14 oktober 2010

Lezing van Oskar Freysinger, Brussel, 9 oktober


Staat u mij, bij wijze van inleiding, deze vaststelling toe: dat het in de EU, tegen het eind van het eerste decennium van de 21ste eeuw, een waagstuk is geworden om vragen op te werpen, en daarover te debatteren. Eerst hield het centrum Diamant in Schaarbeek voor mij de deur dicht, onder druk van burgemeester en politie op de zaalverhuurder, en dan was het Crowne Plaza hotel aan de beurt om mij een zaal te weigeren. Deze eigenaar had tenminste nog de beleefdheid, nadat hij de lezing eerst had toegezegd en vervolgens geweigerd, om ons, Marcel Castermans en mijzelf te ontmoeten, en zijn verlegenheid uit te drukken met het feit dat hij zijn toezegging niet kon inlossen. “Let wel,” liet hij ons tijdens dit onderhoud weten, “Crowne Plaza vormt hier geen uitzondering met zijn weigering. Op dit moment zult u in Brussel niet één hotel of zaal bereid vinden om u te ontvangen, zo sterk is de politieke druk. Ziet u, ik ben zakenman, en kan niet tegen het systeem ingaan.”
De directeur van het Crowne Plaza had meer gelijk dan hijzelf vermoedde, want vanochtend zelf nog heeft een derde zaaleigenaar zich teruggetrokken, terwijl ook hij eerst had toegezegd.
Hier zien we hoe het komt dat Europa op drift raakt: niet door de fanatici die het terrein bezetten, maar door de lafaards die hen laten begaan. Intussen ben ik wel blij met de ontknoping van deze kwestie, waardoor ik mij nu in een zaal van het Vlaams Parlement in het Frans kan uitdrukken. Een dankwoord aan Filip Dewinter die als enige vanmorgen zich heeft ingezet voor de vrije meningsuiting in deze stad Brussel, die onder de domper van een kliek van vrijheidverkrachters zit. Intolerantie en censuur zijn tegenwoordig het voorrecht van diegenen die de woorden “ruimdenkendheid” en “verdraagzaamheid” voortdurend op de lippen hebben.
En al proberen zij ons te muilkorven, paradoxaal genoeg voeren wij ook voor hún kinderen onze strijd voor de vrijheid. De komende drie kwartier zal ik alvast een poging doen om de argumenten samen te vatten, die ons in Zwitserland hebben bewogen om een krachtig signaal te geven aan de islam, door de bouw van minaretten te verbieden.

Is de islam een bedreiging? Zo ja, op welk vlak, en door welke aspecten ervan? Dat zijn dus de vragen die ik zal proberen te beantwoorden, zonder de minste vijandigheid ten opzichte van de individuele moslims, want vaak zijn zij de eerste slachtoffers van het onverbiddelijke dogma dat hen slechts in zeer beperkte mate toelaat om een zelfgekozen leven te leiden.

1. Alle religies op voet van gelijkheid

Bij het begin van deze overdenking dienen wij ons af te vragen op welke manier om het even welke Rechtsstaat intern de religieuze vrede vrijwaart. Hij slaagt daar slechts in door middel van een eeuwenoud regime van wettelijkheid, dat zich boven de religieuze dogma’s stelt en dezelfde behandeling waarborgt aan alle geloofsovertuigingen. Om de bescherming doelmatig te laten zijn, en te zorgen dat zij aan allen gelijkelijk wordt verleend, dient de beschermende instantie boven de beschermde te staan.
Een religieus geloof is fundamenteel onbewijsbaar en ontsnapt zodoende aan elke verificatie. Voor een wetgever die een gelijke behandeling wil waarborgen aan alle religies, betekent dit dat geloof X en geloof Y noodzakelijkerwijs op gelijke hoogte staan, en dat het de mensen vrijstaat om een geloof te kiezen, en dus ook om van de ene religie op de andere over te gaan.
Godsdienstvrijheid is trouwens het oudste fundamentele recht in gelijk welke moderne constitutionele Staat. Zodra echter geloofsovertuigingen verpolitiekt raken, dreigt de politiek dogmatisch te worden. De godsdienst beïnvloedt de politiek dan in zulke mate dat deze laatste alle andere religieuze overtuigingen tenslotte verbiedt, isoleert of verdrukt (zie Iran, Afghanistan etc.), en daarbij een dogma oplegt (dat onveranderlijk en onbewijsbaar is). Staat u mij toe dat ik enkele stichtelijke gevallen aanhaal, in verband met de wet op de godslastering, die enige tijd geleden werd ingevoerd in Pakistan, dat zich nochtans als een democratie voordoet:
– De familie van een zesentwintigjarige vrouw van de Punjab, moeder van drie kinderen, beschuldigd en gevangen gezet op valse aantijgingen van blasfemie, overweegt nu wanhopig om een regeling te treffen met de aanklagers: intrekking van de klacht, en dus de vrijheid, in ruil voor bekering tot de islam. In maart 2010 werd Rubina beschuldigd door een muzelmaanse winkelierster, als gevolg van een twist over een voedingsproduct. De zittingen van de rechtbank verliepen onder sterke druk van de extremistische islamitische groeperingen. Om tot een buitengerechtelijk akkoord te komen, werd er aan de familie van Rubina gezegd dat de beschuldigingen zouden worden ingetrokken, in geval van bekering tot de islam.
– In februari 2010 werd Qamar David, een christen uit Lahore, in 2006 gevangengezet, tot levenslang veroordeeld wegens godslastering. Al drie jaar zijn zijn familie en zijn advocaat het voorwerp van bedreigingen en intimidatie. “De veroordeling is gebaseerd, enkel op verklaringen en getuigenissen die artificieel tot stand zijn gebracht, als vrucht van haat en vooroordelen”, laat de advocaat Parvez Choudry weten.
– In januari 2010 werd Imran Masih, 26 jaar, van Faisalabad, veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf, voor godslastering. Een buur heeft hem beschuldigd van het verbranden van een koran. De jongeman was in de val gelokt: bij het opruimen van zijn winkel wilde hij zich inderdaad ontdoen van enkele boeken die in Arabisch schrift gesteld waren (taal die hij niet begrijpt). Hij had de raad ingewonnen van een buur die hem eerst toestemming gaf om dat te doen, en hem vervolgens beschuldigde van godslastering.
– Begin juli 2010 werd Zahid Masih van Model Town, niet ver van Lahore, gedwongen de vlucht te nemen en onder te duiken met zijn familie, nadat hij van godslastering was beschuldigd door de moslim Manat Ali, die een menigte fundamentalisten ophitste in een poging hem te laten lynchen. Zahid wordt er van beschuldigd een paneel met daarop enkele koranverzen te hebben gebruikt om een badkamer te bekleden.
Als wij deze feiten onder ogen nemen, dan is het probleem dat de islam stelt aan westerse democratieën niet in de eerste plaats theologisch van aard, maar vooral politiek en juridisch.

