9 juli 2013

De juiste locatie van plek en plaats


Een kleine Kobbegemse krant schafte laatst een goed Nederlands woord af. Hun journalisten mogen nooit nog het woord allochtoon schrijven. En omdat deze krant, toen hij nog groot was niet in Kobbegem zat maar in Gent, hebben de Gentse vroede vaderen dat redactionele ordewoord ook tot het hunne gemaakt. Een gebaar van solidariteit.
Als vandaag Gentse bestuurders vanuit hun buik de genoemde term voelen opkomen, dan houden zij hun tanden stijf op elkaar en slikken hem snel weer in. In filosofische zin een vorm van terughoudendheid, al zullen medici misschien de term retentie prefereren.

Links en rechts werd er flink gelachen met die verordeningen, want in hoge nood komt er onvermijdelijk toch iets naar buiten omdat de realiteit zich niet stoort aan wat redacties en bestuurderen allemaal verbieden. Zij moeten dan telkens weer nieuwe termen en omschrijvingen verzinnen, die ze na de vervaldatum weer moeten ausradieren.
Ik lach daar niet mee, en zie er ook geen kwaad in als bestuurders of redacteurs zichzelf het gebruik van een bepaald woord ontzeggen. Zijzelf voelen zich daar ongetwijfeld goed bij en het gebaar kost ons bijna niets.

Een stuk erger dan woorden uitraderen of wegdenken, is het als een bestuur te veel woorden afscheidt, of zich overgeeft aan het gebruik van onnozele termen. Aan die ziekte lijden er veel, en helaas ook de Gentse Stadsbestuurders. Bij hen gaat het om woorddiarree, logorroe.

“Beoefenden zij maar wat vaker de retentie, en hielden zij maar in stilte hun kak op”, zuchten beschaafde Gentenaars. Minder beschaafde Gentenaars gebruiken uitdrukkingen als: “Zoede gulder ulder muile ne kier nie hèwe?”

Een goed voorbeeld van die stedelijke woordenkakkerij ziet u op de foto. Het is een plakkaat dat ze voor het Gravenkasteel hebben neergepoot ten gerieve van de toeristen.
De onderste twee teksten zijn nog acceptabel, in die zin dat ze in goed Frans en Engels gesteld zijn, en dat de grofste fouten van het origineel stilzwijgend zijn verbeterd.

De tekst bovenaan, in een Nederlands van eigen maaksel, toont ons helaas alles in zijn schamele naaktheid. Bekijken we de laatste twee zinnen:

Het werk van Garutti op het Sint-Veerleplein is een reflectie op de geschiedenis van het Gravensteen en het Sint-Veerleplein als locatie van terechtstellingen en dus van de dood. Nu is het de locatie van de geboorte, het nieuwe leven.

Deze beschamende uitscheiding, die ook door Nederlandse bezoekers gelezen wordt, vertelt hen om te beginnen twee keer op welk pleintje ze staan, en dat dat pleintje een heuse locatie is.
Nu ben ik altijd al geneigd om iemand die het woord “locatie” gebruikt als hij plek of plaats bedoelt als een intellectueel andersvalide te beschouwen, maar als datzelfde sujet ook nog eens uitlegt dat terechtstellingen tot de dood leiden en dat geboorten nieuw leven zijn, dan moet ik de geboorte van die auteur toch betreuren en kijk ik reikhalzend uit naar een mooie terechtstelling.

Nee, laat dit bestuur maar woorden afschaffen, dat kan helemaal geen kwaad en het gaat altijd goed.


Het eerste deel van deze ambtenarentekst staat hier
...en het is nog beschamender voor Gent die Fiere.
Een echte cultuurstad laat de steen met die tekst meteen vervangen.


P.S. men zal ook opmerken dat het kunstwerk oorspronkelijk op  de Vrijdagmarkt te zien was, toen wellicht als "reflectie op de geschiedenis van de Vrijdagmarkt".


5 juli 2013

Jos Van Eynde op de Zwitserse televisie


Interessant, wat Jos Van Eynde in 1968 aan de Zwitsers te vertellen had (10'14"), in perfect Frans:

Vous seriez belge, vous comprendriez, parce que vous ne vous résigneriez pas à estimer que la capitale de votre pays, n’est-ce pas, n'est pas une ville à l’image de ce pays. Et il y a beaucoup de choses qui changeraient si le climat, seulement le climat changeait.
Touchons un peu le climat.
Eh bien le climat, c’est le climat, n’est-ce pas, qui fait que dans beaucoup de cafés bruxellois, quand vous demandez un verre de bière en néerlandais on fait semblant de ne pas vous comprendre. Que le conducteur du tram, qui n’est peut-être pas un belge, n’est-ce pas, fait semblant de ne pas comprendre, ou ne comprend pas.
Qu’est-ce qu’il est, s’il n’est pas…
Ah, il peut être marocain, n’est-ce pas, fait semblant ou ne comprend pas le type, bon belge, bon flamand, qui lui demande son billet en sa langue maternelle, qui est la langue de la majorité de la population du pays. Alors ça vexe les gens, qui pour gagner leur pain quotidien viennent à Bruxelles tous les jours par milliers, par dizaines de milliers, et qui retournent chez eux, n’est-ce pas, avec l’impression, vraie ou fausse, que là il y a une hostilité préconçue et préméditée contre eux, et parce que...
Volontaire, oui?
Volontaire.



Als u Belg was, begreep u dit, want u zou zich niet neerleggen bij de vaststelling dat de hoofdstad van uw land niet een weerspiegeling van dat land zou zijn. En veel zaken zouden er anders uitzien als het klimaat, enkel het klimaat al veranderde.
Laten we het even over dat klimaat hebben.
Wel, ziet u, het is het klimaat dat ervoor zorgt dat als je in het Nederlands een glas bier bestelt, men in vele Brusselse cafés doet alsof ze je niet begrijpen. Dat de tramconducteur, die misschien geen Belg is, doet alsof hij je niet begrijpt, of je inderdaad niet begrijpt misschien.
Wat is hij dan? als hij geen…
Ah, het is misschien een Marokkaan, nietwaar? die echt of gespeeld een gewone Belg of Vlaming niet begrijpt als die hem in zijn moedertaal om een kaartje vraagt, dus in de taal van de meerderheid van de bevolking van het land. En dat zet kwaad bloed bij mensen die bij duizenden, bij tienduizenden elke dag naar Brussel komen om hun dagelijks brood te verdienen, en die naar huis terugkeren met het gevoel, terecht of onterecht, dat daar een vooringenomen en weloverwogen vijandschap tegen hen heerst, en omdat…
Bewust dan?
Bewust.

