21 juni 2011

De zaak Van Bellingen


Onderstaand stuk is van Marc Schoeters, lesgever Nederlands aan anderstaligen en anti-fascist, die ik hier graag een tribune geef. De auteur wijst op de hypocrisie van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR), dat immers weigert om racisme bij allochtonen aan te pakken. Tegelijk wijst hij ook op de hypocrisie en onbetrouwbaarheid van zowel de journalisten, als van de politieke gezagsdragers van Sint-Niklaas.
o-o-o-o-o-o-o-o-o

DE ZAAK VAN BELLINGEN

In februari 2007 raakte bekend dat drie koppels hadden geweigerd getrouwd te worden door de Sint-Niklase schepen Wouter Van Bellingen. Van Bellingen is zwart en dat konden ze niet aanvaarden. Op 21 maart 2007 volgde een mediastunt : 626 koppels lieten zich op de Grote Markt van Sint-Niklaas trouwen door diezelfde Wouter Van Bellingen.

Wouter Van Bellingen (Antwerpen, 20 april 1972) is een Vlaamse ambtenaar en politicus. Tot eind december 2008 was hij lid van de links-liberale politieke partij Vlaams-Progressieven. Als zoon van Rwandese ouders werd Van Bellingen indertijd door een Vlaams gezin geadopteerd – waarvan de vader Volksunie-militant in het Waasland was. Zijn oudoom Amedee Verbruggen was een voortrekker van de Vlaamse Beweging. Daardoor voelt deze adoptiezoon zichzelf verwant met de Vlaamse ontvoogdingsstrijd. Wouter Van Bellingen is getrouwd en vader van twee kinderen. Kerkelijk behoort hij tot de Verenigde Protestantse Kerk in België.
Sinds 2 januari 2007 was Van Bellingen schepen in de gemeente Sint-Niklaas – en in die hoedanigheid de eerste zwarte schepen van Vlaanderen. Zijn portefeuille bestond uit jeugd, internationale samenwerking en burgerzaken. Van Bellingen, die zich ook op federaal niveau voor de Vlaamse zaak heeft ingezet, was voorheen in Sint-Niklaas werkzaam als jeugd- en noord-zuidconsulent. Hij zegt zich betrokken te voelen bij zaken die zich afspelen op het sociaal-culturele terrein, waaronder de Derde Wereld.
Als ambtenaar van de Burgerlijke Stand kwam Van Bellingen begin 2007 in het nieuws toen bleek dat een drietal aanstaande echtparen vanwege zijn donkere huidskleur niet door hem in de echt verbonden wilden worden. Als reactie hierop kwam er een grote hoeveelheid steunbetuigingen binnen in de vorm van aanmeldingen bij de Burgerlijke Stand van Sint-Niklaas om door Van Bellingen te worden getrouwd.

Van Bellingen besloot – om tot op heden onverklaarbare redenen – geen proces tegen de drie koppels aan te spannen. Hun identiteit is officieel nooit openbaar gemaakt – hoewel hun namen bij de Sint-Niklase overheid meer dan waarschijnlijk bekend zijn. In plaats daarvan hield hij op de Internationale Dag voor de Uitbanning van Rassendiscriminatie op 21 maart 2007 een grote symbolische trouwpartij op de Grote Markt van Sint-Niklaas. Er kwamen 626 koppels opdagen. Maar kan en moet men zich niet afvragen – wat er zich werkelijk achter de schermen van deze mediastunt heeft afgespeeld ? Marc Schoeters – leraar Nederlands voor anderstaligen in Antwerpen – kan en wil niet langer meer zwijgen over de ware feiten achter deze affaire.

NIETS IS WIT OF ZWART 
[OPEN MAAR GEWEIGERDE BRIEF AAN DE STANDAARD – MAART 2007]

Drie families in Sint-Niklaas hebben een huwelijksplechtigheid afgelast omdat de betrokken schepen van hun stad toevallig een donkere huidskleur heeft. Hun beslissing heeft terecht alle welmenende burgers van dit land geschokt. De kranten werden overspoeld met verontwaardigde lezersbrieven. Zelden werd er in dit land zo’n flagrant aanwijsbare en duidelijk bewijsbare overtreding van de antiracismewet vertoond. Veel mensen verkeerden daarom in de veronderstelling dat de overheid zonder aarzelen alles in het werk zou stellen om een gerechtelijk onderzoek tegen de racistische families te starten. Maar blijkbaar vinden noch de betrokken schepen, noch de stedelijke overheid van Sint-Niklaas, noch het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR) het opportuun klacht in te dienen tegen de daders. Verbijstering alom. En veel vraagtekens.

Niet lang geleden kreeg ik betrouwbare informatie die misschien een tipje van de sluier kan oplichten. Ik ben al jarenlang lesgever Nederlands aan anderstaligen in een school met duizenden studenten. Onder zo’n enorme allochtone studentenpopulatie blijven gevoelige gebeurtenissen als die van Sint-Niklaas natuurlijk niet lang onbesproken. Uit goede bron weet ik nu dat de drie racistische families in Sint-Niklaas van allochtone afkomst zijn. Mijn beide bronnen zijn onverdacht – want zelf mensen van allochtone afkomst. En zij zijn in deze zaak heel precies en formeel. Ik ben natuurlijk geen onderzoeksrechter en vind dat het de taak is van het gerecht om alle feiten in deze kwalijke zaak vast te stellen. Maar dan moet het gerechtelijk onderzoek natuurlijk wel zijn beloop krijgen. En daar wringt het schoentje.

Ik kan me best voorstellen dat Wouter Van Bellingen het in zijn kersverse rol als schepen politiek niet opportuun vindt om klacht tegen de betrokken families in te dienen. Hij is schepen van een kleine provinciestad en wil waarschijnlijk niet dat de tegenstellingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen op de spits worden opgedreven. Maar hoe nobel zijn overwegingen ook zijn om de zaak te laten rusten – in dit geval zou het middel wel eens erger kunnen blijken dan de kwaal. Op dit moment gaat de ware identiteit van de racistische daders als een lopend vuurtje door de allochtonengemeenschap. Nu reeds zijn er zwarte Afrikanen die zich dubbel gediscrimineerd voelen – zowel door een deel van de Vlamingen als door sommige groepen allochtonen. Bovendien krijgen deze laatste nu onbedoeld de boodschap dat ze de facto boven de wet staan – en dat zij er voortaan lustig op los kunnen discrimineren. Door geen klacht tegen de racistische daders van Sint-Niklaas in te dienen, creëert men een rechtsonzekerheid die de grondvesten zelf van de multiculturele samenleving ondermijnt. En dat is voor mij – en anderen die van de ware toedracht op de hoogte zijn – onaanvaardbaar.

Het vele bochtenwerk en de vreemde hersenkronkels in deze zaak zijn soms werkelijk verbazingwekkend. Zo kon men in sommige kranten het argument lezen dat elke burger de vrijheid moet hebben om zelf te beslissen of hij zijn brood wel of niet bij een allochtone bakker mag kopen. Dat is een ronduit verbijsterend argument. Een schepen is namelijk geen bakker. Een schepen oefent een openbaar ambt uit – en heeft dat ambt te danken aan de democratische regels van onze rechtsstaat. Elke inwoner van dit land die om religieuze of etnische redenen een ambtenaar meent te moeten wraken, ondermijnt de basis zelf van de rechtsstaat. Stel u voor – een beklaagde die de uitspraak van een rechter naast zich neerlegt omdat die katholiek is. Of iemand die weigert zijn rijbewijs te tonen aan een politieagent omdat die moslim is. Of een burger die alleen met een loketambtenaar van de juiste huidskleur wil spreken. Het is te grotesk voor woorden.

