10 februari 2010

Lang leve de filosoof Jean-Baptiste Botul

.
Het is deplorabel maar waar. Wie meent dat er in de filosofie nooit eens gelachen kan worden heeft gelijk. En die eindeloze ernst en droefgeestigheid van filosofen gaat een mens op den duur tegenstaan.
Uitzonderingen op de regel zijn er altijd, zo leert ons de filosofie, en dus bestaan er toch ook grappige filosofen. Schopenhauer is een goed voorbeeld, maar Augustinus in zijn tijd kon ook geestig uit de hoek komen. En Baltasar Gracián niet te vergeten, al vermaande deze jezuïet juist diegenen die voortdurend geestigheden willen verkopen. Dan word je aan het eind niet meer ernstig genomen, waarschuwde hij. Er zijn nog voorbeelden te noemen, maar algemeen gesproken vormen filosofen toch een trieste, zeurderige bende, zelfs als ze het over hun zogenaamd vrolijke wetenschap hebben.

Dan is het avontuur dat de filosoof Bernard-Henri Lévy deze week overkwam een welkome afwisseling. Weliswaar gaat het bij Bernard-Henri niet om een geestigheid die hijzelf zo bedoeld had (waartegen Gracián immers waarschuwt), maar helaas om een onbedoelde beestigheid, om pure bêtise.
Zeker, de lezers hier weten dat BHL strikt genomen geen filosoof is, maar in de wereld rondom ons zijn er nog velen die denken van wel. Yves Desmet bijvoorbeeld loopt hoog op met de man, en als hij iets van hem hoort dan herhaalt hij dat ook, ook al werd er dertig jaar geleden al ernstig gewaarschuwd voor die jongen. Vidal-Naquet schreef in 1979 dat hij in hem niet meer zag dan “un médiocre candidat au baccalauréat”. Hij staafde dat met enkele afgrijselijke, beschamende, bloedstollende blunders van BHL, feiten die de man niet kent, zaken die hij verdraait. Maar misschien werd Vidal-Naquet niet op alle redacties goed gelezen.

Nu heeft deze BHL zonet weer een boekje gepubliceerd, en onvervaard neemt hij daarin niets minder dan de Aufklärung zelf op de korrel, meer bepaald dus Immanuel Kant.
Ik heb zijn boekje niet gelezen, het is er pas morgen, en ik weet bijgevolg niet of hij ook de modeterm “verlichtingsfundamentalisme” bezigt, maar aangezien BHL eerder al partij koos voor de UCK van de moslims in Kosovo, en luidkeels Amerikaanse bombardementen op Belgrado afriep en goedkeurde (met even later applaus van Desmet vanzelfsprekend), zou de term althans van enige suite dans les idées getuigen.

In een boekje dat ik wél gelezen heb, lang geleden, en dat Pieter Bas heet, vertelt Godfried Bomans dat onder Leidse studenten het nog eens voorkwam dat laat op de avond in de sociëteit iemand uitriep: “Kant kletst!”, en dan veel bijval oogstte.
Iets dergelijks heeft nu BHL in Parijs ondernomen, maar helaas voor hem en voor zijn bewonderaars liet Bernard-Henri het niet bij een zatte kreet in een café.

Ter staving van zijn aanval op Kant zoekt BHL steun bij een andere filosoof (op zich een eerbaar en aanbevelenswaardig procedé), namelijk bij de relatief onbekende Jean-Baptiste Botul (1896-1947), auteur van o.m. La vie sexuelle d'Emmanuel Kant (conférences «retrouvées» par Frédéric Pagès), vertaald als Das sexuelle Leben des Immanuel Kant, een Reclam-boekje. Van deze auteur Pagès verschenen meer werken, bijvoorbeeld Landru, précurseur du féminisme: Correspondance inédite, 1919-1922, of Métaphysique du mou, waarin Botul de aard van het begrip “malsheid”, of “weekheid” ontrafelt:

En 1938 Botul crée et explore le concept de mouïté. Il en tire des idées étonnantes, qui bouleversent la phénoménologie ambiante, sur l’Être, le néant, la charcuterie, le fromage, les seins des femmes, le transport des valises et les années trente.
In 1938 creëert en onderzoekt Botul het concept 'weekheid'. Hij puurt er verbluffende ideeën uit, die de doordeweekse fenomenologie overhoophalen betreffende het Zijn, het Niet-zijn, de charcuterie, de kaas, de borsten der vrouwen, het transporteren van valiezen en de jaren dertig.

Dat alles moet voor BHL zeer overtuigend geklonken hebben, en blakend van zelfvertrouwen schrijft hij over Kant:

Ou bien encore Kant, le prétendu sage de Königsberg, le philosophe sans vie et sans corps par excellence, dont Jean-Baptiste Botul a montré, au lendemain de la Seconde Guerre mondiale, dans sa série de conférences aux néo-kantiens du Paraguay que leur héros était un faux abstrait, un pur esprit de pure apparence - et cela à deux titres au moins: le concept de monde nouménal où s’entend l’écho d’une jeunesse spirite, vécue parmi les ombres et les limbes, dans un royaume d’êtres énigmatiques et accessibles par la seule télépathie; l’idée, ensuite, des catégories de l’entendement, la manie du transcendantal, l’obsession de catégories rigides fonctionnant comme un corset et qui semblent parfois là pour contenir une folie souterraine, donner forme au flux chaotique des sensations, faire barrage à la confusion mentale dont les biographes savent, aujourd’hui, qu’elle le menaçait plus qu’aucun autre - Kant, ce fou furieux de la pensée, cet enragé du concept, dont toute la Critique de la raison pure pourrait se lire, dans ce cas, comme le récit d’un drame intime, une autobiographie secrète et cryptée…Pourquoi est-ce que je dis tout cela ?...

Of nog Kant, de zogenaamde wijze van Königsberg, bij uitstek de filosoof zonder lijf en zonder leven, van wie Jean-Baptiste Botul heeft aangetoond, vlak na de Tweede Wereldoorlog, in zijn reeks voordrachten voor de neo-Kantianen van Paraguay, dat hun held een abstracte vervalsing was, een loutere schim en verschijning – en dat om minstens twee redenen: het concept van de noumenale wereld [Platoons-Kantiaanse term voor “idee”, een “Ding an sich”, dat we ons enkel geestelijk kunnen voorstellen, los van zijn zintuiglijke verschijningsvormen of fenomenen], waarin wij de echo kunnen horen van het spiritisme van zijn jeugd, die hij beleefde tussen schaduw en schemer, in een koninkrijk van raadselachtige wezens die zich enkel telepathisch lieten benaderen; vervolgens de idee van de categorieën der rede [van de ratio, het vernuft], de manie van het transcendentale, de obsessie met strakke categorieën die als een korset functioneerden, en die er soms enkel lijken te zijn om een ondergrondse gekte in toom te houden, om vorm te geven aan de chaotische stroom van gewaarwordingen, een dam op te werpen tegen die geestelijke verwarring, waar de biografen vandaag van weten dat deze hem meer dan wie ook bedreigde – Kant, die razende gek van de gedachte, die bezetene van het concept, wiens hele Kritiek van de Zuivere Rede je kunt lezen als, in dit geval, het relaas van een innerlijk drama, een geheime en versleutelde autobiografie …Waarom vertel ik dit alles? …

Ja, waarom vertelt BHL zoveel? .omdat hij niet wist dat zijn filosoof Jean-Baptiste Botul, een verzonnen personage was van een echte filosoof, en journalist bij de Canard Enchaîné,. Frédéric Pagès* ?
Of misschien gewoon omdat hij zijn geparfumeerde bek niet kan houden?
_____________________
* «Il n’a jamais été établi explicitement que Botul n’a pas existé et il n’est donc pas à exclure qu’un jour, l’histoire rende raison à Bernard-Henri Lévy», commentait hier Frédéric Pagès.
"Er is nooit ondubbelzinnig aangetoond dat Botul niet heeft bestaan, en dus kun je niet uitsluiten dat op een dag de geschiedenis Bernard-Henri Lévy gelijk geeft", was gisteren de commentaar van Frédéric Pagès.



le quistre intégral

5 februari 2010

Barnardje wil niet hangen

.
Te vaak lees je in de krant dat ons gerechtelijk apparaat log is, dat het te traag werkt, onderbemand is, onbekwaam, wereldvreemd en nog meer akeligheden. Vaak vergeet men daarbij te vermelden dat er ook uitzonderingen zijn, en dat er bijwijlen zelfs proactief wordt opgetreden. Onderstaande eenakter mag als bewijs gelden.

