29 november 2017

Iets anders dan de brieven die men vandaag in alle gazetten uitwisselt


Louise d'Épinay (1726-1783) was een femme de lettres die de grote geesten van haar tijd in haar salon ontving en bijvoorbeeld ook, en met veel succes een antwoord schreef op Rousseau's Émile: "Conversations d'Émilie".
Een goede vriend van haar was Ferdinando Galiani (1728-1787), de Napolitaanse economist wiens studies over de waardeleer ver op hun tijd vooruit waren: waarom is goud iets waard? waarom is papier iets waard? &c.
Galiani was "abate", "abbé": had lagere wijdingen gekregen, maar was niet de meest ijverige gelovige. Hij werkte tien jaar in Parijs (1759-69), als secretaris van de ambassadeur van de koning van Napels. Daarna werd hij economisch raadgever van de regering daar, een soort consultant zouden wij nu zeggen.

Galiani schreef in het Frans en Italiaans, correspondeerde met Diderot, Voltaire, Turgot en vele anderen. Met de fysiocraat abbé André Morellet (die had een scherpe tong en Voltaire noemde hem abbé Mords-les, bijt ze!) ging hij een levendig economisch debat aan. Als jongeman was hij in heel Europa beroemd geworden met Della moneta (1750), een waardetheorie, en later in 1770 schreef hij Dialogues sur le commerce des bleds (blés), werken die uitblinken door methodische klaarte ...én door hun grappigheid! Diderot, Grimm en Louise d'Épinay verzorgden de uitgave in 1770, want hijzelf was door de koning naar Napels teruggeroepen, en had zijn manuscript in Parijs moeten achterlaten.
In het eerste werk baseerde hij zijn waardetheorie op nut en schaarste. In het tweede benadrukt hij de noodzaak van regelgeving in de handel, tegen de fysiocraten in, die een volledige vrijheid van handel voorstonden. Galiani ging ervan uit, evengoed overigens als de fysiocraten en ook Voltaire, dat één land maar kan winnen wat een ander land verliest. Hij verdedigde zo bijvoorbeeld de muntdevaluatie.

Zijn brieven aan Louise, en die van haar aan hem, geven een goed beeld van het intellectuele leven in het Europa van de XVIIIde eeuw.
De Dialogues sur le Commerce des Blés zijn gesprekken tussen een Markies en een Ridder (Galiani zelf). In onderstaand fragment, niet uit die Dialogues afkomstig, treden deze twee personages weer aan, maar het werd nooit een boek. Het bleef bij een fragment van tien bladzijden en Galiani stuurde het aan Louise, die verstandig genoeg was om een grapje te kunnen smaken, zeker als het van haar geliefde abbé kwam. Hij mocht haar in alle vriendschap veel wijsmaken, ook in een



in: Ferdinando Galiani / Louise d’Épinay
Correspondance III, mars 1772 - mai 1773
Les Éditions Desjonquères, 1994, pp. 252-255

De Ridder: […] ik houd dus vol dat de vrouw zwak is door de opbouw van haar spierstelsel; vandaar ook haar teruggetrokken levenswijze, haar gehechtheid aan het mannetjesdier van haar soort dat haar onderhoudt, ook haar lichte kledij, haar bezigheden en taken &cet.
De Markies: En waarom noemt u haar een zieke?
De Ridder: Omdat zij dat van nature is. Eerst is ze zoals alle beesten ziek tot ze tot volle wasdom komt. Maar dan verschijnt dat zo bekende symptoom, eigen aan de hele klasse van de tweehandigen.* Elke maand is ze tenminste zes dagen aan een stuk ziek, wat overeenkomt met een vijfde van haar leven, en vervolgens komen de zwangerschappen en het zogen van de kinderen, wat weloverwogen twee zeer lange en hinderlijke ziektes zijn. Tijdens die aanhoudende ziekte kennen zij dus maar enkele schemeringen van gezondheid. Haar karakter ondervindt de gevolgen van die bijna vertrouwde toestand. Ze zijn aanhalig en knuffelachtig zoals alle zieken, en tegelijk soms bruusk en onberekenbaar, zoals alle zieken. Worden makkelijk kwaad, en maken het makkelijk weer goed, net als de zieken. Ze zoeken verstrooiing, amusement, en een niemendalletje amuseert hen, net als de zieken. Hun verbeelding is voortdurend aan het werk, angst, hoop, vreugde, wanhoop, verlangen, afkeer wisselen elkaar sterk af in haar hoofden, en worden er nog makkelijker weer uitgewist. Gulzig leren ze bij, en evengoed vergeten ze. Ze houden van een lange afzondering en van opgewekt gezelschap in de tussenpozen, zoals alle zieken. En als we nu onder ogen nemen hoe wij hen behandelen: we verzorgen hen, we tonen belangstelling voor hen, we proberen ze te verstrooien, te amuseren, we laten ze met rust in hun appartementen, dan bezoeken we hen, we strelen ze, en vervolgens nemen wij…
De Markies: Komaan, het woord moet eruit, nu niet stilvallen terwijl u zo flink op dreef was.
De Ridder: Ja, wij proberen ze te genezen en bezorgen hen zo een nieuwe ziekte.
De Markies: U moet er wel bij zeggen dat ze daar niet rouwig om zijn; integendeel, ze ondergaan dit met evenveel geduld als zieken een aderlating of een branderig medicijn.
De Ridder: En wel om dezelfde reden die zieken hebben om te geloven dat het allemaal om hun bestwil is, en dat ze zich navenant beter zullen voelen.
De Markies: Ridder, u mag me nog zo graag ervan willen overtuigen dat vrouwen per definitie ziekelijke wezens zijn, ik kan me maar slecht met die idee verzoenen. Misschien zijn uw Napolitaansen dat wel, maar wat mijn dierbare Parisiennes betreft zit u er lelijk naast. Ga eens naar de Vauxhall,** naar de boulevards, naar de operabals, en zie me hoe die zieken daar tekeer gaan: tien grenadiers zouden ze afmatten door hen de hele nacht te doen dansen. Het hele carnaval door blijven zij wakker, en houden er nog niet een kuchje aan over. En dat noemt u zieken?
De Ridder:
 
Markies, u maakt mijn eigen argumenten tot de uwe, om ze dan als tegenwerpingen te gebruiken. Precies wat u daar allemaal verteld hebt, moet u toch aantonen dat vrouwen wezens zijn die wij mannen, met ons verstand niet beter kunnen omschrijven dan door hen zieken te noemen; het komt hierop neer dat zij het sterkst op ons lijken wanneer wijzelf in die toestand verkeren. Hebt u het nog nooit meegemaakt dat vier man alle moeite hebben om een zieke in bedwang te houden die spasmen vertoont, een gek, een zinneloze? En dat in vele gevallen zieken een kracht bezitten die gezonden niet zouden opbrengen? Die veranderlijke, excessieve, onregelmatige, onstandvastige kracht is juist een ziektesymptoom, een effect van de immense prikkeling van de zenuwen door een verhitte verbeelding. De zenuwspanning vult de natuurlijke zwakte der spieren aan. Neem die verbeelding weg en alles valt plat. Jaag dus de violisten weg, doof de kaarsen, laat de feestvreugde wegebben en die eeuwige danseressen zullen nog nauwelijks thuisraken al is het maar een klein eindje lopen. Ze zullen een fiaker laten voorrijden enkel om de Pont-Neuf over te steken.
De Markies: Zoals altijd verslaat u me nu weer, omdat God dat zo wil, maar ik heb toch een kleine tegenwerping die ik u wil maken.
De Ridder: Gaat u alstublieft uw gang.
De Markies: Probleem is dat ik niet overtuigd ben door alles wat u zojuist hebt verteld: ik geloof er geen woord van. Ik begrijp wel dat u gelijk hebt voor wat de huidige toestand betreft, maar dat alles lijkt mij een effect van de opvoeding, niet van de natuur, en ik geloof dat als men de natuur onbedorven liet doen, vrouwen evenveel waard zouden zijn als wij, misschien met dat verschil dat ze wat zwakker zouden zijn en gevoeliger.
De Ridder: Mijn beste markies, alle scherts nu daargelaten, gelooft u dat er in de wereld zoiets bestaat als opvoeding?
De Markies: Nee zeg, die paradox is te sterk, ik moet u in alle vriendschap aanraden om hem te milderen, te verzachten, of als u dat wilt hem van een uitlegging te voorzien, nu we weten dat dat woord intrekking betekent, zoals bij de Verklaringen van de koning met betrekking tot eerdere edicten.
De Ridder: Ik wil uw raad opvolgen want uw raadgevingen zijn altijd het opvolgen waard, en ik heb mij daar altijd goed bij bevonden. Ik zal uitleg geven, zonder nochtans mijn woorden in te trekken. Over opvoeding hoort men veel spreken, en zoals gewoonlijk moet er dan weer een boek geschreven worden. […]
__________
  * tweehandigen, bimanes was toen een categorie in de biologie.
** Vauxhall was de benaming voor publieke, betalende pretparken waar bals en feesten werden gegeven (naar de Londense tuin in Kensington waar de Engelse beau monde zich liet zien).