3 juli 2013

Over atheïsten die niet in god geloven


Of het nu stukjesschrijvers zijn, romanciers, journalisten, predikanten of dichters, allemaal staan ze voor dezelfde vraag: met welke beginzin zal ik mijn slachtoffer meteen bij de keel grijpen?
Goede voorbeelden zijn er genoeg en in alle talen. “Call me Ishmael” is een goed voorbeeld. Melville had de rest van zijn verhaal daarna maar in te vullen. Hij schreef 135 hoofdstukken, nog een epiloog en het boek was klaar.
“Ein Gespenst geht um in Europa - das Gespenst des Kommunismus”, is ook een mooi voorbeeld en Marx en Engels hebben er veel succes mee gehad.
In dezelfde stijl, iets ouder: “L’homme est né libre, et partout il est dans les fers.” Rousseau wist al hoe het moest.

Ook bij ons zijn er goede voorbeelden. “Een nieuwe lente, en een nieuw geluid” is sterk. Of: “Ik ben makelaar in koffie, en woon op de Lauriergracht, No 37.”
Voor Karel van het Reve was die laatste zin niet te overtreffen. Hijzelf was ook sterk in eerste zinnen, en ik meen me te herinneren dat hij ergens vertelt over een stukje dat hij had geschreven, louter omdat hij een bepaalde openingszin niet kon laten liggen. Waar hij dat precies vertelt, weet ik niet meer maar in zijn Verzameld Werk staat het ergens.

Wat geldt voor een boek of een preek als geheel, kan natuurlijk geen kwaad voor de afzonderlijke delen. Een nieuw hoofdstuk, of zelfs een nieuwe alinea mag ook sterk beginnen.

In een boek dat ik net uit heb, van padre Manuel da Costa, een zeventiende eeuwse jezuïet, staan veel mooie aanhefzinnen. “Arte de Furtar” heet het boek, en het werd als “De Kunst van het Stelen” uit het Portugees vertaald door Harrie Lemmens. (Athenaeum–Polak & Van Gennep, Amsterdam 2010, 328blz.) 

Zoals de titel zegt, krijgen wij uitleg over alle trucs die dieven gebruiken. Het spreekt dat de padre niet de bedoeling heeft om zijn lezers het dievenpad op te sturen, stelen blijft immers zonde, maar hij legt ons hun trucs uit, zodat wij na lectuur gewapend zijn tegen struikrovers, bankiers, belastingontvangers en ministers.
Manuel da Costa begint een van zijn hoofdstukken aldus:

Ik ga ervan uit dat ik niet tegen hersenloze dieren praat, maar tegen denkende mensen, die dingen begrijpen, ook al zijn ze atheïst en geloven ze niet dat God bestaat en dat er een leven na de dood is. 

Wie zou na deze zin zijn boek snel weer een hoek ingooien?


28 juni 2013

Over Baldassarre&Ransdorf, bekende cafévechters


Professor doctor Hendrik Vos, politicoloog van zijn vak als ik het goed heb, sprak in zijn onschuld de zwaarste veroordeling uit die je over een vertegenwoordiger des volks kunt uitspreken.
Hij zei in Terzake namelijk, dat als je met alle macht wilde controleren of EU-parlementsleden zich niet aan oplichting schuldig maakten of valse verklaringen aflegden en dergelijke, je dan extra personeelsleden zou moeten aanwerven: “dus ook dat heeft een prijs”.
Een technische kwestie eigenlijk. Wat je hier wint, verlies je elders weer, vestzak-broekzak, het sop is de kool niet waard. En dat allemaal voor een paar “rotte appels in de mand”, was nog een bedenking van hem.



Vos bewijst hier alleszins dat een jeugdige leeftijd geen beletsel hoeft te zijn om complexe zaken in perspectief te zien. Morele aspecten, politiek-filosofische aspecten, tot werkingskosten van een vergadering toe: het past allemaal in één economische eerstegraadsvergelijking, en die is eenvoudig oplosbaar binnen het stelsel van de EU-axioma’s.
Een bij uitstek amoreel standpunt, dat hijzelf wellicht liever als een teken van wasdom en van zijn groeiende realiteitszin zal zien.

Wat professor doctor Vos onvermeld liet, en wat trouwens ook Terzake vergat, was dat de Europese burgers nog andere onkosten te wachten staan.
Er moeten in de EU-tempels immers ook mensen komen die de fysieke integriteit van lastige journalisten kunnen garanderen. De eigen veiligheidsdienst van het “parlement” is hier niet geschikt voor, dat zag iedereen. Iedereen, op Vos en Terzake na dan.

Nee, er moet een openbare aanbesteding komen met een nauwkeurig lastenboek, en de privéfirma die daar als beste uitkomt, zal dan een korps agenten mogen leveren om toe te zien op het lijfsbehoud van journalisten, en hen te beschermen tegen verkozenen die zich op het pad van het strafrecht dreigen te begeven.
We kijken allemaal uit naar dit lastenboek, dat onze parlementaire goudhaantjes helemaal zelf zullen opstellen.

14 juni 2013

Zijn en Tijd in de EU


Duitsers, en alleszins Duitse filosofen zeggen soms zulke diepzinnige dingen dat je als Nederlandstalige achterovervalt. Heidegger staat hierom bekend. “Das Nichts selbst nichtet”, is bijvoorbeeld een vernietigend mooie zin. Hij staat in “Was ist Metaphysik?” van 1929, op pagina 113 in mijn uitgave, en ik begrijp hem wel niet, maar daar staat tegenover dat ik de verduidelijking op pagina 114 evenmin begrijp: “Im Sein des Seienden geschieht das Nichten des Nichts.”
Toch vind ik beide zinnen prachtig en denk ik er af en toe aan, al las ik ze twintig jaar geleden.
Lang voor Heidegger, verklaarde Heinrich Heine wat het filosofische Duits zo bedwelmend maakt:

Franzosen und Russen gehört das Land,
Das Meer gehört den Briten,
Wir aber besitzen im Luftreich des Traums
Die Herrschaft unbestritten.
Van Sloterdijk heb ik hoogstens hier en daar iets gelezen. Wel hem vaak bezig gezien, ooit zelfs in Brussel in een debat ter gelegenheid van het Groot Beschrijf, en natuurlijk in zijn Philosophisches Quartett op de ZDF, met Safranski.
Dat filosofische kwartet werd door de ZDF helaas afgevoerd, en daarop heeft Belgacom heel de ZDF eruit gegooid.
Wat je altijd voelt als hij spreekt, is dat Sloterdijk, behalve op de Duitse taal zelf, ook kan teren op al die grote voorgangers van hem. Zij hebben zijn alaam klaargelegd en zijn messen gewet.