2. Tegengestelde rechtsopvattingen

In Zwitserland, zoals in elke democratie die naam waardig, is er voor elke wet een democratische legitimatie. Dit houdt in dat onze wetten gewijzigd kunnen worden, in tegenstelling tot het religieuze islamitische recht dat onomkeerbaar en autonoom is, want het geldt van goddelijke oorsprong te zijn; het is eens en voor altijd gegeven, en hoeft geen rekenschap te geven aan wie dan ook. De sharia berust op de koran, die aan de profeet Mohammed is gegeven terwijl die in een staat van mystieke extase verkeerde. De koran bestond als ongeschapen wet in het paradijs al, en door de tussenkomst van Mohammed is die ter beschikking van de mensen gekomen. De sharia gaat terug op nog een andere oorsprong, de hadiths, die door hun status als bron op hetzelfde niveau staan als de koran, en die inlichtingen verschaffen over het leven van de profeet en de handelingen die hij stelde. Er bestaan desbetreffend, al naargelang de koranscholen, verschillende opvattingen. Sommige hadiths worden door de enen wel, door anderen niet geaccepteerd. De religieuze teksten vertonen een grote interne verscheidenheid die tot sterk uiteenlopende interpretaties en praktijken leidt. Tot slot worden de contradicties binnen de koran zelf, en de domeinen die hij niet bestrijkt, vaststaand geïnterpreteerd door de ijmā , die een consensus naar voren brengt van zelfverklaarde juristen (de ulema), en die fatwa’s formuleert (juridische arresten).
Het probleem zit hem hier dat de alim (meervoud: ulema) doorgaat voor iemand die “weet”, die bijgevolg wetenschappelijke kennis bezit, terwijl het om vragen van geloof gaat. Zo wordt het begrijpelijk dat in de islam het geloof doorgaat voor kennis, en als een wetenschappelijk verifieerbaar domein van kennis. Deze opvatting is slecht te verenigen met onze idee over geloof, en zij brengt extreem kwalijke gevolgen mee voor het dagelijks leven.
In tegenstelling met de inwoners van de 57 lidstaten van de Organisatie der Islamitische Conferentie, kan het Zwitserse volk, dankzij onze rechtsopvatting, in ruime mate deelnemen aan de politieke besluitvorming, door middel van de instrumenten van de directe democratie. Het volk zou bijvoorbeeld in staat zijn om de verwijzing naar de Almachtige in de Federale Grondwet te schrappen. Geen enkel volk van de islamitische staten daarentegen, heeft het recht om de sharia ter discussie te stellen, die in die landen gelijkstaat met onwrikbaar wetenschappelijk inzicht, ongeveer zoals wijzelf, Zwitsers, voor een feit aannemen dat de aarde rond is, en rond de zon draait.
De tijd dat de kerk pogingen ondernam om zulke directe kennis te verbieden is voorbij; Galileo belichaamt om zo te zeggen de aanvang van de emancipatie van de moderne wetenschap ten overstaan van de religie. Het Turkse Constitutioneel Hof stelde in een arrest, dat door het Europees Hof voor de Mensenrechten werd bevestigd, dat de sharia de antithese is van de democratie, en dat zij de Staat zijn rol als bewaarder van de individuele vrijheden en rechten wilde ontzeggen. In dit verband is de volgende uitspraak van Dalil Boubakeur, oud-voorzitter van de Franse Raad van de islamgemeenschap, opmerkenswaard: “De islam is tegelijk religie, gemeenschap, wet en beschaving.” De Organisatie van de Conferentie der Islamitische Staten –die zoals gezegd 57 staten omvat– deed een soortgelijke vaststelling: “De islam is religie, Staat en complete levensregel”.
In overeenstemming met dit principe accepteert de Organisatie van de Conferentie der Islamitische Staten de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens slechts in zoverre deze niet in tegenspraak is met de sharia.
Het is precies deze neiging van de islam om zowel het privéleven als de publieke organisatie in een samenleving te beheersen, zijn omvattende invloed dus op de manier van leven van de mensen, die de islam onderscheidt van de andere religies. Het boeddhisme, judaïsme, hindoeïsme etc. beleven religie in de eerste plaats als een individuele mening over het leven, zonder een merkbaar politiek-juridisch bestanddeel. Zij respecteren de politiek, het recht, maar ook de wetenschap en de kunst als autonome “systemen”, terwijl schrijvers of tekenaars die kritiek op de islam leveren zich aan gewelddadige reacties mogen verwachten van de kant van de bewakers van de islamitische religie. We mogen in dit verband de terdoodveroordeling van Salman Rushdie in herinnering brengen, het werk van ayatollah Khomeiny in 1989, of nog de vernieling van Deense eigendommen in de islamitische staten, na de publicatie van de mohammedcartoons in 2006. Kurt Westergaard, een van de tekenaars, leeft trouwens nog steeds met de bedreiging van een fatwa. Na drie keer aan een aanslag ontsnapt te zijn, wisselt hij vaak van stad en land, komt nooit buiten zonder gewapende escorte, en heeft hij zijn huis tot een fort omgebouwd. Vijf jaren duurt die hel nu al. Ruim voldoende om andere adepten van de “misplaatste humor” te ontmoedigen.