24 november 2017

Raphaël Enthoven


In Frankrijk is er beroering ontstaan over een vertaling – ja, het blijft een cultuurland. Het gaat om één nieuwtestamentisch vers dat een vers jasje kreeg.
In de stichtingsoorkonde van ons Nederlands, de Statenvertaling van 1618-19 luidde het: (Matthéüs 6:13) En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Een duidelijk verstaanbare bede van de gelovigen, gericht aan hun Vader die in de hemelen verblijft.
In 1667 vertaalde Isaac Lemaistre de Sacy: et ne nous laissez point succomber à la tentation; mais delivrez nous du mal.
Ook heel begrijpelijk, al staat er in het Grieks noch in het Latijn iets over “bezwijken”. Het Grieks zegt μή εἰσενέγκῃς ἡμᾶς: een aorist 2de persoon enkelvoud van εἰσφέρω, naar binnen dragen, binnenvoeren in. En de Vulgaat zegt ne inducas nos, van inducere: voeren, leiden, brengen in. Dat “bezwijken” was een dichterlijke vrijheid van Lemaistre de Sacy, die blijkbaar besefte dat voor bekoringen de mens gewoonlijk tóch bezwijkt, en die voorafgaande stap van het in bekoring brengen dus achterwege kon blijven.
Een latere Franse vertaling maakte die sprong niet meer: et ne nous induis pas en tentation, mais délivre-nous du mal. Nog later, en tot vandaag had de officiële versie van het Franse Onze Vader: Ne nous soumets pas à la tentation.

Maar nu moeten vanaf drie december, de eerste zondag van de Advent, de Franse katholieken het anders zeggen: Ne nous laisse pas entrer en tentation. Dat soumettre, die soumission dus is weggevallen.

Woorden leiden hun eigen leven, en na de roman van Houellebecq kreeg soumission een bijzondere klank. Dat bracht de filosoof Raphaël Enthoven ertoe – Carla Bruni wijdde een liedje aan hem en schonk hem een zoon –  in die nieuwe vertaling een soort ‘islamofobe’ reflex te zien, onder het mom van een betere tekstgetrouwheid. Vergezocht en krankzinnig natuurlijk, maar daar ben je ook een politiek-correcte filosoof voor.
Hij werd hiervoor zwaar op de vingers getikt, en zelf zag hij ook snel in dat zijn bewering nergens op sloeg. Enthoven geeft zijn commentaren op de actualiteit, vaak heel grappig en spiritueel, elke dag op Europe1, en sloeg daar een uitgebreid mea culpa:

Quel est l’ennemi commun, l’ennemi de tous, l’ennemi du public n°1? C’est pas le catholicisme, ni l’islâm ni le judaïsme ni la laïcité bien sûr. Le seul ennemi que nous ayons tous à redouter, collectivement, le cauchemar du débat c’est le procès d’intention. Qu’on en fasse ou qu’on en subisse. C’est l’accusation indémontrable qui souille l’accusé sans exposer l’accusateur à un démenti argumenté.



Wat is de gemeenschappelijke vijand, de vijand van allen, de publieke vijand nummer één? Dat is niet het katholicisme, noch de islam, noch het judaïsme noch de vrijzinnigheid natuurlijk. De enige vijand waar we allen, gezamenlijk beducht voor moeten zijn, de gruwel van elk debat is het intentieproces. Of men het nu zelf voert of het ondergaat. Het is de onbewijsbare beschuldiging, die de beschuldigde besmeurt zonder dat men de beschuldiger een onderbouwde ontkenning voor de voeten werpt.

Alles goed en wel, heel eervol van Raphaël, maar dat nevenschikkend rijtje – catholicisme, islâm, judaïsme et laïcité – bevalt mij dan weer niet. Hij blijft een politiek-correcte filosoof.

Amen, of om met de Grieken te spreken: ἀμήν.

14 november 2017

Vive le Roi! Leve de Koning! (Es lebe der König!)


In het Frans wordt dat bij gelegenheid wel geroepen, maar in het Nederlands hoor je die kreet zo goed als nooit. Daarvoor zou iemand al tegen betaling een aantal dames moeten inhuren. Pour de l’argent, douze ou quinze femmes, zoals Kardinaal de Retz dat in zijn Mémoires schrijft, of – zoals hier wel eens voorkomt – hij zou een hoop schoolkinderen moeten optrommelen.

Van zulke vertoningen denkt Retz het zijne: …la cour prit ou déclara la résolution de revenir à Paris. Elle y fut reçue comme les rois l’ont toujours été et le seront toujours, c’est-à-dire avec acclamations qui ne signifient rien, que pour ceux qui prennent plaisir à se flatter.

…het hof had het voornemen opgevat, of maakte toch bekend dat het naar Parijs zou terugkeren. Het werd er ontvangen zoals koningen dat altijd worden en altijd zullen worden, dat wil zeggen met toejuichingen die niets voorstellen, behalve voor wie zich graag in zelfgenoegzaamheid wentelen.

Maar kom, laten we onze Retz op de naamdag van Leopold het plezier niet bederven in Laken, waar ze tegelijk ook een weddeverhoging te vieren hebben.


12 november 2017

Geen politieke gevangenen in Europa!


Ter ondersteuning van de politieke gevangenen in Spanje was er vanmiddag in het Jubelpark in Brussel een kleurige manifestatie. Veel Catalaanse vlaggen natuurlijk, maar ook Waalse, Vlaamse, Letse enzovoort. Belgische of Spaanse vlaggen heb ik niet gezien, en ook geen EU-vlaggen. Iets van vijfhonderd man was er, sommigen zeggen zevenhonderd. En er waren ook vier of vijf tv-ploegen. De ZDF zag ik, RTL ook (misschien om Juncker een plezier te doen), nog enkele andere maar ik stond te ver om die thuis te brengen.

Omdat ik geen professionele fotograaf ben, lezer, moet u zich tevredenstellen zonder vogelperspectief. U mag tenslotte niet te veeleisend zijn: onze kranten en tv-zenders getroosten zich ook nooit de moeite van een overzichtsbeeld als het om bijvoorbeeld een tous-ensemble-betoging gaat, of iets moois van die aard.

De toespraken (van onder meer drie Catalaanse ministers) waren in het Engels, Nederlands en Frans, maar grotendeels toch in het Catalaans. En al ken ik die taal niet, termen die vaak terugkwamen, zoals vrijheid, prison, onafhankelijkheid en democratie verstond ik toch. Persoonsnamen stelden geen probleem, Franco bijvoorbeeld, of Juncker – je zou al bezopen moeten zijn om die zijn naam niet te verstaan.