In februari was hij een uur op Duitsland 3, bij Peter Voß. U vindt dat gesprek op youtube. Hier geen gezwijmel over hemel, zwerk of geluchte, maar brute politiek en scherpe, grappige analyse.

Na 20’42”:
Vandaag al hebben de Europese politici zichzelf en hun landen in een zodanig parket gewerkt, dat het overheersende politiek discours enkel nog de vlucht vooruit kan zijn. Structureel zijn hier gelijkenissen met het financiële systeem en het kredietwezen, die wat de economische kant betreft de loop van de wereld bepalen tegenwoordig. Ook in het kredietwezen is de vlucht vooruit aangewezen als enige manier om tot stabiliteit te komen. Net zo in het politieke bestel. Aangezien de EU vandaag al niet naar behoren functioneert –en in haar huidige vorm door het gros van de bevolking gewantrouwd, zoal niet verworpen wordt – aangezien dat zo is, zien de verantwoordelijken enkel nog de vlucht vooruit als een zinnige uitweg. En aangezien “weinig Europa” al niet werkt, zal zich het antwoord “meer Europa” opdringen, en dan is de toekomst klaar: er komen nog meer dingen die niet zullen werken. Als gevolg daarvan zal weer een nieuwe vlucht vooruit onafwendbaar worden. En het verdwijnpunt altijd inderdaad … zijn die imaginaire Verenigde Staten van Europa.


Die Europäischen Politiker haben sich selbst und ihre Nationen jetzt schon in eine Lage manövriert, in der die Flucht nach vorne zum dominierenden Politikstil hat werden müssen. Das hat strukturelle Ähnlichkeiten mit dem Finanzsystem und dem Kreditsystem, daß gegenwärtig den Weltlauf in der ökonomischen Sphäre diktiert. Auch in der Kreditwelt ist die Flucht nach vorn, als die einzige Form wie Stabilität noch erreicht werden kann, vorgezeichnet.
Und ganz analogisch ist es im politischen System. Weil die Europäische Union jetzt schon nicht so funktioniert wie sie sollte, besteht ihre –und auch von den Mehrheiten der Bevölkerung in der jetzigen Form beargwöhnt, wenn nicht gar abgelehnt wird– weil das so ist, ist für die Verantwortlichen die Flucht nach vorne der einzige sinnvolle Ausweg. Und weil schon „weniger Europa“ nicht funktioniert, wird „mehr Europa“ die Antwort sein die sich aufzwingt, und die Zukunft ist vorher sichtbar: es wird noch mehr geben daß nicht funktioniert.
Deswegen wird noch mehr Flucht nach vorn notwendig sein. Und der Fluchtpunkt ist immer tatsächlich …diese imaginären Vereinigte Staaten von Europa.


8 juni 2013

Deiectus aquae


Al wie het onderwijsdebat van de vorige dagen en weken met vrucht wilde volgen, kon niet om een aantal natuurkundige termen heen. Meestal waren deze afkomstig uit de hydraulica. Doorstroming, instroom en uitstroom moest je vlot kunnen gebruiken, onverschillig of je in je jeugd nu Grieks en Latijn had gedaan of A3.

Ook watervallen (deiectus aquae) kwamen ter sprake. Dit is een wat complexer begrip dan de eerste drie, die tenslotte ook in de loodgieterij niet onbekend zijn. Wat we ons moeten voorstellen is dat een hooggelegen hoeveelheid water op een catastrofale manier naar beneden komt.
Als er nu bovenaan voldoende instroom is, zal zo’n waterval blijven werken, en anders valt ze stil. Van beide fenomenen zijn er in de natuur voorbeelden.

In het onderwijsdebat echter, worden die termen in overdrachtelijke zin gebruikt, figuurlijk, metaforisch. Met de natuur, hoe interessant ook, zullen wij ons verderop dus niet meer bezighouden. Onthouden we vooral dat een waterval niet altijd naar behoren functioneert.

De degoutante uitspraak van Yves Desmet, over de “scholen voor de elite, waar dan de kinderen van Bart De Wever naartoe zullen gaan” werd hem door vriend en vijand kwalijk genomen. Het getuigt van weinig stijl om zoiets te zeggen, vinden ze. Een gebrek van de persoonlijkheid zelf, en bijgevolg ongeneeslijk.

Ik ben eerder geneigd om samen met Aristoteles die uitspraak aan een apaideusia toe te schrijven, een onopgevoedheid. Als er in de tijd van Yves Desmet een goed werkende waterval was geweest, dan hadden we aan hem nu misschien een uitmuntende kok, en had hij zijn broek niet moeten verslijten in de Latijnse, en later in de afdeling der “communicatie-wetenschap”, zoals bekend een vergaarbak aan de buitenmuur van vele universiteiten.
Dat zijn Latijnse studiën hem grotendeels zijn voorbijgegaan, en de jonge Yves wellicht beter kok was geworden, moet ik vanzelfsprekend toelichten.

Hij mocht, als oud-leerling van de historica Els Witte, bij haar emeritaat een toespraak houden en haar het “liber amicorum” overhandigen. Het is een hele eer om zoiets te mogen doen en je vertelt dan niet om het even wat.
Nu was er een kleine complicatie: het boek heette in dit geval niet gewoon liber amicorum, maar god weet waarom liber alumnorum.

