwen die zichzelf meer waard achten…’
Haar echtgenoot, een Poolse graaf, sloeg zijn ogen neer en nam een slok thee.
Ik kan niet het hele verhaal hier overtikken, lezer, maar alles staat in het zevende deel van het Verzameld Werk, schitterend vertaald door Hans Boland.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html