3. Historische wortels van de islamitische rechtsopvatting

De islamitische religieuze teksten zijn niet enkel van ethische of morele aard, maar zij beogen ook de Staatsvorm te beïnvloeden. De koran werd samengesteld en geschreven na het jaar 800, toen de islamitische veroveringen tot in Spanje reikten. de invoering van een geheel van juridische regels met normatief karakter. De invoering van een geheel van juridische regels met normatief karakter was een vereiste om organisatie te brengen onder de veroverende stammen en clans, die zichzelf in die tijd niet als muzelmannen betitelden, maar als Saracenen.
In tegen,stelling met wat men gewoonlijk denkt, zijn moskeeën niet te vergelijken met onze kerken; ze lijken veeleer op kantoren van de burgerlijke staat, want het gaat er meestal over juridische geschillen en burgerlijk recht.
De bevoorrechte relatie tussen de muzelman en Allah passeert via de sharia, de islamitische regel. In de islam is de moraal gebaseerd op de wet, terwijl in onze opvatting de wet gebaseerd is op de moraal.
Een voorbeeld om dit te illustreren: bij ons bestaat er een moreel principe dat zegt dat doodslag een kwaad is; daarbij moet de wet, die uit dit principe volgt, in aanmerking nemen dat in het geval van zelfverdediging het kan voorkomen dat iemand een ander doodt, zonder dat hij naderhand daarvoor gestraft wordt. Doodslag blijft een kwaad, maar de wetgever erkent in bepaalde noodgevallen een wettige grond. Heel anders gaat dat in de islam. De sharia schrijft juist heel nauwkeurig voor wanneer, en in welke omstandigheden, en hoe bepaalde personen mogen gedood worden of niet. De moraal vereist eenvoudig dat deze catalogus gerespecteerd wordt; omgekeerd is het immoreel om deze catalogus niet te respecteren. Moraal wordt afgeleid uit de wettelijk norm, komt pas na de wet, hetgeen overigens logisch is binnen het islamitische stelsel, want de wet is goddelijk en ongeschapen en geldt bijgevolg eens en voor altijd.
Als een muzelman de koran reciteert, dan reciteert hij een tekst die in zekere zin dicht bij onze Code Civil staat; het verschil is dat de wetten van de islam van goddelijke oorsprong zijn en door dat enkele feit onveranderlijk.
Het hoeft dus niet te verbazen dat een muzelman die aan zijn geloof verzaakt zich blootstelt aan de doodstraf, en dat 94 procent van de zonden die de koran bestraft met verblijf in de hel te maken hebben met twijfel aan, of kritiek op Mohammed en de islam.
Alleen op zich al, geven deze tegenstrijdige opvattingen over de oorsprong van de het recht aan, hoe moeilijk de twee uitgangspunten verenigbaar zijn, en hoe zo goed als onmogelijk in de praktijk realiseerbaar.

4. Territorialiteitsproblemen

Als de problematische compatibiliteit van de islamitische cultuur en die van het Westen niet van religieuze, maar van juridische aard is, dan is dat omdat de sharia voorafgaat aan de vorming van de Staat, en als het ware de sokkel is waarop de Staat wordt opgericht (de islamitische nomocratie, de voorrang van de wet).
De islam kent drie soorten grondgebied: in het Dar al Islam (huis van de vrede) heeft de islam getriomfeerd, en heerst hij zonder tegenspraak; in het Dar al Harb (huis van de oorlog) zijn de ongelovigen aan de macht; en in het Dar al Suhl (wat te vertalen is als het huis van het wapenbestand), is de islam nog in de minderheid en moet hij zich dus flexibel opstellen, maar het is de plicht van elke muzelman die daar leeft om alles in het werk te stellen om zijn religie daar op een dag te laten triomferen.
In deze gedachtegang worden minaretten, gescheiden begraafplaatsen, koranscholen ook en moskeeën, kleine extraterritoriale gebiedjes op onrein terrein, kleine bruggenhoofden van de islam, op het grondgebied waarvan, zelfs al gebeurt dat op kleine schaal, enkel de islamitische wet van toepassing is.
In het Dar al Islam, het heilige land waar de islam gevestigd is, kan er geen wet concurrerend met de sharia –ons strafrecht of burgerlijk recht bijvoorbeeld – toegelaten worden.
Dit “heilig land” van de islam omvat in Europa vele stadskwartieren in Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland. De muzelmannen zijn er de meerderheid; zij hebben hun begraafplaatsen, hun moskeeën, hun koranscholen. Deze plekken liggen verspreid over heel het Westen, en groeien in oppervlakte en bevolking. Minaretten staan hoogstens symbool voor deze penetratiegraad, ongeveer zoals de vlaggetjes die generaals op hun stafkaarten prikken, om aan te geven hoever hun troepen zijn opgerukt.
Het woord minaret komt van “al manar”, vuurtoren. Maar deze “vuurtorens van de jihad”, of “bajonetten van de islam”, om de woorden van de Turkse eerste minister Erdoğan te hernemen, beantwoorden niet aan enig koranisch voorschrift, en spelen in het religieuze ritueel van de islam geen rol. De muezzin is pas later uitgevonden, maar zijn aanwezigheid wordt vaak verantwoord door een betwistbare parallel met de klokken van de christelijke kerken. In werkelijkheid is de minaret voor alles een symbool voor de totale onderwerping aan een doctrine, en aan de daaruit volgende onverdraagzaamheid – zelfs al is deze laatste voorwerp van controverse tussen de verschillende strekkingen in de islam.
Als wij op het Zwitserse grondgebied de bouw van minaretten toestaan, dan zullen de conflicten die in de Oriënt plaatshebben, bijvoorbeeld tussen muzelmaanse ottomanen en alevieten, zich bij ons voortzetten.
In plaats van de wederzijdse verdraagzaamheid en de religieuze vrede aan te moedigen, wakkeren wij conflicten aan in de grote doctrinaire verscheidenheid van de islam. Inderdaad zijn voor de alevieten en de geseculariseerde moslims minaretten een belediging, en het teken dat een bepaalde interpretatie van de islam probeert zich door te zetten als enige representant van deze religie in Zwitserland. Onder radicale islamieten geldt algemeen de opvatting dat alle gebieden, waar ook ter wereld, die ooit islamitisch waren, dat opnieuw worden. Het middel daartoe is de jihad, die in 97% van de gevallen waar de term voorkomt in de koran, “heilige oorlog tegen de ongelovigen” betekent, en in slechts 3% van de gevallen moet dat woord begrepen worden als “innerlijke strijd”, “geestelijke loutering” of “zoektocht”.
Elke plek van waaraf een minaret zichtbaar is, en elke streek die men van op een minaret kan zien, moeten islamitisch worden. Deze aanspraak in acht genomen wordt het begrijpelijk dat zulk bouwsel, door de Europeanen vaak onderschat, een veel belangrijkere rol speelt dan gemeenlijk wordt aangenomen.
In Poitiers is men nu een minaret van 21 meter aan het bouwen, de stad waar Karel Martel in 732 de Saracenen op de vlucht dreef. Er worden luidsprekers geïnstalleerd. Maar aan de bevolking heeft men beloofd dat ze stom zullen blijven. Waar worden ze dan voor geïnstalleerd? Feit is dat op vele plekken waar men de bouw van een minaret heeft toegestaan, de stem van de muezzin nu meermaals dagelijks weerklinkt. Dat is het geval bijvoorbeeld in Granada, in Bosnië, in Oxford, in Londen, in Nieuw-Delhi, en zelfs in Lhassa, de hoofdstad van Tibet.
Hiertegen groeien ook elders weerstanden, en dat is goed te begrijpen: het doel van deze beweging is het installeren van de islamitische orde in de hele wereld, en de minaretten zijn enkel het zichtbare –en vaak luidruchtige– gedeelte van deze penetratie.
De Islamitische Raad van Groot-Brittannië sprak zich duidelijk uit in maart 2008: “De oproep tot het gebed moet een wezenlijk deel worden van het leven in Groot-Brittannië en Europa.” Welnu, deze oproep herhaalt vijfmaal dagelijks volgend beginsel: “Allah is de grootste. Ik getuig dat er geen god is buiten Allah. Ik getuig dat Mohammed de boodschapper is van Allah. Kom naar het gebed. Treed toe tot de vreugde. Allah is de grootste. Er is geen waarachtiger god dan Allah.”
Naast deze geloofsbelijdenis klinken de klokken van onze kerken opmerkelijk neutraal – temeer omdat zij hoofdzakelijk dienen om het uur aan te geven.

