4 april 2008

De as van het goede

.
Onderstaande tekst werd onder pseudoniem gepubliceerd. Dat enkele feit zou elke beschaafde Europeaan met afschuw moeten vervullen. Maar het ziet er niet naar uit dat onze politici of dhimmi-journalisten hier zelfs kennis van zullen nemen.






Gastauteur

René Marcus

“Dood hen!”

De film “Fitna” van Geert Wilders werd in het Westen hevig bekritiseerd. De prent van de Nederlandse politicus zou aanzetten tot haat, door de islam valselijk met geweld gelijk te schakelen. Deze verwijten zijn onterecht, zoals de studie van de koran aantoont.
Zelden was bij de goedmenenden de verontwaardiging zo eenstemmig. En zelden was ze zo ondoordacht. Lang voor ook maar iemand de aangekondigde islamkritische film had gezien, werd hij driftig afgekeurd en werd de naam van de auteur, Geert Wilders, niet meer zonder het lasterlijke bijvoegsel “rechtspopulist” uitgesproken.
Toen de 16 minuten durende film met de titel “Fitna” – fitna betekent verwarring, tweedracht, burgeroorlog, ook verlokking tot afval van het ware geloof – eindelijk op het internet getoond werd, haastten de verzamelde buitenlandministers van de EU zich om er afstand van te nemen: hij was voor niets anders goed dan om “tot haat aan te wakkeren”. De secretarisgeneraal van de VN, Ban Ki Moon, ontpopte zich als ’s werelds opperste filmcriticus en kastijdde het geesteskind van Wilders “in de scherpste vorm”. Dat de Britse provider na korte tijd “Fitna” weer van het web moest halen wegens ernstige moorddreigingen tegen zijn medewerkers, was de bezorgde behoeders van de vreedzame dialoog en het wederzijds respect evenwel geen protest meer waardig.
En wat vertoont de film van de Nederlandse “rechtspopulistische Wilders”? “Fitna” keert zich hartstochtelijk tegen die moslims die een totalitaire theocratie willen oprichten, die echtbreuk met steniging willen bestraffen, en aan wie bij homoseksualiteit niets anders wil invallen dan de doodstraf. De film stelt diegenen aan de kaak die met plakkaten demonstaties houden tegen de vrijheid, en voor het doden van ongelovigen, hij mobiliseert tegen mensen die Adolf Hitler vereren en jodenhaat prediken. En met citaten staaft hij, dat fanatici zich bij hun acties op de koran kunnen beroepen.
Anders dan de politici en journalisten die hem luidkeels bekritiseren, loopt de liberale afgevaardigde Wilders een dodelijk risico. Zonder lijfwachten kan hij zich al lang niet meer bewegen. Eigen schuld, is de onderliggende boodschap van hen, het weekblad Der Spiegel bijvoorbeeld, die hem verwijten met zijn “woeste collage van horror- en karikatuurbeelden van de islam” de gevoelens van de moslims moedwillig te kwetsen.
Maar ook al brengt Wilders zijn boodschap gevat en verkort, zij wijst op een probleem waarvan in onze democratieën nauwelijks iemand zich bewust is: de theologische verbanden bij het moorden in naam van de islam.
Al die plotse islamkenners, die Wilders “knoeiwerk” veroordelen, en die menen te weten dat de werkelijke islam de vrede predikt, die nodig ik uit om de koran te lezen. De koran, het Heilige Boek van de moslims, is een boek waarin “qtl”, de werkwoordstam van “doden”, 187 maal voorkomt, waarvan 25 keer in de imperatief (bv sura 4, 89 en 91; sura 9, 4 en 14 en 29). Het citaat “Dood hen, waar je hen vindt!” is uit een verband genomen, waarin het uitstekend past. In de koran worden allen die ongelovig zijn voortdurend en telkens weer met “verschrikkelijke straffen” bedreigd. De wortel “db”, “straffen, straf” komt 400 keer voor in de koran.
Wilders citeert uit sura 4,56, waar het heet: “Zie hen, die niet aan onze tekenen geloven, boven vuur zullen wij hen roosteren. Telkens als hun huid gaar is gebraden, vervangen wij die door een nieuwe huid, zodat zij hun straf ten volle doorstaan. Zie, God is almachtig, alwijs.”
Uit de context gerukt? Obsessief hamert de koran bij de lezer in, hoe verschrikkelijk de straffen zijn die de ongelovigen in de hel zullen moeten doorstaan. Immer nieuwe folteringen worden met sadistische nauwkeurigheid beschreven. De verwisselbare huiden in het aangevoerde citaat zijn maar een voorbeeld. De lezer kan ook informeren naar de rotte vruchten van de Zaqqûmboom, het vloeibare erts en de gloeiende poken die hem in de hel wachten (sura 4, 51 e.v.; 22, 19 e.v.; 37, 64 e.v.; 44, 43 e.v.; 56, 55).
Mag ik de moslims dan misschien vragen: “Hoe gaan jullie hiermee om? Wat gaat er om in het gemoed van kinderen die dit boek overal ter wereld in koranscholen van buiten leren?”
De militante Oer-Islam
Religie, geweld en politiek: in het eertijds christelijke Avondland hadden wij het al lang verleerd om nog een samenhang tussen deze terreinen te zien. Maar de wederopstanding van een militante oer-islam heeft ons met brutale duidelijkheid voor ogen gebracht dat die samenhang er wel degelijk nog altijd is, zoals al duizenden jaren.
Dat zulks bij ons niet meer als zodanig ervaren wordt, ligt hieraan dat het de voorvechters van de Vrijheid en de Verlichting na eeuwenlange gevechten met de kerkelijke autoriteiten gelukt is om de giftige angel uit de religie te trekken. Van christelijke kerken gaat al sinds lang geen gevaar meer uit. Dus, menen wij, zal dat bij alle religies wel het geval zijn, want ten gronde is religie iets goeds denken wij. Is dat ook zo?
De islam drijft de absoluutheidsaanspraak van het jodendom en christendom op de spits. Als “zegel der profeten” (zoals Mohammed van zichzelf zegt) verheft hij zijn aanspraak, de verkondiger te zijn van de definitieve waarheid, zo absoluut en onwederroepelijk als geen andere godsdienststichter. Dat hij oproept tot gewapende strijd, tot het doden van de ongelovigen, is logisch, temeer daar oorlog tussen vijandige stammen voor een Arabier in die tijd even vanzelfsprekend bij het leven hoorde als het dagelijks brood.
In tegenstelling tot Jezus, Boeddha enz., was Mohammed een generaal die zijn troepen ten oorlog leidde. “Dood hen waar je hen vindt!” – voor een Arabier die in de woestijn dagelijks moest vechten voor overleving bevatte zulke oproep weinig schokkends.
Aan deze kwestie zit maar één beslissend bezwaar: de koran is, zoals de moslims zichzelf zien, niet zomaar een boek, niet een historisch werk met eventueel museale waarde, maar de onmiddellijke incarnatie van God. De oertekst van het Heilige Boek berust sedert het begin der tijden in Gods schoot. Geen letter kan aan de heilige tekst veranderd worden, geen syllabe weggelaten, geen woord geëlimineerd, tot aan het Jongste Gericht.
De christenen onder ons geloven dat God in een mens geïncarneerd is; moslims geloven aan Zijn incarnatie in een boek. Het is een “boodschap van de Heer der Werelden” (sura 32,2), “het boek waarin geen twijfel is” (sura 2,2). Wat dan gedaan als in zulk boek verkondigd wordt: “Dood hen!”
Natuurlijk verwijst Mohammed hiermee naar de ongelovigen die in zijn tijd de jonge religie het leven zuur maakten. Maar verwijst hij dan ook naar de ongelovigen van alle tijden, en alle plaatsen? In dit boek, dat voor alle tijden en plaatsen gelding bezit?
Men kan het zo interpreteren. Men hoeft geen bocht te maken om het zo te verstaan. Onverschillig wat Mohammed in werkelijkheid gepredikt of verricht heeft, onverschillig of hij echt bestaan heeft, of de koran historisch van hem afkomstig is, of – wat vele Westerse vorsers vandaag aannemen – van een geniale volgeling, dit Godswoord staat daar, voor alle tijden.
De koran in zijn canonieke vorm, onveranderlijk, onbetwijfelbaar, onaantastbaar. Hij wordt uit het hoofd geleerd van de eerste tot de laatste zin, met een vuur dat wij hier te lande ons niet meer voor kunnen stellen.
En er staat vele malen: “Dood hen! Dood hen! Dood hen!”
Jezus zegde: “Steek uw zwaard in de schede [Joh 18:11]. Hebt uw vijanden lief [Mat 5:44, Luk 6:27]”. Zulke zaken moet je verdringen als je tot de kruistocht wil oproepen. Mohammed zegt: “Dood de ongelovigen!” Dat heeft geen verdringing nodig. Wat hier gepredikt wordt is oorlog en geweld.
Natuurlijk kun je, moet je zeggen: Dat hoort bij die tijd, vandaag zijn de omstandigheden volledig anders dan ten tijde van de profeet. Elk verstandig mens doet dat, iedere normale moslim denkt zo. Maar, is het wel toegestaan om zo te denken? Mag men Gods woord relativeren?
Telkens weer breekt uit de diepte der tijden de oorlogszuchtige, gewelddadige boodschap los van de oer-islam. De intelligenten en verlichten onder de islamitische theologen vandaag weten natuurlijk dat men zich niet kan beroepen op het tijdvak van de profeet om tegenwoordige gruweldaden te billijken. Maar die theologen zijn niet zichtbaar. Kritische geesten worden in de islamitische wereld geïntimideerd door dreiging met fysiek geweld, en zij worden aangevallen of zelfs gedood.
Een moefti is iemand die fatwa’s uitvaardigt. Waar zit de moefti die luid kenbaar een fatwa uitvaardigt tegen het moorden in naam van de islam? Bij Salman Rushdie was de fatwa snel klaar. De auteur moest vanwege enkele passages in zijn roman jarenlang ondergronds gaan en met politiebescherming leven, omdat hij door invloedrijke geestelijken vogelvrij was verklaard.
Als het werkelijk zo is dat al-Qaida de koran vervalst en de islam verraadt, waarom verheft zich dan niet één moefti, die een fatwa uitvaardigt tegen Osama Bin Laden? Waarom wordt die ongelovige niet “tot ongelovige verklaard” (takfîr in het Arabisch)? Is Osama Bin Laden een vrome moslim? Of perverteert hij de boodschap van de profeet? Als hij die perverteert, dan moet hij per fatwa uit de gemeenschap der gelovigen gestoten worden. Indien niet, is er dan niet met die boodschap iets grondig mis?
In de naam van God, de Genadige
Wat wij in de allereerste plaats van moslimgeestelijken verwachten, zijn klare, duidelijke, openlijke antwoorden op dergelijke vragen. De discussie met de islam is niet in eerste instantie een sociaal, etnisch of cultureel (laat staan militair) probleem; het gaat om de theologie, want het menselijk denken en handelen berust op intellectuele en geestelijke grondslagen.
Aan het eind van zijn film roept Geert Wilders de moslims op de aanstootgevende bladzijden uit de koran te scheuren. Wellicht hoeven zij die bladzijden er niet echt uit te scheuren, het volstaat al om consequent historisch te relativeren.
Onnadenkend verder doen met hun boek kunnen de moslims niet, noch de gevaarlijke bladzijden simpelweg ongemoeid laten. Van op elke kansel, in elke koranschool moeten geestelijken verkondigen dat de profetische openbaring met tijdsomstandigheden samenhangt, zoniet zullen er telkens weer jonge, beïnvloedbare mensen de bloedige oproepen tot moord letterlijk nemen.
“In de naam van God, de Genadige en Barmhartige” – dat is het motto van de islam; deze woorden zijn het die 113 en 114 van de sura’s inleiden, en die elke moslim zijn leven lang op de lippen en in het hart heeft. Op deze grondslag is een islamitische theologie van de vrede mogelijk.
Niet mensen die een discussie aankaarten zijn het probleem, maar mensen die blind moorden of tot moord ophitsen. Niet Geert Wilders, maar Osama Bin Laden.