Vlak na de laatste toespraak, nog tijdens het zingen, begon het te hagelen terwijl daarvoor de zon had geschenen. De weergoden hadden goed opgelet, maar het kan ook toeval zijn geweest.

Ook toevallig was dat ik, nog op weg naar Brussel, in de trein in een klein boekje zat te lezen, een bloemlezing uit de geschriften van de Prince de Ligne (De Fleur en Fleur, Lausanne, La Guilde du Livre, 1964, pp. 77-8), en daar iets zag waar ik direct een potloodstreepje bijzette.

À la guerre, en politique et en amour, si l’on manque le moment, il ne se retrouve plus. Tant pis pour l’Europe, qui est une vieille coquine qui a perdu ses règles!
Als men in de oorlog, in de politiek en in de liefde het juiste moment mist, dan komt die kans niet weer. Helaas voor Europa, die oude lichtekooi die haar regels niet meer heeft.

Ja, de EU heeft eerst met haar zwijgen en daarna met haar medeplichtigheid en minachting voor de democratie haar eigen doodvonnis getekend.

6 november 2017

Journalistiek met een echt gezicht


Het gaat goed met Le Monde diplomatique, en directeur Serge Halimi kan schitterende cijfers voorleggen. Hij deed dat ook, onder de titel: Appeler une victoire par son nom. Het gaat om echte cijfers, abonnementen (90.456 in december 2016), gedrukte exemplaren (gemidddeld 156.586 in 2016), digitale abonnementen op hun archief (35.417 eind september 2017) enzovoort. Geloofwaardige cijfers dus, geen clicks of fantasietjes zoals we die hier kennen. Ze hebben natuurlijk een groot taalgebied.

Dat blad lees ik al langer dan van gisteren en hun zeven euro betaal ik elke maand graag. Oneens kun je het zijn, maar je wordt nooit gedegouteerd. Eigenlijk ken ik geen blad dat ermee te vergelijken is. Het is gedistingeerd. Er staan geen foto's in, en geen reclame – of het moest zijn voor een boek waar je geen zin in hebt, of voor een moeilijke intellectuele film die je niet zult gaan zien. Je wordt als lezer dus niet beledigd.
Zij kunnen het zich bijgevolg veroorloven om de gewone krantenboeren en hun journalisten op de korrel te nemen. Daarom vertaal ik een grappig stukje uit het artikel van Halimi:

Tegen de reëel bestaande journalistiek* heeft Le Monde diplomatique niet enkel de akte van beschuldiging opgesteld (kapitalistische concentratie, pensée unique, ingekapselde burgerlijkheid, verstandhouding en zelfvoldaanheid). Wij hebben er ook een andere professionele praktijk tegenovergesteld. Onze kritiek ten laste van de journalistiek, die elke maand te lezen staat, beperkt zich niet tot de verwerping van de liberale en Europese insteek van zo goed als alle media. Want onze “confraters” hebben het op den duur begrepen: het diskrediet dat rust op de lompe politicus die zijn voorgekauwde lesje opzegt, tast de reputatie aan – en bijgevolg de marktwaarde – van de pers die hem als zijn buikspreker begeleidt.
De hoofdredacties hebben dan besloten om een nieuwe beroepskracht naar voren te schuiven, die wij evenzeer verwerpen, namelijk die van de neutrale reporter, zonder ideologie, “de ontcijferaar”, “de geheimschriftlezer” aan wie men niets wijsmaakt, die van de ene overtuiging naar de andere fladdert en voorgeeft zich nooit te engageren.
Zijn vakkundigheid bestaat erin “kleine, echte feitjes” uit te zoeken, en deze zonder commentaar te presenteren; en een voorkeur te hebben voor “dingen die hij gezien heeft” (zeker als ze aangrijpend zijn), eerder dan voor een beargumenteerde analyse van sociale of internationale verbanden; en in het uitbannen, uit het gebied van de informatie, van ideeën die extreem bevonden worden, terwijl tegelijk andere ideeën (te weten, de zijne) het alfa en omega van elk “debat” moeten worden. Op die manier moet het gezoem aanhouden, en is de fictie van het pluralisme veiliggesteld.
__________

* Halimi speelt natuurlijk met een eertijds vaste uitdrukking: die van het reëel bestaande communisme, dat evenwel hier en daar verschilde van het theoretische ideaalbeeld.

Denkt Spanje miljoenen Catalanen met geweld het zwijgen te kunnen opleggen?


Een gesprek met Jordi Savall
in Le Nouvel Observateur

In het conflict tussen de Spaanse regering en de Catalaanse independentisten, heeft de beroemde musicus de kant van de Catalaanse independentisten gekozen.
Hij legt ons uit waarom.