Johan Sanctorum versus Schrijver dezes (2)
Onuitgegeven Tooneelspel
Benno Barnard

Rechter: De beklaagde heeft zich dus in beledigende zin over uw gestalte uitgelaten?

Johan Sanctorum: Inderdaad, edelachtbare.

Rechter: Wat hebt u daarop te zeggen, verdachte?

Benno Barnard: Dat het me oprecht spijt. De heer Sanctorum is weliswaar een schijnheilige trol, maar zijn trolachtigheid als dusdanig is niet zijn schuld, en nu ik er zo over nadenk: zijn hypocrisie misschien ook niet, zomin als zijn antisemitisme. Allemaal een gevolg van de verkeerde opvoeding en onverteerde brokken wijsbegeerte. Maar als u mij toestaat een korte juridische overweging te maken: de gewraakte omschrijvingen stonden in een persoonlijke mail. Mijn geachte opponent heeft ze zelf openbaar gemaakt, Edelachtbare.

Johan Sanctorum: Maar daarna heeft hij mij nog eens beledigd!

Benno Barnard: Inderdaad. Opnieuw in een persoonlijke mail. De titel luidde ‘Lachen geblazen met onze dorpsgek.’ U moet weten dat we in naburige dorpen wonen. Wat denken betreft scheidt de halve aardomtrek ons, maar dat is een andere kwestie.

Rechter: En hoe ging die mail verder, verdachte?

Benno Barnard: Als volgt: ‘O, heerlijk! De grote democraat Sanctorum dreigt met het censureren van de mening die half intellectueel Vlaanderen sowieso al over hem heeft! Wat ben ik toch gemeen! Ja, meneer, ik ben veel gemener dan u!’

Rechter: U bent een grapjas.

Benno Barnard: Wat mij van de heer Sanctorum onderscheidt. Dat is het griezelige aan zo’n filosoof. Die meent alles, inclusief dreigementen met een proces.

Rechter: Hoe dan ook, het was een persoonlijke belediging, geen publieke, meneer Sanctorum.


Johan Sanctorum (mompelend): Ik begin uw intellectuele integriteit in twijfel te trekken, edelachtbare. U bent duidelijk een handlanger van de democratisch failliete Belgische Staat.

Rechter (tuurt op een papier): Klopt het, verdachte, dat ‘het draderige creatuur uit Tolkien’ nu een vaste aanduiding van de heer Sanctorum is geworden in uw vriendenkring?

Benno Barnard: Ik vrees van wel, edelachtbare.

Rechter: Dat is niet netjes van u.

Benno Barnard: Nee. Maar als ik me verstouten mag: ook niet strafbaar.

Rechter: Dan naderen we hier zo te zien de vrijspraak.

Benno Barnard: Ik heb nog een vraag, edelachtbare. Bestaat er zoiets als het democratische recht op het vergeten van een bepaalde persoon?

Rechter: Natuurlijk. U vergeet er maar op los.

Benno Barnard: Maar mag die persoon dat verhinderen?

Rechter: Hoe bedoelt u?

Benno Barnard: Ik las een paar dagen geleden nog een opmerking van een moderne artiest, die vond dat ‘inhoud toch altijd primeerde’, of zo iets. En stijl was maar een middel. Ik ben zijn naam, zijn vak, zijn onderwerp, zijn bestaan onmiddellijk vergeten. Maar hij herinnerde me aan mijn geachte tegenstander, die iets soortgelijks vindt. Want hij mist het orgaan voor poëzie, vorm, taalschoonheid, enfin, mijn vak, zoals hij ook geen gevoel voor humor heeft. Voordat hij zo verbolgen raakte op De Standaard omdat de huidige chef opinie zijn teksten niet lust, schreef hij weleens in die krant. En zo kwam het dat hij ooit Yeats en Pound ‘victoriaanse dichters’ noemde. U kunt daaruit afleiden dat hij die namen alleen maar gebruikte om niet als wijsgerige boerenlul door de mand te vallen…

Rechter: Gelieve uw taalgebruik te matigen. Wat is uw punt?

Benno Barnard: Wel, zoals gezegd ben ik de hele existentie van die kunstenaar vergeten. En datzelfde zou ik met onze provinciale Heidegger hier ook willen doen, maar iedere keer als ik hem bijna vergeten ben, stuurt hij me weer een mail. Kunt u hem geen mailverbod opleggen, een soort restraining order, dat bepaalt dat hij niet dichter dan tien gigabyte bij mij in de buurt mag komen?
.

4 februari 2010

Rik Pinxten legt het ons uit

 .
Wie nog op zoek is naar het bewijs dat De Standaard bereid is om gelijk wát af te drukken op zijn opiniepagina, als het maar uit een goede hoek afkomstig is, die kan hier zijn gading vinden. Aan het woord is prof.dr. Rik Pinxten, antropoloog en ook voorzitter van het Humanistisch Verbond als ik mij niet vergis. Deze intellectueel komt met een gewaagde stelling:

Opnieuw, ik heb het hier niet over de oplossing die juist zou zijn, maar enkel over de houding om met verschil om te gaan. Daarin zijn wij westerlingen echt niet goed. Dat heeft alles te maken met onze cultuur, en met het feit dat we zeer moeilijk kunnen omgaan met verschillen.

Wat ik daar in alle nederigheid nog aan zou willen toevoegen, is dat vele kinderen geen spruitjes lusten, en dat dat veel, zo niet alles te maken heeft met het feit dat zij geen spruitjes lusten.
.

2 februari 2010

Benno versus Johan (eerste ronde)

.
Aangezien de meeste mensen het aangenaam vinden om vanuit hun behaaglijke vouwstoel of fauteuil het verloop van een mooi gevecht te volgen, wil ik de lezer volgende tekst niet onthouden, afkomstig van de bekende dichter Barnard. Zoals van een dichter verwacht mag worden is zijn tekst, die ik hier vanzelfsprekend volkomen getrouw weergeef, bijzonder helder en klaar, maar toch meende ik dat de bedoelingen van de schrijver misschien nog duidelijker zouden worden door toevoeging van een paar illustraties.

Johan Sanctorum versus Schrijver dezes
Benno Barnard

Onlangs publiceerde Johan Sanctorum, de ‘onafhankelijke filosoof, vrijdenker en publicist’, zoals hij zichzelf graag noemt, een artikel op de ‘Vlaamse vrijheidslievende politieke metablog’ In Flanders Fields.
Op het eerste gezicht is het een goed stuk werk, al is het ook geschreven in het soort taaldrab dat deze Vlaamsgezinde geest voor Nederlands pleegt te houden, een moeras van gallicismen, einsteiniaans gekromde grammatica en rare spelfouten (en dat terwijl de orthografie toch een Vlaamse specialiteit is). Maar inhoudelijk is het best interessant.

Zij het dat het hele essay bij nader inzien een erehaag van leugens voor Johan Sanctorum vormt.
De denker valt de zelfbediening in de Vlaamse media aan en prijst zo indirect zijn eigen morele voortreffelijkheid. Helaas is Sanctorum dom genoeg om ook mij aan te vallen: ik zou een ‘vriendje’ van Bert Bultinck zijn, de chef opinie van De Standaard. Die arme Bert! Hij opent inderdaad zijn pagina’s voor mij zoals een hoer haar dijen.