Daarom moet men in deze zaak een duidelijk onderscheid maken tussen Wouter Van Bellingen als persoon en als schepen. De heer Van Bellingen als privépersoon heeft natuurlijk het recht om geen klacht in te dienen. Maar mijns inziens heeft hij als schepen, dus als vertegenwoordiger van de democratische rechtsstaat, de plicht om dat wél te doen. Wie de racistische families uit Sint-Niklaas vrijuit laat gaan, stelt in mijn ogen een incivieke daad van de eerste orde en ondergraaft elke rechtszekerheid. Door niet op te treden tegen racistische misdrijven herleidt men niet alleen de antiracismewet tot een vodje papier maar zet men de deur wagenwijd open voor een gebalkaniseerde samenleving – waarin iedereen naar eigen willekeur wetten en regels aan zijn laars lapt. En daar is niemand bij gebaat.

Dat de geviseerde schepen uit Sint-Niklaas de zaak “niet op de spits wil drijven” en geen “symbooldossier” wil, valt nog enigszins te begrijpen. Maar dat het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding de zaak verder blauwblauw zou laten is volstrekt ontoelaatbaar. De argumenten die het Centrum aanhaalt om geen klacht in te dienen zijn juridisch zwak en maatschappelijk gezien verwerpelijk. Zo wordt beweerd dat men geen klacht kan neerleggen als het slachtoffer zelf dat niet doet. Maar het Centrum is precies opgericht om bij een flagrante overtreding van de antiracismewet klacht te kunnen indienen – óók als het slachtoffer van het misdrijf dat niet doet of zelfs als er geen direct aanwijsbaar slachtoffer is. Zo werden in een recent verleden organisaties verbonden met het toenmalige Vlaams Blok terecht aangeklaagd op basis van racistische publicaties die hele bevolkingsgroepen stigmatiseerden – ook al werd er niemand persoonlijk geviseerd.

Ook het argument dat de racistische daders in Sint-Niklaas onbekend zouden zijn, is te belachelijk voor woorden. Er bestaat bij elk misdrijf de mogelijkheid klacht neer te leggen tegen onbekenden. Het is de taak van het gerecht om na een klacht mogelijke daders op te sporen en te identificeren. Het gerecht zal in het geval van de racistische misdrijven in Sint-Niklaas niet lang moeten zoeken. Verscheidene medewerkers op het stadhuis van Sint-Niklaas weten perfect wie de daders zijn en wat ze precies gezegd hebben. En schepen Van Bellingen weet ook veel meer dan wat hij in de media kwijt wil. Misschien kent hij de daders niet bij naam en toenaam. Maar ik weet formeel dat hij aan mensen uit zijn omgeving heeft verklaard dat het om allochtone families gaat. Het zou me dan ook niet verbazen dat er tussen kopstukken van de stedelijke overheid van Sint-Niklaas en topmedewerkers van het Centrum intensief overleg is gepleegd over hoe deze “delicate” zaak moet worden aangepakt.

Wat nu? Indien schepen Van Bellingen en het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding bij hun beslissing blijven om geen formele klacht wegens racisme in te dienen dan blijven er nog een aantal wegen over. Omdat de schepen een democratisch verkozen ambtsdrager is, zou in principe elke burger van Sint-Niklaas – of van dit land – in deze zaak klacht kunnen neerleggen. En als het Centrum, een officieel door de overheid ingesteld en gesubsidieerd orgaan dat moet waken over het naleven van de antiracismewet, op basis van al dan niet opportunistische overwegingen weigert naar behoren te functioneren, dan ondergraaft het zijn eigen bestaansreden. En stelt het zich in principe bloot aan een klacht van elke burger en belastingbetaler. Een racist is een racist – ongeacht zijn of haar huidskleur. Het Centrum mag zelfs niet de schijn wekken dat het met twee maten en gewichten meet. Dat zou een aanfluiting zijn van precies die waarden waarover het Centrum behoort te waken – gelijkheid van alle burgers, ongeacht hun afkomst of religie. Ik roep dan ook alle politieke verantwoordelijken op om in deze zaak op te treden. Ik beschuldig niemand – maar ik vraag op zijn minst wel een onafhankelijk onderzoek. Ook als er uiteindelijk koppen zouden kunnen rollen. De fundamenten zelf van de rechtsstaat staan op het spel.

De recente en vaak ondoordachte commotie rond heel deze zaak noopt mij tot een bredere slotopmerking. Misschien wordt het eens tijd om een publiek debat te houden over de nefaste rol die het zogenaamde politiek correcte “denken” in onze samenleving speelt. Racisme en politieke correctheid vormen in wezen elkaars spiegelbeeld. Reeds jaren geleden toonde Robert Hughes in zijn boek ‘Culture of Complaint’ aan dat het hier fundamenteel om twee kanten van hetzelfde gedachtegoed gaat. Zowel een racist als een politiek correct “denker” gaan uit van een rigide zwart-wit-tegenstelling tussen een edele ingroup en een verwerpelijke outgroup. De kiezer voor het Vlaams Belang ziet alleen nog de criminele vreemdeling, de politiek correcte “denker” alleen nog de Vlaamse fascist. Beiden zijn blind voor de oneindige complexiteit van een moderne samenleving, waarin niets helemaal zwart of helemaal wit is.

Zo is een krantenjournalist er in een editoriaal weer eens in geslaagd om, naar aanleiding van de gebeurtenissen in Sint-Niklaas, in te hakken op de grote groep mensen die het Vlaams Belang steunt. Ik vind deze partij ook verwerpelijk – laat daar geen twijfel over bestaan. Maar de waarheid heeft haar rechten. Blijkbaar kan men als “kritische” journalist van een “onafhankelijk” dagblad alle regels van de journalistiek aan zijn laars lappen en is het koesteren van de eigen vooroordelen belangrijker dan een echt kritisch onderzoek naar de werkelijke feiten.

En de feiten zijn dat er in dit land mensen zijn – zowel autochtonen als allochtonen – die een open en verdraagzame samenleving geen goed hart toedragen. Zoals veel goedmenende maar niet blinde Antwerpenaren ken ik uit eigen ervaring ook de donkere keerzijde van het multiculturele ideaal – de vele momenten dat de droom een nachtmerrie blijkt. Een kleine – maar helaas steeds sneller radicaliserende – groep mensen staat vijandig tegenover een open en democratische samenleving. In Antwerpen woekeren haat en onverdraagzaamheid – bij álle bevolkingsgroepen. Een duidelijk teken aan de wand was de bijna totale afwezigheid van (jonge) allochtonen op het concert voor verdraagzaamheid in oktober. Het wordt tijd dat alle opiniemakers, óók de politiek correcte, zich van deze tweespalt bewust worden. Nu niet optreden tegen de racistische families uit Sint-Niklaas – wat hun achtergrond ook moge wezen – betekent een tijdbom leggen onder de fundamentele waarden van onze samenleving.


Marc Schoeters
lesgever Nederlands aan anderstaligen en anti-fascist
(welke gedaante het fascisme ook heeft)
.