5. Godsdienstbeoefening is geen absoluut recht

De vrije uitoefening van godsdienstige praktijken –rituele slachting bijvoorbeeld– wordt in het nationale en internationale recht slechts toegestaan binnen de grenzen van de wet. Restricties zijn perfect mogelijk. Artikel 9 alinea 2 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens, artikel 29 alinea 2 van het Charter van de Mensenrechten van de VN, zoals ook artikel 36 van de Federale Grondwet laten een inperking van de godsdienstvrijheid toe, als deze inperking het algemeen belang dient, en als gezien de omstandigheden de inperking passend is.
Het is om die reden dat Senaat en Kamer zich genoopt zagen ermee in te stemmen dat het volksinitiatief tegen de minaretten niet inging tegen de wet, en bijgevolg aan het volk diende te worden voorgelegd. Wat we nu echter zien is dat de regering zich weinig gelegen laat aan de klaar uitgedrukte wil van het volk in de stemming die daarop gevolgd is, want zij heeft niet de intentie zich te verzetten tegen de bouw van een minaret in Langenthal, met als valse voorwendsel dat de bouwaanvraag al ingediend werd voor 29 november 2009. Nochtans had de minister van justitie op de avond van het referendum bij hoog en laag bevestigd dat de volkswil zou gerespecteerd worden, en dat er geen enkele minaret in Zwitserland nog zou gebouwd worden. Nog erger: in zijn antwoord van 15 september, aan het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, permitteert de minister zich, in een totaal misprijzen voor het begrip soevereiniteit, en met veronachtzaming van de volkswil zoals uitgedrukt in een algemene raadpleging, permitteert hij het zich te bevestigen dat “de recente jurisprudentie van het Grondwettelijk Hof voorbeelden kent waar een internationaal verdrag (en een federale wet) voorrang krijgt boven een bepaling in de Grondwet.”
En iets verder voegt hij nog toe: “Deze jurisprudentie zou kunnen toegepast worden op de relatie tussen internationale normen en grondwettelijke, temeer daar artikel 190 van de Grondwet geen gewag maakt van de Grondwet zelf als zijnde relevant recht.” Op die manier wijkt de directe democratie en het algemeen stemrecht voor een “democratie van de rechters”, die op een veel kleinere democratische legitimatie kan bogen, want zij zijn gecoöpteerd door het bestaand systeem. Door zo te werk te gaan slaagt het systeem erin om het volk te muilkorven, en de democratie voor antidemocratisch te verklaren, en de politieke besluitvorming als illegaal, overal waar deze ingaat tegen de rechte leer van de globalisering.