‘Ook iemand als Benno Barnard behoort tot het clubje van intimi die elkaar interviewen en bewierroken (sic) dat het een lieve lust is (zie Knack, haast elke week). Barnard kwalificeer ik als een zeer middelmatig columnist, hopeloos vooringenomen en nuanceloos, maar met een buitengewone neus voor lobbying die hem altijd opnieuw in de picture brengt. Ik klasseer dat onder de zachte corruptie, het onder-vrienden-effect, waarvan de waarheid zelf het eerste slachtoffer is, en journalistieke integrititeit het tweede,’ schrijft Sanctorum.

Ongetwijfeld ben ik hoogst middelmatig, maar voor de rest zit de kwestie toch anders in elkaar dan Sanctorum wil doen voorkomen. Mag ik om te beginnen zijn verborgen drijfveer blootleggen, de veer in het duiveltje? Hij en ik waren voor publicatie van dit stuk gebrouilleerd geraakt. Dat was het gevolg van zijn pathologische ruziestokerij, een ernstige karakterstoornis, waarvoor ik liefdevolle verpleging aanbeveel.

Wat nu Sanctorums prediking over ‘journalistieke integriteit’ betreft: die glimt van het papenvet der schijnheiligheid. De waarheid luidt dat ik Bert Bultinck uitsluitend professioneel ken. En ook luidt de waarheid dat Sanctorum mij in het verleden meer dan eens als kruiwagen heeft gebruikt (‘Kun jij Bultinck niet even bellen?’) om een tekst in De Standaard te krijgen, zoals hij ook heeft gepoogd via mij bij Knack binnen te geraken, waar men überhaupt niet in zijn diensten geïnteresseerd was. Overigens heb ik in datzelfde weekblad inderdaad een keer een vriend geïnterviewd: Michael Freilich. Over Freilich straks meer.

Door onze brouille hield ik op Sanctorums nuttige idioot te zijn en bijgevolg kon hij me vrijelijk aanvallen in opgemeld artikel. Dat heb ik in een commentaar eronder ook uiteengezet. Er volgde een dupliek, maar onthullend genoeg ging onze zo pijnlijk betrapte gewestelijke wijsgeer op geen enkel feitelijk argument in – mijn beweringen zijn dan ook niet te weerleggen. Hij deed uitsluitend wat hij in zijn artikel ook al had gedaan: mij afschilderen als een ijdele intrigant zonder kwaliteiten.

Nu, in tegenstelling tot schrijver dezes heeft Sanctorum zeker kwaliteiten: ik vind hem ‘best’ een interessant denker. Ook vind ik hem een kwaadaardig en onbetrouwbaar mens. Toen hij Michael Freilich vanwege ons interview in een mail grof beledigde, na allerlei voorafgaand getreiter, verloor ik mijn zelfbeheersing. ‘Antisemiet’, ‘Vlaamse boer’, ‘slijmerig creatuur’ en ‘stuitende verraderlijke gnoom’: met die koosnaampjes sprak ik hem toe. Het eerste meende ik en het tweede ook. Wat die beide laatste kwalificaties betreft: ik bedoelde dat hij een lafhartig onderkruipsel was. Maar vreemd, hij interpreteerde deze woorden als een autist: ze hadden volgens hem betrekking op zijn uiterlijk en lichaamsbouw (terwijl ik hem bijvoorbeeld ook een ‘bedorven weekdier’ had kunnen noemen). En nog veel vreemder: hij maakte ze zelf openbaar op zijn website.

Sindsdien heeft hij in diverse mails met een proces gedreigd. Hij, de vrijdenker, de onafhankelijke filosoof, de metabloggende apologeet van de vrije meningsuiting! ‘Mocht je die ranzige praat echt in een van je stukjes debiteren, dan deed ik je direct een proces aan. Ik heb al van andere kalibers gewonnen, zoals je wellicht weet,’ schreef hij me. En: ‘Ik ben ervoor verzekerd, je tot het einde van je dagen opjagen kost me zelfs geen rooie duit. Als je echt oorlog wilt, kan je het krijgen, beste vriend.’

In blijde galop snelde ik hem op mijn Rossinant tegemoet: ‘O please please please, doe me dat proces aan! Dat wordt smullen! O, Johan, ik meende het allemaal niet zo, echt, je bent een fijne vent… maar alsjeblieft, alsjeblieft, sleep me voor de rechter! Inspireert het je als ik –geheel in jouw stijl– een leuke bloemlezing uit je mails op mijn blog publiceer? O toe, wees een schat, zeg ja!’

Wordt vervolgd in de rechtbank.
.

26 januari 2010

Gebruiksaanwijzing voor islamverstaanders

.

ESSAY
Hamed Abdel-Samad

Is islamofobie het nieuwe antisemitisme? Daarover is een debat ontbrand. Maar wie moslims werkelijk ernstig neemt, moet islamkritiek beoefenen.

Hoe doe je precies een islamcriticus een muilkorf om? Mocht u in het geval verkeren dat u allergisch bent voor islamkritiek, en om beroepsredenen, of op ideologische gronden, of eenvoudig omwille van intellectuele traagheid geneigd bent tot het verdedigen van de islam, dan zal volgende gebruiksaanwijzing uiterst nuttig voor u zijn.

Is de criticus een niet-moslim, dan hebt u makkelijk spel.
Aangewezen hier, is een afmattingstactiek: u verwijt hem zijn gebrekkige kennis van de islam, u praat over de heterogeniteit en de veelzijdigheid van de jongste abrahamitische religie, en vraagt hem over welke islam hij het heeft. Al snel verliest hij het overzicht in het labyrint van islamitische rechtsscholen en stromingen, en het debat loopt vast in zand.
Het verwijt van islamofobie hoeft niet lang uit te blijven. Maar wat u weer niet moet doen, is het woord “racisme” in de mond nemen. Beter kunt u de islamcriticus laten aanvoelen dat dit wel degelijk is wat u bij hem vermoedt.Spreekt u hem over stemmingmakerij, over applaus dat van de verkeerde kant komt, en over het koren op de molen van de xenofobie. En, nog voor hij u tegenspreekt herinnert u hem aan de verschrikkelijke gebeurtenissen van 70 jaar terug in Duitsland. In die dagen waarschuwden de antisemieten voor de judaïsering van Europa, net zoals de islamofoben vandaag waarschuwen voor de islamisering van het Avondland. Echter, het woord “holocaust” zult u liever niet gebruiken.
Een vermelding van de Koude Oorlog hoort wel op het programma te staan. Want tenslotte is na het “rode” en het “gele” gevaar nu het vijandbeeld van de islam aan de beurt, zodat de nood aan een schrikbeeld bij de Europeanen gelenigd kan worden, en de contouren van de Europese identiteit scherper getekend.
Nauwelijks iemand die zal merken dat uw argumentatie wat roestig is omdat u valse vergelijkingen maakt en de tegenstander heel de tijd met zijn eigen trauma’s hebt beziggehouden zonder maar iets te zeggen over wat er echt op het spel staat.

Deze tactiek werkt zo goed als altijd, of het moest zijn dat de islamcriticus zelf moslim is, en weet waarover hij het heeft. In dat geval haalt het verwijt van racisme of van gebrek aan kennis van de islam natuurlijk niets uit.
Dan moet er stevig toegetast worden. Val hem aan op zijn integriteit. Hij moet wel een pathologische zelfhater zijn die met zijn kritiek op de islam een afrekening met zijn cultuur beoogt. Snuffel wat rond in zijn biografie, een schandvlek is altijd wel te vinden. En als hij een vrouw is, dan is die natuurlijk emotioneel, wispelturig, en naast de kwestie.

Na het minarettenverbod van de Zwitsers, en de verijdelde moordaanslag op Kurt Westergaard, had ik de hoop dat er eindelijk een onverkrampte strijdcultuur zou ontstaan, waarbij diepgravende debatten mogelijk werden over thema’s als islam en migratie. Mijn hoop kreeg vleugels door enkele mediaberichten in de islamitische wereld, die deze keer niet poogden om de woede-industrie aan te zwengelen, maar tot bezinning en terughoudendheid aanspoorden. Het Egyptische weekblad “al-Youm al-Sabea” stelde in een kritisch artikel zelfs de vraag welke zonden van de moslims, ergens ter wereld, deze afwijzende houding tegenover de islam in Europa konden veroorzaakt hebben. Zelfs bijdragen van een “ketter” als ik werden afgedrukt. Ginds heeft de islamkritiek schijnbaar vruchten afgeworpen en onder moslims een denkproces op gang gebracht over de eigen tekorten.