Sarah Halifa-Legrand: Wat is uw gevoel vandaag bij de zware crisis waar Catalonië doorgaat?
Ik ben heel triest. Vorige zondag heeft Madrid ons veertig jaar achteruitgezet. Ik denk dat hun reactie een heel zware breuk heeft veroorzaakt tussen de Spaanse regering en Catalonië. Ik verzeker u dat Catalonië nooit nog zal zijn zoals voorheen. En laat men dan nog alle mogelijke argumenten tegen het illegale referendum aanvoeren, bejaarde vrouwen over de grond sleuren, weerloze burgers met een dergelijke brutaliteit behandelen is absoluut onverdedigbaar.
Dit geweldsvertoon brengt aan het licht dat de Spaanse regering totaal niet in staat is om verschillen te accepteren, om te accepteren dat men het gevoel zou hebben tot een andere cultuur te behoren. De Spaanse staat ontkent de realiteit. Hij weigert te zien dat er een probleem is. Hij miskent ons. Hij spreekt niet met de Catalanen. Hij spreekt enkel tot de rest van de Spanjaarden.
Draagt niet ook de independentistische regering een deel van de verantwoordelijkheid bij deze escalatie?
Elke partij is deels verantwoordelijk. Maar wat begin je als de gesprekspartner met wie je wil onderhandelen obstinaat de discussie weigert? De Catalaanse president en de burgemeester van Barcelona hebben een brief gestuurd aan mijnheer Rajoy waarin ze om een gesprek vroegen; ze kregen nooit antwoord. Hoe zo’n probleem dan oplossen? Een politieke oplossing heeft Rajoy nooit nagestreefd, enkel gerechtelijke oplossingen. Zijn enige antwoord is een beroep op de wet. Maar als wij de wet altijd hadden gerespecteerd, dan waren de slaven nog altijd slaven, konden de vrouwen nog altijd niet stemmen, en hadden de arbeiders geen rechten. Wetten zijn niet altijd rechtvaardig, en de samenleving heeft ze altijd laten evolueren om ze aangepast te maken. Je kunt onmogelijk de wet inroepen als zijnde iets onveranderlijks.
Hoe verklaart u dat de Spaanse regering op die manier elke dialoog weigert?
De Spaanse regeringsleider Mariano Rajoy blijft op de strakke lijn van de franquistische ideologie die berustte op de constructie van een Spanje als ‘una, grande y libre’. Die heeft ons naar de burgeroorlog geleid. In naam van hetzelfde principe had hij voor het Grondwettelijk Hof het nieuwe statuut van Catalonië al betwist, ‘el Estatut’, dat een uitbreiding van de autonomie voorzag, ook al was dat per referendum door de Catalanen goedgekeurd, en in 2006 aangenomen door het Catalaans Parlement, het Congres van Afgevaardigden en de Cortes. En nochtans betrof het hier slechts een actualisering van het autonomiestatuut dat de grondwet van 1978 ons had toegekend.
In 2006 vroegen de Catalanen geen onafhankelijkheid. Ze vroegen enkel erkenning als natie. Maar het Grondwettelijk Hof zei nee, Catalonië is geen natie, en een Catalaanse burger is dus onbestaand. Het is niet Catalonië dat het kader voor gesprekken met Spanje heeft afgebroken, dat is Madrid.
Daarom, omdat de Spaanse regering niet in staat was om onze verschillen te accepteren, hebben wij gevraagd daarover te mogen stemmen. Wij wilden enkel weten hoeveel mensen onder die voorwaarden bij Spanje wilden blijven, en hoeveel er een ander statuut wensten. Meten dus welke gevoelens van aanhankelijkheid of scheiding er leefden. In alle democratieën zijn er mensen die verschillend denken. Opinies mag men niet criminaliseren. In Catalonië zijn er mensen die rechts denken, en mensen die links denken, mensen die denken dat wij beter af zouden zijn in een vrij Catalonië, en mensen die vinden dat het beter is bij Spanje te blijven. Wat is er zo verkeerd aan om te willen nagaan wat een volk denkt?
Weet u, aanvankelijk wás ik geen independentist. Ik ben een muzikant die zich goed voelt in alle steden van de wereld waar muziek gemaakt wordt. Maar de weigering om respect op te brengen voor de gehechtheid van mensen aan hun eigen cultuur, die weigering om hen te laten uitdrukken wat zij voelen, heeft me doen aansluiten bij deze strekking. Ik vind die absolute onbuigzaamheid, en wat ze teweegbrengt onaanvaardbaar. Denkt Spanje miljoenen Catalanen met geweld het zwijgen te kunnen opleggen?
Waarom voelen de Catalanen zo sterk de noodzaak om hun gehechtheid aan hun cultuur op te eisen?
Deze beweging in Catalonië vraagt dat er naar de mensen zelf geluisterd wordt, en dat men hen in de politiek weer een centrale plaats geeft. Staten zijn politieke constructies. Mensen echter maken deel uit van een cultuur. Luister naar ons: wij willen leven in een Europa dat alle culturen respecteert, alle talen, alle levenswijzen. Dat is wat geschreven staat in de Europese grondwet. Het grote probleem is dat naar ons gevoel wij geen plaats hebben in Spanje. Ik houd van Spanje, ik voel me goed op veel plekken van dat land, ik houd van de Spaanse cultuur. Maar ik zou graag hebben dat ook wij erkend werden, dat ook wij respect kregen. En dat is niet het geval.
Stelt u zich dat voor: een Spaanse minister van Onderwijs die oproept om de jonge Catalanen te hispaniseren. Toen ik nog een kind was, werd ik op school verplicht Castiliaans te spreken. Op mijn geboortebewijs moest men ‘Jorge’ schrijven en niet ‘Jordi’, want een Catalaanse naam dragen was verboden. Met de overgang naar de democratie verkregen we eindelijk dat elementaire recht. Maar je merkt duidelijk dat Spanje het nog altijd niet kan verdragen dat wij onze verschillen laten gelden.
De Catalaanse taal is even oud als het Frans. Ze gaat terug op de langue d'Oc, de taal van de troubadours. En nochtans mag men ze niet gebruiken in het Spaanse parlement, en zelfs niet in de Catalaanse rechtbanken, waar men zich in het Castiliaans moet uitdrukken. 
Wij maken deel uit van een natie met een zeer oude cultuur. En wij vragen dat men hiervoor respect opbrengt. Dit is geen kwestie van populisme of van geld, zoals men wel eens hoort. Het gaat om waardigheid en erkenning.
Bent u, gezien de impasse waarin Catalonië zich bevindt, er voorstander van dat de Catalaanse regering unilateraal de onafhankelijkheid uitroept, met als risico heel Spanje in het onbekende te dompelen?
Ik zal u antwoorden met een andere vraag: wat valt er te beginnen als er aan de andere kant een autoritaire barrière staat? Wat kan de Catalaanse regering ondernemen? Beeldt u zich in dat Spanje en Catalonië een echtpaar zijn. Denkt u dat een koppel een manier van samenleven zal vinden, als ze er zelfs niet meer in slagen met elkaar te praten? Wat heeft de Engelse regering gedaan toen de Schotten hun onafhankelijkheid wensten? Ze heeft hen niet onderdrukt, maar hen gezegd: ‘Ga niet weg, wij zullen jullie voorstellen doen zodat jullie zich beter voelen bij ons.’ In Spanje heeft men geantwoord met de dreiging ons in de gevangenis op te sluiten, en vervolgens heeft men een politiemacht op ons afgestuurd. Het enige wat ons nog overblijft is zeggen: aangezien wij geen dialoog kunnen hebben, nemen wij de moeilijkste weg, ook al is dat niet de weg die wij hadden willen inslaan.
Wat er nu zal komen weet ik niet. Ik denk dat een oplossing enkel dan te vinden is, als er een bemiddelaar komt die aan Spanje vraagt een stoel te nemen en de discussie aan te gaan. Europa had die rol al lang op zich moeten nemen.* Dat het de ogen sluit begrijp ik niet. Misschien is dat omdat het in handen is van partijen die voor het merendeel rechts zijn, en geen oren hebben naar aanspraken zoals die hier worden aangebracht.
Helaas zie ik dat in Frankrijk Emmanuel Macron evenmin bijzonder gevoelig is voor kwesties als deze, om de evidente reden dat het jakobijnse Frankrijk zelf, op zijn eigen grondgebied de verschillende bestaande culturen heeft willen verstikken en verfransen. Maar als Europa niet tussenkomt, maakt het een zeer zware fout.
________

* Savall bedoelt hier waarschijnlijk enkel de EU.

4 november 2017

Een eervol standpunt


Marc Uyttendaele, professor constitutioneel recht aan de ULB, schreef in Le Soir een interessant artikel, en ik vertaal daaruit een tweetal alinea's. Een politiek standpunt als het zijne verscheen er nog niet in de Vlaamse pers, of zeker niet in even duidelijke termen. Van Vlaamse politici, op enkelen na, hoorden we zelfs heel andere geluiden. Denken we maar aan al het stoers dat Kristiaan Peeters, die zich waarschijnlijk voor een soort filmheld houdt, allemaal meende te moeten afscheiden op Twitter en aanverwanten.
Liever dus een wat perfide PS-man aan het woord laten dan een CD&V'er of sp.a'er:

In plaats van zich eenvoudigweg op het democratische spel te verlaten, op de verkiezing van een wetgevende vergadering, op een onafhankelijkheidsreferendum dat deze keer met de waarborg van de rechtsstaat zou plaatshebben, stemt mijnheer Rajoy in met de criminalisering van de tegenstander, en dus met een aloude totalitaire methode. Een methode die te allen tijde door alle dictaturen is aangewend, en ook een methode die belet om vandaag nog onderscheid te maken tussen de Turkse en de Spaanse regering.

Het zou de Belgische rechters – die morgen het Europese aanhoudingsbevel zullen zien dat tegen de heer Puigdemont afgeleverd werd – het zou hen tot eer strekken als zij zich aan het huidige klimaat wisten te onttrekken. Het zou hen tot eer strekken als zij zich de volgende eenvoudige vraag zouden stellen: stuurt men een opposant naar zijn land terug, die gevangen zal worden gezet met als enige reden dat hij een politieke strijd voert tegen de bestaande macht? Hopelijk zullen zij hun redeneringen op waarden en vrijheden laten steunen, en zich niet laten besmetten door hun eventuele antipathie voor het Vlaams-nationalisme.