De auteur is professor aan een gerenommeerde Europese universiteit.
Uit veiligheidoverwegingen schrijft hij onder pseudoniem.

1 april 2008

Henryk M. Broder over Fitna

.


Het debat rond de video van Wilders

Een populist die er geen is

Een rechtspopulist – wat mag dat toch zijn? Als het slaat op zijn videopamflet “Fitna” is de Nederlandse politicus Geert Wilders er alleszins geen, zegt Henryk M. Broder: het debat over de film heeft in de eerste plaats de lafheid van het Westen tegenover de islam ontmaskerd.

Op elk potje past een dekseltje, en voor elkeen die uit de pas danst wordt een etiket op maat gesneden. Vandaag is het begrip “rechtspopulist” in de mode.
Her en der lees je dat het Hollandse Kamerlid Geert Wilders er zo eentje is, maar je vindt nauwelijks een reporter of commentator die de moeite neemt om aan zijn luisteraars of lezers te verklaren wat een “rechtspopulist” dan wel is. Waarin die zich precies onderscheidt. Waarin hij bijvoorbeeld zou verschillen van een “linkspopulist”.
Geert Wilders mag veel zijn – zelfbewust tot aan de grens der ijdelheid, éénkennig tot aan de rand van de eigen liquidatie. Een “rechtspopulist” is hij echter niet.
Ten eerste is hij een radicale liberaal, en ten tweede is wat hij doet net extreem impopulair. Pim Fortuyn al, de politicus die zes jaar geleden door een fanatieke dierenrechtenactivist werd vermoord, gold als “rechtspopulist”. Hij was zeer populair inderdaad, weliswaar niet omdat hij “rechts” was, wél omdat hij onverschrokken wees op feiten waar de traditionele elites van de Nederlandse samenleving hardnekkig naast keken.
Het label “rechtspopulist” heeft vandaag eenzelfde diffamerende functie als “communist” in de vijftiger en zestiger jaren, “fascist” in de jaren zeventig en tachtig, of “klimaatnegationist” vandaag. Elke inhoudelijke toelichting wordt afgehouden, en de dragers ervan zijn als enigen verantwoordelijk voor de gevolgen van hun daden.
Als fanatieke moslims vanwege Wilders zijn film “Fitna” gaan doldraaien, dan komt dat niet door hun verstoorde relatie met godsdienst- en meningsvrijheid, maar ligt het hieraan dat zij door Wilders beledigd en geprovoceerd worden.

Presentator schuift informatie onder tafel

Ook Tom Buhrow vond het vorige vrijdag dus helemaal normaal om “Tagesthemen” in te zetten met een bericht over de “islamvijandige video van de Nederlandse rechtspopulist” Geert Wilders – alsof er in de overigens geheel censuurvrije Bondsrepubliek een instantie bestond die bevoegd was voor het correcte taalgebruik in euro-islamitische aangelegenheden. Volgde dan een verslag over de bedaarde reacties bij Nederlandse moslims, die in hun cafés zitten en volkomen vredig koffie drinken, terwijl Wilders buiten voor onenigheid zorgt.
Dit stuk werd door Buhrow ingeleid met volgende zin: “De messen worden wel degelijk gewet, maar enkel voor de döner”, en hij vergat daarbij te melden dat “Fitna” op dat moment al niet meer te zien was op de portaalsite van “Live Leak”. De Britse provider had moordbedreigingen ontvangen, die hij al even ernstig inschatte als ze bedoeld waren – geen irrelevante informatie, die de anchorman van de ARD weliswaar onder zijn presentatortafel liet vallen om de kijkers niet met zulke finesses van de wijs te brengen.
Zo gezien is het ook Wilders’ eigen schuld dat hij nu de klok rond politiebewaking nodig heeft en elke nacht op een andere plek moet slapen. Zijn privéleven zou niets te lijden hebben gehad als hij ruzie had gezocht met de Bond der Hollandse Bloemenkwekers.
Helaas moeten wij in dit verband er op wijzen, dat het niet zijn obsessieve vermetelheid is die Wilders van zijn privéleven heeft beroofd, maar het feit dat hij in herinnering heeft gebracht hoe en waarom de regisseur Theo van Gogh werd vermoord: door een in Holland geboren moslim van Marokkaanse afkomst, die wellicht óók graag op café ging en vreedzaam koffie dronk, tot de ochtend dat hij overging tot zijn bloedige daad en de “provocateur” van Gogh ombracht, die vandaag wellicht nog in leven zou zijn als hij niet de lichtzinnigheid had gehad om een “islamvijandige” film te draaien.

Eenzijdige feiten?

Een troost hierbij is dat Wilders “niet de fout” beging “die Theo van Gogh maakte, die de seksualiteit in verband bracht met de koran”, hetgeen bij de “minder gematigde moslims” toen niet goed is aangekomen; want dat had “het risico van een ontploffing …met zekerheid verhoogd”, schrijft een moslima op SPIEGEL ONLINE, terwijl zij zich door Wilders niet beledigd voelt, en zo ver gaat om vast te stellen dat Wilders “in zijn film eigenlijk enkel feiten [toont] – alleen doet hij dat nogal eenzijdig”.
Nog afgezien daarvan dat het een beetje overdreven lijkt om iemand om te brengen enkel vanwege een “fout” – is het wel mogelijk om feiten anders dan eenzijdig te brengen?
Zou er overigens bij de moord op Theo van Gogh, de onthoofding van Daniel Perle, de executie van een vrouw in het stadion van Kabul, het ophangen van homoseksuelen en het stenigen van echtbreeksters in Iran enig perspectief bestaan dat niét eenzijdig is?
Zou men, in deze gedachtegang, en om geen eenzijdig beeld van de feiten op te hangen, bij vliegtuigongelukken niet telkens er op moeten wijzen dat zoiets niet elke dag voorkomt, en dat de meeste toestellen gewoon op een rijtje landen?
Wilders is net zo “eenzijdig” als elke documentairemaker die de werkelijkheid condenseert. Zijn film is net zo “islamvijandig” als de films van Michael Moore “kapitalismevijandig” zijn. De vijandigheid zit niet in het oog van de toeschouwer, maar in de aard van het beschouwde onderwerp.
Tot de ritualen waarmee woordvoerders van de moslimgemeenschap reageren op de vaststelling dat de islam niet volstrekt, en niet altijd een religie van de vrede is, behoort steevast de dreiging met geweld voor het geval deze belediging niet wordt teruggenomen – onverschillig of het nu de Paus, een politicus of een poëet betreft.