En in Europa? Er waren wel een paar uiterst zeldzame islamkritische bijdragen in de de mainstream media, maar mijn vrees werd al gauw bewaarheid: in Europa staat men sneller klaar met een muilkorf dan met gelijk welk tegenargument.
Enkel de 14de januari al, publiceerden de “Süddeutsche Zeitung” (SZ) en de Berlijnse “Tagesspiegel” twee bijdragen, die net zo goed van eenzelfde persoon hadden kunnen zijn.In het SZ-artikel met als titel “Onze haatpredikers” vergelijkt Thomas Steinfeld islamcritici als Henryk Broder en Necla Kelek, met de door hen bekritiseerde islamfundamentalisten. De tekst lijkt helemaal –minstens wat de teneur betreft– een kopie te zijn van de bijdrage van Claudius Seidl in de "Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung" (FAS) van 10 januari. Daar waren de haatpredikers zelfs “heilige krijgers”. Vooral Seidl zijn slotwoord vond ik amusant. Aansluitend op een citaat van Voltaire schreef hij: “Ik ben op hun hoofddoek niet gesteld, maar ik zou mijn leven ervoor inzetten, dat zij zich kleden kunnen zoals ze dat zelf willen.” Zo vat hij zijn beperkt begrip van vrijheid samen.
Binnen zijn eigen logica mag je Seidl eigenlijk als “hoofddoekmartelaar” betitelen. Dit gezegd, zou hij zijn leven heel zeker niet opofferen om een moslimvrouw in Duitsland in staat te stellen een zelfgekozen leven te leiden, ver weg van de strenge morele denkbeelden van de moslimgemeenschappen. Over haar zou hij in de FAS nooit een artikel schrijven, al werd zij door haar eigen broer in naam van de eer vermoord, want zulke “oriëntaalse toestanden” zijn zijn columnisten-jihad niet waardig.

In de “Tagesspiegel” van 14 januari verwondert Andreas Pflitsch zich over de scherpe islamkritiek voortkomend uit moslimrangen, en noemt hij deze “de koude oorlog van de Verlichten”. De geschriften van een aantal islamcritici, zoals de in de VS levende islamwetenschapper Ibn Warraq, voorzitter van de Centrale Raad van Ex-moslims, van Mina Ahadi, en van de schrijver van dit stuk, beschouwt Pflitsch als “het plompe oprakelen van oude ressentimenten”, dat met het programma van de Verlichting niet verward dient te worden.
Wat mijnheer Pflitsch tussen de regels door wilde zeggen, is volgens mij: “Bepalen wat kritiek is, en wat Verlichting, dat komt nog altijd aan ons toe. Moslims die weten hoe ze zich moeten uitdrukken, en die het heft in handen nemen, die zijn er niet en horen er niet te zijn, en daarom moeten wij Duitsers dit voor onze rekening nemen, om de moslims tegen zichzelf te beschermen.”
Nee, bedankt mijnheer Pflitsch, ik genees mijzelf!

Zulke stukken zullen wel goedbedoeld zijn, want zij komen vanuit de nobele toren van de cultuur van het slechte geweten, en niet vanuit de praktijk. Maar zij helpen noch ons om tot een eerlijk debat te komen, noch helpen zij de moslims om uit hun eigen lethargie te ontsnappen. Integendeel, zulke aantijgingen bevestigen de hardnekkige samenzweringstheorieën, en cementeren vele moslims in hun slachtofferrol.
En je kunt ook veel islamkritiek overtrokken vinden of provocerend. Ik persoonlijk ga niet akkoord met alles wat mevrouw Kelek of de heer Broder zeggen. Maar hun islamkritiek houd ik niet voor het hoofdprobleem van de islam, maar voor een spiegel van dat probleem.
De islam heeft een probleem met zichzelf, met zijn ambities, en met zijn voorstelling van de wereld. En de tijd snelt hem voorbij. Relativisme en wonden likken, zijn daar slechte recepten tegen.

Een oud Egyptisch spreekwoord zegt: “De ware vriend doet mij wenen, en weent samen met mij. Geen vriend is het, die mij aan het lachen brengt, maar in zijn binnenste mij uitlacht.”
Wie moslims werkelijk ernstig neemt, moet aan islamkritiek doen. Wie met hen een gesprek onder gelijken wil voeren moet eerlijk met hen zijn, in plaats van hen als kreupelen te behandelen. Het is al erg genoeg als iemand mensen voor kreupel houdt die dat niet zijn. Maar erger nog is het, als hij aanstalten maakt om voor hen uit te gaan hinken, en een gebrek te veinzen, in de illusie dat hij op die manier solidair met hen is.
.

24 januari 2010

Zoals altijd bij regimes die naar een dictatuur hunkeren, gaat de strijd eerst over de woordenschat



23 januari 2010
Essay

Thierry Chervel

Zijn de critici van het islamisme zelf fundamentalistisch? Allerminst, want in tegenstelling tot de militante islam kent de Westerse Verlichting geen uiterste waarheden. 
In de Duitse media is een debat ontbrand over de grenzen van de islamkritiek. Daarbij wordt er een “islamofobie” geconstateerd, die voor velen neerkomt op een nieuw antisemitisme. Hierover schreven op deze plek Henryk Broder (12 januari) en Hamed Abdel-Samad (18 januari). Wij zetten de reeks verder met een bijdrage van Thierry Chervel, beheerder van het online cultuurportaal “Perlentaucher”.


Henryk Broder is een reus! Helemaal op zijn eentje blijft deze publicist de meerdere van al de kleine feuilletonisten. De dappere meerderheid van “Freitag”, “Tages-Anzeiger”, “Zeit”, “Süddeutsche Zeitung”, “Frankfurter Allgemeine Zeitung” en “Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung” heeft de laatste weken haar moed bijeengeschraapt om het schemerig-duistere “Verlichtingsfundamentalisme”bloot te leggen, dat achter de anarchistische knepen van Broder schuilgaat. In een vloed van artikelen sjorren zij hem vast en prikken hem, zoals het dwergenvolkje in de roman “Gullivers Reizen” van Jonathan Swift. Broder, zo schreef Thomas Assheuer in de “Zeit”, “doet altijd zijn best om geestig te schrijven, maar het is hem bittere ernst”. Dat is inderdaad het verschil: zijn tegenstanders zijn ook nooit eens grappig.