28 oktober 2017

Een goede stielman vindt klanten bij de vleet


Vandaag bestaan er Latijnse vertalingen van Asterix, en van Kuifje ook meen ik. Misschien zijn er nog wel meer zulke lofwaardige pedagogische inspanningen geleverd. Zowel Kuifje als Asterix zijn echter prozawerken, en of het nu nog voorkomt weet ik niet maar vroeger werden ook gedichten vertaald, in Latijnse verzen. En omgekeerd werden klassieke gedichten vanzelfsprekend naar de volkstalen vertaald.
Nu is het geen geheim dat moderne poëzie niet verkoopt, terwijl in vroegere tijden een goede dichter zich na enkele successen een statige woonst kon laten bouwen. Daar zijn voorbeelden van. Altijd echter hadden die mensen grote stielkennis in huis, precies omdat zij in hun leerjaren klassieke dichters hadden geïmiteerd, of in vers en rijm omgezet.

Genieën als John Dryden (1631-1700) of Alexander Pope (1688-1744) waren zulke vaklui.* Mere poets and mere musicians are as sottish as mere drunkards are, who live in a continual mist, without seeing or judging anything clearly, vond Dryden. Zoals een muzikant eerst een instrument moet leren bespelen voor hij anderen lastigvalt, zo ook moet een dichter eerst de taal in zijn vingers krijgen. Wellicht doet het hem geen kwaad als hij eerst uitprobeert of hij rijm en metrum aankan, of zijn taalkennis daartoe al volstaat.

Pas in hun latere werken waagden de grote vakmannen zich aan vrije verzen, zoals Shakespeare het hen had voorgedaan. They discumbered themselves from rhyme. De kracht van hun blank verse komt dan voort uit rijmen die er niet meer staan, en de lezer of toehoorder beseft niet dat ze ontbreken.
Wie echter begint met het neerschrijven, in interpunctieloze kolommetjes, van losse diepzinnigheden en poëtische gevoeligheden, zo iemand mist die kracht, en zijn poëzie verkoopt bijgevolg niet want mensen zijn niet gek.
Over een rijmende dichter als bij ons Jean-Pierre Rawie doen vrije verzenjongens soms neerbuigend, misschien ook omdat zijn werk wél verkoopt. Dat het ook gewoon goed is, merken zij blijkbaar niet op.

Dryden vond dat het rijm obfuscation verhinderde – een term die je op zeven manieren kunt vertalen: vertroebeling, beneveling, wazigheid enzovoort. Hij preciseert dit met een beeld dat uit de vogeljacht komt: Since it bounds and circumscribes the fancy. For imagination in a poet is a faculty so wild and lawless, that, like a high-ranking spaniel, it must have clogs tied to it, lest it outrun the judgement. (opdracht bij The Rival Ladies, 1664)
Kluisters dus, om leeg geschreeuw te voorkomen.

Een verrassend effect van vakkundig rijm is nog dat het plaats bespaart!
Zekere William Dobson, van Oxford, had in 1634 grote faam verworven met een vertaling in Latijnse verzen van de Solomon van Matthew Prior – een werk dat wij nu niet meer hoeven te kennen, zeg ik maar – en Alexander Pope vroeg hem daarop of hij hetzelfde wilde doen met zijn Essay on Man – een werk dat onze aandachtige lectuur verdient.
Dobson begon aan die taak, maar staakte al snel zijn pogingen, on account of the impossibility of imitating its brevity in another language.
Dat is wel een opmerkelijke reden, want het Latijn staat juist bekend om zijn brevitas. Inderdaad had Alexander Pope voor de versvorm gekozen omdat die hem toeliet zijn gedachten korter uit te drukken dan mogelijk was in proza. Al vond hij in alle nederigheid dat Jonathan Swift daarin beter was dan hijzelf, want die kon:
                            …in one couplet fix
               As much sense as I can in six.


In zijn inleiding op An Essay on Man legt Pope alles duidelijk uit: This I might have done in prose, but I chose verse, and even rhyme, for two reasons. The one will appear obvious; that principles, maxims, or precepts so written, both strike the reader more strongly at first, and are more easily retained by him afterwards; the other may seem odd, but is true, I found I could express them more shortly this way than in prose itself; and nothing is more certain, than that much of the force as well as grace of arguments or instructions depends on their conciseness.
Dit had ik ook in proza kunnen doen, maar ik koos voor vers, en zelfs voor rijm, om twee redenen. De eerste ligt voor de hand: principes, stelregels, of voorschriften in versvorm treffen de lezer meteen, en hij onthoudt ze naderhand ook makkelijker. De tweede reden zal misschien vreemd klinken, maar is toch juist. Ik merkte dat ik op deze manier een idee korter kon uitdrukken dan in proza, en niets is zekerder dan dat veel van de kracht en de charme van argumenten of instructies afhangt van hun beknoptheid.


Dat Pope naast verbluffend taalvaardig – je wordt met verstomming geslagen – ook bijzonder grappig is, deed helaas een andere lievelingsdichter van me, namelijk Alfred Edward Housman van het wondermooie en berijmde A Shropshire Lad, nog in 1933 zeggen dat there was a whole age of English in which the place of poetry was usurped by something very different which possessed the specific name of wit.


Daarmee bevestigt hij in elk geval dat Pope grappig is, en Housman zei later ook andere dingen: possibly the most perfect long poem in the language, noemde hij diens The Rape of the Lock.

__________
* Dan mag Oscar Wilde nog lichtzinnig gezegd hebben: There are two ways of disliking poetry, one way is to dislike it, the other is to read Pope.

24 oktober 2017

Shakespeare als vulgair ventje


Van tijd tot tijd lees ik een beetje Shakespeare, meest in een uitgave van 1894 die ik prachtig vind, en soms in moderne uitgaven die van de jongste filologische inzichten voorzien zijn.
Scenische uitvoeringen heb ik ook wel eens gezien, maar niet vaak en lang geleden. Die verfilming destijds van Romeo en Julia vond ik mooi en De Getemde Feeks ook. En onlangs in de bioscoop, in high definition, zag ik een Londense opvoering van de Wintervertelling. Prachtig was dat, maar ja, Londen, en met acteurs die die teksten heel hun leven spelen en een onwezenlijke perfectie bereiken!

Zelf Shakespeare lezen is iets anders: je bent niet afgeleid door acteurs en hun interpretatie, ook al kan die, zoals in Londen, veel bijbrengen en je dingen laten zien die je niet zó, of zelfs niet had begrepen.
De taal van Shakespeare blijft altijd betoverend, maar de edele dictie van zulke acteurs mis je dan, en Shakespearedictie is een wetenschap op zich.
Hier een voorbeeld dat ik van het web plukte, en dat voor mij misschien iets té geacteerd klinkt:



Alarum. Enter RICHARD
RICHARD
A horse, a horse, my kingdom for a horse!
CATESBY
Withdraw, my lord. I’ll help you to a horse.
RICHARD
Slave, I have set my life upon a cast,
And I will stand the hazard of the die.
I think there be six Richmonds in the field;
Five have I slain today instead of him.
A horse, a horse, my kingdom for a horse!
Exeunt.

Natuurlijk, als we daar een vulgaire Vlaamse interpretatie naast leggen, gezegd met een vulgair dorps accent, en in een belachelijk vulgaire bewerking, dan is de keuze snel gemaakt.
Erg dat je als Klaraluisteraar, vlak voor of na een programma met de prachtigste muziek, zulke dingen als hieronder zo vaak en keihard in je maag gesplitst krijgt:

Klara: blijf verwonderd.
To hell and tell them there dat ik u zend, Risjaar modderfokker den Deirde.
Podiumbeest Tom Lanoye brengt scènes uit zijn beroemde Shakespearebewerking Ten Oorlog.
Zow speel ik veel persoanen imijn eentje.
Een auteur meet zich met zijn personages.
Man kroen! Wadda goddam fokke pis of kloetepeird!
Een productie van Behoud de Begeerte vanaf 25 oktober op tournee.
Alle info op Begeerte.be.
Samen met De Morgen, Humo en Klaaraaa.