15 juni 2011

Toen schrijvers nog meetelden

.
Het verslag over de cholera-epidemie in Parijs in 1832 kwam hier vorige week even aan bod. Heinrich Heine schreef het voor de krant, maar hij nam die hartverscheurende tekst later onveranderd op in zijn Französische Zustände. Dat was een dik en duur boek van wel twintig vellen, en als zodanig niet aan censuur onderworpen. De censoren van Oostenrijk en Pruisen waren verstandige mannen, die wisten dat dikke boeken ongevaarlijk waren en geen voorafgaande censuur behoefden. Dunne, goedkope boekjes bestudeerden zij wel nauwgezet vooraleer die naar de drukker mochten.
Losse geschriften van Heine waren dus verboden, en Metternich was zo vooruitziend om naast bestaand werk meteen al zijn toekomstige teksten in de ban te doen.
Maar van een dik boek kon Alexander Poesjkin (1799-1837) zich in het verre Petersburg een exemplaar laten bezorgen. Via de Oostenrijkse gezant nog wel, want ook de tsaar had een goed werkende censuur, die weer andere regels volgde. In het Rusland van de jaren dertig was Heine echte smokkelwaar.
Poesjkin had zijn eigen problemen met de censuur, en enkele van zijn werken verschenen pas na zijn dood. In zijn dagboek noteerde hij: “De tijden van Krasovski zijn terug. Nikitenko is dommer dan Biroekov”. Namen van drie censors. Maar ook de tsaar zelf deed soms een ingreep. Zo vond hij in een bepaald gedicht het woord pispot, oeriljnik, ongepast. Hij wijzigde het in boediljnik, wekker. Voor het verhaal, rijm of metrum maakte dit niet uit en Poesjkin dankte de tsaar voor de correctie op zijn wansmaak. Poesjkin was een aristocraat en hij had geen bezwaar tegen censoren die over verstand beschikten. Dit alles is mooi na te lezen in “De Buurman van God, een Poesjkinbiografie”, van Arie van der Ent.
Ook Heine liet zich vaak gunstig uit over zijn censors. Voor hem, zoals voor Poesjkin, waren zij een soort medespelers die om de tuin moesten worden geleid. Zonder hen was hij verloren geweest, want uit zichzelf had hij “om het even welke dwaasheid nog opgeschreven”. Nu had hij de geruststelling dat er na hem wijzere mannen kwamen, die zijn grootste stommiteiten zouden schrappen.
Josif Brodsky, de Russische dichter die in 1972 naar de Verenigde Staten uitweek, bekende dat hij in dat land de censuur soms miste:
“[…] the machinery of constraint, of censorship, of suppression turns out to be —this is a paradox— useful to literature. Censorship is unwittingly an impetus to metaphorical language.”
Dat denkt blijkbaar ook de Syrische auteur Ghalia Qabbani. Op de BBC-World Service deze week vroeg een journaliste haar, of zij zich niet gedwongen voelde om te schrijven “in a slightly oblique way?”
“Ja,” antwoordde zij, “maar weet u wat ik denk? Dat je op die manier een bekwame auteur wordt, die weet hoe dingen te vermijden die gecensureerd of verboden zullen worden.”
Op den duur krijg je medelijden met onze eigen auteurs die bedolven onder de officiële prijzen en nominaties alles maar op eigen houtje moeten verzinnen.

Stukje verschenen in de Knack vandaag
.
.


na 35":
BBC-WS: Your novel “Secrets and Lies”, it sounds as though it could very well be a critique of the government and of the state of things in Syria, but presumably if you want to be read in that country, you need to write in a slightly oblique way, may be to do things as fables or as metaphors?
Ghalia Qabbani: Yeah, I mean this is how do you feel that you became, become a skilled writer, you know. How to avoid, what you think that will be censored or banned. But I mean, in the meantime, most writers in Syria try to publish outside. I mean, if you can’t do this, if you can’t avoid what you think that will be banned, so it’s better to publish outside.
.

11 juni 2011

Radio 1, De Ochtend 12 juni.

.
Dames en heren,
morgenochtend zal ik via R1, als alles goed gaat, het woord tot u richten met onderstaande boodschap. Het idee is dat ze bij de De Ochtend (gepresenteerd door Sara Van Boxstael) iets willen doen rond de treurige omstandigheid dat ons koninkrijk al enige tijd zonder regering zit. Omstandigheid die mij koud laat, maar daarom moest ik hun verzoek om een column nog niet afwijzen.

Kruismans en enkele BV’s, acteurs, kwaliteitscolumnisten &c., kregen dat verzoek ook, dus ik ben in honorabel gezelschap.
Ons werd gevraagd een brief te schrijven aan een politicus of een andere gezagsdrager, met als vaststaande aanspreektitel: “Niet zo geachte heer (mevrouw) zus-of-zo…”
Aan die regel heb ik min of meer voldaan (en het mocht 2 min. duren):


Voorlopig niet zo geachte heren politicologen,
de kunst die jullie beoefenen wordt nog niet overal voor vol aangezien, maar geen nood: dat is wellicht enkel een kwestie van tijd.
Hebben wij niet uit de middeleeuwse alchimie, die goud wilde maken van lood, al in de achttiende eeuw de moderne chemie zien ontstaan? En uit de astrologie, die zo oud is als de mensheid zelf, is op den duur toch de sterrenkunde voortgekomen?
Komt nog bij dat alles tegenwoordig veel sneller gaat dan vroeger. Wellicht zullen onze kinderen, of anders onze kleinkinderen het nog meemaken dat er zich uit de kunst der politicologie een wetenschap ontwikkelt, waarvan wij nu de naam nog niet weten natuurlijk.
Helaas, vergeleken met de astrologie en de alchimie heeft de politicologie een paar nadelen. Lood of goud, direct controleerbare objecten, bezit zij niet. Ook geen verifieerbare zaken, zoals de indeling van de mensheid in twaalf soorten, volgens de dierenriem.
Bij de politicologie gaat het om iets dat oneindig veel complexer is, namelijk om mensen en hun intenties ...en die willen zij graag voor ons verborgen houden. En die verborgen intenties, dat is waar het in een democratie om draait tenslotte.
Gewoon stemmen tellen na een verkiezing, en de uitslagen vervolgens in gedachten naast de partijprogramma’s leggen: zoiets kan de eerste de beste advocaat die voorzitter is van een telbureau. Maar hij zal enkel de oppervlakkige, uitgesproken meningen van het kiesvolk zien en die stellen weinig voor.
Dan zou je er al van moeten uitgaan dat kiezers zelf weten wat ze willen, en dat is natuurlijk flauwekul.
Dat beseft bijvoorbeeld professor Swyngedouw, met zijn mooie middeleeuwse naam, beter dan gelijk wie.
Politicologie moet niet met eenvoudige rekenkunde verward worden!
In dat geval waren we er al lang uit, en was zijn wetenschappelijke leerstoel overbodig. En tenslotte zijn politicologische acrobatieën en trucs met vragenspelletjes best aardig.
Ik wens onze artiesten dan ook alle succes, bij hun wankele kunstjes.
.

8 juni 2011

Schuw aan tafel

.
Onderzoek van de Leuvense universiteit toont aan dat het geen kwaad kan om aan het water voor de aardappelen zout toe te voegen. Zelfs mag er zout in de mayonaise bij koude aardappelen. Of in de vinaigrette bij een tomaten- of komkommersalade.

Tot daar het goede nieuws, want de komkommers zelf en de tomaten en nieuwe aardappelen kwamen de jongste week in een kwaad daglicht. Twijfel heeft zich van ons meester gemaakt. Je leest ook over sojascheuten en vlees die schadelijke bacteriën in omloop brengen, en over de slaatjes van de Kartoffelkeller in Lübeck.

In april 1832 schreef Heine in de Augsburger Allgemeine Zeitung over de cholera-epidemie in Parijs. Tot tweeduizend doden per dag vielen daar. Hijzelf bleef ter plekke om verslag te doen, al kon hij zoals de meeste welgestelden de stad ontvluchten. En wat zag hij? Dat de overheid te snel was met haar berichtgeving.

Stadsgeruchten over gifmengers, die een wit poeder op de etenswaar in de winkels hadden gestrooid, deden de politieprefect onmiddellijk zeggen dat “men de gifmengers op het spoor was” en nu: “werd dit kwaadaardige gerucht natuurlijk ten volle bevestigd en heel Parijs raakte in een gruwelijke doodsverbijstering.
De politie hier vindt het minder belangrijk —hier zoals elders— om misdaden te verijdelen, dan om de indruk te wekken dat ze altijd weet hebben van wat er omgaat. […]
En natuurlijk, een goed dieet kan geen kwaad. Het is vermakelijk om te zien hoe schuw de mensen tegenwoordig aan tafel zitten, en hoe ze de mensvriendelijkste gerechten wantrouwig aanstaren. Diep zuchtend slikken ze de allerfijnste hapjes door. De dokters hebben hen verteld dat ze geen vrees mogen koesteren en elke ergernis dienen te vermijden; maar nu vrezen ze juist dat ze zich onverhoeds ergens aan zullen ergeren — en het ergert hen dat ze daar bang voor zijn.”