Het begon al met de klimaattop in Kopenhagen, waarbij de “Tages-Anzeiger” gesteun liet klinken over climagate en over de “as van de idiotie”. Het culmineerde na het Zwitserse minarettenverbod (voor Freitag is Broder sedertdien een rechtspopulist). En het ging verder na de moordaanslag op de Deense karikaturist Kurt Westergaard. Held onder de helden is de laatste tijd Claudius Seidl: hij beloofde plechtig in de F.A. Sonntagszeitung dat hij zijn leven zou opofferen, in het geval Broder en zijn fundamentalistische kompanen met succes de moslimvrouwen het recht op de hoofddoek zouden betwisten. Toegegeven: dit is onwaarschijnlijk, maar wie weet – tenslotte kunnen ook de “Verlichtingsfundamentalisten” tot zelfmoordaanslagen overgaan!
Voor het recht om géén hoofddoek te dragen wilde Seidl zijn leven vooreerst nog niet in de weegschaal werpen.
Daarmee versloeg de chef cultuur van de FAS de chef cultuur van de SZ Andrian Kreye, die op het gevaar af zich impopulair te maken de moed opbracht om de mohammedkarikatuur van Westergaard eens en voorgoed te laten vallen omdat ze geen verdediging waard is. “Wie beledigt, moet aan de beledigde ook de toestemming gunnen om beledigd te zijn”, gaf hij ter intentie van Westergaard mee. Na een interventie met een dergelijke overtuigingskracht laat zich de persoonlijke beveiliging van Westergaard nauwelijks nog verrechtvaardigen! Daarmee bekrachtigde Kreye de houding van de FAZ, van de Süddeutsche en van alle andere kranten die hun eigen lezers enkel en alleen van horen zeggen informeerden over de karikaturen. Het zijn ook altijd diegenen die het islamitische gevaar graag minimaliseren, die tegelijk te laf zijn om de karikaturen af te drukken (Die Welt behoorde tot de zeldzame Duitse kranten die ze lieten zien; opmerking van de redactie).
Dit historische verzaken van een openbaar forum dat niet langer in zijn eigen fundamenten gelooft, zal een der redenen zijn waarom de aanvallen op Broder en alle andere “ Verlichtingsfundamentalisten” zo ongezien massief waren. Schuldbewustzijn zweet men graag in groep uit.
[Welt-online laat hier een paragraaf uit de oorspronkelijke tekst wegvallen, die ik hierbij weer inlas]
De karikaturenstrijd was een cesuur in de geschiedenis van de media. Weliswaar was hij nog door een krant aangestoken, maar de allermeeste kranten van deze wereld namen –zoals ook de allermeeste televisiezenders– die eerste stoot niet over. Op weinige uitzonderingen na censureerden zij de tekeningen. Ze noemden ze grof (of  “onnozel”, zoals Thomas Steinfeld, meer hier), om zo te kunnen beweren dat publicatie niet de moeite loonde. Een capitulatie. De krantenlezers zochten hun informatie elders. Een eenvoudige google-zoektocht volstond.
Sedert de karikaturenstrijd is het Internet het eigenlijke openbare forum, in weerwil van het weemoedige zuchten van Habermas. In de kranten liet de affaire een blinde vlek achter. En die breidt zich uit, en bonst en woekert, zoals dat gaat met een slecht geweten. 
[hier pikt Welt weer in]
In de vloed van artikelen de laatste weken, hebben de columnisten gepoogd om in Duitsland twee begrippen definitief ingang te doen vinden, al geven zij geen informatie over de herkomst ervan: “verlichtingsfundamentalisme” en  “islamofobie”. …

De term “islamofobie” is in eerste instantie een strijdkreet van de Organisatie van de Islamitische Conferentie (OIC), die sedert de karikaturenstrijd maand- en jaarverslagen uitbrengt over islamofobe voorvallen in de westelijke wereld – let wel, uitsluitend in de westelijke wereld. Over de vervolging van de Tsjetsjenen of de Oeigoeren wordt er in het jongste bericht met geen woord gerept, want Rusland en China zijn strategische bondgenoten van de islamitische staten als er gestemd wordt in de VN, waar de islamitische staten hun botsing der culturen bij voorkeur uitvechten. China en Rusland brachten, in eendracht met andere respectabele lidstaten van de Verenigde Naties zoals Oeganda of Zimbabwe, hun stem uit ten gunste van een VN-resolutie tegen het “belasteren van religies”. Een resolutie die als enige religie expliciet de islam vernoemt. Het begrip islamofobie komt de 57 landen van de organisatie –met daaronder loepzuivere democratieën als Iran, Saoedi-Arabië, Soedan– vooral te pas om een tegenbegrip te ontwikkelen tegenover het begrip Mensenrechten, dat met zijn aanspraak op universaliteit en met tegelijk zijn nadruk op het individu hen mateloos irriteert.

Het mensenrechtenbegrip van de OIC daarentegen is religieus gecodeerd: de “Verklaring van Cairo over de Mensenrechten in de Islam” van 1990 verklaart uitdrukkelijk dat de sharia het fundament blijft waar men niet aan voorbijgaat. Van de westerse landen wordt hiervoor respect geëist – de VN, de Conferentie van Durban met de vervolgconferentie in Genève, en de resolutie tegen het belasteren van religies behoren alle tot de hefbomen in dit machtsspel rond begrippen.

Het respect van het Westen moet tot uiting komen, zo heet het in de islamofobieberichtgeving, door een “verantwoordelijke omgang met de vrije meningsuiting”. De democratieën hebben het hunne allang gedaan: zo verheugt zich bijvoorbeeld Gunnar Herrmann erover, in een SZ-artikel over de huidige stand in het karikaturendebat in Denemarken, dat vele Denen hun respect voor religieuze gevoelens belijden: “Zulke houding wordt vandaag wel als zelfcensuur omschreven, maar vroeger heette zoiets tactvol.” Dat men in een boek over de karikaturenstrijd afziet van het drukken van de karikaturen, dat men in het Hamburger Bahnhof [nu museum] in Berlijn afstand doet van de zwarte kubus van de kunstenaar Gregor Schneider: allemaal uitingen van een “verantwoordelijke omgang met de vrije meningsuiting”.
En onze kwaliteitsmedia zijn vandaag vaak de meest prominente steunpilaren der voorafgaande religieuze censuur. Omdat zij die voorcensuur zelf hebben toegepast in het geval van de karikaturen, kunnen de kranten deze nu niet meer op een geloofwaardige manier bekritiseren bij andere instanties. …

Hoe murw zijn de hersenen eigenlijk wel, van intellectuelen die de consequenties uit een politiek opzet zoals het gebruik van de term “islamofobie” overhaast zelf al trekken: uitgerekend een onderzoeker van het antisemitisme, Wolfgang Benz ziet in de SZ, die zich tot het centrale orgaan van de criticofobie heeft ontpopt, een parallel tussen “islamofobie” en antisemitisme. In een antwoord aan zijn collega Benz schrijft Julius Schoeps op de Oostenrijkse portaalsite juedische.at : “Waar, vraag ik mij af, als we willen vergelijken, blijven hier ‘de parallelle waandenkbeelden’ volgens welke moslims ‘op rituele grond’ kinderen doden, bronnen vergiftigen, culturen en volkeren verwoesten, de armsten  van de wereld nog hun hemd afnemen of, naar keuze bloedige revoluties aanstoken? Waar is de mohammedaanse Alfred Dreyfus, wiens epauletten in het openbaar werden afgerukt in Europa? Wie dicht in dit land aan (gematigde) moslims het plan toe van een grote wereldsamenzwering?”*

De wedijver rond slachtofferschap kon wel eens de drijvende kracht zijn achter deze constructie. Zij mikt op het slechte geweten van de enige maatschappijvorm die de twijfel aan zichzelf heeft geïnstitutionaliseerd: de democratieën. Men benijdt de joden om de holocaust, en timmert er een voor zichzelf: ziet immers de Gazastrook er niet uit als het getto van Warschau? In dezelfde richting gaat ook het postkoloniale discours, dat het Arabische en Afrikaanse aandeel in de geschiedenis van de slavernij uitvlakt, om de democratieën alweer een exclusieve schuld op de hals te schuiven. Wat maakt het ook uit als er in Darfur nakomelingen van slavenhandelaren (die trots zijn op hun voorvaderen) de nakomelingen van slavenvolkeren aan mootjes hakken en verbranden? Soedan is immers lid van de OIC. …

Naast “islamofobie”, is het andere begrip dat zich als een zwam in de hersenen van de welmenenden heeft geboord, dat van het “Verlichtingsfundamentalisme”. Het mag nu wel officieel heten: in de SZ noemt Gustav Seibt de logica van de tegenstanders van de door hem geprezen religieuze vrede “fundamentalistisch”. Thomas Assheuer vindt in de Zeit dat de argumenten van de secularisten “fundamentalistisch slagzij” maken, voor Thomas Steinfeld in de SZ was het toch al zonneklaar: auteurs als Necla Kelek, Hirsi Ali of Broder zijn onze eigen “haatpredikers”. Zodoende heeft hij deze drie dan voorgoed naast Osama Bin Laden en Mullah Omar geplaatst. Wie zo luchtigjes met die kwalificatie omspringt, die mag zich ook herinneren wie haar in de eerste plaats ter harte nam: Mohammed Bouyeri ramde ze Theo van Gogh, nadat hij hem meerdere kogels in het lijf gejaagd had en hem de keel had overgesneden, met een mes in de borst: “Ik weet, oh fundamentalisten van het ongeloof, dat jullie ten onder zullen gaan.” Dat was het culminatiepunt van de brief waarmee op die manier Bouyeri zijn daad opeiste.