De dag na die feestelijke uitreiking werd Yves gevraagd om voor de radio de rol en betekenis van Els Witte toe te lichten in een interviewtje. Het gesprek ging niet rechtstreeks maar werd vooraf opgenomen –toevallig door uw dienaar– en halverwege vroeg de journalist: “Wat betekent dat eigenlijk: alumnorum?”  Zulke dingen worden er achteraf uitgeknipt.
En je zou inderdaad denken dat iemand die de dag daarvoor een boek overhandigd heeft gewoon weet wat de titel ervan betekent, of het minstens zou hebben opgezocht om zijn speech te kunnen schrijven.
"Ja ...dat weet ik niet", antwoordde Yves.
Zo snel als de bliksem duwde ik op de intercom-knop, en zei in één adem: “genitief mannelijk meervoud van alumnus hij die gevoed is”.
Yves zijn gezicht betrok.
Toen ze de studio uitkwamen, voelde ik mij zedelijk verplicht om kennis te maken: "Mijn naam zal u niets zeggen, maar u kent me misschien van de blog victacausa?"
"Oh, zo hebben we elkaar dan eens ontmoet", zei Yves en verdween, ook als de bliksem.


24 mei 2013

Vrezen of versmaden ?


Journalisten en politici gebruiken dagelijks de term “islamofobie”. Zij vinden hem heel nuttig en hanteerbaar. Maar hem eens netjes definiëren, dat doen ze nooit. De term dekt willekeurig veel ladingen. Zoveel zelfs dat de vraag naar een definitie op zich al een symptoom van islamofobie zou kunnen zijn.

Nochtans, wie graag wil weten waar dit merkwaardige neologisme vandaan komt, of wie het begrip ooit gelanceerd heeft en waarom, die kan zonder veel moeite de geschiedenis ervan natrekken. Voor veertien dagen stond hier al een aanzet daartoe: Mijnheer Vermeersch zevert.

De term weerstaat slecht aan analyse, zoveel is duidelijk. Om te beginnen aan taalkundige analyse niet, en nog slechter aan inhoudelijke analyse. “Islamofobie” wordt altijd in moreel afkeurende zin gebruikt, maar een fobie is een ziekteverschijnsel en moreel gesproken is een ziekte niet verwerpelijk.

Nu kun je zeggen: als het kind maar een naam heeft. Maar dan moet je minimaal toch weten over welk kind je het hebt. Eenzelfde naam voor een hoop kinderen schept verwarring.

Met het oog op intellectuele zindelijkheid zouden de journalisten en politici beter een ander woord in gebruik nemen, en ik wil voorstellen: islamospernie. Hier geen Griekse uitgang zoals “fobie”, maar een Latijnse, afkomstig van het werkwoord “spernere”: versmaden, afwijzen, verwerpen, geringschatten. Meteen is de morele afkeuring in de term zelf dan inbegrepen. 

Hij zou bijvoorbeeld goed toepasbaar zijn op Gustave Flaubert die in 1878 in een brief aan madame Roger des Genettes schreef dat hij “in naam van de Mensheid” graag zou zien dat de zwarte steen van Mekka vergruizeld, en het graf van Mohammed geschonden werd. “Op die manier zou men het Fanatisme kunnen ontmoedigen”, besloot hij.

Klaarblijkelijk vergat Flaubert dat Mohammed, gezeten op zijn paard ten hemel is opgenomen, en het paard zelf ook trouwens (al stierf hij daarna ook nog eens voor echt, gewoon in zijn bed, en moet bestaat er dus ook een graf bestaan).

Gustave was zo te zien niet bang van de islam, maar van iemand die niet geïnteresseerd is in de historische feiten rond deze leer kun je in elk geval zeggen dat hij blijk geeft van islamospernie.

Toch zou het jammer zijn, mocht de term “islamofobie” totaal verdwijnen. In beperkte zin blijft hij bruikbaar, bijvoorbeeld voor mensen die heel bang zijn voor het woord “islam” zelf.

David Cameron, met zijn “sickening individuals”, of Rik Coolsaet, met zijn ontkenning van het bestaan van al Qaeda, of zelfs Ruth Joos die laatst donderdag op Radio1 in een gesprek van bijna tien minuten over de islamitische moordaanslag in Londen over alles en nog wat kwetterde en zuchtte en babbelde, maar het woord “islam” angstvallig heeft kunnen vermijden.

Drie duidelijke gevallen van islamofobie.


18 mei 2013

Kleutergeld


Een vraag die de burger kan kwellen, is of de koperen eurocentjes behouden dienen te blijven of beter verdwijnen. De ernstigste krant van Vlaanderen, De Tijd titelde woensdag op pagina 8: “Europa wikt toekomst van verguisde eurocentjes”.
Een grote charme van die krant is dat hij een formaat heeft dat meerdere titels op één pagina toelaat. De lezer kan een keuze maken. Op dezelfde pagina kon je bijvoorbeeld ook lezen over Zwitserse banken, over de begroting van de EU, over die Syrische rebel die zijn tanden in een vijandelijk hart had gezet, over de actrice Angelina Jolie die aan de foto te zien haar lippen heeft laten bijvullen, over de Fitch-rating van Griekenland en over de Chinese troostmeisjes die in de Tweede Wereldoorlog de dappere Japanse soldaten ten dienste stonden.

Wij zullen ons enkel met de koperen muntjes bezighouden. Het slaan van die muntjes is een verlieslatende zaak zegt De Tijd. Enkel het aanmaken ervan heeft ons al één komma vier miljard euro gekost.

Akkoord, hun titel was licht misleidend want het artikel ging helemaal niet over het continent Europa maar over de EU, en binnen die EU dan nog enkel over de malheureuze eurolanden. Wel blijft de vraag wat zo’n centje echt waard is, en waar die waarde op berust.
Economisten vandaag geven allerlei antwoorden. Ze spreken over productiekosten, metaalwaarde, de tijd die winkeliers verliezen met het innen en wisselen van die muntjes. Dat zijn uiteenlopende dingen maar iedereen die geen economist is, voelt aan dat de redeneringen enigszins mank lopen en niet veel méér voorstellen dan wat je bij de bakker of in de krantenwinkel hoort. Hoe zijn ze aan hun som van 1,4 gekomen bijvoorbeeld?

