11 augustus 2016

Nu het schooljaar weer in aantocht is


Wanneer noemen we een boek klassiek? Italo Calvino gaf ooit een grappige definitie: een klassiek boek is er een waarvan je altijd hoort, dat ben ik aan het herlezen, en nooit, dat ben ik aan het lezen. Ik vertaal uit mijn hoofd, want ik vind zijn ‘Pourquoi lire les classiques’ (vertaling van Perché leggere i classici, 1991) niet meer terug.
Een andere eigenschap van klassieke werken is, zegt hij, dat ook een eerste lectuur al een herlezen is. Inderdaad kun je bijvoorbeeld de fabels van Aesopus niet echt voor het eerst lezen, want die zijn ingebakken in onze cultuur en als kind kende je wellicht al de versie van de La Fontaine. Benno Barnard zei daarover iets dat wat mij betreft als een soort definitie van cultuur mag doorgaan: ‘…dat is allemaal door de kaken van de beschaving allang vermalen, en dat is allang verwerkt. Dus je weet al wat erin staat. Er staat niks in waarvan je zegt: Jezus, dat is nu helemaal verbazingwekkend nieuw!’ 
Met dat laatste zou Calvino het overigens niet eens zijn geweest: bij een klassiek werk is namelijk elke herlezing ook weer een eerste lectuur, zegt hij, want telkens weer springen er nieuwe dingen uit.

Maar de klassieken, of we nu aan Cervantes denken, of aan Shakespeare, Montaigne, Vondel, Poesjkin, Dante of Goethe …dat zijn in de eerste plaats toch de Grieken en Romeinen (als we de nog oudere Soemeriërs buiten beschouwing laten, want die kennen we nog niet zo lang). Rechtstreeks contact met die ouden en hun talen moet dan wel belangrijk zijn?

Helaas, wat iedereen kan zien is dat in vele landen de ministers van onderwijs zich inspannen om het Grieks en Latijn naar de achtergrond te verwijzen, en zo een poot van de Europese beschaving weg te zagen. Een begrip als ‘humaniora’ is namelijk te elitair, en onderwijs moet praktijkgericht zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld, en al ontkent ze het in alle toonaarden, probeert Mme Najat Vallaud-Belkacem dat.
Een van haar voorstellen is om een vak Enseignements pratiques interdisciplinaires (EPI) in te voeren, en zo de leerlingen – alle leerlingen vanzelfsprekend: geen elitarisme – vertrouwd te maken met enkele Griekse en Latijnse uitdrukkingen. Meer dan weetjes zullen dat niet worden, en in die praktische, interdisciplinaire lessen zouden volgens haar ook de vakken Grieks en Latijn een plekje moeten vinden. Haar critici spraken van ‘une sorte de bricolage, confus et rudimentaire’.

Wie zich tegen deze ontwikkelingen altijd fel heeft afgezet, al heeft zij gelukkig de consecratie ervan niet meer hoeven meemaken, is de grote Graeciste Jacqueline de Romilly (1913-2010). De Griekse regering verleende haar de nationaliteit van het land, en een pleintje in Athene draagt haar naam.
Toen de Romilly op hoge leeftijd werd gevraagd wat het belang was van het Grieks in het onderwijs, antwoordde zij (26'19"):

Enkel direct nuttige kennis opdoen die je zomaar kunt gebruiken eens de schoolpoort verlaten, daar gaat het niet om. Het gaat om het vormen van de geest. Zich een oordeel leren vormen, leren waarom men iets slecht begrepen heeft, leren een vergissing corrigeren. En tegelijk is het in veel bredere zin geestelijk vormend, want je krijgt voeling met wat mensen eerder al hebben gedacht. Denken doe je nooit alleen. Je vindt niet alles zelf uit, dat gaat niet. Je ziet signalen, richtpunten.
En daarstraks herinnerde ik aan die Griekse helden. Wel, dat zijn zulke bakens van een bepaald ideaal, een bepaald gevaar, een bepaalde noblesse. Nu, in het leven en op elk niveau van het bestaan, werkelijk op elk niveau, moet men duidelijk, ja zelfs rechttoe rechtaan kunnen uitdrukken wat men wil en waarom. Dus heeft men die vorming van de taal, van de geest, van het ideaal nodig, om het even wat men later doet. 



Ce n’est pas seulement l’acquisition d’un savoir immédiatement utile dont on peut profiter à la sortie. C’est la formation de l’esprit. Apprendre à juger, apprendre pourquoi on a mal compris ça, apprendre à corriger une erreur. Et en même temps une formation de l’esprit dans un sens beaucoup plus large, c’est-à-dire le contact avec ce que les gens ont pensé. On ne pense jamais tout seul. On n’invente pas tout, ce n’est pas possible. On a des signaux, des repères.
Et j’évoquais tout à l’heure ces héros grecs, mais ce sont les repères d’un certain idéal, d’un certain danger, d’une certaine noblesse. Et, pour vivre, à tous les niveaux de l’existence, à tous les niveaux vraiment, on a besoin de pouvoir s’exprimer clairement, voire, voire franchement, ce que l’on veut et pourquoi. Donc cette formation de la langue, de l’esprit, de l’idéal, on en a besoin, quoi qu’on fasse par la suite.



En zoals Jacqueline de Romilly het vroeg,
Brassens le dit franchement:

2 opmerkingen:

Marjorie Hoefmans zei

In de marge van dit artikel kan ik het niet laten de volgende thread te signaleren :-) Chilcot en Latijnse citaten.
https://twitter.com/davidblairdt/status/752819059897540608

Marc Vanfraechem zei

:-)

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html