6.Dhimmitude en integratie

Als in de VS de staat Michigan niet langer vereist dat gesluierde vrouwen bij de controle van personen hun hoofd ontbloten, dan creëert hij op zijn eigen grondgebied een concurrerende juridische situatie. In naam van een postmodern, wettelijk en tolerant pluralisme, wordt het wettelijk regime op dat grondgebied geleidelijk aangelengd. Hetzelfde, als men in een lyceum van de Oise, aan de adolescenten toestaat dat zij integraal gesluierd hun eindexamen afleggen (Le Figaro, 19 juni 2010). De beroepscommissie inzake asielkwesties heeft beslist dat “het Zwitserse recht zich niet mocht veroorloven zich boven een buitenlands recht verheven te voelen”; als gevolg van deze bevestiging, heeft zij een huwelijk toegestaan met een minderjarige, in afwezigheid van de man.
Een bijzonder treffend voorbeeld van dit juridisch pluralisme: in Duitsland heeft een rechter geweigerd een echtscheiding uit te spreken “want de echtgenote lijfelijk straffen is in de islam toegestaan”.
Deze voorbeelden tonen aan dat de westerse democratieën vandaag bereid zijn om op hun eigen grondgebied een afwijkend en concurrerend rechtssysteem toe te laten, ten koste van hun eigen stelsel. Ons zelfrespect, en voorzichtigheid zouden ons er nochtans moeten toe aanzetten om te beletten dat op ons grondgebied een rechtstelsel uitbreiding neemt, dat in tegenspraak is met de Zwitserse wet, en dat berust op een totaal andere interpretatie van de mensenrechten. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft vastgesteld, is de sharia onverenigbaar met onze opvattingen over recht, meer bepaald op het gebied van het huwelijksrecht, de mensenrechten, of nog het strafrecht.
Accepteren dat moslimonderwijzeressen de sluier dragen, of gescheiden zwemlessen voor moslimkinderen aanvaarden, zijn voorbeelden van toegevingen die door de tolerantie voor vreemde culturen gerechtvaardigd worden, en ze lijken ook weinig belangrijk, terwijl in werkelijkheid, vanuit juridisch oogpunt, zij de doos van Pandora openmaken. Deze ogenschijnlijk bescheiden aanpassingen van wetten en regels hebben tot doel om in Zwitserland een parallel rechtstelsel te doen erkennen, dat aan het onze compleet vreemd is.
Waar het bijvoorbeeld gaat om gearrangeerde huwelijken met minderjarigen, laat men toe dat fundamentele rechten (het recht te huwen), geschonden worden in naam van andere mensenrechten (de godsdienstvrijheid als groepsrecht). Maar een samenleving waar het inmiddels de bon ton is om dhimmitude te betonen –deze profylactische dienstbaarheid die geacht wordt de bliksems van Allah van onze koppen af te wenden– laat zich niet in met beschouwingen over de draagwijdte van de toegevingen die aan de islam worden gedaan.
Zagen we niet M. Delanoë, burgemeester van Parijs, de moslims feliciteren met de ramadan, en minister Hugues Hiltpold hetzelfde doen in Genève? Nooit hebben we deze mensen de christenen horen feliciteren met de Vasten? En nooit zullen we hen felicitaties zien geven aan de deelnemers van een groot straataperitief met wijn en worst! Deze dhimmitude (onderwering aan de islamitische vereisten, door “ongelovigen”) is evenwel niet enkel aan de Europese landen voorbehouden. Als ik dan verneem (Le Temps de Genève, van 28 mei 2010) dat Marokko vreemde christenen versneld van zijn grondgebied verdrijft, dan moet ik wel denken dat deze manoeuvres vanwege de koning een toegeving zijn aan de islamisten wier invloed groeiend is. Met zulke toegevingen riskeert hij, zoveel Marokkaan en koning als hij is, aan het eind een kalifaat in de plaats van een natiestaat aan te treffen. Het is niet door zich voor te doen als nog islamistischer dan de islamisten, dat het hem zal lukken om hun voortgang af te remmen, want gods gekken laten zich weinig gelegen aan reputaties, verblind als zij zijn door de vereisten van hun leer.