In 1751 verscheen er, zogezegd in Milaan maar eigenlijk in Napels een boek, Della Moneta, waarin de waarde van geld, dus van goud, zilver, koper en papier op een heldere manier uit de doeken werd gedaan. Dat was eerder nooit gebeurd maar halfweg de XVIIIde eeuw was er een sterke toename van de geldhoeveelheid in allerlei vormen, echt geld, fiduciair geld, en de nood aan een algemene theorie werd duidelijk want noch de kleine man, noch zelfs de bankiers van die tijd snapten wat er allemaal aan de hand was. Wat zijn onwetendheid betreft, kan onze graaf Lippens dus naar illustere voorgangers verwijzen.

Maar de auteur van Della Moneta, Ferdinando Galiani, was toen pas 22 en hij besefte dat 22 te jong is om door iemand ernstig te worden genomen. Hij legde het nu zo aan dat zijn boek zogenaamd door een onbekende zestigjarige was geschreven, iemand die alles eerder had meegemaakt. Galiani liet op het titelblad trouwens ook 1750 drukken en niet 1751.

Zijn boek was een geweldig succes. Stukken eruit werden vertaald in het Frans, Engels, Duits. Men zocht verwoed naar die zestigjarige auteur, maar vond hem niet. Nog binnen het jaar kwam het bedrog aan het licht en Galiani was op slag een wetenschappelijke ster. Overal moest hij lezingen geven. Turgot, en veel later nog Marx en Schopenhauer citeerden hem.

En in 2005 verscheen er voor het eerst een volledige en prachtige Franse vertaling, met op de even bladzijden de oorspronkelijke Italiaanse tekst.

Het wonderlijke van Galiani is dat hij in al zijn helderheid ook nog bijzonder grappig is. Over de waarde van geld geeft hij XVIIIde eeuwse salonconversaties weer, die je zo herkent. Zekerheden biedt Galiani niet –hij is een wetenschapper– en sommigen vonden hem daarom cynisch.
Maar dat het niet zo eenvoudig in zijn werk gaat met het afschaffen van kleine koperen muntjes, dat lezen we met veel plezier in zijn boek.*


De la Monnaie/Della Moneta
Édité et traduit sous la direction de André Tiran
Traduction coordonnée par Anne Machet
Ed. Economica, Paris, 2005

* Alleen al de beginzin van boek één: J’ai décidé d’écrire et, selon que mes forces et mon talent le permettront, d’éclairer la nature et les qualités de la monnaie […].

15 mei 2013

L'état du dossier di Rupo


Ik heb altijd gedacht dat men di Rupo beter in het Frans kon interviewen, omdat de man geen Nederlands verstaat en nog minder kan spreken, maar nu blijkt het ook in het Frans niet mee te vallen. Hier is wat onze (je hoort dat bezittelijk voornaamwoord vaak op de Vlaamse zenders, en waarom ook niet) premier antwoordde op een vraag van een Luxemburgse journaliste, over de veiligheid van de kerncentrale in Tihange:

Alors que, c’est, tout ce que vous pourriez, zwzwz, qu'appelez-vous le problème de Tihanch [prononciation particulièrement belge de Tihange]. Je vais demander, hihihihi, je vais demander à la ministre de l’intérieur de vous répondre. Je suis ravi et je vous remercie de cette question, mais je, qu'est-ce que seulement dirais-je là, le caractère, euh euh comment, aussi percutant est inhabituel, mais ce n’est pas, ce n’est pas grave. La ministre connaît parfaitement la situation et va vous indiquer l’état du dossier.


Juncker, zelf ook geen grote democraat, keek toch wat verbaasd.





P.S.: "lou ravi", "le ravi": figuurtje van de Provençaalse kerststal. Een santon die de eenvoudige van geest voorstelt, de dorpsgek die nooit iets in te brengen heeft maar opgetogen is als hij erbij mag zijn; wordt voorgesteld met de armen opgestoken, "en ravissement".

8 mei 2013

“Islamofobie” bestaat binnenkort 10 jaar


Het wordt steeds moeilijker om een antwoord geven op de vraag wat nu de allerdomste, of de meest onbeschofte zin is die ooit uit de mond van Bert-A van de sp.a is gekomen. Muzikanten zullen hem misschien kwalijk nemen dat hij niet weet hoeveel mensen er in een kwintet zitten, maar dat is nog tot daaraan toe. Anderen zullen opmerken dat hij als enige de roman “De Nachten” van Gerard Reve kent, maar ook dat is niet erg. Niemand kan alles weten, en niet iedere kop bevat precies evenveel. “Il faut de tout pour faire un monde”, zegt de Fransman. “God moet zijn getal hebben”, zeggen wij.

Maar een zin als: “Mijnheer Vermeersch, je doet, je doet aan euh, euh kom, ge zijt aan het zeveren, ge zijt ónvoorstelbaar aan het zeveren”, is van een heel andere orde. Hier is het geen kwestie meer van verstand of gebrek aan verstand. Hier gaat het over beschaving.
Te zijner verontschuldiging: Bert-A zat in zijn tv-gesprek met Etienne Vermeersch enigszins in de nesten, want hij wilde het over “islamofobie” hebben maar kon die term niet duidelijk uitgelegd krijgen.
Toch vond Bert-A dat de professor zelf aardig in de buurt kwam van zijn intuïtieve begrip:

Bert-A: Ja maar, chô, nogmaals, het is niet aan mij om te gaan bepalen of mijnheer Vermeersch islamofoob is, ik heb het gevoel dat hij alles doet om islamofoob over te komen.
Prof. Vermeersch: Nee.
Bert-A: U doet er alles aan, jawel, jawel, u doet er alles aan, jawel. […] Je hebt een hemels genoegen om mensen te kwetsen.
Prof. Vermeersch: De islam is geen mens, maar een systeem. 