Dreiging volstond

Maar Wilders heeft zich bezondigd aan nog een ander vergrijp tegen de heersende consensus. Hij heeft het initiatief genomen, hij heeft geageerd in plaats van te reageren. Al van toen hij zijn film aankondigde, drie maand geleden, bepaalt hij de gang van de discussie, drijft hij zijn tegenstanders voor zich uit. Wellicht zou niemand verrast zijn geweest als Wilders dit spelletje had beëindigd met de bekentenis dat er helemaal geen film was.
Want hetgeen hij wilde bereiken had hij met de enkele dreiging een “islamvijandige video” te zullen maken allang bereikt: hij demonstreerde het “Vrije Westen” als papieren tijger.
De Nederlandse regering distantieerde zich van het project, en droeg haar vertegenwoordigers in moslimlanden op om de regeringen ginds voor te lichten over de toestand hier, waar een regering eenmaal niet zo almachtig is als zijzelf wel wensen zou.
De EU wilde iedereen tevredenstellen en benadrukte in een verklaring het grondrecht van de vrije meningsuiting, maar relativeerde dadelijk: “Wij geloven dat acties zoals deze film geen ander doel dienen dan het aanstoken tot haat.” Tot zelfs de secretarisgeneraal van de VN, Ban Ki-Moon ging in het gelid staan en veroordeelde de film van Wilders “in de scherpste bewoordingen”. Voor haatprediking en aanzetting tot geweld bestond er geen enkele verrechtvaardiging. “Het recht op vrije meningsuiting is hier niet in het geding. Vrijheid moet altijd gepaard gaan met sociale verantwoordelijkheid.”
Dat waren klanken waar je vaak vergeefs op wacht als islamisten oproepen tot de jihad, of als fanatici ongelovigen massacreren, of als holocaustontkenners conferenties organiseren.
Het enige objectief immers van al deze oefeningen was om een herhaling van de gebeurtenissen van 2006 te vermijden, toen een dozijn onschuldige mohammedkarikaturen een oppervlaktebrand van rebellie losmaakten van Jakarta tot Rabat. In die dagen riepen veel politici, onder hen Claudia Roth [voorzitster van DIE GRÜNEN], op tot een de-escalatie. De oproep richtte zich niet tot de brandstichters die Deense vlaggen verbrandden en ambassades verwoestten, maar tot de Europeanen die radeloos aankeken tegen het gedoe van Gods krijgers, en die bezorgd waren om niet nog meer olie op het vuur te gieten.
Zo verging het ook toen voor kort nog een argeloze, in Soedan wonende Engelse, een teddybeer de naam Mohammed gaf. Zo ging het ook, toen Salman Rushdie door de Britse koningin tot ridder werd geslagen: moslims wonden zich op, en de Europeanen hielden zich gedeisd tot de storm was overgewaaid.
En nu wordt de “rechtspopulist” Wilders geofferd op het altaar van de appeasement-politiek. Een cineast is hij niet, en zijn film is geen meesterwerk voor de vrienden van de filmkunst. Het is een hardhandige aansporing om tenminste kennis te nemen van de realiteit.
.

23 maart 2008

Listomanie

.
Ontkennen, negeren helpt niet meer: mijn Kwaliteitskrant lijdt al geruime tijd aan de ziekte der listomanie.
Bij listomanie, zoals bekend, begint de patiënt op oncontroleerbare manier lijstjes op te stellen en af te drukken. De volksmond heeft het vaak over lijstergriep. Deze ziekte – een niet-euthanaseerbare vorm van dementie – trof vroeger enkel Vrouwenbladen, en leek daar volkomen benigne. In haar oorspronklijke biotoop vertoonde de listomanie zelfs bepaald charmante trekjes.
Maar na verloop van tijd bleek ook het adolescentenblad Humo getroffen. En daar was het ziekteverloop spectaculair. In geen tijd evolueerde Humo tot een blad voor jong-bejaarden.
Verontrustender: de ziekte der listomanie leek hierna niet goed tot stilstand te brengen. Zij greep integendeel almaar wilder om zich heen, en op dit moment kunnen wij rustig spreken van een pandemie.
Er gaat geen dag meer voorbij, of in de kwaliteitskranten verschijnen er lijstjes met plus/minus, met voor/tegen, op/onder, winnaars/verliezers, stijgers/dalers.

En beperkte de ziekte zich nog tot deze simpele dichotomieën! Helaas blijkt de pathologie een stuk complexer, en een remedie niet voor morgen.
Achteraf is het makkelijk praten, maar historisch gesproken had de bekende onnozele vragenlijst van Marcel Proust ons al een voorteken moeten zijn. Met die lijst zelf was niet zoveel aan de hand, ze was niet pathologisch, eerder onnozel zoals gezegd, maar dat gedurig afdrukken ervan had ons redenen moeten geven om scherper toe te kijken.

Want het resultaat zien we nu: kranten die vier bladzijden vullen met het stellen van deze tien vragen aan massa's ministers en staatssecretarissen, en het allerenigste dat wij uit die vier bladzijden kunnen leren is dat Emma Bovary, de roturière heldin van Gustave Flaubert, in de adelstand is opgenomen. Zij mag voortaan Madame de Bovary zeggen. Tenminste, dat laat op p. 20 de Standaard Weekend verklaren door Laurette Onkelinx.
En natuurlijk heeft ons Laurette dat niet zo gezegd, of het zou mij toch verwonderen, maar wie de redacteur mag zijn die dat wél meende te hebben verstaan, dat kunnen arme Standaardlezers niet achterhalen.
.

18 maart 2008

Balk en splinter

.
Wie over een gemene inborst beschikt, en daardoor van tijd tot tijd de aandrang voelt om iemand de grond in te boren, zo iemand heeft gewoonlijk weinig moeite om een geschikt doelwit te vinden. Zeker als de man ook Vlaamse kwaliteitskranten leest, kan een blinde greep al volstaan, want de ergernis ligt voor het rapen.
Echter, onmiddellijk stelt zich voor hem dan het probleem der middelen. Dient de man te kiezen voor gelijke wapens, de botte bijl dus, of houdt hij het bij zijn trouwe floret?

Ik dacht vanmorgen op de trein zowel aan bijl als aan floret, maar kwam in de loop van de dag tot de conclusie dat een propje staalwol al wapen genoeg was.
Het artikel van Reynebeau Marc, getiteld “Let op uw woorden” vertoonde tenslotte enkel wat vlekken. Voorts bedacht ik, gemeen, dat schaafwonden meer branden dan steekwonden.
Onze man schreef het volgende:

“Een gestudeerde N-VA'er vroeg zich af of het wel in het belang van een randgemeente is om bij een grootstad te worden gevoegd. Dat is een ernstige en relevante vraag. Maar zie hoe hij die vraag formuleerde: wat er te denken viel over een operatie waarbij 'een aantal landelijke gemeenten in een grootstedelijk wespennest worden meegesleurd' (DS 12 maart).
Het gaat me er nu even niet om dat deze Vlaamsnationalist, die ook nog eens taalkundige en docent is, hier een loeier van een taalfout maakt (het moet 'wordt' zijn in plaats van 'worden')...”


De columnist is zelf ook een gestudeerd man neem ik aan, anders word je geen columnist, en word je niet gevraagd voor grappige shows op de televisie. Nochtans gebruikt hij hier en verderop grootstad, een term die enigszins criticabel is, al wil ik daar niet zwaar aan tillen – het is een goed Belgisch woordje – en schrijft hij ook Vlaamsnationalist zonder streepje. Daar til ik evenmin aan.

Dat hij “worden” vervangen wil zien door “wordt” is erger.
Ik ga er voor het gemak nu van uit dat Marc in zijn studiën Latijn heeft gehad, misschien nog Grieks ook – denken wij aan het onderzoek in de krant van gisteren – al zou hij in dat geval wellicht de constructio ad sensum onthouden hebben uit zijn Spraakkunst. Of de constructie kata sunesin, κατα σύνεσιν om het wat deftiger te houden.
In elk geval, ook zonder Latijn of Grieks weet een gestudeerde Nederlandstalige dat “worden” hier volkomen correct is. Een ongestudeerde weet dat vanzelfsprekend. De VRT-taaldatabank geeft als een voorbeeld: Er zullen een aantal boeken verkocht worden voor het goede doel.

Goed, het kan altijd dat iemand een regel vergeet, en iedereen maakt fouten, zeker als het over grammatica gaat. Vocabularium blijft altijd het allerbelangrijkste in de Taalbeheersing.
Spijtig dan als wij Reynebeau een helemaal onbestaand woordje zien schrijven:
“...dat de Vlaamse Wooncode mogelijks discriminerend is.”