7. Culturele getto’s, individualistische samenleving en clansysteem

Dit parallelle voorkomen van twee verschillende rechtssystemen op het grondgebied van eenzelfde staat is bijzonder gevaarlijk, door het toenemende isolement van bepaalde etno-religieuze groepen in getto’s. Al sinds de eeuw van de Verlichting, wordt onze samenleving opgebouwd volgens beginsel van het individualisme; zij is er dus niet klaar voor, om groepen te ontvangen en te integreren die als quasi-ontoegankelijk collectief functioneren. Individualisme begunstigt de vrije opinievorming, en daardoor ook de vernieuwende kracht die karakteristiek is voor de westerse gemeenschappen. Parallel wordt het nepotisme afgeremd, omdat het clansysteem verzwakt wordt. Omdat het individualisme de persoon uit de greep van zijn clan haalt, laat het aan elke persoon toe om toenadering te zoeken tot een andere, die hem daarvoor nog vreemd was. Het eindresultaat is dat het algemeen belang, het welzijn van alle burgers dus, voorrang krijgt op particuliere clanbelangen. Maar zulk systeem werkt enkel in een min of meer homogene samenleving, met leden die de algemene regels kennen en respecteren. Wat meer is, de Staat moet ook bereid zijn deze regels op te leggen.
Probleem is, dat het merendeel van de buiten-Europese staten functioneert op een manier die van deze uitgangspunten totaal verschilt; de clan- en familiebelangen gaan voor op het algemeen belang, dat hoogstens een abstract begrip blijft in dergelijk kader. Naarmate het aantal immigranten afkomstig uit staten met een uitgesproken clansysteem groter is, des te meer kent onze maatschappij problemen.
Zo gezien is het ontstellend dat men toelaat, onder het voorwendsel van “familiehereniging” –een concept dat steunt op de Europese kernfamilie–, dat niet enkel de echtgenote en kinderen, maar ook broers, zussen, grootouders en neven de EU-ruimte binnenkomen. Het grootste probleem van de Europese staten komt voort uit het feit dat de ongecontroleerde immigratie, en de verzwakking of zelfs opheffing van de buitengrenzen, voor gevolg hebben dat er talrijke, en soms onzichtbare binnengrenzen ontstaan.
Als wij weigeren om op deze problemen geschikt te reageren, als wij er een taboe van maken om ze niet te hoeven aanpakken, dan riskeert het gebied van de EU, met zijn belofte van grote vrijheid, een gebied te worden van groepen die met elkaar in conflict leven.
Zwitserland ontkomt niet aan deze evolutie, want de gecumuleerde gevolgen van Schengen/Dublin, het vrij verkeer van personen en de toevloed van asielzoekers laten ons land nauwelijks nog toe om strenge regels aan het grensverkeer op te leggen. Dit heeft voor gevolg dat er handelwijzen worden geïmporteerd die slecht assimileerbaar zijn, en beschermd worden door clans die zich gehergroepeerd hebben.
Zo komt het dat zowat overal in Europa de polygamie weer opduikt. Ik breng hier het emblematische geval van Lies Hebbadi in herinnering, voorpaginanieuws de 23ste april 2010, omdat hij publiekelijk protesteerde tegen het proces-verbaal dat aan een van zijn gezellinnen te beurt was gevallen, die achter het stuur een niqab droeg. Op 9 juni werd hij aangehouden op verdenking van sociale fraude –een toestand van “feitelijke polygamie” die hem toeliet om ten onrechte van uitkeringen te genieten–, oplichting en zwartwerk. Hij is sedertdien opnieuw aangehouden voor verkrachtingen met verzwarende omstandigheden. Wordt vervolgd.
Ook in de ziekenhuizen doen de integristische buitenissigheden hun intrede: de man die weigert om zijn vrouw te laten verzorgen door een mannelijke arts, weigering van behandelingen etc. Dit levert absurde situaties op. In “Libération” van 7 juli 2010 vertelt Isabelle Lévy het geval van een patiënte die tijdens haar zwangerschap nooit onderzocht was, en die zich aanmeldde bij de spoeddienst, want zij had contracties. Zij weigerde onderzocht te worden door een mannelijke arts, en is met haar contracties weer vertrokken. Plots hoorde het personeel kreten. De vrouw in kwestie was aan het bevallen op het grasperk. De verpleegster zei haar: “U wilde niet onderzocht worden door een man, maar nu bent u bevallen in het zicht van misschien honderd man!”
Maar het rijtje stopt daar niet. Soms neemt de sociale en culturele onverenigbaarheid heel wat dramatischere vormen aan.
Wat te zeggen van het dramatische geval van de zestienjarige Swera, een Zwitserse van Pakistaanse origine die net als haar klasgenootjes het Schwyzerdütsch sprak, en die door haar vader werd gedood omdat zij een pakje sigaretten had gestolen, wat naar het oordeel van de vader, getrouw aan zijn religieuze overtuigingen, in bloed moest worden uitgewist?
Kind van zijn eigen bloed? Voor de eer, om de schande weg te vegen. Maar achter dit verschrikkelijke fait-divers, hoeveel meisjes worden er niet gemuilkorfd, bevoogd, geslagen? In clanmilieus is de heersende omerta totaal. Haar doorbreken is dodelijk. Uitgaand van deze vaststellingen wil ik mijn exposé besluiten met volgende aanbevelingen:

1. Onze rechtsstaat heeft de plicht om van de immigranten volledig respect te eisen voor ons wettelijk regime, en dient elke toegeving –hoe bescheiden deze ook mag lijken– uit de weg te gaan, die een aanmoediging zou kunnen zijn, hoe vaag ook, om parallelle rechtssystemen op poten te zetten. Door toe te geven aan de segregatie van groepen, in het bijzonder van de islamitische populatie, door de kunstgreep van uitzonderingsrechten, zoals gescheiden begraafplaatsen, algemene vrijstelling van zwemlessen, gedwongen huwelijken, verhinderen wij deze groepen om dichter bij ons cultureel patrimonium te komen, met als resultaat dat de veelgeprezen integratie enkel nog een schertsoefening is.
2. Zelfs als wij aan de vrijheid van vestiging dreigen te raken, moeten wij beletten dat er zich etnische getto’s vormen, dat er parallelle werelden groeien die onverschillig staan tegenover elkaar. Naast elkaar leven in etnische groepen heeft met integratie geen uitstaans.
3. Wij moeten beletten dat religieuze chefs bepaalde etnische groepen op sleeptouw nemen, door deze extremistische menners strenger aan te pakken.
4. Wij moeten pogen om de instroom van immigranten in te dijken, zodat wij immigranten in kleinere aantallen, maar beter kunnen opvangen, met het oog op integratie. Tenslotte moeten wij hopen dat in de komende jaren de islam zich van binnenuit hervormt, en dat hij ook een soort eeuw van Verlichting meemaakt die aan het fanatieke islamisme een eind stelt.
Zolang dat niet het geval is, hebben wij de plicht om onze eigen staat te beschermen tegen elke vorm van subversie. Het is onaanvaardbaar dat de liberale beginselen van onze Staat gebruikt zouden worden als instrumenten van zijn desintegratie, en op de duur zijn vernietiging.

Het gaat tenslotte ook om de vrijheid en de veiligheid van de moslims zelf, vooral van hen die zich bij ons echt wensen te integreren. Ik veroorloof mij in dit verband het droeve lot van de imam van Drancy, Hassan Chalgoumi, in herinnering te brengen, die zich publiek had uitgesproken voor een verbod in heel Frankrijk, van de alles bedekkende sluier. Sinds die dag worden alle gebedsdiensten die hij leidt verstoord. De 43 geestelijken die hij in 2009 bij elkaar had gebracht in de “Conferentie van Franse Imams”, om “de dubbele missie van de imams, cultureel zowel als republikeins” te bevorderen, laten een na een verstek gaan. Chalgoumi raakt inmiddels meer en meer geïsoleerd, en leeft onder politiebescherming, bedreigd als hij wordt voor die paar woorden gericht tegen het integrisme en antisemitisme. Op christelijk grondgebied vechten tegen de uitwassen van de islam, is misschien wel in de eerste plaats: de moslims beschermen tegen hun eigen “broeders”.
.

10 oktober 2010

Het leven kan mooi zijn


Misschien kan Luckas Vander Taelen eens een gesprek voeren met deze Groene Europolitica?