Nu is een definitie van “islamofobie” helemaal niet zo moeilijk te vinden, en alvast een doctorandus mag daartoe in staat worden geacht zelfs als het een doctorandus is die de vormen “jij”, “gij” en “u” niet uit elkaar weet te houden.
Laten we hem even helpen, en bijna tien jaar in de tijd
teruggaan.
In 2004 was Turkije gastheer van de 31ste zitting van de Islamitische Conferentie der Ministers van Buitenlandse Zaken, en daar kreeg het begrip “islamofobie” een soort definitie. Deze conferentie van 53 landen, waaronder enkele van de meest wrede dictaturen op aarde, vond dat het begrip “mensenrechten”, zoals bijvoorbeeld de UNO dit hanteert, ondergeschikt moest blijven aan de sharia, die immers van goddelijke oorsprong is. Gastheer Recep Tayyip Erdoğan zei bij deze gelegenheid dat de sharia een “waardevolle verrijking” was voor het begrip mensenrechten, en hij steunde dus een resolutie waarin de EU als “islamofoob” veroordeeld werd omdat de EU de steniging verwerpt. Dat was beledigend voor de islam, een duidelijk geval van “islamofobie”.

Nu goed, dat weet Bert-A allemaal niet, want ik neem aan dat ook hij de steniging hier niet ingevoerd wil zien. Misschien leert onze man wel iets uit de volgende paragrafen, geschreven door de geleerde broer van Gerard Reve, Karel namelijk.

In 1990 bestond de term “islamofobie” nog niet, maar wat Karel van het Reve toen schreef, zou daar nu zeker onder vallen: 

Stel iemand zegt of schrijft iets smalends en lasterlijks over Neptunus? Of over Tiberius? Tiberius is na zijn dood tot god verklaard. Caligula al tijdens zijn leven. Moet daarom het uitgeven van Tacitus en Suetonius verboden worden door de rechter?

In Dantes Inferno (XXVIII, 22sqq.) wordt Mohammed telkens opnieuw van kop tot kont door een zwaard gespleten, zodat zijn darmen ('l triste sacco/che merda fa di quel che se trangugia': de treurige zak die poep maakt van wat hij opslokt) uit zijn lijf hangen. Smalende laster zou ik zeggen. Moeten wij er nu begrip voor hebben als Dantes graf in Ravenna door gekwetste volgelingen van de profeet verwoest wordt? […]
Dat mensen goden en profeten willen aanbidden, al dan niet met gebruik van afgodsbeelden, is hun zaak. Maar anderen moeten de volle vrijheid hebben om daar smalende en lasterlijke opmerkingen over te maken. Natuurlijk is het onaardig om voortdurend gelovigen te pesten, en het is redelijk om iemands lichtgeraaktheid te ontzien, of het nu zijn gedichten, zijn moeder, zijn god, zijn inkomen of zijn oorlogsverleden betreft – maar je mening moet je kunnen zeggen, ook op smalende toon, lichtgeraaktheid of niet.



De Ondergang van het Morgenland
G.A. van Oorschot, Amsterdam 1990, pp.197-8
en in: Verzameld Werk, deel 6, Amsterdam 2011, pp.352-3


1 mei 2013

Willem-Alexander vertelt


Tot voor kort kenden de meesten onder ons, Belgen, Willem-Alexander enkel als de man van de mooie Maxima. Enkelingen hadden misschien ook weet van hun drie mooie dochtertjes.

Maar hier volkomen onbekend is het, dat deze Willem-Alexander het als zijn plicht beschouwde om zijn kindjes elke avond, terwijl zij in hun bedjes lagen, een stukje uit de Vaderlandse Geschiedenis te verhalen. Het schoolse onderwijs vertrouwde de prins namelijk niet, en zeker geschiedenisles gaf hij liever zelf want, vond hij: 

Dat alles is zoals het is,
komt voort uit de geschiedenis. 

Deze prinselijke vertellingen zouden voor altijd verloren zijn gegaan –wij zouden er nooit iets van vernomen hebben– als niet de dichters Jean-Pierre Rawie en Driek van Wissen ze voor ons hadden opgetekend.
Ze deden dat in drie bundels. Eerst in “De Opkomst van de Nederlandse Republiek”, dan in “De Gouden Eeuw” en tot slot in “Van Willem III tot Willem III”, dat begint in 1672 en eindigt in het revolutiejaar 1848.
Die eerste twee deeltjes zijn uitverkocht. Ze verschenen bij Bert Bakker, 2005 en 2007. Prometheus gaf deel drie uit, en dat is nog voorradig. Samengenomen hebben wij nu de “Rijmkroniek des Vaderlands”.
Door het schielijk overlijden van Driek van Wissen in 2010 komt er helaas geen vierde boekje meer, maar in deel drie geeft Willem-Alexander aan ons Belgen een afdoende verklaring voor de Secessie van 1830: . “omdat het hun aan brein ontbrak”.
En hij verduidelijkt: 

 …in Brussel liep het schorem
na het horen van een opera

(waarin opstandig zaad gezaaid
en luidkeels oproer werd gekraaid)
zomaar de straat op. En het tuig
ging met gesakker en gejuich
zich aan misplaatst geweld te buiten:
gestenigd sneuvelden de ruiten… 

Willem III had de noodlottige scheiding van Zuid en Noord wellicht nog kunnen voorkomen, als niet de snode Franse koning Louis-Philippe toen had ingegrepen:

Hij wilde tussenbeide komen
en koos als Fransman arrogant
de Belgische verkeerde kant.
Zo raakten wij, de prins ten spijt,
de helft van onze natie kwijt
en stortte buitenlandse druk
de Belgen in het ongeluk,
want tot op heden zitten die
nog met de Duitse dynastie
von Sachsen-Coburg opgescheept
waarmee geen echte Belg echt dweept,
er eventjes van uitgegaan
dat echte Belgen echt bestaan. 

En dan brengt Willem-Alexander een hommage aan een klassiek vers:

Toch werd het Zuiden zonder reden
wreed van het Noorden afgesneden,
maar niet het snijden deed zo’n pijn
als wel het afgesneden zijn.