Nu goed, ook zonder bacteriën is eten een groot probleem, wist later de eeuwige optimist Flaubert, in Bouvard et Pécuchet:

“Alle soorten vlees hebben nadelen. Worst en charcuterie, gerookte haring, kreeft en wildbraad blijven vaak op de maag liggen. Hoe dikker de vis, hoe meer gelatine erin zit en hoe zwaarder hij bijgevolg valt. Groenten wekken het zuur op, macaroni geeft nare dromen; kazen, algemeen genomen, zijn slecht verteerbaar. Een glas water ‘s ochtends is gevaarlijk. Maar als elke drank of etenswaar een dergelijke waarschuwing meekrijgt, ofwel woorden als ‘slecht! –hoed u voor overmatig gebruik!– niet voor iedereen geschikt!’: waarom slecht? waar begint overmatig gebruik? hoe kom je te weten of iets geschikt voor je is?
Wat een probleem is niet het ontbijt! Koffie met melk lieten ze achterwege op basis van zijn kwalijke reputatie, en vervolgens de chocolade – want dat is een opeenstapeling van onverteerbare substanties. Bleef dus nog thee. Maar ‘personen met zwakke zenuwen dienen zich deze helemaal te ontzeggen’. En toch schreef Decker in de XVIIde eeuw er twintig deciliter per dag van voor, om zo de poel van de pancreas uit te baggeren.”

Stukje verschenen in de Knack vandaag

1 juni 2011

Astralement vôtre

.
De wetenschap der astrologie kwam afgelopen week twee keer in het nieuws. Eerst was er die zaak met dat wc-papier in de Carrefour, waar astrologische symbolen op gedrukt stonden. Het waren zonder meer de gebruikelijke tekens voor Maagd en Steenbok, maar sommige medeburgers vonden sommige krulletjes toch te zeer op de naam van Mohammed lijken. Gelukkig deed Carrefour onmiddellijk een communicatie, en lieten zij weten dat het lasterlijke ontlastingspapier al in 2008 uit de rekken was genomen. Het ziet ernaar uit dat alles nog geregeld zal raken zonder dat er ook maar één druppel bloed aan te pas komt.
En dan was er Neelie Kroes. Haar naam kent iedereen want zij is een van de zes of zeven vicepresidenten van de EU. Van haar ex-man, de oud-burgemeester van Rotterdam en oud-minister Bram Peper, kwamen wij nu te weten dat Neelie graag astrologen raadpleegt voor zij beslissingen neemt.
Of die mededeling zo schokkend is, valt nog te bezien. Reagan en zijn Nancy deden dat ook, Bliar en zijn Cherie ook, en zelfs Mitterrand deed het, misschien buiten medeweten van zijn vrouw.

François raadpleegde graag en frequent Élizabeth. Élizabeth Hanselmann Teissier (Algiers, 1938) is de Duits/Zwitsers-Algerijns-Franse TV-astrologe die haar carrière begonnen was als model voor Coco Chanel, vervolgens poseerde voor ELLE, Vogue, Harper’s Bazaar enzovoort, en later zich tot de wetenschap aangetrokken voelde. Jarenlang was zij op Franse en Duitse zenders graag gezien in astrologische duidingsprogramma’s.
Voor die populariteit was een goede reden: soms deed ze ook goede voorspellingen. Zo wist zij begin 1993 al dat Boudewijn Coburg dat jaar zou aftreden pour raisons de santé.
Critici zijn er altijd –denken we maar aan die kerels van Skepp– en die zullen opmerken dat het mooier, of liever sterker was geweest als Teissier had voorspeld dat Baudouin meteen ook het loodje zou leggen.

Hoe precies moet iemand zich wel uitdrukken? En natuurlijk is er de last der jaren, en soms gaat het astrologische rekenwerk haar niet meer zo goed af. Zo is er recent een soort schaduw gekomen over haar voorspelling dat Dominique Strauss-Kahn un destin présidentiel te wachten stond.
Maar dan zou ik toch willen opmerken dat de 7de april van het jaar 2001, met andere woorden op haar 63ste, deze Élizabeth aan de Sorbonne een doctoraatsthesis heeft verdedigd, en dat zij daar onder het bezielende promotorschap van prof. Michel Maffesoli Docteur en Sociologie geworden is. De titel van haar thesis vertalen, laten we aan een beter man over: Situation épistémologique de l'astrologie à travers l'ambivalence fascination-rejet dans les sociétés postmodernes, maar zij kreeg wel de vermelding très honorable.
We mogen aannemen dat de Skeppmensen nu eventjes zoet zijn, en dat zij in de toekomst de astrologie even ernstig zullen nemen als de sociologie.
...En nu moest het hier eigenlijk over onze Neelie gaan. Door Élizabeth is zij in de verdrukking gekomen. Ik reken op begrip bij de lezer.

Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

25 mei 2011

Geen wonder dat zij weent

.
Een mooi trekje van Louis XIV was dat hij zo zorgvuldig toezicht hield op de intellectuele vorming van zijn zoon, de Dauphin. Het was toen nog niet mogelijk om zo’n knaap zogenaamd F-16-piloot te laten worden, maar wel kon je hem al goede teksten laten lezen. Stukken Homerus bijvoorbeeld, Aristofanes, Ovidius, Juvenalis, oudtestamentische dingen, tot Racine toe.
Helaas hebben die klassieke kerels soms uitdrukkingen of passages die voor jeugdige ogen ongeschikt zijn. Dat wist de koning, en dus liet hij gekuiste versies drukken ad usum Delphini.

Deze week stond in het Berlijnse blad Die Welt een weeklacht van een journalist, Marko Martin geheten. Hij vond het ongepast dat alle Duitse kranten, ‘tot zelfs Die Tageszeitung aan toe’, Strauss-Kahn voortdurend in één adem met Casanova noemden. Of ze noemden DSK een Möchtegern-Casanova, een would-be-Casanova. ‘Hiermee doen zij de formidabele Seigneur de Seingalt gruwelijk onrecht aan’, zegt Martin, ‘want fysiek geweld had Casanova nooit nodig.’ En hij wordt lichtvaardig: ‘dat kan men in zijn Mémoires nalezen’.
Het spreekt: de mogelijkheid bestaat dat Martin een gekuiste tekst van de Mémoires heeft gelezen, want de uitgever Brockhaus had al in 1821 het Franse manuscript laten vertalen door een zekere Wilhelm von Schütz, en deze brave ziel had de aanstootgevende passages herschreven of gewoon weggelaten. Zijn Duitse vertaling werd tweedehands vertaald naar het Frans, Engels &c. maar voor een getrouwe uitgave van het manuscript –nu schitterend te zien bij gallica– was het wachten tot 1960, honderd tweeënzestig jaar na Casanova’s dood.
Toch vind ik het aannemelijker dat onze journalist helemaal niets gelezen heeft, het overkomt de besten. De man loopt, wat DSK betreft, ook vooruit op de schuldvraag. Casanova zelf pleit zonder meer schuldig en vertelt over meerdere verkrachtingen. Daarbij was in 1746 ook een groepsverkrachting. Eénentwintig was hij toen, en dit staat al in het tweede van zijn twaalf boeken:

Niet huilen schoonheid, zei onze chef, we doen jou immers geen kwaad. We gaan naar Rialto een glas drinken, en dan brengen we je naar huis.
Waar is mijn man?
Morgenochtend thuis zul je hem zien.
Dit antwoord troostte haar, en zo mak als een schaap ging ze met ons mee naar de herberg ‘De Twee Degens’. Daar lieten we in een kamer boven een goed vuur aanmaken, en spijs en drank aanrukken. We namen onze maskers nu af, en zagen onze geschaakte in een hoopje mens veranderen zodra ze onze gezichten zag en onze gedragingen. We hebben haar direct wat moed gegeven met goede woorden en een paar glazen wijn, en dan overkwam haar datgene wat ze kon verwachten. Zoals het hoort, mocht onze chef als eerste haar zijn amoureuze diensten bewijzen, niet zonder eerst met veel beleefdheden haar te bewegen haar weerzin opzij te zetten om zich in het bijzijn van de hele bende aan hem te geven. Zij koos de wijste partij, lachte en liet begaan.
Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Volume 2 – Chapitre VII
Robert Laffont, 1993, pp.373-4

Stukje verschenen in de Knack vandaag

18 mei 2011

Eva, Oscar en Malika

.
Wat Eva Brems zaterdag in De Standaard vertelde: We verwachten van de minister niet dat hij vandaag op de Gay Pride met pluimen in zijn kont op een praalwagen gaat staan (…), verdient één paragraafje. Je hoeft niet de slimste van de wereld te zijn, maar een beetje stijl kan geen kwaad. Bij een receptie zul je maar terechtkomen naast een vrouw die plots dergelijke praat uitslaat. Dan zoek je toch een ander plekje op. Elle n’est pas sortable, zegt de Fransman.