Heel de metafoor van de dobbelsteen (die zes vlakken heeft, vertel ik er even bij ter lering van onze beroemde bewerker) is aan Tom Lanoye verloren gegaan.


20 oktober 2017

Een theoretische beschouwing


Bertram Wooster, dankzij Pelham Grenville Wodehouse bijna even bekend als zijn butler Jeeves, vertelt zijn belevenissen in de ik-persoon. In tegenstelling tot alwetende, auctoriale vertellers is Bertie dus zelf een deel van het verhaal.
Soms, en dat gebeurt maar heel zelden, richt Bertie zich tot zijn lezer en laat hem delen in de moeilijkheden die hij bij het schrijven ondervindt. Hier bijvoorbeeld in Thank you, Jeeves (1934):

Let me marshal my facts and go to it. […]
A thing I never know when I’m telling a story is how much scenery to bung in. I’ve asked one or two scriveners of my acquaintance, and their views differ. A fellow I met at a cocktail party in Bloomsbury said that he was all for describing kitchen sinks and frowsty bedrooms and squalor generally, but the beauties of Nature, no. Whereas, Freddie Oaker, of the Drones, who does tales of pure love for the weeklies under the pen-name of Alicia Seymour, once told me that he reckoned that flowery meadows in springtime alone were worth at least a hundred quid a year to him.
Personally, I’ve always rather barred long descriptions of the terrain, so I will be on the brief side. As I stood there that morning, what the eye rested on was the following. There was a nice little splash of garden, containing a bush, a tree, a couple of flower beds, a lily pond with a statue of a nude child with a bit of a tummy on him, and to the right a hedge.

Wat deze onvertaalbare literatuurwetenschappelijke uiteenzetting zo grappig maakt, valt moeilijk te zeggen maar mochten er gegadigden zijn voor een mooie editie van Thank you, Jeeves: de afgebeelde uitgave wordt in de gespecialiseerde handel aangeboden voor 4,900 pond.
______

P.S. Dialoogjes anderzijds geven Bertram nooit problemen:

‘Feminine psychology is admittedly odd, sir. The poet Pope…’
‘Never mind about the poet Pope, Jeeves.’
‘No, sir.’
‘There are times when one wants to hear all about the poet Pope and times when one doesn’t.’
‘Very true, sir.’


10 oktober 2017

Een vrome tekst, nooit Nederlands vertaald...


Cardinal de Retz, Mémoires
Édition présentée et annotée par Michel Pernot, (2003)
Texte établi par Marie-Thérèse Hipp (1984)
2011, Gallimard, Folio classique, pp. 57-60

Staat u mij alstublieft toe dat ik enkele gedachten wijd aan de aard van de menselijke geest. Ik geloof niet dat er op aarde een beter hart heeft bestaan dan dat van mijn vader, en ik mag wel zeggen dat zijn inborst die van de deugd zelve was. Nochtans hebben noch mijn duels, noch mijn galante avonturen hem belet om alles in het werk te stellen om mijn ziel, misschien de minst kerkelijk gezinde op de hele aardbol, voor de Kerk in te nemen. Dat was een gevolg van zijn voorliefde voor zijn oudste zoon, en van het uitzicht op het aartsbisdom Parijs dat nu al onder zijn huis viel.* Hijzelf zag dat niet zo, en voelde het niet zo aan. Ik zou zelfs zweren dat hij uit het diepste van zijn hart zou gezworen hebben dat hij hiervoor geen enkele andere beweegreden had dan wat hem werd ingefluisterd door de vrees voor de gevaren die de andere carrière** voor mijn zielenheil inhield: zozeer is het waar dat niets sterker onderhevig is aan illusies dan de vroomheid. Allerlei dwalingen glippen onder haar sluier en verschuilen zich daar; allerlei hersenschimmen bekrachtigt ze, en zelfs de beste intenties volstaan niet om aan die bezwaren te ontsnappen.
Kortom, na alles wat ik u daarnet vertelde: ik werd geestelijke. Maar zonder een incident waarvan ik u nu verslag zal doen, zou dat heel zeker niet voor lang zijn geweest.
De oudste van ons huis, hertog de Retz, verbrak in die dagen op bevel van de Koning het huwelijkscontract dat enkele jaren daarvoor was verleend aan hertog Mercœur, aangaande zijn dochter. De dag daarop al zocht hij mijn vader op en bezorgde hem een aangename verrassing toen hij zei dat hij besloten had haar aan zijn neef te vergeven, om zo het huis verenigd te houden.
Omdat ik nu wist dat zij een zus had die over een jaarrente van meer dan tachtigduizend pond beschikte, dacht ik op dat moment meteen aan de dubbele alliantie. Niet dat ik hoopte dat men daarbij aan mij zou denken, het terrein kennende zoals ik het kende, en ik nam het besluit om dan mezelf maar te helpen.
En omdat ik het lichte vermoeden had dat mijn vader niet van plan was mij mee te nemen naar het huwelijksfeest, misschien met het oog op wat daarvan kon komen, deed ik alsof ik mijn roeping met een milder oog bekeek. Ik veinsde getroffen te zijn door alles wat men mij in dat verband zo vaak had voorgespiegeld, en ik vertolkte mijn personage zo goed dat men geloofde dat ik helemaal omgeslagen was. Mijn vader besloot mij mee te nemen naar Bretagne, en deed dat des te gemakkelijker omdat ik niet de minste wens daartoe te kennen had gegeven.