30 april 2013

Het ene koningschap is het andere niet


“Constitutionele monarchie” is een moeilijk begrip. Je kunt je daar natuurlijk wel iets bij voorstellen, maar vermoedelijk zullen de gedachten dan naar noordse landen gaan.
Het minst noordelijke van die landen is Nederland, waar Willem-Alexander naar eigen zeggen helemaal vrede kan hebben met een louter symbolische rol.
In een land als België is de term puur theoretisch van aard, want de praktijk is totaal verschillend. Dat komt niet enkel omdat de Coburgs algemeen gesproken niet eens de taal van de meerderheid meester zijn of zelfs maar verstaan, en dat helemaal niet nodig vinden, maar ook omdat in dit namaakland de eerste de beste koninklijke kwezel zijn onconstitutionele macht kan laten voelen als hem dat invalt, en kan weigeren om parlementair goedgekeurde wetten te ondertekenen. “De pot op met uw constitutie”, zegt zo'n vorst dan eenvoudig, en daar blijft het bij. Belgen zijn onderdanen, geen burgers.
In Nederland is dat niet het geval, en al in 1836 vinden we daar een illustratie van. De uitspraken van Willem-Alexander over een puur ceremonieel koningschap zijn minder verrassend dan sommigen hier denken.
De voorganger van Willem-Alexander, Willem III, was zelf niet de meest gewillige democraat, maar de voorzitter van de ministerraad toen, Johan Rudolph Thorbecke, had hem toch enkele principes van dat systeem kunnen bijbrengen. Thorbecke was daarvoor hoogleraar geschiedenis geweest in Leiden, en nog daarvoor in Gent, een stad die hij helaas had moeten verlaten na het noodlottige jaar 1830.
Uit een loslippigheid, in 1836, van de Nederlandse ambassadeur in Sint-Petersburg, baron Claude de Heeckeren, weten wij dat koning Willem vond dat zijn kinderen slechte ideeën hadden opgedaan tijdens een lang verblijf aan het hof van tsaar Nikolaas (zijn neef). Zijn kinderen, vond Willem, waren “al te zeer onder de indruk gekomen van militair vertoon, en danig vervuld van absolutistische idealen, wat geen gunstige zaak is in een constitutionele staat.”
Die loslippigheid van de baron, die hij beging in een gezelschap van diplomaten, kwam tsaar Nikolaas ter ore, en van Heeckeren zijn positie werd onhoudbaar, dat spreekt. 
Ook al omdat de baron een kwalijke rol zou hebben gespeeld bij het duel waarin Poesjkin de dood vond –maar dat is een ander verhaal– was de tsaar blij dat hij deze Heeckeren kwijt was.


21 april 2013

Een goede Belg mag slechte verzen maken


Al zijn ze alomtegenwoordig, er zullen ook popmuziekjes bestaan die mij tot dusverre bespaard zijn gebleven. Misschien is dat inbeelding en hebben zij mijn trommelvliezen allemaal al getroffen, maar dan zal ik die ervaringen meteen verdrongen hebben want slagwerk, gitaren en een simplistische, repetitieve tekst maken een mens selectief doof. Laat staan dat die mens nieuwsgierig zou worden naar een titel, een zanger of een componist.

Je hoort bijvoorbeeld ergens een flard: Putain, putain c'est vachement bien, nous sommes quand même tous des Européens. Wie nog een beetje mens is en mededogen kent, gaat dan toch niet op zoek naar de naam van de schuldige?

Charles Aznavour schreef vorig jaar een boekje –D’une porte l’autre, Seuil– met daarin enkele beschouwingen over goede en slechte teksten:

À cette catégorie d’artistes, qui brille par le crétinisme de ses paroles, je ne saurais trop conseiller de revoir son répertoire: des phrases à la limite du non-sens (ou simplement du néant), une versification à faire tourner dans leur tombe les plus grands de nos poètes, tout y passe.
Adieu Ronsard, Baudelaire, Apollinaire, Hugo, Verlaine. Au revoir Brassens, Ferré, Trenet, Gainsbourg. Et tant d’autres…

Nu vraag ik mij af wat Aznavour zou vinden van het volgende versje van zekere Daan: ...la vraie décadence, c’est de ne pas dire ce qu’on pense.

Deze Daan, lezen we bij deredactie.be zingt «…in de taal van Molière, Louis de Funès, Claude François en Michel Houellebecq. De herinnering aan Serge Gainsbourg is soms heel dichtbij.»
Ik begrijp: goed of slecht, zijn plaat zal vaak gedraaid worden.

Volgens De Standaard heeft Daan hier «…zijn grenzen overschreden, zowel van zijn stembereik als van zijn gevoel voor kitsch en humor. […] Tekstueel is het een verwrongen, diepgravende en vaak gepijnigde exegese van de eigen gevoelens.» 

Nog diplomatischer kun je verveling niet uitdrukken.

15 april 2013

Een lichtzinnige professor (caput III)


In de uitzending van het Vrije Woord op Radio1 kwam de toetreding van Kroatië tot de EU aan bod, en ze vroegen daar aan prof.dr. Hendrik Vos wat nu het voordeel van die toetreding zou zijn voor dat land.
Vos, moet u weten, is een specialist ter zake want hij beoefent een bepaalde wetenschap, tenminste als we dat woord in zijn breedste betekenis nemen en de politicologie daar ook bij rekenen, naast misschien de astrologie en de chiromantie.
Deze taxonomische vraag nog daargelaten: Hendrik zei sterke dingen over Portugal en Spanje en Griekenland, maar een duidelijk antwoord op de vraag naar de beweegredenen van Kroatië kwam er volgens mij niet uit zijn mond. Misschien luistert u beter, lezer:



Je merkt als landen lid worden van de Europese Unie dat zij enorm aan, ja aan stabiliteit en democratie winnen, hé! Kijk naar landen zoals Spanje, Portugal, Griekenland. Je merkt ook dat landen als zij lid worden van de Europese Unie over het algemeen ook aan welvaart winnen. Soms is dat een spectaculaire sprong die ze vooruit maken, soms maken ze die sprong snel, soms duurt het wat langer, maar landen …ja worden daarom wel graag lid van de Europese Unie en zijn zelfs bereid om heel veel macht af te staan aan Brussel en Straatsburg om toch maar bij die club te kunnen komen. Dus het moet toch zijn dat ze daar zelf op een of andere manier voordeel in zien.

12 april 2013

Anabaptisten aan het werk


In Gent heeft men –het is te zeggen, heeft het stadsbestuur– al een tijdje de gewoonte aangenomen om aan de oude namen van pleinen en straten, bijvoorbeeld Korenmarkt of Lievekaai, een moderne benaming toe te voegen, iets van eigen vinding.

Zo is er op de Lievekaai al jaren een plaat te zien –net een straatnaambord, ook zwart-wit en zelfde lettertype– en die mooie plek met de wilgenrij heet sindsdien “Kinderrechtenplein”, al is het vanzelfsprekend een kade en geen plein, want als je kinderen onbewaakt op dat plein zou laten spelen, zouden ze nog in het water kunnen sukkelen en in de Lieve verdrinken.