Een flinke fractie van de westerse intellectuelen beschouwt dit schrijven sindsdien als een uitnodiging tot de dialoog der culturen.
Spreken van een “fundamentalisme van de Verlichting” (of naar keuze van het ongeloof, of de mensenrechten) zal misschien hier of daar al gangbaar zijn geweest, maar nu werd de uitdrukking bestempeld als een geldige figuur in een discussie. De lezer ontmoet haar in het boek van Ian Buruma over de moord op van Gogh. Timothy Garton Ash nam haar voor zich in een essay over dat boek, en over de islam in Europa in het algemeen, en maakte er een vaste zinswending van: Ayaan Hirsi Ali was een “ietwat simpel argumenterende Verlichtingsfundamentaliste”, luidde zijn diagnose, waarmee hij haast onbewust de Infamie voor zijn rekening nam, en hij sloeg de spijker nog eens goed vast: Bouyeri zat er “niet helemaal naast” toen hij het “fundamentalisme van het ongeloof” tot zijn hoofdvijand verklaarde.
Garton Ash heeft zich na een discussie met Hirsi Ali van zijn term gedistantieerd: “Ik wil graag beklemtonen dat ik sedert die tijd de term ‘Verlichtingsfundamentalist’ allang heb opgegeven, want hij leidt tot het misverstand dat er een symmetrie met ‘islamitische fundamentalisten’ bedoeld zou kunnen zijn”, schrijft hij in een voetnoot bij zijn nieuwste boek. …

Precies die intellectuelen die aan het begrip blijven vasthouden, schijnen ervan overtuigd te zijn dat wij een “botsing der culturen” meemaken – anders zou die constructie met symmetrische begrippen helemaal geen zin hebben. Minstens raken onze kortzichtige columnisten hier verward in contradicties, want anderzijds weten zij van geen ophouden, om het gevaar dat uitgaat van het islamisme te minimaliseren.  Of zouden zij geloven dat “onze haatpredikers” Kelek en Broder verantwoordelijk zijn voor 11 september? Fundamentalisme is irrationeel per se, en een begrip als “fundamentalisme van de Verlichting” is goed en wel onbestaanbaar. Wat hun critici aan Verlichters als Hirsi Ali of Broder verwijten, is eigenlijk dat zij iets als een “fundamentalisme van het ongeloof” predikten – helemaal wat ook Bouyeri bedoelde. Zij beweren dat Hirsi Ali van de moslims zou eisen dat dezen hun geloof zouden afzweren, als zij in het Westen wensen te leven.

Thomas Assheuer weet de zaken in de “Zeit” zo te wringen, tot ze passen: in de argumentatie van de “zwaar beproefde Hirsi Ali” diende “de religie, die er geen is, een Verlichting door te maken en, zo mag je wel aanvullen, tot verdwijning gebracht te worden” ofwel “omdat de islam voor Hirsi Ali ‘das ganz Andere’ is ten overstaan van de seculiere Rede, kan slechts één van deze twee gelden: de moslims horen ‘een keuze te maken tussen de waarden van de landen waar zij zijn aanbeland, en anderzijds de waarden van de landen die zij hebben verlaten’. Dit houdt in dat moslims hun religie zouden dienen af te zweren.”

Dat is een insinuatie. Hirsi Ali wil van de moslims enkel, zoals van alle gelovigen, dezelfde verdraagzaamheid die ook hen betoond wordt. Iets als “afzweren” eist zij nergens. Verlichting überhaupt levert pas het kader waarbinnen een co-existentie van religies mogelijk wordt. De door Gustav Seibt bezongen vrede onder de religies was eerst nog een vrede tegen de religies –tegen hun ontketende totalitaire aanspraken– vooraleer zij een vrede met de religies kon worden. Ook bij een vrede onder de religies wordt een religie nog niet echt of waar, want ook dan blijft de individuele gelovige onder curatele van zijn priesters staan. Waarachtig wordt zij pas in een persoonlijke belijdenis, op het moment dus dat een gelovige ook de vrijheid heeft om zich van zijn religie te ontdoen, zonder dat hij rekening hoeft te houden met sancties. In een geseculariseerde, verlichte samenleving bijgevolg, die de totalitaire aanspraken van de religies in toom houdt.
Deze precaire relativiteit van de religies is wat de Verlichting bewerkstelligt, omdat zijzelf ervan afziet om laatste waarheden uit te spreken – en dat is de ware reden waarom zij niet fundamentalistisch zijn kan.
__________________

* In de Berliner Zeitung antwoordt Benz.

13 januari 2010

Een lichtzinnige professor (caput II)

 .
Ik geloof vast dat de politicoloog, professor doctor Hendrik Vos, een internetabonnement bezit. Of hij ook een degelijke scholing heeft gehad, die hem in staat zou stellen om dit abonnement met vrucht te gebruiken is minder zeker.
Over die scholing zou ik niet uit mijzelf begonnen zijn, maar Vos bracht dat thema vandaag ter sprake in zijn artikel in De Standaard “We kunnen wat leren van Europa”. Zo betwijfelde hij bijvoorbeeld niet dat Pascal Smet naar school was geweest. Of Smet ook voldoende competenties in huis had om meteen het Departement Onderwijs te beheren, liet Vos in het midden. De geleerde man had ook enige reserves bij Schauvliege en Lieten. Vooral de eerste leek zijn hart niet te hebben gestolen.

In zijn hart was een andere geliefde haar vóór geweest, te weten de beminnelijke EU. In zijn zoetste dromen noemt Vos zijn adorata ook wel 'Europa'.
Nu is een verliefd hart altijd wat in verwarring, en koosnaampjes zijn vaak bijna willekeurig. Maar hoe vergeeflijk ook bij iemand die zijn maîtresse toefluistert –het mag zelfs een geadoreerde werkgeefster betreffen– dit grenst aan realiteitsverlies, want die EU van Vos, en anderzijds onze Europa mogen dan verre nichten van elkaar zijn: de maagd Europa is in Brussel of in Straatsburg al sinds een paar eeuwen niet meer opgemerkt.

Maar als we hem dit koosnaampje nog vergeven: Vos dicht aan zijn geliefde ook allerlei adjectieven toe, waar zij geheel niet voor in aanmerking komt. Soms lijkt hij zijn eigen woorden niet goed te begrijpen. Zo noemt Hendrik haar graag democratisch. Nu weet iedereen dat nicht EU er warmpjes inzit, en bijgevolg wel meer aanbidders heeft, maar dat zij democratisch zou zijn hoor je nooit. Op dat punt is zij zelfs deficitair wordt gezegd.
Vos lijkt van dit geheim niet op de hoogte, en dat is begrijpelijk. Minnaars zijn vaak de laatsten om iets te vernemen. Maar mijn EU is heel democratisch! roept hij, want zij neemt examens af van haar dienaren. En in zijn onschuld gaat hij door:
In de nationale politiek loopt dat wel anders. Wie bij ons als minister wordt voorgedragen, moet op geen enkel moment blijk geven van enige expertise in zijn domein.
Als Vos iets afwist –niet van politicologie: daar is hij zelfs professor in– maar van klassieke politieke filosofie, dan zou hij weten dat bekwaamheid, laat staan opgelegde bekwaamheidstests nooit eerder werden vereist in het stelsel van de democratie. In de meritocratie natuurlijk wel, en misschien kan Vos dat woordje eens gratis opzoeken met zijn internetabonnement.

Ik zal hem nog iets verklappen: de Atheners vonden zelfs dat verkiezingen ondemocratisch waren! omdat de besten dan altijd verkozen raken. Aristocratie noemden zij dat. En dan verkozen zij maar de lottrekking. Maar laten we niet afdwalen, Hendrik zal al werk genoeg hebben met zijn meritocratie.