We ontmoetten Mlle de Retz in Beaupréau, in Anjou. De oudste bekeek ik alsof het mijn zuster was; ik nam in de eerste plaats Mlle de Scépeaux (zo noemde men de jongste) in overweging als maîtresse. Ik vond haar zeer mooi, met de meest schitterende teint ter wereld, lelies en rozen in overvloed*** en aanbiddelijke ogen; een zeer mooie mond, iets te weinig taille, wat niet zo opviel en bovendien flink afgedekt was door het uitzicht op tachtig duizend pond aan renten, het vooruitzicht op het hertogdom Beaupréau, en door duizend droombeelden die ik me op deze basis voorstelde, en die wél reëel waren.
Ik wist mijn bedoelingen in het begin zeer goed te verbergen; ik had de gehele reis de devote ziel gespeeld en ging daarmee door tijdens het verblijf. Nochtans smachtte ik in het bijzijn van de schone; zij merkte dat; ik sprak dan, ze luisterde naar me, maar nam een wat strenge houding aan. Omdat ik gemerkt had dat zij extreem gesteld was op een oude kamerjuffer, zus van een van de monniken van Buzay,**** liet ik niets onverlet om haar voor mij in te nemen, en ik slaagde daarin door middel van honderd pistolen, en door immense beloftes die ik haar deed. Ze wist haar meesteres in te prenten dat men aan niets anders dacht dan haar tot non te maken, en van mijn kant vertelde ik haar dat men aan niets anders dacht dan mij monnik te maken.
Zij haatte haar zuster vreselijk omdat haar vader die veel liever zag, en ik moest van mijn broer niet veel hebben om dezelfde reden. Die gelijkloop van onze lotsbestemmingen droeg veel bij tot onze band. Ik vergewiste me ervan dat hij wederzijds was, en besloot haar mee te nemen naar Holland. Niets was waarachtig gemakkelijker, want Machecoul,*° waar we vanuit Beaupréau naartoe waren gegaan, ligt amper een halve mijl*°° van de kust; maar voor die expeditie was geld nodig; en aangezien mijn reserves uitgeput waren door die gift van honderd pistolen, bezat ik geen duit meer.
Ik wist er toch voldoende te vinden, door mijn vader te verzekeren dat, aangezien het rentmeesterambt van mijn abdijen geacht werd met de grootste gestrengheid en naar de wet controle uit te oefenen, ik mij in geweten verplicht voelde de administratie ervan zelf op mij te nemen. Dat voorstel viel niet in goede aarde; maar men kon het ook niet afwijzen, omdat het zowel in de lijn der dingen lag, als omdat het hen op de een of andere manier liet denken dat ik tenminste mijn opbrengsten wilde veiligstellen, aangezien ik er de zorg voor wilde overnemen.
De dag daarop vertrok ik naar Buzay, dat maar vijf mijl van Machecoul ligt, om het pachtgeld op te halen.
Ik onderhandelde met een koopman in Nantes, Jucatières heette hij, die profiteerde van mijn overhaasting, en voor de vierduizend daalders contant die hij me gaf een zaak heeft gedaan die hem een fortuin heeft opgebracht. Ik dacht dat ik vier miljoen bezat. Ik stond op het punt mij te verzekeren van een van die Hollandse fluiten*°°° die altijd aan de kade liggen in Retz, toen er een ongeluk gebeurde dat al mijn maatregelen tenietdeed.
Mlle de Retz (want die naam had ze na het huwelijk van haar zuster aangenomen) had de mooiste ogen van de wereld; maar nooit waren ze mooier dan op de momenten dat ze wegstierven, en nooit heb ik er gezien aan welke het smachtende verlangen zoveel gratie verleende. Op een dag dat we bij een dame van de streek logeerden, op een mijl van Machecoul, en toen ze zich daar in de spiegel achter het bed**° stond te bekijken, liet ze alles zien wat de morbidezza**°° van de Italianen aan zachtheid, levendigheid en vertedering te bieden heeft. Maar het ongeluk wilde dat ze niet gemerkt had dat Palluau, die nadien maarschalk de Clérembault is geworden, die spiegel kon zien. Hij liet dat weten en aangezien hij zeer gehecht was aan Mme de Retz, met wie hij toen zij nog niet getrouwd was veel omgang had gehad, liet hij niet na haar getrouw verslag hiervan te doen, en mij verzekerde hij later zelfs, dat wat hij gezien had geen origineel kon zijn. Mme de Retz, die haar zuster een dodelijke haat toedroeg, verwittigde nog dezelfde avond mijnheer haar vader van de zaak, en die liet niet na mijn vader hiervan op de hoogte te stellen.
De dag daarop was er post uit Parijs; men deed alsof men heel dringende brieven had gekregen, en we zegden de dames luchthartig en publiek adieu. Mijn vader nam mij mee naar Nantes om er te overnachten. Ik was, dat zult u begrijpen, zowel zeer verrast als diep gekwetst. Ik wist niet waaraan ik de haast bij dat vertrek moest toeschrijven; mezelf kon ik geen enkele onvoorzichtigheid verwijten; ik had niet het minste vermoeden dat Palluau ook maar iets had kunnen zien. Ik begreep het wat beter in Orléans, waar mijn vader, beducht als hij was dat ik zou ontsnappen, wat ik voorbij Tours vergeefs ook enkele malen had geprobeerd, zich meester maakte van mijn koffertje waar mijn geld in zat. Door die manier van doen wist ik dat men mij doorzien had, en ik arriveerde in Parijs vervuld van een smart die u zich kunt voorstellen.
____
* Pierre de Gondi was toen kardinaal van Parijs, maar zijn gezondheid was slecht, zodat er aan opvolging moest worden gedacht. ‘…men dacht elke maand wel dat men met zekerheid mocht rekenen op de dood van mijn oom, die inderdaad heel zwak was.’
** Retz wilde een militaire carrière.
*** Teint de lis et de roses: vaste poëtische omschrijving voor een perfect blanke huid met kersroze tinten.
**** Benedictijnerabdij in het hertogdom Retz. Om de kerkelijke carrière wat aantrekkelijker voor hem te maken, had men onze auteur de opbrengst van twee abdijen toegezegd. Een ervan was Busay.
*° De hoofdstad van het hertogdom.
*°° Franse mijl (4,445 km).
*°°° Vrachtschepen, driemasters met een rondachtige romp (vandaar de naam), die door hun grootte goedkoop maritiem transport mogelijk maakten. De baai van Bourgneuf-en-Retz was het centrum van de zoutexport naar het noorden.
**° Achter een bed was er toen een 'ruelle', een ruimte die met een gordijn kon worden afgesloten.
**°° Het Franse woord ‘morbidesse’ bestond al, maar de cultuurtaal was toen Italiaans. Nog in de negentiende eeuw was de term een topos. Bijvoorbeeld Heine gebruikt hem nog: ‘…matter Perlenglanz, vornehme Blässe, Morbidezza.’, matte parelglans, voorname bleekheid. Misschien werd de Italiaanse term voor het eerst gebruikt om de gratiën van Botticelli te beschrijven.

30 september 2017

Interne Keuken en beeldcitaten


In de Interne Keuken van Koen Fillet en Sven Speybrouck op Radio1 stond vandaag een tv-programma op het menu. De kunsthistorica Katharina Van Cauteren, die met groot succes al enkele Huts-tentoonstellingen verzorgde in Gent in het Caermersklooster, had het namelijk over The Game of Thrones, een feuilleton dat blijkbaar in een soort middeleeuwen speelt.
Meer iets voor jonge mensen begreep ik, en al is Sven nog lang niet zo oud als ik, des te liever hoorde ik hem zeggen dat hij van dat ding nog geen enkele aflevering had gezien.
De uitleg die we erover kregen was zeer interessant, en hoewel ik ook nu geen minuut van dat spel zal bekijken, toch hoorde ik met graagte dat er veel kunsthistorische verwijzingen in zitten. Beeldcitaten noemde Van Cauteren die verwijzingen. Carravaggio had een grote inbreng in The Game of Thrones, en ook Rembrandt, Bosch, Breugel, Rubens en Turner kwamen ter sprake.
Sven nam op een bepaald moment het woord “plagiaat” in de mond, maar na enige uitleg van de kunsthistorica, die zei dat die oude kerels elkaar ook naschilderden, nam hij dat woord direct terug. Heel mooi vond ik dat, want anders had ik hem moeten wijzen op deze tekst van Heinrich Heine:

Niets toch is idioter dan dit verwijt van plagiaat. In de kunst bestaat er geen zesde gebod, de dichter mag overal toeslaan waar hij materiaal voor zijn werk vindt, en zelfs volledige pilasters met uitgebeitelde kapitelen mag hij zich toe-eigenen, als tenminste de tempel die hij daarmee stut prachtig is. Goethe heeft dit zeer goed begrepen, en nog vóór hem Shakespeare zelfs. Niets is idioter dan het verlangen dat een dichter al zijn stof uit zichzelf dient te halen: dat zou dan originaliteit zijn. Ik herinner me een fabel waarin een spin praat met een bij, en haar verwijt dat zij het materiaal voor haar wassen raat, en voor de honing die ze daarin bereidt, uit duizend bloemen samenraapt: “Ik echter,” voegde ze er triomfantelijk aan toe “ik trek in eigengemaakte draad heel mijn artistieke weefsel uit mijzelf.”

De filoloog Ernst Elster plaatste hierbij een voetnoot: “Du sollst nicht stehlen” ist das siebente Gebot.
We mogen dus niet alles geloven wat Heine schreef, maar dat hij ook buiten de schilderkunst of de poëzie een felle tegenstander was van het begrip plagiaat moge hieruit blijken dat hij elders schreef: “ [...] es gibt kein Plagiat in der Philosophie.”

Über die französische Bühne, vertraute Briefe an August Lewald,
geschreven in mei 1837, in een dorp nabij Parijs. Zesde brief.
In: Sämtliche Werke, Meyers Klassiker-Ausgaben,
Ernst Elster, 1893, vierter Band, S.527.
________

Post scriptum. Koen laat me op Twitter weten: 'Je kan niet geloven hoe vaak Sven Koen en Koen Sven genoemd wordt.' Maar ik laat het staan zoals het is: fake news dus. Koen likete die beslissing trouwens.