Een dergelijke benaming is een programma op zich, dat spreekt, en op dat bord staat dan ook een hele uitleg die ik u bespaar, lezer.

Ook de Koornmarkt, of Korenmarkt heeft een sentimenteel-moralistische benaming gekregen van onze wederdopers. Op het neogotische postgebouw daar, met die prachtige lokettenzaal vroeger, nu een zompige boel, heeft men een namaakstraatnaambord geschroefd dat zegt: “Plein tegen Zinloos Geweld”.

Misschien hebben de anabaptisten van het stadsbestuur elders in de stad nog wel meer borden vastgeschroefd, en hebben de Gentenaars zonder het te weten nu ergens een “Plein tegen Oorlog”, of een “Straat tegen Honger in de Wereld”? En over het onnozele inschrift dat op het Sint-Veerlepleintje te zien is, hadden we het eerder al. 

Maar dat Gent een prachtige stad is, dat blijft onverkort waar. Ook de onnozelste op- of inschriften kunnen dat niet bederven. Kijk maar naar de Lievekaai, zoals zij vanochtend schitterde in de natte zon. Hoogstens schort hier misschien nog iets aan de vuilnisophaling, want met de zon komen ook de vaste clochards terug, met hun corablikjes, hun hamburgers en hun gelal. Onverdeeld kwalijk kun je hun aanwezigheid overigens niet noemen, want zij houden de toeristen enigszins weg van deze mooie plek.














11 april 2013

Lucratieve jongeren


Op deredactie.be las ik dat de onderzoeker en imam Brahim Laytouss het geen goed idee vindt om de idealistische nieuwe Oostfrontstrijders hun identiteitsbewijs af te nemen. Wat overigens deze Laytouss precies onderzoekt, vernemen we daar niet, en ook lijken ze bij deredactie niet goed verstaan te hebben wat de man op hun eigen radio zei:
"Laytouss waarschuwt dat veel jongeren inventief genoeg zijn om ook zonder identiteitskaart achterpoortjes te vinden om hun papieren in orde te brengen."



Maar
Laytouss heeft het over lucratieve jongeren, niet over inventieve. Nu kan "lucratieve jongeren" eigenlijk niet, want dat woord slaat niet op personen maar wel op ondernemingen, beroepen, beleggingen enzovoort. Goed zou bijvoorbeeld zijn: "Een spaarboekje is heel lucratief".

Als Freud gelijk had met zijn bewering dat versprekingen of Fehlleistungen vaak onbewuste gedachten of wensen of drijfveren aan het licht brengen, dan bedoelde onze onderzoeker-en-imam wellicht te zeggen dat deze jongeren makkelijk aan geld komen en dus ook aan valse papieren.

De jonge Eyskens zegt weer iets


Op zich kan het zeker geen kwaad om af en toe een komische noot in te lassen in een ernstig programma. Integendeel eigenlijk. En of die noot dan van de jonge Eyskens moet komen of van een andere, ongeveer even verstandige prof maakt niet zoveel uit. Als ik bijvoorbeeld moest kiezen tussen Eyskens en ...neem nu Coolsaet, dan zou ik ook onze Mark nemen.
Nee, het was toch die kritiekloze, journalistieke toevoeging aan het eind van Mark zijn gebazel die mij stoorde:

 

Alles slaagde, ook die oorlog met Argentinië, haar economisch beleid had resultaten enzovoorts, maar: ze werd arrogant, euh, een beetje machts-dronkennn, ze kreeg onfeilbaarheidsss-gevoelens!
En das gevaarlijk hé! 

Misschien had die brave jongen, gesteld dat hij daarvan op de hoogte was, aan deze ijdeltuit ook iets kunnen vragen over Bobby Sands? Of nee, liever niet want dan komen we weer gevaarlijk dicht bij thema's die, hoewel minder scherp, ook hier gevoelig liggen voor zijn stervende partijtje.


6 april 2013

Quaregnon of Knokke ?


De Tijd geeft elke week ruimte aan Rik Van Cauwelaert voor zijn opiniebijdrage “Paleis der Natie”. Vandaag is de titel van zijn stuk:
“De SP.a en de oude waarden”. Het staat op pagina 15 en gaat over de problemen van een partij die “haar ijkpunten kwijt is”.

Van Cauwelaert begint met een oud citaat van Mark Elchardus, die het toen had over globalisering, vrije markt, migratie en dergelijke. Allemaal zaken die bij het intussen verdwenen traditioneel-socialistische kiespubliek moeilijk lagen, maar niet bij de partijleiding. Rik Van Cauwelaert:

Voorzitter Steve Stevaert wilde het socialisme gezellig houden. En gezellig is het nog steeds voor de kosmopolitische elite die dagelijks in verbinding staat met de rest van de wereld, zoals beschreven door Elchardus’ Berkeley-collega Manuel Castells.

Maar, is dat wel zo? van die kosmopolitische elite die zich kostelijk vermaakt? zou die echt bestaan? Voor een antwoord op deze vragen moeten we even opzij kijken en pagina 14 lezen, links bovenaan.

Want, op bestelling moet je haast geloven, illustreert daar Frank Van Massenhove –baas van de Sociale Zekerheid– de reëel bestaande Stevaertse socialistische gezelligheid.

Columnist Frank heeft namelijk in Knokke een tapasbar ontdekt, en hij kan zijn kosmopolitisch enthousiasme niet op: “...een tapasrestaurant dat je eerder in Downtown San Francisco of het Londense West End zou verwachten.”

Hij roemt en looft en prijst de Knokse koks, vergelijkt hen met stervoetballers, met deejays, met alles en nog wat, want zo’n column moet een bepaalde lengte hebben en met enkel tapas lukt dat niet. Ook het grootste schrijftalent zou dan passen.

De columnist noemt zijn tapaskoks –en meteen ook die diskjockeys– “het prototype van de nieuwe entrepreneur. […] Ze zijn passie én fun, ze zijn van hier maar nog meer van de wereld.”

Knokke is zo te zien een betere plek dan Quaregnon om aan een nieuw charter te werken.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html