Gelukkig zijn er wel betere dingen. Eind april verscheen bij Fayard (collection Mille et une nuits) een essay van Malika Sorel: Immigration, intégration, le langage de vérité.
In Frankrijk is Sorel een bekende figuur, geregeld op de radio te horen, bijvoorbeeld bij Finkielkraut. Zij is Française van Algerijnse afkomst, ingenieur, en lid van de Haut Conseil à l’intégration.
Haar boek bespreken kan niet in mijn 3000 tekens, maar ik kan wel enkele van haar uitspraken leggen naast wat Oscar van den Boogaard schreef in zijn vrijdagcolumn in De Standaard. Hij bezong een gedroomd Brussel, op het bekende wijsje van de non-identiteit als ideale identiteit.

“Brussel is Europa in het klein. Een verzameling individuen, sterk verschillend van elkaar, vreemdelingen ten opzichte van elkaar, wier individualiteit niet gebukt gaat onder de last van een gemeenschappelijke cultuur of geschiedenis. Eigenlijk zijn ze daarom ideale Europeanen.”
 
Die historisch-culturele last is ernstig bedoeld. Maar hij moet tot zijn spijt wel melden dat “de jeugd van de vele bevolkingsgroepen in Brussel helemaal niet multicultureel denkt. De verschillende groepen leven niet samen, maar naast elkaar.”
Wat multicultureel denken inhoudt vernemen we niet. Wel is het alweer onze schuld dat er aparte samenlevingen blijken te bestaan.

“Zolang ze de sleutel niet vinden om die Belgische samenleving binnen te gaan, blijven ze aan elkaar geklonterd. En koesteren ze negatieve gevoelens over die wereld die hen buitensluit. Waarin rapporten over hen worden geschreven die hen in kaart brengen. Zolang jonge Marokkanen als groep worden behandeld voelt geen enkele van hen zich individueel aangesproken.”

Sorel ziet dat anders: wij moeten definitief breken met elk multiculturalisme en met onze eeuwige boetvaardigheid. Wat wij nu zien, zegt zij, is insertion, invoeging, geen integratie. En integratie moet bovendien tot assimilatie leiden. Ook is dat groepsgedrag hen niet door ons aangepraat: 

“Veel ongeciviliseerd gedrag komt hieruit voort dat deze kinderen nooit geleerd hebben dat de mens als individu kan bestaan, los van de groep, en dat hij als zodanig respect verdient. In hun ogen bestaat het individu niet.”

Misschien zal Van den Boogaard ook iets hebben aan wat de Franse strafpleiter Jacques Isorni in 1957 schreef aan François Mauriac, die ook columnist was:
“Ik ken niets onaangenamers en ongepasters dan literatoren die, beneveld door trots en koketterie, het gezag gebruiken dat zij met ander werk hebben verworven, om maar lukraak te schrijven over zaken waar zij geen kaas van hebben gegeten.”*
.
Stukje verschenen in de Knack van vandaag
__________
* Le Monde, 10 juli 1957. Gepubliceerd in: Jacques Isorni, Ainsi passent les Républiques, Flammarion 1959, pp. 62-3.

17 mei 2011

Toen alles nog goed ging met DSK

.
RTL, Les Grosses Têtes:




Alors en voyant cette semaine le dodu président du Fonds Monétaire International descendre d’une puissante limousine allemande, flambant neuve, je me suis aussitôt posé la question: est-ce que je vais avoir les moyens d’être de gauche?
Toen ik deze week de mollige voorzitter van het IMF uit een krachtige, gloednieuwe Duitse limousine zag stappen, stelde ik mezelf direct de vraag: zal ik wel de middelen hebben om links te zijn?
.

11 mei 2011

Casanova over Obama

.
Bij de laatste lotgevallen van Osama bin Laden doet zich het ongewone verschijnsel voor dat we er geen beelden van hebben. Sommigen betreuren dit. Rudi Vranckx vindt het zelfs dom van de Amerikaanse regering om ons die te onthouden. En zeker, beelden kunnen nuttig zijn, maar vaker nog doen ze af aan de echtheid van een gebeurtenis.
Zo is het niet raadzaam om beelden te geven van het monster van Loch Ness, of van Mariaverschijningen, vliegende schotels en dergelijke, want die zouden meer gelovigen doen twijfelen dan ze ongelovigen kunnen overtuigen.
Ook bij echte gebeurtenissen kunnen ze soms beter achterwege blijven. Misschien een slecht voorbeeld, maar neem een betoging waarbij men het wenselijk acht dat er ongeveer 34000 man zou meelopen: niemand zal het dan in zijn hoofd halen om duidelijke foto’s te publiceren, genomen vanaf een hoog balkon met uitzicht op een brede avenue. Dan krijg je pas gezeur. Veel beter kun je het overeengekomen aantal gedurig herhalen, zodat het vanzelf waar wordt.
Iets dergelijks geldt voor de gebeurtenissen in Abbottabad: nu gelooft 95 percent van de mensen dat Osama bin Laden voor 99,9 percent dood is. Met foto’s erbij zouden die cijfers zakken.

Een andere kwestie is of Barack Obama moreel gesproken het recht had om Osama uit te schakelen. Ethici twijfelen. De een vindt van wel, de andere van niet. Nu kun je in zulke gevallen bij Machiavelli te rade gaan, of bij Mazarin, Gracián of nog andere auteurs, maar ik stel voor dat we Casanova aan het woord laten.
Volgens hem moet Obama niet te biecht gaan. Bij een vorst primeert de staatsraison op de persoonlijke moraal en dus moet hij zijn zielenheil opzij kunnen zetten en bereid zijn om “le plus petit de tous les péchés mortels” te begaan:

[…] het ongeluk van het arme mensdom wil dat een devote koning nooit iets zal ondernemen dat verder reikt dan wat zijn biechtvader hem toestaat, en het is duidelijk dat diens grootste interesse nooit naar het heil van de Staat kan uitgaan, want zoals de religie ineenzit, staat zij haaks daarop. Wie hier opmerkt dat een wijze koning in de biechtstoel met geen woord zal reppen over staatszaken, die kan ik gelijk geven, maar over een wijze koning heb ik het niet, want als die dat wel was dan hoefde hij, christenmens zijnde, maar één keer per jaar te biecht te gaan, en de stem van zijn biechtvader uitsluitend te horen als deze de woorden uitspreekt om hem de absolutie te geven.
Als de koning behoefte heeft aan een gesprek, om door die man zijn twijfels te laten wegnemen, dan is hij een dwaas. Twijfels en gewetensbezwaren dat is één en hetzelfde, en iemand dient zijn godsdienst te kennen voor hij ter biecht gaat. Geen kwestie van twijfels of van gesprekken met de biechtvader.
Lodewijk XIV was de grootste koning op aarde geweest –groter dan Frederik II, koning van Pruisen, zoals Frankrijk zelf groter is dan Pruisen– als hij niet de zwakte had gehad om met zijn biechtvaders te kletsen.
Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie, tome XI

Stukje verschenen in de Knack van 11 mei.
.