Mogelijk en zelfs mogelijkerwijs kende ik al, maar mogelijks ?
Ja, dat kende ik ook al, want Reynebeau gebruikte het eerder, en ik reikte hem toen nog kaars en bril aan.
Deze keer moet ik onze recidivist echter ferm ontraden om andere mensen zo terloops, zo offhand op taalfouten te wijzen. .Zinnetjes als: "Het gaat me er nu even niet om dat..." of. "Meneer Doomst, waarom denkt ook u niet eerst even na voor u wat zegt?" ...dát spel is hem te hoog gegrepen, zoals trouwens Mattheüs 7 5 onze columnist al een waarschuwing had moeten wezen:
Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

–– Nu kom ik er niet meer toe om over de inhoud van zijn columnpje te spreken, maar dat kwam samengevat hier op neer: Leterme moet eens leren dat hij zijn woord moet breken, anders raken we nooit aan een mooie Belgische regering; die man moet aan de N-VA dringend uitleggen, en vervolgens aan zijn eigen kiezers uitleggen, dat al zijn woorden, tot eergisteren, geveinsd waren, en dat het plan altijd al was om gewoon voort te boeren.
.

15 maart 2008

Op tijd van kleren veranderen

.
‘s Zaterdagsmiddags is mijn krantenvrouw altijd zo vriendelijk om meteen de helft van de papierbundel die ik kom kopen achter haar toog te deponeren, boven op de hoop die meer ochtendlijke klanten al gemaakt hebben.
Zo komt het dat ik weinig weet over paradijselijke eilanden, over pittoreske stadjes waar oude gewoontes heersen, over restaurants in verre en nabije oorden, over de Zes van Antwerpen, en over Vlaamse interieurs die met smaak zijn ingericht.
Standaard Weekend neem ik altijd wél mee, plus de Kwaliteitskrant zelf natuurlijk, en de afdeling Economie&Financiën, omdat daar soms ook iets interessants in kan staan.

Over de gazet zelf wil ik vandaag niks zeggen, maar helaas viel mij het Weekendkatern nu ook wat tegen. De columns waren goed genoeg, daar niet van – en ik bedoel niet die van Jo Van Damme of van Filip Huysegems, en ook niet de infantiele rubriek met Winnaars & Verliezers: .zulke dingen lees ik sowieso niet – maar het katern bestond voor bijna de helft, veertien bladzijden, uit een panegyrie voor Guy Verhofstadt.
Hoe goed die man wel wijn kan kiezen, olijven eten, fietsen, speechen, manifesten schrijven, stenen verleggen, enthousiasmeren, emotie tonen, beloftes doen, zichzelf heruitvinden, het hield niet op.
Zelfs de jonge Tom Naegels werd gesommeerd om zijn duit in het journalistieke zakje te doen. Hij gehoorzaamde, misschien op voorwaarde dat hij een beetje mocht tegenpruttelen. In ieder geval, de licht dissonante stem in dit engelenkoor mocht hij inderdaad zijn, en hij richtte zijn “frisse blik op de Burgermanifesten”.
Tom zegt in zijn stuk natuurlijk niet dat de Burgermanifesten van onze bevlogen Guy thuishoren op de hoop die mijn krantenvrouw elke week aanlegt, of in de vuilnisbak van de geschiedenis – tenslotte nichts anders als die alte Garderobe des menschlichen Geistes, zoals Heine ons al vertelde.
Te beleefd is Tom ook, om Guy misschien gewoonweg een beginselloze opportunist te noemen, die als het hem uitkomt nog niet de scheiding der Machten erkent, zoals toen met die aangekondigde aanhouding van Dyab Abu Jahjah. Ook laat Naegels na om te vertellen dat Verhofstadt zozeer aan zijn postje verhangen was, dat hij er nog niet over dácht om ministers eruit te gooien, ook niet als die zich deontologisch schandelijk misdroegen.
Ik onderschat het geheugen van mijn lezers niet, en zal dus niet Guy zijn halve regering opnoemen, maar van een journalist had ik verondersteld dat hij zulke en andere dingen nog zou weten, en ze zelfs te berde brengen in een geschiedkundig overzicht.
.

12 maart 2008

Adjectieven en diminutieven

.
U hebt wellicht ook dat persbericht van de CVP .gezien, lezer, en anders morgen in de kwaliteitskranten. Het gaat onder een feestelijke titel:

Europees Parlement viert vijftigste verjaardag:
van overlegorgaan tot volwaardige medewetgever

Ondertekend door Ivo Belet, Jean-Luc Dehaene, Marianne Thyssen, en ook door Frieda Brepoels die geloof ik in een soort kartel met hen nog zit.
Onze vier europarlementsleden voelen zich in een uitgelaten stemming, en zouden niets liever willen dan dat alle Europese burgers – misschien verenigd in een soort Mystiek Lichaam – een glas champagne, c.q. thee zouden heffen.
Begrijpelijk, want na de referenda in Frankrijk en Nederland was er bij de EU-machthebbers een jarenlange vastenstemming (een soort ramadan) ingetreden, en zoals wij weten: de CVP snakt naar Pasen. De parlementsleden hebben nu van hun initiatiefrecht gebruik gemaakt om een feestje te organiseren. Het wordt een redelijk groot feest zelfs, is mijn indruk, want het gaat gepaard met de plaatsing van Friese ruiters rond Berlaymont en ook gaat het metrostation Schuman voor twee dagen dicht.
Ik wil de pret niet bederven, maar dan hadden ze voor hun persbericht over de cinquantenaire van hun parlement, en de gestage opgang daarvan, toch een betere titel mogen bedenken.
Akkoord, overlegorgaan was een belabberde startpositie, zeker als wij in aanmerking nemen dat de benaming nog geflatteerd is voor wat het clubje voorstelde, en From a Jack to a King, zoals het liedje vijftig jaar geleden zei ...zover zijn we nog niet, al zijn ze ondertussen blijkbaar opgeklommen tot medewetgever.

Maar, wat-is-mij-dat-weer voor een neologisme?
In de geschiedenis lees je kortweg over Wetgevers, Wetgevende Vergaderingen, Constituanten. Die konden het vanzelfsprekend stellen zonder adjectieven als volwaardig.

Meer dan een deficitair personeelsfeestje zit er voor ons viertal nog niet in.
.

7 maart 2008

Pauli en de canon


ZaK zijn tekening was weer goed in De Morgen vandaag. We zijn het al lang gewend zo, maar het is dan altijd dubbel treurig als vlak daarnaast –ter illustratie van de tekening wellicht– een artikel staat van Walter Pauli.

Die Pauli moet in zijn humaniora nog het prachtige verhaal van Saïdjah en Adinda als verplichte lectuur gehad hebben denk ik. In de Havelaar komt dat verhaal voor zoals wij weten, en daar werden één na één een aantal buffels in beslag genomen die aan de vader van Saïdjah toebehoorden. Saïdjah en Adinda zijn daardoor nooit getrouwd geraakt, want op de duur kon er geen rijst meer worden verbouwd, en een bruidschat was onbereikbaar voor de arme Saïdjah.
Multatuli legt er sterk de nadruk op dat de onrechtvaardigheid van dat in beslag nemen van buffels zich steeds maar herhaalde, dat er geen eind aan kwam, en de auteur zelf herhaalt zich ook gedurig, en verwittigt zijn lezer met: “Ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is”. Hij herhaalt ook deze verwittiging enkele malen.
De kortzichtige Nederlandse koloniale overheid ontwrichtte hier schaamteloos een traditionele, statische, islamitische maatschappij, zo vertelt Multatuli ons.

De hele Havelaar, waarin nog vele thema’s aan bod komen, was wellicht te dik voor klassikale behandeling, en zo komt het misschien dat de jonge Pauli enkel onthouden heeft dat de stijlfiguur der herhaling een sterke werking kan hebben, en dat er buffels aan te pas komen.

In ieder geval, zijn refreintje “Alleman gelijk voor de wet. Ook de moslims” herhaalt Pauli driftig, ook al ontbreken bij hem de strofen waarin aangetoond wordt waarin de perfiditeit van de Westerlingen vandaag wel mag bestaan, als zij op hun eigen grondgebied eisen dat de mohammedanen zich naar zekere normen gedragen, en wel naar Westerse normen.

Soms zit Pauli vol goede bedoelingen, dat wil ik niet betwisten, en hij begrijpt ook halverwege waar het schoentje wringt. Zo wijst hij de moslims erop dat ze niet gewelddadig mogen worden, maar in zijn ijver verwart hij ongelukkigerwijs de termen christelijk en katholiek. "Dus niet zoals een aantal katholieken deden bij het verschijnen van The Last Temptation of Christ, en her en der een cinemazaaltje in brand vloog." Dat thema moet hij nog verder uitdiepen vrees ik. Waar was dat alweer met die cinema's? Toch niet in Europa hoop ik? Misschien eens een boek lezen over de Reformatie en wat daarbij te pas kwam?