Politici verduidelijken ons de toestand van de wereld:
vandaag Claudia Roth over Turkije.

"Turkije is voor mij mijn tweede thuis. Ik doe al 20 jaar aan Turkijepolitiek, dat zijn vele jaren, en ik hou van de mensen in Turkije, ik hou van de conflicten in Turkije, er zijn altijd weer problemen, altijd weer conficten. Mij bevalt in Turkije de zon, de maan en de sterren. Mij bevalt water en wind. Mij bevallen de mezze, mij bevalt kikkererwtenpuree, burek (ik kan goede burek maken!).
[Naam] is mijn vriend, en Turkije is mijn vriendin, en nu strijd ik met de vrienden van [Naam] opdat dit Turkije een democratisch Turkije mag zijn. Dank u wel."
.

5 oktober 2010

Joëlle en de Fehlleistung

.
Het Frans heeft zijn eigenaardigheden. De dubbele negatie is er een van.
De Romeinen zegden eenvoudigweg “NON”, als zij wilden zeggen dat iets niet waar was, of niet plaats had gehad en zo meer. Ze stonden bekend om hun brevitas. Ook vandaag ontmoeten wij nog geregeld de uitdrukking “quod non”, in geschriften van kwaliteitsjournalisten. Zij bedoelen dan eveneens te zeggen dat iets niet het geval is, of nooit is geweest. Quod non komt tegenwoordig zelfs meer voor dan de kreet “pacta sunt servanda”, die je tot voor kort vaak nog zag staan. Die pacten hebben aan populariteit ingeboet is mijn indruk.

In het Frans, als Latijnse taal, volstaat het eenvoudige “non” ook dikwijls, bijvoorbeeld als antwoord op een vraag. Beetje brutaal klinkt dat, maar grammaticaal is er niets aan de hand. Toch zul je in een gewone zin altijd “ne …pas”, “non …pas”, “ne …rien”, “non …point” , “non …plus” en varianten hiervan ontmoeten.
Point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer, zei zoals iedereen weet de Zwijger, waarbij we ook “ni” ontmoeten, als herbevestiging van zijn eerste “ne …point”.
Het woordje “ne” is te klein als negatie, en zou makkelijk verloren kunnen gaan, zodat er voor een goed begrip nog een tweede kleinigheid aan toegevoegd wordt, een stipje, een stapje of iets dergelijks.
Als je bijvoorbeeld niet graag broccoli eet, en je bent Fransman, dan zeg je: “Je n’aime pas le brocoli!”, terwijl bijvoorbeeld Bush jr.  –in een helder moment van hem–  kon volstaan met: “…and I don’t like broccoli!”.

Een minder helder moment had vanmorgen Joëlle Milquet, invitée de Matin Première bij de RTBf-radio, want daar riep zij de Franstaligen op tot capitulatie. Zij moesten het hoofd niet laten zakken, maar het zelfs verliezen! Dat moet een Freudiaanse verspreking geweest zijn, maar op zulke momenten ben ik geneigd om toch weer iets te zien in die oude Weense theorie.
Haar laatste dubbele negatie was wel correct, ne ...pas, maar misschien beheerst Joëlle toch beter de enkele negatie?



…ce qui se passe est grave. Ça c'est ...ça je pourrais pas faire autre chose que le reconnaître. Mais c’est pas pour autant que nous ne devons pas, nous, perdre notre sang-froid, notre calme, notre ténacité et surtout notre volonté de sortir les Belges de la crise.

.

2 oktober 2010

Le regard politique de Pierre Manent


Snel getranscribeerd, deze ochtend van France Culture, Répliques ...voor de belangstellenden. Alain Finkielkraut heeft een filosoof te gast, die onder meer benadrukt dat territoriale afbakening onontbeerlijk is.
En, misschien om onze simpele minister van onderwijs ter wille te zijn, geef ik ook een vertaling van het gesprek ...niet in zijn simpel Engels weliswaar (zoals deze simpele ministerziel het wellicht zou wensen) maar simpelweg in het Nederlands. Ook de eenvoudigen dienen wij immers te eren, zegt Matteüs 5; 3.


Alain Finkielkraut: Nous voulons vivre aujourd’hui, notre humeur en tout cas est post-nationale, et vous l’avez décrite, donc je n’y reviens pas, mais est-ce que cela ne veut pas dire précisément que ce passé, ces anciennes propositions d’humanité sont oubliées, éclipsées, absentes? Dans la nation il y avait quelque chose de la cité grecque…
Pierre Manent: Bien sûr…bien sûr.

AF: Dans notre état, ou notre illusion post-nationale, que reste-t-il de la grande dynamique de l’Occident, que vous décrivez précisément, Pierre Manent?
PM: C’est… il est très difficile d’être juste, parce que, d’abord nous sommes à la pointe extrême du présent, [oui] et, et la direction du mouvement est visible, mais, quelle issue trouvera-t-il? C’est très difficile de le dire. Ce qui me frappe aujourd’hui en Europe, c’est que …il y a une sorte de perte de confiance radicale des Européens dans ...dans toute action commune en réalité, et on se plaint qu’il n y ait pas d’Europe politique, mais si j’ose dire, l’Europe est organisée pour qu’il n’y en ait pas, parce que les conditions de formation d’une action commune ont été systématiquement démantelées dans la dernière période. Les cadres dans lesquels une action commune aurait sens ont été progressivement démantelés, au profit, au profit d’une, comment dire, de l’abandon à un processus, ou à des processus qui devraient, par des mécanismes irrésistibles, produire une civilisation qui en quelque sorte préserverait les règles d’une vie commune, sans que les hommes soient obligés en quelque sorte de se gouverner eux-mêmes.
Il y a une confiance qui me parait démesurée et destinée à être très cruellement déçue, dans ce qu’on peut appeler une civilisation démocratique, où le progrès des mœurs démocratiques nous dispenserait de la nécessité de constituer des associations humaines, capables de se gouverner eux-elles-mêmes, et d’abord capables de se défendre elles-même. Donc je crois, si vous voulez, que nous sommes véritablement à la crête d’une grande illusion, mais qui est une illusion propre à l’Europe: les Etats-Unis ne la partagent pas, la Chine ne la partage pas, personne ne la partage dans le monde musulman, c’est une illusion très spécifiquement Européenne, une illusion d’une civilisation apolitique, et dont on peut d’ailleurs très aisément rappeler les conditions politiques. C’est dû à certaines conditions politiques très particulières à l’Europe, que l’Europe a l’illusion de pouvoir vivre hors des contraintes, grandeurs et misères du politique.