4 mei 2011

Allebei flink (uit)getikt

.
In de Dikke van Dale staan vanzelfsprekend niet enkel oude woorden en uitdrukkingen, maar ook moderne. Naast een ruraal woord als ‘afrossing’ bijvoorbeeld, kreeg tevens ‘bashing’ een plekje. De betekenis is ongeveer dezelfde: het inbeuken op, afgeven op, uithalen naar iemand of iets. Samenstellingen zijn mogelijk, en Van Dale geeft: ‘CDA-bashing’. Een ander letterwoord kan natuurlijk evengoed, en zo hoorden we in een 1 mei-toespraak dat er velen zijn die aan zelfcensuur doen, en daardoor te weinig aan ‘N-VA-bashing’.
Louis Tobback zal zich niet geviseerd voelen, en de schilder Luc Tuymans vermoedelijk evenmin.
Ter gelegenheid van Art Brussels zat Tuymans donderdag in een radiogesprek, samen met nog een artiest, de Brusselaar Angel Vergara. Deze Vergara komt met zijn werk in het Belgisch paviljoen op de Biënnale van Venetië, en hij had Tuymans uitgekozen als tentoonstellings-commissaris, een soort curator.
Nu zijn artiesten niet enkel met hun verfjes in de weer, zij hebben ook meningen over de politieke toestand. En omdat al hun gedachten per definitie belangrijk zijn, vroeg Klara-presentatrice Annemie Tweepenninckx aan de heren hoe zij de regeringsformatie zagen evolueren.
Tuymans drukte zich cryptisch uit:
“Niet hé, niet geloof ik he! Ik denk dat dit gewoon het bewijs is van een politiek die nefast is voor dit land. Ik heb het ook al ettelijke keren gezegd, ik ben er ook op aangepakt door spam op heu, die ik dan binnenkreeg via Facebook of whatever, waar mensen zover gaan als: we zullen het werk van mijnheer Tuymans op een groot plein zetten, het dan in brand steken en daarrond een groot Vlaams volksfeest maken bijvoorbeeld …dat was de kraste dan wel. Maar in ieder geval is hiermee eigenlijk bewezen dat er niets bewezen is. En ik vind het een zeer onconstructief punt, en ik vind het ook hallucinant wat de CD&V heeft gedaan. Zichzelf politiek zelfmoorden als een van de oudste politieke families in België, met iets dat ze dan zelf hebben uitgevonden. Dat is toch onmenselijk of wat?”
Om eerlijk te zijn, mijn invoelingsvermogen is te klein om deze boodschap exact te vatten, maar daarna was Vergara aan de beurt, en die was duidelijker:
“Eh bien, eh bien je pense que si effectivement, si monsieur Bart De Wever arrivait un jour à la tête de ce pays, c’est très dangereux dans le sens où, par exemple si ça arrivait demain, mais, j’aurais beaucoup de chances de pouvoir partir à Venise sans mon commissaire, qu’on pourrait retrouver comme Ai Weiwei en prison, tout simplement.”*
Dat ging zelfs Tuymans wat ver, en als goede commissaris probeerde hij zijn pupil voor de belachelijkheid te behoeden, al sloot hij toch niet uit dat zijn standpunten hem in de kerker konden brengen.
“Bwa, zover zal ik, zal het denk ik niet gaan, hoop ik. Maar ik was wel, enfin, ik ben nog steeds bevriend met Ai Weiwei, dus wie weet?”
Inderdaad, ook een artiest die door het establishment vertroeteld wordt, kan een romantisch verlangen koesteren naar sterkere bewijzen voor zijn relevantie.


Stukje (licht verminkt) verschenen in de Knack van 4 mei
.
_______________
* “Wel, wel  ik denk dat als mijnheer Bart De Wever op een dag echt aan het hoofd van dit land zou komen, dit zeer gevaarlijk is, in die zin, dat mocht dit bijvoorbeeld morgen het geval zijn, kijk, dan heb ik een goede kans om naar Venetië te kunnen gaan zonder mijn commissaris, die je, zoals Ai Weiwei, simpelweg in de gevangenis zou kunnen aantreffen.”
.

29 april 2011

Paardenstront

 .
J‘avais eu l’occasion de voir personnellement certaines cérémonies londoniennes, parmi lesquelles l’annuelle Trooping the Colours où l’impression la plus désagréable est donnée par les chevaux, dressés pour tout sauf pour s’abstenir de faire leurs besoins légitimes; peut-être à cause de l’émotion, ou des lois naturelles, mais la reine dans ces cérémonies avance toujours dans une mer de fumier, parce que les chevaux de la Garde ne peuvent pas s’empêcher de parsemer le parcours d’excréments. D’ailleurs, s’occuper des chevaux est une activité très aristocratique, et, pour un aristocrate anglais, le fumier de cheval fait partie des matières les plus familières.
On n’a pas pu échapper à cette loi pendant le royal wedding. Mais ceux qui ont regardé la télévision ont remarqué que ce fumier chevalin n’était ni sombre, ni brun, ni inégal, mais se présentait toujours et partout dans un ton pastel, entre le beige et le jaune, très lumineux, de façon à ne pas attirer l’attention et à s’harmoniser avec les couleurs tendres des vêtements féminins. On a ensuite lu (mais on pouvait facilement l’imaginer) que les chevaux royaux avaient été nourris pendant une semaine avec des pilules spéciales, pour que leurs excréments aient une couleur télégénique. Rien ne devait être laissé au hasard, tout était dominé par la retransmission.



Umberto Eco
La Guerre du Faux, pp.213-4
Grasset & Fasquelle, 1985
.
Ik had ooit de gelegenheid om bepaalde Londense ceremonieën met eigen ogen te zien, waarbij het jaarlijkse Trooping the Colour, en de meest onaangename indruk geven daar de paarden, die op alles gedresseerd zijn behalve op het verzaken aan hun legitieme behoeften; misschien als gevolg van de emotie, of door wetten der natuur, maar bij deze ceremonieën schrijdt de koningin steevast door een zee van mest, omdat de paarden van de Guards het niet kunnen nalaten om het parcours met excrementen te bezaaien. Nu, zich met paarden bezighouden is een heel aristocratische activiteit, en voor een Engelse aristocraat behoort paardenmest tot de hem meest vertrouwde dingen.
Aan deze wet was ook bij de royal wedding geen ontkomen. Maar wie televisie keek, heeft opgemerkt dat deze paardenmest noch donkerkleurig, noch bruin, nog geschakeerd was, maar zich altijd en overal in pasteltinten voordeed, tussen het beige en het geel in, heel helder, op een manier die niet de aandacht zou trekken maar met de zachte kleuren van de dameskleedjes juist zou harmoniëren.
Later heeft men gelezen (maar dat kon men ook makkelijk verzinnen) dat de koninklijke paarden een volle week speciale pillen als voer hadden gekregen, zodat hun excrementen een telegenieke kleur zouden hebben. Niets mocht aan het toeval worden overgelaten, alles stond in het teken van de uitzending.