Die buffels nu. Het menselijk geheugen schematiseert. Dat is niet meer dan normaal en zelfs gezond, maar zo zijn in Pauli’s geheugen die buffels bizons geworden. Geen probleem, want juist deze omstandigheid gaf hem een goede grap in, en hij bedacht voor Geert Wilders de spotnaam “polderbizon”.

Goed gevonden Walter, al weet ik niet of er in het Limburgse Venlo veel polders zijn. ...maar laat nu net die benaming, ik aarzel om het je te vertellen, door ’t Pallieterke zijn bedacht, een halve eeuw geleden, en nog wel voor een collega-journalist van je, wijlen Jos Van Eynde, hoofdredacteur van wijlen de Volksgazet.

Ken uw klassieken!

.

6 maart 2008

Nu een kwiet, vroeger een kwezel

.
Het kan geen kwaad, lezer, nu we onze laatste koning aan het verslijten zijn, om nog eens terug te denken aan de hark die we daarvoor hadden.
Ik moest namelijk onweerstaanbaar aan Baudouin Premier denken bij wat Casanova in zijn tijd te vertellen had over Philippe V Bourbon, koning van Spanje. Die Philippe moet een bijzonder devote jongen zijn geweest, want hij ging nog liever dood dan dat hij de allerkleinste doodzonde had begaan: 

...fidèle à l'excès à la religion, et très déterminé à mourir cent fois plutôt que de souiller son âme avec le plus petit de tous les péchés mortels.

[…] pour le malheur du pauvre genre humain il est décidé qu’un roi dévot ne fera jamais que ce que son confesseur lui laissera faire, et il est évident que son plus grand intérêt ne peut jamais être le bien de l’État, puisque la religion, telle qu’elle est, s’y oppose directement. Si on me dira qu’il se peut qu’un roi sage ne fasse entrer pour rien les affaires d’État dans sa confession, j’en conviendrai; mais je ne parle pas d’un roi sage, car s’il l’est, étant chrétien, il ne doit aller à confesse qu’une fois par an, et n’entendre la voix de son confesseur que dans les paroles qu’il prononce pour l’absoudre; si ce roi a besoin de lui parler pour qu’il lui résoude des doutes, il est sot; doutes et scrupules sont la même chose; celui qui va à la confesse doit savoir sa religion avant d’y aller. Point de doutes, point de colloques avec le confesseur. Louis XIV aurait été le plus grand roi de la Terre, plus grand que Frédéric II, roi de Prusse, comme la France l’est de la Prusse, s’il n’eût pas eu la faiblesse de bavarder avec ses confesseurs.

Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
suivie de textes inédits
Volume 11 – Chapitre II
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Éditions Robert Laffont, 1993, 2002, pp. 619-20


[…] een devote koning, zo wil het ongeluk van het arme mensdom, zal nooit iets ondernemen zonder de toestemming van zijn biechtvader, en het mag duidelijk zijn dat diens grootste belangen nooit met goed Staatsbestuur zullen samenvallen, want de religie, zoals die ineenzit, staat daar haaks op. Als iemand mij nu zegt dat een wijze koning in zijn biecht met geen woord zal reppen over staatszaken, dan geef ik hem gelijk; maar ik heb het niet over een wijze koning, want als hij dit is, dan hoeft hij, christenmens zijnde, maar één keer per jaar te biecht te gaan, en de stem van zijn biechtvader uitsluitend te horen als die de woorden uitspreekt om hem de absolutie te geven; heeft deze koning behoefte aan een gesprek, om zijn twijfels te laten wegnemen door die man, dan is hij een dwaas; twijfels of gewetensbezwaren, dat is één en hetzelfde; wie gaat biechten dient zijn godsdienst te kennen voor hij ter biecht gaat. Geen kwestie van twijfels, noch van discussies met de biechtvader.
Lodewijk XIV zou de grootste koning op aarde zijn geweest – groter dan Frederik II, koning van Pruisen, zoals Frankrijk ook groter is dan Pruisen – als hij niet die zwakte had gehad met zijn biechtvaders te willen kletsen.

26 februari 2008

Fijne nieuwe categorieën


De jeugd is een zorgeloze tijd, maar hij gaat snel voorbij, en als de eindredactie van De Standaard het niet doet, dan zal toch iemand aan Oscar van den Boogaard moeten vertellen dat de wereld van de volwassenen sterk verschillend is van een zomerkamp.
Trouwens ook aan Rik Coolsaet moet zij deze mededeling doen.
Maar zonder te wachten op actie van die kant, en al ben ik niet gekwalificeerd voor slecht nieuws-gesprekken: .ik zal deze dubbele taak op mij nemen.

Laat mij met Coolsaet beginnen. Voor wie de man niet kent: hij is behalve professor in Gent, ook EU-expert in iets. Over dat professorschap weet ik niets, maar zijn expertschap lijkt hij goed te beheersen. Telkens als er door omstandigheden weer nood ontstaat aan een verse verklaring voor de problemen die moslims in de wereld veroorzaken, zie je hem met nieuwe woorden en frisse gedachten aankomen.

Sektarisch geweld is heel typisch voor jihadterrorisme. Jihadi's maken voortdurend ruzie onder elkaar en gaan dan elkaar bestrijden. Dat verklaart waarom ze zoveel doden maken onder moslims.
Jihadterrorisme is toch weer eens een andere term voor het gewone, wat afgezaagde moslimterrorisme. Afwisseling is welkom, al moet ik zeggen dat, tenminste voor mij, de nieuwvorming licht pleonastisch aandoet.
Om niet nog eens een keer uit de koran te hoeven citeren: een canonieke moslimauteur uit de IXde E., zekere Ibn Hishām, laat in een oud verhaal een luitenant van Mohammed [] aan het woord over de jihad:
Lof aan God die de hemelen en de aarde geschapen heeft
Wij beoorlogen de mensen totdat zij in God geloven
Wie in God en zijn Gezant gelooft
Zijn lijf en have zijn veilig
Maar tegen wie niet gelooft, voeren wij jihad
Zo iemand te doden is voor ons een kleinigheid
Vrede zij met u.
(in: Hans Jansen, De Historische Mohammed, De Verhalen uit Medina, p.245)
Ibn Hishām schrijft met minder complexen dan Coolsaet. De luitenant die hij opvoert is ook een stuk duidelijker. Coolsaet wil vooral, en dat is begrijpelijk, een bezadigde en rustige indruk maken. Hij wil die jihad voorstellen als een fase in de volwassenwording van de mohammedanen, en dus gebruikt hij enigszins kinderlijke termen als ruzie maken onder elkaar.
Maar dat ruziën lijkt al langer het geval te zijn, en zeker niet enkel op ongelovigen te slaan. Afwijkingen van de rechte leer ontstonden er na de dood van de veronderstelde Mohammed meteen al, en zoals wij weten: .meningsverschillen uitpraten is er zelden bij geweest.


Nu een lichtere noot. .Oscar van den Boogaard – schrijver, .zoals hij ondertekent – gebruikt niet zozeer een kinderlijke terminologie, maar hij lijkt in zijn persoon zélf het kind nog bewaard te hebben.
Zijn laatste columnpje in De Standaard, getiteld Solidariteit, verwijst nog even naar Coolsaet, maar gaat verder over heel iets anders. Oscar maakt zich namelijk erg nerveus over het fijne stof dat dieselmotoren uitstoten. Terwijl lucht voor ieder van ons zo belangrijk is, constateert hij dat veel automobilisten zich weinig gelegen laten liggen aan de snelheidsbeperkingen. Oscar tuft zijn 90 per uur, en wordt voortdurend ingehaald:
De massa is zo godvergeten gedachteloos.
Dat hijzelf hoogstens een fractie minder stof uitblaast dan deze boosdoeners lijkt hij niet te weten. Onze man wordt er kwaad en verdrietig van:
Ook als je geen dichter bent, zou je kunnen bedenken dat de lucht die we inademen ons allen bindt. Zuurstof is het meest universele principe, een levensvoorwaarde. Als de verontreiniging daarvan niet leidt tot solidariteit, wat dan wel? Samen de wereld naar de knoppen helpen, dat lijkt wat de weggebruikers bindt.
En dat hier zuurstof – een gas tenslotte (Lavoisier-1778) – een "universeel principe" wordt genoemd mag ons bevreemden, maar we hebben met een dichterlijke vrijheid te maken. En dan, ook die herhaalde binding is nogal onduidelijk.
Oscar legt ons het begrip "solidariteit" daarom wat beter uit:
In de politiek is het begrip solidariteit omstreden. Enerzijds meent men dat solidariteit de cohesie van een samenleving bevordert, doordat zij de gemeenschapszin stimuleert.
Hier is manifest niet meer de dichter aan het woord, maar een bijna volleerde pupil in de politicologie.
Ik had met zijn laatste zin enige moeite moet ik bekennen, want eerst bestond bij mij nog de indruk dat het een idem per idem-constructie betrof. Definiendum en definiens lijken immers verdacht veel op elkaar.
In bijvoorbeeld de theologie komen zulke constructies meer voor, en Jahweh zelf maakt er wel eens gebruik van in zijn Boek, maar in de overige wetenschappen heerst wantrouwen.
Een auteur als Oscar van den Boogaard ziet in woorden natuurlijk meer nuances dan een gewone sterveling dat doet, en solidariteit, samenleving, cohesie en gemeenschapszin zijn alvast geen synoniemen (die bestaan niet eens!).
Graag zou ik hem in een volgend stukje de vier genoemde begrippen zien contrasteren met bijvoorbeeld termen als adhesie, entente, alliantie, samenhorigheid, verknochtheid, gehechtheid, en waarom niet, misschien zelfs met appendentie of esprit de corps.