Pijnlijk wordt het als hij in zijn verliefde dwaasheid veronderstelt dat ook alle anderen hun verstand kwijt zijn. Hij begint dan honderduit te fabuleren. Over Rocco Buttiglione bijvoorbeeld, de man die vorige keer na het examen werd afgewezen, een rechtsprof, maar volgens Vos “een conservatieve Italiaan voor wie homoseksualiteit een onsmakelijke ziekte was”.
Lezers van dit blog, dus geen arme politicologiestudentjes of -profjes, weten wel beter, want in een speech van Buttiglione die hier te lezen stond in 2005, legt die man zijn standpunt uit, en dat van die onsmakelijke ziekte lazen we niet.

Lastert Vos dan? of is hij te kwader trouw, denk je? In het geheel niet: dit is, zoals gezegd, gewoon de blufpraat van een jongen die met een gerust gemoed aanneemt dat iedereen even onwetend is als hijzelf:
Dit keer zal het vermoedelijk niet zo'n vaart lopen. Dat komt vooral omdat de lidstaten na de ervaring van de vorige keer beseffen dat ze stevige kandidaten moeten voordragen. In het huidige team zit op het eerste zicht geen charlatans. En Barroso lijkt de portefeuilles verstandig te hebben verdeeld, door de zware bevoegdheden te geven aan politici met een sterke reputatie.
En iets verder denkt Hendrik ook nog dat ...twitteren iets met democratie te maken heeft:
De hoorzittingen zijn deze week allemaal rechtstreeks te volgen op internet, in meer dan twintig talen, live gestreamd. Op facebook kan iedereen zijn gedacht kwijt over de prestaties van de kandidaat-commissarissen. Flickr publiceert foto's van de ondervragingen en belangrijk nieuws wordt onmiddellijk verspreid via twitter. Wie het democratisch gehalte van de Europese Unie op de korrel neemt, moet misschien beginnen met de aanschaf van een internetabonnement.
Nee Vos, ik wil je best het voordeel van je naïviteit gunnen, maar zo gaat het echt niet. Voor dit examen ben je gebuisd. Je moet dringend eens terug naar de humaniora. Beetje Griekse en Latijnse stammen leren in plaats van te twitteren of te flickeren. Altijd een goede basis.
.

12 januari 2010

Het Zwitserse referendum en de Europese hypocrisie


Vrijheid van godsdienst

Fr. Édouard-M. Gallez, f.s.j.


In een referendum, aldaar “votation” geheten, hebben de Zwitsers op 29 november laatstleden bij meerderheid beslist om de constructie van nieuwe minaretten op Zwitsers grondgebied niet langer toe te staan. Of men het wil of niet, maar in de publieke ruimte vormen zulke constructies een aanwezigheid die niet tot het lokale beperkt blijft; a priori lijkt het dus niet buitenissig om het publiek te consulteren.
Nochtans riep de idee zelf van een dergelijk referendum al een golf van veroordelingen op vanwege de grote media, en het positieve resultaat ervan werd afgekeurd, dit in naam van de vrijheid van godsdienst.
Nu had, begin van diezelfde maand, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens de aanwezigheid van kruisbeelden verboden in de openbare scholen in Italië, en dit eveneens in naam van de vrijheid van godsdienst; dit decreet krijgt de goedkeuring van dezelfden die het houden van het Zwitserse referendum bekritiseerden!
Een paar dagen na dit laatste, stelde een Spaanse parlementaire commissie voor om een wet voor te bereiden die kruisbeelden uit de publieke scholen zou bannen, terwijl het Poolse parlement een protestnota in de omgekeerde zin goedkeurde [1], en dan, op 17 december raakten de Europese parlementsleden verdeeld over het recht van een Europese instelling om tussenbeide te komen tegen “symbolen [die] tot de traditie behoren, de identiteit [van een natie] uitmaken, en tegelijk een aspect van eenmaking zijn voor een nationale gemeenschap”[2].
Dit project van Europese resolutie bood nochtans het voordeel dat het debat werd weggehaald van de notie “godsdienstvrijheid”, een begrip dat een gevaarlijk variabele invulling krijgt, al naargelang het gaat om het aanmoedigen van religieuze symbolen in de openbare ruimte, als zij islamitisch zijn, of om ze te verbieden als zij christelijk zijn. Deze houding toont aan hoezeer een aantal stellingnamen door angst waren ingegeven, dat wil zeggen, door dreigingen die men had geïnterioriseerd, in dit geval dus een ongegronde angst. Bepaalde groepen van islamisten maken geen geheim van hun intimidatiestrategie, verholen of onverholen – dat is hun handelsmerk. De feiten hebben eens te meer aangetoond dat vrees een slechte raadgever is.

Godsdienstvrijheid en vrijheid “van de godsdiensten”

Onze opzet is niet om de verantwoordelijken van de politieke en journalistieke milieus aansprakelijk te maken, al hebben zij in deze kwestie zeker blijk van hypocrisie gegeven. Hun onafhankelijkheid is zeer beperkt zoals men weet, en men weet ook dat de media ondernemingen zijn, die vandaag verder niets méér kunnen dan de positie weergeven van diegenen aan wie zij toebehoren. Veeleer is het concept zelf van vrijheid de vraag, de “religieuze” of die “van de religies”, want het werd in twee tegengestelde richtingen gehanteerd. Rondom dit concept heeft de hypocrisie zich genesteld, op twee niveaus.
Ten eerste, de idee om één verzameling te maken, “de religies” geheten, is geboren in de context van de ideologie van de Verlichting, vervolgens in die van het positivisme van de XIXde E.: in een schijn van wetenschappelijkheid (sociologische wetenschappelijkheid meer bepaald), kwam het er op aan, om ook de atheïstische positie een grondslag te geven, tegenover de “religies” dus (geconceptualiseerd als één blok) [3]. Maar wat is het concept zelf van “religies” (in het meervoud) waard? Het is niemand ooit gelukt het te definiëren. Erger: men durft zelfs geen poging meer aan, om zich een beeld te vormen van wat er misschien gemeenschappelijk zou zijn in alles wat onder religie gecatalogeerd wordt, de islam en het traditionele hindoeïsme bijvoorbeeld. Toch blijft men dit begrip gebruiken, ook al is het leeg zoals alle onderzoekers beseffen.
Dit eerste niveau van hypocrisie heeft verstrekkende gevolgen: wil men “religie” definiëren als een voorstelling van de wereld met centraal daarin een heilsgeschiedenis die zich moet voltrekken (wat ongeveer het geval is voor het joods-christelijke systeem, en vast en zeker het geval voor alle politiek-religieuze fenomenen die later zijn verschenen, maar geenszins voor de geloofssystemen en riten van eerdere datum), dan zou men moeten zeggen dat het atheïsme een religie is, of minstens het leven heeft geschonken aan diverse systemen die volslagen religieus zijn, die zich beroepen op getrouwe volgelingen, die een “geloof” bezitten in een of meerdere heilbrengers, en die verenigd zijn in “partijen”. Zoals daar zijn het positivisme, het communisme, of nog andere. Raymond Aron heeft over “seculiere religies” gesproken, terwijl Marcel Gauchet de benaming “antireligieuze religies” verkiest. Niettemin raken hun analyses niet over de muur van de huidige media, die het publiek om de oren blijven slaan met het concept “religies”, tegengesteld aan dat van het atheïsme, of liever –vernieuwing kan nooit kwaad– aan dat van het “burgerschap”, hetgeen niets anders is dan het neoliberale atheïsme, new look.