26 april 2011

Tobback zijn vocabulaire

.
Als in het sierlijke derde bedrijf van een corrida, namelijk de faena de muleta, al na enkele passen de stier zodanig slim en gevaarlijk voor de dag komt dat hij de matador in een lastig parket brengt, dan zeggen de aficionados dat het een beest is dat Grieks en Latijn kent.
Een opvallend verschil met de Belgische politieke arena, waar je met enkel wat Latijn al aardig je mannetje kunt staan. Nil volentibus arduum, acta est fabula enzovoort.
Tenminste, tot voor kort was dat zo, want de laatste tijd zien we hier en daar ook een woord Grieks opduiken. Latijn alleen volstaat niet meer om de stand der onderhandelingen te beschrijven.
Voor een paar weken was hier de nuttige platoonse term 'theatrocratie' aan de orde, en deze week komt Mark Eyskens aanzetten met de analyse: ‘De Wever is een demagoog die we te slaafs hebben gevolgd'.
‘Te’ is nooit goed inderdaad, maar wat ons interesseert is dat woord demagoog. Δημαγωγός, van ‘demos’ en ‘ago’, het volk leiden, misleiden. Hij had dus net zo goed ‘volksmenner’ kunnen zeggen, maar dat klonk Eyskens, die katholiek is, waarschijnlijk te rechtuit of te duidelijk in de oren.
Misschien is Louis Tobback wel een van de laatsten om te geloven dat politieke analyses het zelfs zonder Latijn kunnen stellen: ‘We gaan dikke nek De Wever stoppen’. Klinkt een tikkeltje boers, en zeker de fijngevoelige Stefan Hertmans zou van een scheldterm spreken, maar Louis vindt dat hij zich dat mag permitteren.
Eyskens drukte zich nog erudiet en beleefd uit, maar bij zijn burgervader constateren we een gebrek aan opvoeding, een apaideusia zou Aristoteles zeggen. Wellicht geven sommigen, die het Grieks nog wat vreemd vinden, de voorkeur aan een term als ‘decorumverlies’ en daar valt ook wat voor te zeggen, al heeft hij niets met opvoeding van doen, noch die van Louis noch die van om het even wie. Meestal is een dergelijk verlies een vervelend bijverschijnsel van het voortschrijden der jaren. Tenslotte is Louis een ontwikkeld man, daar kan het niet aan liggen.
Maar ontwikkeling is nog geen opvoeding, zoals Baltasar Gracián zegt in zijn “Handorakel en de Kunst van de Voorzichtigheid” van 1647 (vertaling Theo Kars): “Er bestaat gewoon plebs en ontwikkeld plebs, wat erger is. Dit soort heeft dezelfde eigenschappen als het gewone, zoals de scherven van een gebroken spiegel, maar het is schadelijker. Het kraamt onzin uit, levert onbeschofte kritiek, is een bondgenoot van de Laster. Men dient geen aandacht te schenken aan wat het meedeelt en nog minder aan wat het voelt. Het is belangrijk het op te merken, teneinde zich ervan los te maken.”
De onbeschoftheid dus niet, maar wat beide heren wél gemeen hebben, is dat hun uitspraken getuigen van een groot ongeduld. Zij zijn hun zenuwen niet meer meester. “Geduld”, meent Schopenhauer, “is het kenmerk van de ware dapperheid”.
Helaas gaat ook het geduld met de leeftijd achteruit, samen met de kracht om scherp te analyseren. Ter vervanging kan de verleiding dan groot worden om termen als “dikke nek” of “demagoog” rond te strooien.

Gepubliceerd in de Knack van 27 april.
.

20 april 2011

Verzenmakers of Dichters?

.
In deze column zal bisschop Roger van G. onvermeld blijven.
Ter compensatie, en om toch enigszins aansluiting te vinden bij de verhalen in de kwaliteitspers, komt Laurent de B. wel aan bod, weze het zijdelings en incognito.
 
Over poëzie gaat dit verhaal, want vorig jaar verscheen bij Prometheus in Amsterdam het derde deel van de Rijmkroniek des Vaderlands, het grote leerdicht van de Groningers Jean-Pierre Rawie en Driek van Wissen. Samengeteld 5674 verzen zijn het. En laat mij zeggen: de Ilias, driewerf zo dik, is lang niet zo komiek.
 
“In het algemeen”, schreef George Orwell in 1942, in zijn inleidend essay bij het verzamelde werk van Rudyard Kipling, “is in onze cultuur het woord ‘poëzie’ al voldoende om vijandig gegrinnik op te wekken, of in het beste geval een soort ijzige afkeer, zoals de meeste mensen die voelen bij het horen van het woord God”.
Maar Kipling is bij het Engelse lezerspubliek altijd populair gebleven, zelfs vandaag nog, en Orwell sprak met grote bewondering over hem. Over zijn technische vaardigheid, zijn gedrevenheid.
Toch noemde hij Kipling “a good bad poet”, of nog “a versifier”. Dat klinkt slechter dan het is, want bijvoorbeeld Dryden en Pope waren voor velen evengoed verzenmakers, geen dichters.
 
Als het zo zit, zou je Rawie en Van Wissen ook goede slechte dichters kunnen noemen, verzenmakers, pure ambachtslui. Populair zijn ze in elk geval, want hun eerste twee boekjes van 2005 en 2007 waren snel de deur uit. Een verschil met de bloedserieuze Kipling is dat Rawie en Van Wissen naast leerzaam ook altijd grappig zijn. “Een welkome aanvulling op onze inburgeringscursussen en onderwijsprogramma’s van scholen en universiteiten”, zoals ze zelf zeggen van hun kroniek.

Helaas, een vierde deeltje komt er niet, door het schielijk overlijden van Driek van Wissen vorig jaar. Wij hebben dus “De Opkomst van de Nederlandse Republiek”, dan “De Gouden Eeuw”, en nu “Van Willem III tot Willem III”, dat begint in 1672 en eindigt in het revolutiejaar 1848. De Belgische secessie van 1830 komt ruim aan bod:

…in Brussel liep het schorem na
het horen van een opera
(waarin opstandig zaad gezaaid
en luidkeels oproer werd gekraaid)
zomaar de straat op. En het tuig
ging met gesakker en gejuich
zich aan misplaatst geweld te buiten:
gestenigd sneuvelden de ruiten…

Willem had de noodlottige scheiding van Zuid en Noord nog kunnen voorkomen, als niet de snode Franse koning Louis-Philippe had ingegrepen:

Hij wilde tussenbeide komen
en koos als Fransman arrogant
de Belgische verkeerde kant.
Zo raakten wij, de prins ten spijt,
de helft van onze natie kwijt
en stortte buitenlandse druk
de Belgen in het ongeluk,
want tot op heden zitten die
nog met de Duitse dynastie
von Sachsen-Coburg opgescheept
waarmee geen echte Belg echt dweept,
er eventjes van uitgegaan
dat echte Belgen echt bestaan.

Iets verderop brengen onze verzenmakers nog een hommage aan een echte dichteres:

Toch werd het Zuiden zonder reden
wreed van het Noorden afgesneden,
maar niet het snijden deed zo’n pijn
als wel het afgesneden zijn.


Gepubliceerd in de Knack van vandaag.

13 april 2011

Tussen Athene en Parijs

.
De Fransman Antoine Rivarol schreef in 1783 een redevoering voor de Berliner Akademie der Wissenschaften, met als titel De l’Universalité de la Langue française. Glashelder bewees hij daarin dat het Frans superieur was aan alle andere talen, en dat bijvoorbeeld het Engels om tal van redenen ongeschikt was om ooit de rol van eerste wereldtaal over te nemen.
“Men mag zeggen dat terwijl het Engels de stoutmoedigheid bezit van die talen die de inversie kennen, het tegelijk ook hun onduidelijkheid heeft, en dat de Engelse syntaxis dermate bizar is dat de regels soms minder toepassingen hebben dan uitzonderingen.”
Die tekst is vaak uitgegeven, in 1991 nog bij Arléa in Parijs door de académicien* Jean Dutourd, in januari overleden.
Rivarol heeft nooit veel geschreven, maar hij stond wel bekend om zijn gewaagde aforismen. Zo was de Verklaring van de Rechten van de Mens nog maar pas opgesteld, of hij zei al: “het misdadige voorwoord bij een onmogelijk boek”. Zijn uitspraak komt vandaag nog harder aan dan in die tijd zelf, schreef Dutourd in zijn eigen voorwoord, “want alleen de waarheid kan zo lang een schandaal blijven”. Op zichzelf ook een stevige uitspraak.
En om meester Vic Van Aelst een plezier te doen: de wetenschap heeft niet stilgestaan en de uitspraken van Rivarol over de Engelse taal worden door moderne Franse filologen niet meer voor vol aangezien. Ze vinden die weliswaar ontroerend, maar vooral een “opmerkelijke uiting van literair patriottisme”.
Deze omslag in de wetenschappelijke inzichten moet echter geen reden zijn om het Frans in Vlaanderen maar te laten vallen als tweede taal, zoals Van Aelst voorstelt. Er zijn meen ik veel goede redenen om dat niet te doen. De schoonheid van die taal, haar nabijheid, of de kennismaking met een Romaanse taal, wat toch een andere denkwereld opent dan een tweede Germaanse taal studeren. Economische redenen zullen er ook zijn, maar die laat ik aan anderen over.
Maar vooral: aan de vraag van Van Aelst is al lang en breed voldaan. Laatst bij ARTE schreeuwde een Vlaamse actrice haar breed-denkendheid uit, en haar minachting voor de bekrompen Vlamingen. Zelf had ze evenwel nooit goed opgelet in de Franse les, want dat uitschreeuwen ging zo: “Je suis pas intéressée à faire des choses seulement en Flandre …dans mon rue.” Kort daarvoor had ze frieten gegeten en haar kleertjes uitgetrokken. Dat kreeg veel aandacht. We leven in een spektakelmaatschappij denken de journalisten, en dus zijn de politieke meninkjes van acteurs en artiesten beter dan die van anderen, en evenveel aandacht waard als kiesresultaten.
Voor die opvatting van de democratie had Plato al in de vijfde eeuw een woord bedacht: θεατροκρατία, theatrocratie.
Die theatrocratie komt overeen –schrijft hij in “De Wetten”, boek III, paragraaf 701– met dat stadium van de democratie waarin iedereen denkt dat hij iets gefundeerds te vertellen heeft, ook al heeft hij nooit iets geleerd. Eerst is dat in het theater het geval, en vervolgens zien we die onbeschaamde houding overal.
_____________
* Ook nog bekend van "Les Grosses Têtes".
.
Stukje verschenen in de Knack vandaag
.