Wat ik liever niet nog eens wil meemaken, is dat Oscar zijn stukjes aan een cafétoog schrijft. Hij kan dan plots zo sentimenteel worden, en puberale kreten gaan slaken: Als ik eens minister was!


Ik zou voor een absolute nultolerantie zijn. Overal flitspalen zetten en snelheidsovertreders bij smogalarm extra zwaar beboeten. Niet om mensen te betuttelen, maar simpelweg om het milieu te sparen.
Nultolerantie is op zich al absoluut genoeg, jongen, maar het is goed dat je het onderscheid maakt tussen beboeten en betuttelen. Die laatste term behoort nog tot een leefwereld die stilaan achter jou ligt, terwijl de eerste al volop naar de volwassen taal verwijst.

.

20 februari 2008

Zu fragmentarisch ist Welt und Leben!

.
Het ontbreekt mij vanavond aan de tijd om een doorwrochte blog te schrijven. Weliswaar heb ik goede redenen om dit te zeggen, maar die zullen de lezer matig interesseren, en minder nog als hij verneemt dat ik morgenochtend vroeg de veren uit moet voor een colloque singulier. Dat onderwerp is door onze kwaliteitskranten al zó uitputtend behandeld, dat het geen interesse meer kan wekken. Laten wij dus snel ter zake komen.
Gisteren zag ik minister Vandenbroucke, in een van die haastige interviews die de televisie biedt, en waarin alles wordt aangeraakt maar niets wordt gezegd.
De minister had het over de recente steekpartij nabij een Antwerpse modelschool. Ik citeer hem uit het hoofd, en heb niet de tijd voor exactheid:

Dat soort 'ontploffen' is iets dat meer en meer voorkomt. Er gebeurt een hele tijd niets, en dan opeens wordt er met een mes gestoken.
In Gent gebeurde onlangs ook zoiets herinnerde ik mij, ook in een modelschool, en ook met een allochtone dader, maar waar ik vooral aan dacht was dat Vandenbroucke hier een uitstekend voorbeeld gaf van de zogenaamde catastrofentheorie, waar de Franse wiskundige René Thom (1923-2002, Fields Medal in 1958) meer dan dertig jaar geleden wereldfaam mee verwierf.
Die theorie is te moeilijk voor gewone mensen, zelfs voor ministers, maar Thom schreef daarna ook een boekje bestemd voor leken, en dat las ik zodra het als pocket was verschenen.
Kort gezegd komt zijn theorie hierop neer: als je een elastiekje neemt, en je rekt het uit, en je blijft maar uitrekken, dan komt er gegarandeerd een moment dat het breekt. En al weet René Thom hierover meer te vertellen: voorspellen wanneer precies, zal nooit iemand lukken. Dat is al even gegarandeerd. En ook, maar dat komt op hetzelfde neer: als er op verschillende plaatsen tegelijk volkomen identieke experimenten plaatshebben, dan zullen de elastiekjes toch niet precies synchroon breken.
De kleinste jongen wist dat allemaal natuurlijk al lang vóór Thom, maar dat neemt niet weg dat echte wiskundigen aan zijn formules een hele kluif hebben.
Ook kunnen leken, na Thom, niet langer in goed fatsoen aankomen met: “er gebeurt de hele tijd niets”. Er moet altijd stevig aan de elastiekjes getrokken worden.
Aanbevolen lectuur dus, die Paraboles et Catastrophes, voor Frank Vandenbroucke.

En René Thom, die ongetwijfeld kon rekenen, schreef daarna nog enkele boekjes voor leken. Ik las in één beweging ook zijn Prédire n'est pas expliquer.
Dat boekje weer, zou ik aan Rik Coolsaet willen aanbevelen, tenzij hij het al gelezen heeft, want uitleggen doet die man inderdaad niet, en zijn voorspellingen betreffen vooral het verleden.

Ik zie hem vertellen, op p.3 van de NRC. van dinsdag, aan hun redacteur Ahmet Olgun, dat België al decennia lang een vrijhaven is voor islamterroristen. Dat gaf ons ervaring met dat soort dingen, en Nederland steekt hier slecht bij ons af. Ze reageren daar nu minder gematigd dan wij, goeie Belgen.

In de jaren voorafgaand aan de aanslagen op 11 september 2001 was Nederland extreem tolerant, zegt Coolsaet. Maar daarna verviel het land in het andere uiterste. België reageerde relatief rustig omdat het “een langere ervaring met jihadisten” heeft. Zij gebruiken België al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw als een “logistieke thuishaven in Europa”.
In de jaren tachtig heb ik Coolsaet nooit dergelijke dingen horen beweren. Ik vraag mij af zelfs, of hij het woord “jihadisten” toen al kende. Ik niet, meteen bijgezegd, maar ik zou de vaststelllingen en voorspellingen van Coolsaet toen vast wel met rode oortjes gelezen hebben.
Als Coolsaet voorspellingen doet, dan gaat hij natuurlijk niet over één nacht ijs. .[¿ of is de juiste uitdrukking toch één nacht eieren, zoals Renaat Landuyt meent ?]
Laten wij de academische wijsheid van Rik Coolsaet nog even horen:
.

Europa heeft “dubbel pech”, stelt Coolsaet. Terwijl moslims overal ter wereld radicaliseren, heeft Europa ook nog eens te maken met problemen die voortvloeien uit migratie. Migranten uit de tweede en derde generatie zijn door hun hogere opleiding gevoeliger voor racisme en uitsluiting dan hun ouders. Als dat gecombineerd wordt met discriminatie, werkloosheid, schooluitval en slechte huisvesting vormt het een ideale basis voor radicalisering. Zeker als deze jongeren ook nog eens worstelen met hun identiteit.
Dat is veel ineens, en ja, wanneer je een elastiekje niet enkel uitrekt, maar eerst half doorknaagt, even tegen een sigaret houdt, en tegelijk over een scheermes laat gaan ...dan wordt voorspellen al een stuk eenvoudiger, en kunnen wij gerust verder zonder Thom met zijn catastrofentheorie.
.

13 februari 2008

Je mag niet jokken, dr. Hooghe!

.
Nee, het gaat niet goed met dr. Hooghe. Zijn geestelijke toestand evolueert ongunstig. Voorlopig is hij nog even huisarts bij De Standaard, maar hij lijkt de weg op te gaan van confrater Le Compte en zal de duizend niet halen.
Zoals iedereen, heb ik het altijd normaal gevonden als een dokter mij na het consult een vrijwel onleesbare prescriptie meegaf. Onleesbaarheid is maar een klein bezwaar bij versteende formuleringen, en een geoefend apothekersoog brengt die moeiteloos thuis.
Kwalijk werd het pas toen de goede dokter ook briefjes begon mee te geven waar slechte doseringen op voorkwamen. Verdachter nog, toen hij geen onderscheid meer leek te kunnen maken tussen de verschillende religieuze producten die hij voorschreef. En helemaal ongerust werd ik, toen de dokter mij bij het buitengaan gauw nog zijn fantazierijke toekomstbeelden begon toe te stoppen.

Laten we eens kijken lezer, of wij samen nog iets verstaanbaars kunnen vinden op zijn laatste briefje.
.

Samenlevingen hebben het recht hun historische eigenheid te beschermen tegen nieuwkomers die zich op hun grondgebied komen vestigen. Alleen moet het dan wel om een acute bedreiging gaan en dat is in West-Europa niet het geval. De islamitische minderheid telt hooguit enkele procenten van de bevolking en hoewel dit percentage de komende decennia allicht nog zal stijgen, zal de islam altijd een kleine minderheidsgodsdienst blijven in West-Europa.
De dokter delireert vrees ik. Of zou hij nog nooit in Amsterdam, Rotterdam, Antwerpen, Brussel, Gent of Rijsel zijn geweest? Natuurlijk wel, alleen verblijft hij daar altijd in beschermde instellingen. Zelf beschouwt hij dit laatste als een voordeel: “Als je het van op enige afstand bekijkt […]”. Die afstand heeft wel als gevolg dat hij er al eens radicaal naast durft te zitten met zijn diagnoses, en dat zoals gezegd ook de doseringen van zijn remedies nergens op slaan.
“Alleen moet het dan wel om een acute bedreiging gaan […]”
zien we hem schrijven. Op dit moment is er met onze samenleving nog niets aan de hand. If it ain’t broke, don’t fix it!
Met preventieve geneeskunde moet je bij onze dokter niet aankomen. Gewestelijk bijgeloof zegt hij, terwijl dit standpunt van hem juist goed aanleunt bij de volksgeneeskunde. Je kunt maar beter eens goed uitzieken, zegt de man in de straat. Zoek hier geen logica achter, want wat de meeste Europese patiënten wensen, is dat de thermometer van “dit percentage” in het geheel niet meer stijgt, maar liefst onmiddellijk gestabiliseerd wordt, en daarna geleidelijk daalt.