De mythe van de gemeenschappelijke basis

Het andere niveau van de hypocrisie hangt samen met het gebruik zelf van het concept: dit bestaat erin een denkbeeldige gemene basis te ontwerpen tussen “de religies”, daarbij hun radicaal uiteenlopende verschillen negerend, in het bijzonder die tussen het christendom en de islam. Dat is de manier waarop het moderne atheïsme zich altijd heeft gerechtvaardigd (door het ene én het andere te verwerpen), en meer in het bijzonder in de neoliberale vorm ervan die vandaag overheerst.
Gaat het hier om een wetenschappelijke houding? Die zou er eerder naar streven om elk van de fenomenen waarvan sprake te begrijpen vanuit hun respectieve teksten en hun geschiedenis.
Niet voor niets heeft het “islamitische” fenomeen de naam islâm aangenomen, wat onderwerping betekent: in alle eigenlijk “islamitische” processen schuilt een meester-slaafmechanisme, of het nu gaat om de houding tegenover God (die fundamenteel is), of over maatschappelijke, zelfs familiale of huwelijksverhoudingen (die daar een uitvloeisel van zijn). Het beeld van de God die de mens verplettert bepaalt het ideaal dat moet worden nagestreefd op de aarde, een aarde die aan Hem onderworpen moet zijn [4].
Aan de andere kant bevindt zich het christelijke ideaal, gebaseerd op een Bijbelse voorstelling van God, die van haar kant totaal verschillend is. Deze paar passages uit de Evangeliën –de woorden van Jezus– zijn karakteristiek: [ik geef hier, vanwege de begrijpelijkheid, de Willibrordvertaling, en, vanwege de schoonheid, in bijlage ook de Statenvertaling]

Lucas 12, 37: Gelukkig zijn de knechten die de heer wakend aantreft bij zijn komst. Ik verzeker jullie dat hij zich omgordt, hen aan tafel nodigt en rondgaat om hen te bedienen.
Lucas 17, 10: Zo moeten ook jullie zeggen, als je alles hebt gedaan wat je werd opgedragen: “Wij zijn maar slaven; we hebben gedaan wat we moesten doen.”

Sterker dan dit kun je het ideaal van de dienst van God en de naaste niet uitdrukken:

Matteüs 20, 25-28 (ook Marcus 10, 42 e.v.): Jullie weten dat de leiders van de volken heerschappij voeren over hen en de grote mannen hun gezag laten gelden. Zo moet het onder jullie niet zijn. Integendeel, wie groot wil worden onder jullie, moet jullie dienaar zijn, en wie onder jullie de eerste wil zijn, moet jullie slaaf zijn. Zoals de Mensenzoon niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen, en om zijn leven te geven als losgeld voor velen.
Matteüs 23,11 De grootste van u zal uw dienaar zijn. 12 Wie zich verheft, zal vernederd worden, en wie zich vernedert, zal verheven worden.
Lucas 22, 26 Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar. 27 Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.

Elke socioloog of antropoloog zou hierin het principe moeten ontwaren, dat de christelijke verwezenlijkingen inspireert die aan de basis van de sociale vooruitgang liggen: als een samenleving –of dat nu in het Oosten is of het Westen– er naar streeft om zich als ideaal de onderlinge dienstbaarheid te stellen, dan maakt zij snel vooruitgang, inbegrepen op het vlak van de kennis, zelfs al wordt zij daarom nog geen ideale samenleving. Wanneer echter, er zulke principes binnensluipen of zich allengs opdringen, als daar zijn verrijking ten koste van alles, of onderwerping aan hen die beweren de sleutels van de toekomst in handen te hebben: op dat moment gaat de civiele maatschappij snel ten onder, ten voordele van een kleine groep, en het leven van de meerderheid slaat om in een nachtmerrie.

De Plek van de Rede

Het amalgaamdenken, tekenend voor een concept als “de religies”, is het meest schadelijke aspect van de hypocrisie. Er kan geen gerechtigheid, noch een Staat bestaan die aan de rationaliteit voorbijgaat. En de rede zegt ons juist dat de principes die aan de basis liggen van respectievelijk het christendom en de islam elkaars tegengestelde zijn, en bijgevolg heeft het burgerlijke gezag het recht en de plicht om hiermee rekening te houden. De zorg om het gemeenschappelijk welzijn gebiedt om het eerste te begunstigen, terwijl er ten aanzien van de tweede zich een grote reserve opdringt (en de Staat hoeft die alvast niet te subsidiëren).
De vreemdeling ontvangen, dat betekent: hem toelaten om het beste van zichzelf aan te brengen, hem ook passend te vergoeden, en ook, hem helpen om zich te ontdoen van de conditioneringen die een bedreiging vormen, zowel voor hemzelf en zijn familie als voor de maatschappij die hem ontvangt. Het is bij dit licht en onder deze analyse dat de vraag rond de vermenigvuldiging van minaretten in de publieke ruimte dient te worden gezien, ingebed in een algemene politiek betreffende deze ruimte (die al te vaak aan de commerciële reclame wordt verkocht, die evengoed betwistbaar is).
Elke andere stellingname beantwoordt niet aan de rede, maar eerder aan zekere a-priorismen van affectieve of ideologische aard, en onder de laatstgenoemde is het concept van “de religies” niet het geringste.
Het standpunt van de Zwitserse bisschoppen, zoals op 2 december naar voren gebracht, weerspiegelde dergelijke a-priorismen, met nog een kruideniersreflex er bovenop: zij zagen in het oordeel van het Europees Hof en in het referendum een gemeenschappelijke “drang om de zichtbaarheid van religies te beknotten”, alsof, hemel! de Zwitsers plots van plan waren om zich tegen hun klokkentorens te keren. Laten we ernstig blijven. Als er van een bedreiging sprake is, dan zou die veeleer er in bestaan om het referendum af te keuren en tegelijk het vonnis van het Europese Hof goed te keuren, volgens een heimelijke logica die aan de ene kant de culturele identiteit van de bevolking viseert (want door sommigen werd onderstreept) en die aan de andere kant wil bijdragen aan de greep van islamitische groeperingen op de maatschappij. Deze logica van de manipulatie kan men aan het werk zien onder autoritaire niet-Europese regimes… met name in Algerije sinds 1984, toen de machthebbers tegelijk hun politiek van islamisering en arabisering hebben gelanceerd om de bevolking beter onder controle te krijgen – we weten wat voor verschrikkelijke burgeroorlog daar is uit voortgekomen.
Maar dit oordeel is voor de Zwitserse bisschoppen te ingewikkeld wellicht. Is er ergens een barmhartige ziel te vinden, die hen in simpele bewoordingen kan uitleggen: 1/ dat “de religies” niet bestaat 2/ dat de vóór-christelijke cultussen geen uitstaans hebben met de post-christelijke fenomenen (en in de tussenperiode is er het judeo-christendom geweest, dat zij verondersteld zijn te kennen), en, 3/ tenslotte, dat hun mooie, politiek-correcte intenties, die niemand hen zal betwisten, zelden naar het paradijs leiden?

Nog een laatste punt: geen mens vraagt hen om aanwezig te zijn bij eeneerstesteenlegging van een moskee – excuus, het was in een land ten westen van Zwitserland dat dit is voorgekomen.


* Fr. Édouard-Marie Gallez fsj, is doctor in de Theologie en de Godsdienstgeschiedenis, auteur ook van Le Messie et son Prophète (Ed. de Paris).

_________________________

[1] AFP, 3 december 2009, voor de twee berichten.
[2] Cf. La bataille des crucifix.
[3] Het ging ook, minstens bij een bepaalde strekking, om het legitimeren van aanspraken bij de in beslagname van de openbare ruimte, en bij de greep op de opvoeding van de kinderen in naam van een Staat, die antireligieus moest zijn, en die in Frankrijk alle christelijke congregaties heeft verbannen tussen 1905 (voor sommige vanaf 1895) en 1920, terwijl in de Soviet-Unie de antichristelijke uitzuivering begon met haar miljoenen doden. Men kan de atheïstische stroming niet los zien van de bloedige verschrikkingen in de XXste eeuw, die juist in naam van dergelijke aanspraken plaatshadden.
[4] Claude Lévi-Strauss heeft, als pionier van de antropologie enkele nogal scherpe analyses gewijd aan het islamitische fenomeen, maar hij lijkt er niet de principes van te hebben doorgrond – je zou geloven dat hij de koran niet wenste open te slaan (zie de pp. 463-469 in Tristes tropiques, heruitgave van 2001).

.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html