2 april 2011

BBC-WS over Libië

.
Margie Orford is een Zuid-Afrikaanse auteur, en Sir John Holmes een voormalig UNO-staflid, en de BBC-WorldService vroeg deze twee naar hun mening over de gebeurtenissen in Libië, en over onze humanitaire inspanningen aldaar. Wellicht gingen ze bij de BBC ervan uit dat deze Orford en Holmes de situatie ginds goed kennen. Merkwaardig vond ik alleszins dat geen van de twee gasten melding maakte van de democratische krachten in Libië. Ze leken daar geen weet van te hebben. Wat een verschil met de nouveau philosophe Bernard-Henri Lévy, of met onze grote staatsman Guy Verhofstadt, of zelfs met ons unanieme Parlement. Ik vat samen wat de BBC-gasten meenden te weten:

Een rampzalige impasse is wat ik zie, en wat er gebeurd is, kon je toch op een blaadje geven nog voor het bombarderen begonnen was. […] Die rebellen zoals men ze noemt, burgeroorlog, we weten toch zo weinig over hun leiders. Onbewapend en ongeorganiseerd zijn ze, en dan komt nu de CIA die allerhande dingen uitvoert, dus voor mij ziet het eruit als een moeras, zoals we in Afghanistan er een hebben. […] Die rebellerende krijgers maken een bijzonder slechte indruk, bijna zouden zij het woord rebel een slechte roep bezorgen. […] Een van de dingen die mij aan heel deze zaak sterk deed twijfelen, is dat ik niet geloofde dat Khadaffi enkel door een kleine kliek overeind werd gehouden, wat toch de manier is waarop in de Westerse pers deze oorlog werd verkocht.


To me it just looks like a disastrous stalemate, and what happened seemed to be utterly predictable before the bombing started. I mean, aside from the sort of non-European view on it, that’s, the other ways of dealing with it, and that a lot of the problems with Khadaffi have come from governments working far too closely. I mean it was suddenly as if the scales fell from everybody’s eyes and said: Woe, Khadaffi is a dictator, fancy that! we didn’t know! Forty years later we didn’t know.
But one of the biggest problems is this split, that happened between Germany and France and England, obviously around the invasion. So even from the beginning there was a division about what to do. These rebels as they’re called, civil war, I mean so little is known about their leadership. They’re not armed, they’re not organised, its, now you put the CIA coming in and doing all sorts of things, so to me it just looks like a quagmire, like we have in Afghanistan.



I think the rebel fighters do give a very bad impression, I mean they almost give the word rebel* a bad name, when you see them rushing backwards and forward, and one of the things that always astonishes me is this firing into the air. If you’re short of ammunition, surely that’s not what you should be doing.


One of the things that made me very hesitant about this whole thing was that I didn’t think that he was just kind of propped up amongst a kind of small clique, which is how this war has been sold really, in the Western press.
_______________
* ik had eerst nog rabble verstaan..
.

29 maart 2011

De Karabiniers van Offenbach

.
Libië, zegt mijn oude Brockhaus, is de vroegste naam voor Afrika en hij komt al bij Homerus voor. Bij hem was het een soort verzamelnaam. Onder diezelfde naam verstaan wij nu een kleiner stuk land, maar een verzameling is het gebleven.
Wel kon je de laatste weken de indruk krijgen dat Libië een natiestaat was –bijvoorbeeld als je de filosoof Bernard-Henri Lévy bezig hoorde op de BBC World Service, of onze voormalige Eerste Minister in het Europarlement– maar dat is een vergissing. Mensen die er echt iets van weten, spreken over een kluwen van vijandige stammen en clans.

In dat kluwen zijn wij dus verzeild, en door de ramp in Japan is dit zelfs min of meer geruisloos gebeurd. En achteloos ook, want een Parlement dat unaniem stemt, bewijst dat het niet de moeite heeft genomen om na te denken, laat staan om feiten op een rijtje te zetten. Het moest ook allemaal met zeven haasten, want Sarkozy had intussen zijn battledress al aangetrokken. Die man was op vlucht voor Marine Le Pen en op zoek naar olie. Ook hadden de Fransen enkele diplomatieke steken laten vallen in Tunesië en Egypte en zij wilden niet weer het refreintje van de karabiniers van Offenbach horen zingen: par un malheureux hasard, nous arrivons toujours trop tard.

Ernstige analyses waren er nochtans. Voor de New York Review of Books beschreef Nicolas Pelham al op 10 maart de krachten die nu onze luchtsteun krijgen:  In steden overal in Libië, hebben islamistische groepen laten zien dat zij efficiënt weten te reageren op een ineenstorting van het gezag. Moskeeën die buiten de gebedsuren tot nog toe verplicht gesloten bleven, zijn nu de klok rond open en in de vrijdagsermoenen –waar politiek een verboden onderwerp was onder Khadaffi– wordt opgeroepen tot de gewapende strijd tegen hem. In sterke mate hebben de islamisten hun invloed uitgebreid in het gebied van Khadaffi.

Yves Bonnet, onder François Mitterrand nog chef van de Direction de la surveillance du territoire (binnenlandse veiligheid), schreef:  Laten we het niet hebben over een filosoof [ BHL] die geen moeite spaarde om in Bosnië zijn steun te verlenen aan een kamp waar weinige jaren later de toekomstige krijgers van Al Qaida uit zouden voortkomen. En laten we geen lessen geven aan de wereld, wij die allesbehalve perfect zijn geweest bij het afhandelen van onze eigen conflicten. Essayons de raison garder.

Andere analisten waarschuwden voor repercussies tot in Tsjaad en Mali, voor een groeiende invloed van de AQMI (Al-Qaida au Maghreb islamique), en vanzelfsprekend voor chaos op de oliemarkt.

Misschien hadden onze Parlementsleden, voor zij ten oorlog trokken, Clausewitz moeten lezen. Vom Kriege (1832):  De oorlog is het terrein van de onzekerheid; driekwart van de dingen waar krijgshandelingen op gebaseerd zijn, liggen verscholen in de nevel van een grote of minder grote onzekerheid. Hier in de eerste plaats is dus een verfijnd en scherp verstand vereist dat, afgaand op de maatindeling van het eigen oordeel de waarheid weet te achterhalen.


Stukje verschenen in de Knack van 6 april
.

Pinoy dans son rue

.
Het is mooi dat de kijkers van ARTE nu een goed beeld hebben van het taalniveau van de mensen van de Frietrevolutie, en van het artistieke wereldje in het algemeen.



"Si on va se diviser, qu’est-ce qu’on va faire en Flandre? Je ne sais pas hein! je suis pas intéressée à faire des choses seulement en Flandre, dans mon, dans mon rue. Je veux dire: je pars de là, pour heu, les couleurs, heu et tout ça."

Ter stichting van dit kleurige, lichtgeklede en ook geestelijk niet te zwaarbeladen kind: het is weliswaar "le rut", maar "la rue".
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html