Voor dr. Hooghe zijn overigens alle religieuze medicamenten elkaar waard. Ze behoren wellicht tot zijn non-beliefsystem, om met Milton Rokeach te spreken, en tussen zaken die je verwerpt maak je geen onderscheiden.
Ikzelf, met mijn open geest, zou nog een minimaal onderscheid willen voorstellen tussen religieuze systemen die mensenoffers aanbevelen, of eisen, en andere. Hooghe niet. Azteken, mohammedanen, leden van de Mariacongregatie, allemaal gelijk voor de laïcité van de closed mind.

En dan die wilde toekomstveronderstelling van hem, dat:
“de islam altijd een kleine minderheidsgodsdienst [zal] blijven in West-Europa”.
In welk esoterisch geschrift mag onze dokter dit gevonden hebben?

Maar we weten het: politicologie stelt intellectueel helemaal niets voor. Wel kunnen politicologen zedenpreken houden als de beste pastoors of doktoors, maar bijvoorbeeld tellen en meten gaat hun vermogens ver te boven. Zich belachelijk maken kunnen ze weer uitstekend:
“Aartsbisschop Rowan Williams van Canterbury ontsnapte vorige keer ternauwernood aan een publieke steniging.”
Grotesk. En die bijna-steniging komt vanzelfsprekend door onze vooroordelen.
“Als het over de islam gaat, dan liggen onze vooroordelen klaar: fundamentalisme, de boerka, steniging van overspelige vrouwen en het afhakken van de handen van al wie betrapt wordt met te lange vingers.”
Die Rowan Williams had het overigens vooral over personen- en familierecht, zoals uit zijn bewoordingen in Engelse kranten blijkt, maar Hooghe beseft dat weinige Standaardlezers die kranten zien, en dus probeert hij een leugentje.
Het ging Williams over renteloos bankieren suggereert Hooghe, al wil hij, bang voor zijn eigen schaduw, zelfs dát niet met zekerheid gezegd hebben:
“allicht refereerde Williams eerder naar dat soort disputen.”
Marc Hooghe heeft allicht eerder de tekst van Williams nog niet helemaal gesnapt, maar hij doet mij wel azo abeetje denken aan Castar Danneels.
Alsof trouwens dat hele renteloos bankieren op zich geen leugen was, maar enfin, dat kan dr. Hooghe onmogelijk bevatten, en tenslotte stapt zelfs blaaskaak Lippens van Fortis daarin mee.

Wie maakt zich nog illusies over de toestand van deze dokter? Wat kun je nog verlangen van iemand die zelfs de betekenis van zijn eigen woorden niet goed snapt?
“[…] we worden geconfronteerd met het feit dat de islam een regulier onderdeel is geworden van de Europese samenleving.”
Geconfronteerd worden met iets dat regulier is, dr. Hooghe?
Toegegeven, Fremdkörper is een substantief dat zelfs in mijn oor een onsympathieke bijklank heeft, maar je mag ook niet in de andere richting overdrijven: “regulier” is wel het laatste adjectief dat bij een gewone Europeaan zal opkomen.
.

12 februari 2008

Juffrouw, is het goed?

.
In Antwerpen hebben ze al geruime tijd een eigen universiteit, en daar is blijkbaar ook een vakgroep Geschiedenis aan verbonden. Ik weet dat uit De Standaard, omdat die gisteren een stuk hadden van ene Henk De Smaele, docent aldaar. De Standaard laat hem zijn zeg doen over het Barnard-vanIstendael-stuk dat zoveel ophef heeft gemaakt.
Henk De Smaele zal nog een jonge kerel zijn vermoed ik, en zoals dat gaat met jonge kerels: hij zoekt koortsachtig naar erkenning. Zo vraagt Henk, aan het eind van zijn stuk, zich af wat Mia Doornaert ervan zou denken:

Ik ben benieuwd welk etiket Doornaert voor mij zou bovenhalen.
In zijn zenuwen geeft hij aan Doornaert zelfs een paar suggesties. 'Postmoderne relativist' zou hem wel bevallen, liever dan 'Stalinist' of 'fascist'.
Ik ben Mia Doornaert niet, en het zal voor onze auteur bijgevolg maar een kleine geruststelling zijn, maar hij weet nu toch dat ik zijn stuk heb kunnen uitlezen. Terwijl zijn beginzinnen heel ongunstig waren:

Doe ik het wel? Doe ik het niet? Dat heb ik mij de laatste weken wel vaker afgevraagd bij het lezen van De Standaard. Kruip ik in mijn pen om te reageren, of doe ik er beter het zwijgen toe om de zinloze discussie niet eindeloos te rekken en niet meer aandacht dan nodig te laten gaan naar weinig doordachte artikels of opiniestukken? De afgelopen dagen heb ik het weer: moet ik als historicus (en docent van onder andere het vak 'Geschiedenis van de islam') proberen tussenbeide te komen in de rel rond de betekenis van de islam? Dit keer doe ik het omdat het debat zo oneerlijk wordt dat zwijgen toestemmen wordt.

Na zo’n begin vraagt de lezer zich af, en vroeg ik mij af –de krant even wegleggend voor een slok koffie, en onderwijl door het treinraam kijkend en mij de vraag stellend of ik wel goed wakker was– of er aan diezelfde Alma Mater waar deze docent doceert ook een afdeling Ontwikkelings-psychologie zou bestaan.
Voor mijn geestesoog namelijk doemde een persoonlijkheid op die nog niet tot volle wasdom was gekomen, nog niet goed áf was. Blijven steken in een soort narcisme misschien, iets waar elke jongeling door moet. De jongen blaast zich wat op, was mijn slotsom.

Tegelijk echter dacht ik ook aan de frêle schouders van De Smaele, die het tenslotte opneemt tegen twee gerenommeerde en al wat oudere afvalligen, die Essentialist zijn geworden. En tegen Vermeersch op de koop toe.
Dat hij dan wat verward raakt in terminologieën, of schermt met moeilijke woorden is heel goed te begrijpen. Ik wil daar niet te zwaar aan tillen, maar op vraag wil ik zijn stukje artikelsgewijs onder handen nemen, zelfs al wordt zoiets gauw vervelend.
Ik zou Henk dan preliminair zelf wel één vraagje willen stellen: komt in uw cursus “Geschiedenis van de islam” bijvoorbeeld de stad Mekka voor als “handelscentrum”, ten tijde van de veronderstelde profeet Mohammed?
Als ik dat antwoord ken, kunnen we verder praten, want er zijn nogal wat historici die daar eigenaardige gedachten over hebben, en zoals wij weten kan er geen archeologisch onderzoek worden verricht terplekke. Contingent bewijsmateriaal kun je beter mijden zeggen ze daar.
.

9 februari 2008

Wacht toch tenminste tot ze dood zijn, Herman!


Beleidge lebendige Dichter nicht,
Sie haben Flammen und Waffen,
D
ie furchtbarer sind als Jovis Blitz,
Den ja der Poet erschaffen.


[ Beledig geen levende dichters,
Want pijlen en vlammen bezitten zij.
Jij schrikt al van Jupiters schichten:
Terecht, die zijn van hun makelij. ]

.
Zo klonk, haast twee eeuwen geleden, de waarschuwing van Heinrich Heine aan zijn belagers.
De Gentse professor Herman De Ley gaf vorige week in De Standaard een beledigend antwoord aan Benno Barnard en Geert van Istendael. In zijn vermetelheid lijkt de professor de oude waarschuwing gemist te hebben. En nu ziet het er benard voor hem uit.
De twee dichters zelf hebben meen ik hun felste bliksems nog niet afgevuurd, maar ook zonder dat lijkt De Ley met zijn abjecte invectieven van xenofobie en intolerantie nergens bijval te vinden. Of toch: in de veelheid van zijn geschriften zou ik het bijna vergeten, maar de bekende cabaretier Rik Torfs viel De Ley bij, met één van die oneliners waar hij het geheim van bezit: “Ik hoop dat het gerecht zijn werk doet.”