7 september 2017

Goede stijl als morele plicht


In het jaar 1991 kocht ik in Londen een boek van Robert Graves, de tweede druk van The Reader Over Your Shoulder, A Handbook for Writers of English Prose.* Ik kocht toen bij Londense expedities wel meer boeken van hem want ik was verzot op al zijn werk. Vandaag is Robert (von Ranke) Graves nog het meest bekend van I Claudius (1934), en het vervolg Claudius the God, want de BBC verfilmde die boeken meesterlijk, met Derek Jacobi als keizer Claudius.

Eerder al, onder meer met het autobiografische Goodbye to All That, over de oorlog van 1914-1918 had hij ook succes gehad – en nogal wat patriottische vijanden gemaakt – maar die Claudiusboeken verkochten als gek.
Zelf deed Graves er nogal afstandelijk over en noemde ze potboilers, commerciële broodschrijverij. Hij was een dichter namelijk. Klassiek vertaler ook, en een feilloze stilist.

Hoe belangrijk hij schrijfstijl vond, is te zien aan een citaat uit The Reader Over Your Shoulder:
Arnold Bennett in his Literary Taste pointed out that faults of style are largely faults of character. […] The writing of good English is thus a moral matter, as the Romans held that the writing of good Latin was.
[Stijlfouten komen grotendeels voort uit gebrekkige karaktertrekken, en goed Engels schrijven is dus een morele kwestie, zoals de Romeinen dat ook dachten van goed Latijn schrijven]

Dat boek heeft veel kwaad bloed gezet, misschien evenveel als Goodbye to All That. Graves begint met een theoretisch deel van 172 bladzijden, doorspekt met voorbeelden uit kranten, tijdschriften en boeken. Enkele titels van hoofdstukken zijn ‘The Peculiar Qualities of English’, ‘The Principles of Clear Statement’, en ‘The Graces of Prose’.

Maar dan neemt hij, met als leidraad de genoemde Principles, een aantal grote namen onder handen, onder meer T.S. Eliot, J.M. Keynes, J.B. Priestley, Bertrand Russell, H.G. Wells, Graham Greene, en citeert van elk van hen een alinea.
Dat deel van het boek heet: Part II. Examinations and Fair Copies. Na elk citaat komt de toetsing aan de principes, waarbij zin voor zin alle overtredingen worden opgesomd, en hij eindigt zijn bespreking telkens met a fair copy: de tekst zoals die had moeten luiden.

Een ideaal recept om vrienden te maken.


__________
* Ook vandaag nog te vinden, onder de titel: The Use and Abuse of the English Language (Paragon House, New York)

31 augustus 2017

Baudelaire stierf 150 jaar geleden


Charles Baudelaire stierf 150 jaar geleden, op 31 augustus 1867. Natuurlijk kennen we hem als dichter, en sommigen onder u zullen L’Albatros nog van buiten geleerd hebben… ses ailes de géant l'empêchent de marcher. Niet al zijn gedichten waren nochtans even geschikt voor schooljongens.
Maar zoals alle grote dichters was hij ook een groot prozaïst, en in zijn brieven een kwade klant. Twee jaar voor zijn dood schreef hij aan een literatuurcriticus:

‘Beste mijnheer, als ik de woede helemaal zou willen bekoelen die u in mij opwekt dan zou ik u op zijn minst vijftig vellen sturen en u bewijzen dat, in strijd met uw bewering, ons arme Frankrijk maar erg weinig dichters telt, en er niet één bezit die tegen Henri Heine op kan. Maar u houdt niet van waarachtigheid, u houdt niet van juiste verhoudingen, u houdt niet van rechtvaardigheid, u houdt niet van stijlcombinaties, u houdt niet van ritme, noch van metrum, noch van rijm; al die zaken vragen te veel inspanning om ertoe te komen. Slaap maar zoetjes in op uw oorkussen van gemeenplaatsen. […] En vergeleken bij de poëzie van Henri Heine, van Byron en Shakespeare, maken al uw geciteerde kleine Franse onbetamelijkheden het effect van een mondorgeltje of een spinetje vergeleken bij een machtig orkest. Van de fragmenten van Henri Heine die u citeert is er niet één dat niet oneindig superieur is aan al de herderszangen en kinderrijmen die u bewondert.’

Le Figaro had vandaag een mooi interview van Eugénie Bastié met Marie-Christine Natta, die een nieuwe biografie van Baudelaire heeft geschreven. Dit is een stukje eruit:

Marie-Christine Natta: Een aspect van zijn dandyisme is zijn politieke ontrouw. Baudelaire erkent dat hij geen overtuigingen heeft. Hij heeft er zelfs over gedacht om een essay te schrijven met als titel: Grandeur, ook zonder overtuigingen. Ik heb die erg mooie titel gebruikt voor mijn eigen essay daarover. Nochtans mag je niet denken dat het Baudelaire aan eerlijkheid ontbrak. Als hij zich in de revolutie van 1848 engageert, gelooft hij in het republikeinse en humanitaire ideaal, en klimt hij op de barricades. Maar hij gelooft er niet lang in. Zoals Gabriel Matzneff dat van Byron zei: een dandy kán ergens voor militeren, maar dan kort.
Na de revolutie van 1848, en vooral na de staatsgreep van 2 december 1851,* voelt Baudelaire zich ‘gedepolitiseerd’. Zijn lectuur van Joseph de Maistre maakt dat hij volkomen verwijderd raakt van revolutionaire utopieën. [...]
Baudelaire is onbetwistbaar een man van de «modernité». Hij heeft het woord niet zelf uitgevonden – Balzac en Gautier gebruikten het al voor hem – maar hij is wel de eerste die het begrip uitgediept heeft, en van ‘moderniteit’ een literaire en artistieke categorie gemaakt. Treffend is wel dat hij, man van de moderniteit, tegelijk een van de hevigste tegenstanders is geweest van zijn eigen periode, die hij als even barbaars beschouwt als de meest primitieve tijden. Daarom ook gelooft hij niet in de Vooruitgang: verre van de mens te verlichten en hem beter te maken, zegt hij, is die een vergissing, een “obscure en perfide lantaarn” [Gezelle is het hier met hem eens: die sprak van ‘de religie van ’t progrès.’]
In dit verband is de pers een uitstekend voorbeeld van zijn contradicties: hij kan ze niet missen, maar spreekt er voortdurend alle mogelijke kwaad van. Verwoed krantenlezer als hij is, stelt hij de mediocriteit ervan aan de kaak en vindt hij hun inhoud hartverscheurend. Een krant, zegt hij, is “een aaneenschakeling van verschrikkingen” waar je op elke regel “de afschuwelijkste tekenen van menselijke verdorvenheid ziet”.
Eugénie Bastié: Hoe staat hij dan tegenover de journalistiek?
Marie-Christine Natta: Baudelaire is niet enkel een krantenlezer, hij is ook journalist en heeft zoals wel meer schrijvers de pers nodig voor zijn levensonderhoud. Het is aanvankelijk ook in de pers dat de meeste van zijn gedichten en kritische teksten gepubliceerd worden. Maar met kranten- en tijdschriftendirecteurs heeft hij een bijzonder woelige verhouding, en noemt hen «canaille littéraire». Hij verwijt hen – niet zonder reden – dat ze hem willen corrigeren. Terwijl Baudelaire, dat extreem scrupuleuze genie, perfect weet wat hij schrijft. Dat kan zijn houding tegenover Alphonse de Calonne verklaren, de «ultra-rédacteur en chef», aan wie hij zeer laatdunkende lessen filologie geeft.
_________
* President Louis-Napoléon Bonaparte laat zich tegen de grondwet in herverkiezen, en wordt op 2 december 1852 keizer: Napoléon III.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html