Ernstig nu: ik vond Barnard en van Istendael schitterend, en verrassend. Want het was de eerste keer dat ik iets las van hun hand, dat zo diep ging in zijn kritiek op de islamimmigratie die wij allemaal, elke dag in Europa kunnen gadeslaan.
En al deed ik het wél, een bocht in beider denken had ik het niet moeten noemen. "Bocht" klinkt moreel nogal beladen, en tenslotte heb ik ook niet alles gelezen wat die twee auteurs zoal hebben geschreven. Maar laat ik het, wat sjieker, toch eine Kehre blijven noemen, trouwens niet enkel die van hen, want ik zie om mij heen ook vele anderen die aarzelend deze wending maken.
Ik noemde het betoog van Barnard en van Istendael echter ook weinig consequent. Alles wat zij zegden was correct, maar het stond niet allemaal op zijn plaats, zo bedoelde ik het. De vraag ging eerst over hoofddoeken, en over een petitie, en terecht vonden de twee schrijvers dat we er dan niet langer onderuit konden om ook over het wezen van de islam na te denken. Inderdaad, essentialistisch denken heeft zijn plaats.
Maar daarna kwamen er in hun redenering ook zijsprongen, over bijvoorbeeld de kruistochten. Meteen gevolgd natuurlijk door excuses voor het misbruik dat wij toen zouden gemaakt hebben van god en godsdienst. Maar die kruistochten hebben met de hoofddoekenzaak geen uitstaans, en hoogstens zijdelings met de essentie van de islam. Overigens waren die kruistochten –waaraan de mohammedanen geen noemenswaardige geschiedkundige herinnering hadden bewaard ...tot ze recent Europese bronnen te zien kregen die in hun kraam konden passen– een gevolg van herhaalde jihad-aanvallen, op wat toen voor het eerst Europa werd genoemd. "Europa" is als begrip pas ontstaan, in verweer tegen de immer oorlogszuchtige islam.
Verder brachten de auteurs onhandig de banden ter sprake die er onmiskenbaar zijn geweest tussen de nazi's en de heersers in enkele islamrijken. Dat laatste gaf De Ley de gelegenheid om naast zijn gedaas ook een verstandig woord te spreken: als de islam versteend is, zoals beide dichters zeggen, dan kan hij ook geen invloed van het nazisme hebben toegelaten.
Als je te veel zaken wilt aanhalen, en een soort onkwetsbare volledigheid wilt nastreven, dan zwak je je eigen betoog af.
– Overigens liet de islam bij die gelegenheid inderdaad geen invloeden toe, om nu toch even op deze nevenkwestie in te gaan. Als er, van de nazi's en de moslims, één partij was die invloeden onderging, dan waren het wellicht de eerstgenoemden, nieuwkomertjes tenslotte. En als De Ley op dit moment wil tussenwerpen dat "de islam" niet bestaat, dan antwoord ik hem: waar zie jij mohammedanen die openlijk afstand kunnen nemen van geloofsgenoten, zonder zélf in lijfsgevaar te komen? Of ik verwijs De Ley naar de Turkse journalist Zafer Senocak, in een artikel van Die Zeit dat ik eerder vertaalde.

Overigens las ik, na het artikel in De Standaard, een ingekorte versie ervan in Opinio, en daar was alvast één van mijn bezwaren verdwenen!

Geen sprake meer van nazi's, wel nog van kruistochten. Er kwam echter ook één bezwaar bij. Barnard en van Istendael beschrijven met enthousiasme een ontmoeting, naar aanleiding van het oorspronkelijke artikel, met een Turkse journaliste:
Mevrouw Baturalp bleek een – uiteraard hoofddoekloze – gehuwde vrouw van een jaar of vijfendertig te zijn, weliswaar een moslima, maar ook een volgelinge van vadertje Atatürk en de in de jaren twintig na veel bloedvergieten gestichte lekenstaat Turkije, waar vrouwen twintig jaar eerder stemrecht kregen dan in België en Frankrijk.
En het is vervelend maar zo belanden wij onbedoeld toch weer, zo niet bij het nazisme, in elk geval bij het fascisme:.Atatürk was een groot bewonderaar van Mussolini, en nam bij het schrijven van de Turkse Grondwet diens ideeën over ...voor zijn uitsluitend op het leger gesteunde zogenaamde lekenstaat.
.

7 februari 2008

Barnard en van Istendael in achtervolging op de ontsnapte Leyers

.
Gisteren in De Standaard beschuldigde professor Herman De Ley twee bekende dichters van intolerantie & xenofobie.

Het opiniestuk van onze schrijvers is niet onschuldig: het is een oproep voor intolerantie en xenofobie.
Geen lichte termen tegenwoordig. Mij is het zelfs onduidelijk waarom professor De Ley wacht met een klacht bij de zedenbrigade van Jozef De Witte. Waarom eerst nog tijd in een krantenstuk gestoken? De Witte zal zeker oren hebben naar die klacht. Het verwondert mij zelfs dat laatstgenoemde niet ex officio in beweging wil komen.
De enige reden waarom de De Ley misschien liever geen klacht neerlegt, en waarom ook De Witte talmt, is wellicht dat er in het stuk van Barnard en van Istendael nauwelijks sprake is van systematiek.
Het bevat vele losse gedachten, over de hoofddoek, de koran, het fascisme, de Franse lekenstaat …op zich best goede gedachten, maar ze zijn gelukkig voor hen nog niet uitgerijpt en tot een geheel gemaakt, want zoals wij weten: enkel systematiek is strafbaar. Deze mensen zijn pas aan een lovenswaardige bocht begonnen, en straks komen zij weer op een recht stuk weg. Het peloton zal dan vast de achtervolging inzetten op de drie koplopers.

Wat De Ley vertelt is ongetwijfeld wél systematisch, weze het huichelachtig. Als hij het bijvoorbeeld heeft over de school van de Moe’tazila die Gods rechtvaardigheid juist centraal stelde, en meent dat deze school tegenwoordig een revival kent, dan mocht hij ook wel vermelden dat zij na de Xde-XIde E. zo goed als verdween. En dat was niet het gevolg van, om in moderne termen te spreken, een soort van paradigm change, een verandering van de inzichten, zoals Thomas Kuhn die beschreef. Bij Kuhn is zo'n verandering meestal het gevolg van het natuurlijke afsterven van de vertegenwoordigers van het oude en achterhaalde meerderheidsparadigma. Maar die mutazalieten hadden nooit enig overwicht binnen de islam. Deze aberrante minderheidsstroming werd gewoon verwijderd.

Sterker is echter dat De Ley lof lijkt te hebben voor een stelsel dat openlijk de Herrenmentaliteit verkondigt, de zogenaamde dhimma.
Of nog inzake de geschiedenis van de islam: het instituut van de dhimma, dat in voege was tot aan het kolonialisme: de islam is de énige die het bestaansrecht van andere religieuze gemeenschappen theologisch erkend heeft.
Kort gezegd komt de dhimma hier op neer: er zijn échte mensen, de islamieten zelf, en er zijn mindere soorten die –al naargelang– uitgemoord mogen worden (animisten, atheïsten, polytheïsten) óf uitgezogen en vernederd (joden en christenen).
Dat laatste regime is op zijn manier een vorm van erkenning zegt De Ley, en daar is iets van. Joden en christenen waren in de regel de enige groepen die wetenschap en vakkennis in huis hadden, en zolang zij solvabel waren en speciale belastingen konden betalen, werden zij bijgevolg gedoogd. Soms waren de heersers zelfs zo verstandig om hen te ontraden over te gaan tot het ware geloof, want die speciale belastinggelden voor niet-islamieten waren natuurlijk welkom.

Wel spijtig voor De Ley dat elke beschaafde Westerling tegenwoordig bij Bat Ye’or, of Tilman Nagel, of Hans Jansen, of Robert Spencer kan nalezen hoe dat nu écht in de haak zat met zijn “theologische erkenning”.

.

_____________________

P.S. (donderdagavond): Mag ik wijzen op de gewaardeerde reactie van Benno Barnard?
.

4 februari 2008

De bakvissentaal ontgroeid !

.
Bondigheid en scherpte, ziedaar twee kwaliteiten van goede schrijvers.
Vandaag, in de lezersbrieven van De Standaard kregen we een mooi voorbeeld. In die lezersrubriek lees je elke dag allerlei dingen, ook korte, maar meestal toch langere stukken.
En héél soms heel korte stukken, zoals laatst dat briefje van die kabinetschef van Frank Vandenbroucke, zekere Dirk Van Melkebeke, die bij deze gelegenheid nog Latijn sprak. Verstandige keuze trouwens, want Latijn en bondigheid zijn synoniemen. Mede hierdoor had Dirk amper vijfendertig woorden nodig voor zijn boodschap.
Van Melkebeke zijn minister helaas, die ik vaak met een naamstem heb bedacht, maakte de dag daarop een minder verstandige keuze. Hij liet zijn kleine chefje ongemoeid. Frank was enkel “verrast”, en dat is iedereen wel eens.
Maar die Melkebeke was nog breedvoerig geweest kun je zeggen. Dat is ook geen auteur, kent nauwelijks zijn talen.

Dan deed de weduwe de Coninck, Kristien Hemmerechts vandaag beter. Met iets meer dan de helft van het aantal woorden (éénentwintig tel ik er, en ik zou strikt genomen pin-upmeisje als één woord mogen rekenen, in plaats van drie) wist zij haar gedachte tot uitdrukking te brengen. Voorwaar een stilistische krachttoer.

Boon
Wat zou Louis Paul Boon het opwindendst hebben gevonden:
een pin-up meisje met of zonder hoofddoek?.
Kristien Hemmerechts (Berchem)

PAUCA SED MATURA

..

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html