AF: Et donc de cette illusion, elle sortira à la faveur ou à la défaveur de l’Histoire semble-t-il. C’est l’Histoire qui risque un jour ou l’autre, et peut-être même un jour prochain de réveiller l’Europe. C’est ça qu’on peut penser, Pierre Manent?
PM: Ce qui me frappe c’est que l’Europe se construit comme si il n’y avait rien en dehors d’elle.

AF: Oui c’est sûr.
PM: Comme s’il n y avait pas d’extérieur, et toute sa tâche est une sorte de transformation intérieure, les progrès de la gouvernance Européenne. Nous, nous cultivons nos vertus. Nous cultivons nos vertus en supposant que l’exemple de nos vertus convertira bientôt le reste de l’humanité. Mais nous oublions que nos vertus sont à la merci du reste de l’humanité, et que nous n’assurons pas nous-mêmes la protection du cadre dans lequel nous les exerçons donc nous avons reculé, nous reculons indéfiniment le moment de prendre des décisions concernant notre relation avec le reste du monde. Et le signe le plus, si j’ose dire le plus étonnant, qui révèle en quelque sorte ce refus méthodique de prendre la moindre décision politique importante, c’est le refus de décider des limites de l’Union Européenne.

AF: …de l’Europe, oui.
PM: Le fait même que nous nous étendions indéfiniment c’est l’aveu –dont nous faisons gloire– que nous sommes incapables de nous définir comme corps politique. Et donc, nous, les limites, puisque ce n’est pas nous qui fixons nos limites, ce sont les autres qui se chargeront de les fixer, et peut-être dans des conditions qui ne nous plairont pas. Mais ce sera un peu tard.

AF: C’est la religion d’Humanité qui nous empêche de fixer ces limites, ou qui condamne de la manière la plus vive, ceux qui osent encore parler en termes de limites. Y aurait-t-il quelque chose comme une civilisation Européenne? et, disent-ils, délimiter c’est discriminer! Délimiter c’est exclure, donc l’unité de l’espèce humaine refuse toute séparation. Et là justement, je voudrais vous poser une question plus précise. Dans «La Raison des Nations» vous analysez, de manière je crois très juste, très pertinente, la signification profonde des attentats du onze septembre. Vous dites que l’information la plus troublante, apportée par l’événement, n’est pas tant la révélation paroxystique du terrorisme, mais plutôt ceci: l’humanité présente est marquée par des séparations bien plus profondes, bien plus intraitables que nous ne le pensions. On a abo... on a détruit le mur de Berlin, et puis tout d’un coup, le onze septembre, un autre mur s’est élevé. La question que je me pose c’est justement: comment penser ces séparations? Et je vous la pose à vous, parce que notamment dans «La Cité de l’Homme», vous critiquez la définition de l’Homme, comme Être de culture. Et votre fidélité à Leo Strauss, elle tient beaucoup dans cette très courageuse, très belle réhabilitation de l’idée d’une Nature humaine. Mais précisément, n’assiste-t-on pas à un choc des cultures, ou, pour reprendre la formule d’Huntington –qu’il a payé cher d’ailleurs– un choc des civilisations, et le politiquement correcte que vous décrivez très bien, ne constitue-t-il pas lui, précisément, à dire que: Non, il n y a rien de tel, et ce qui existe c’est l’Humanité. Et donc nous, comme vous le dites d’ailleurs, nous ne sommes pas libres de voir ce que nous voyons, parce que nous voyons ce choc des civilisations, et la religion de l’Humanité nous interdit de le voir, Pierre Manent.
PM: Une chose qui est très surprenante aujourd’hui, qui me surprend beaucoup, c’est l’horreur sacrée, il n’y a pas d’autre mot, l’horreur sacrée des frontières que beaucoup de nos concitoyens éprouvent. Les frontières leur paraissent un scandale. Moi au contraire, j’aime beaucoup les frontières…

AF: …moi aussi.
PM: Je trouve que passer une frontière, était il y a vingt ans, trente ans un des grands plaisirs du voyage. Et je dois dire aujourd’hui en Europe, je suis un peu frustré, même si c’est plus commode, je suis frustré que l’on ne passe plus de frontières. Pourquoi tracer une frontière entre une population et une autre, serait-il une offense pour l’une ou l’autre de ces populations? L’idée que chacun s’organise à sa manière et reconnait à l’autre, de l’autre côté de la frontière le droit de s’organiser à sa manière, ça me parait plutôt une des grandes inventions de la civilisation. Bien tracer une frontière, et chacun reste bien de son côté de la frontière, ça me parait un progrès de la civilisation.
Celui qui fait la guerre, ce n’est pas celui qui trace la frontière, c’est lui qui franchit la frontière. Donc il y a là quelque chose de très étrange, c’est complètement déraisonnable, donc il est clair qu’il y a un motif d’un autre ordre, à cette horreur de la frontière, et en effet, et en effet il y a cette idée que l’Humanité devrait être une. Mais il y a aussi autre chose, qui est plus …qui est très spécifique à l’Europe je crois, et c’est que –un sentiment étrange n’est-ce pas?– c’est que nous sommes tellement supérieurs aux autres que, n’est-ce pas, que si nous traçons une frontière qui les sépare de nous, et bien, nous leur faisons offense. Ça, c’est vraiment garder, si j'ose dire, le préjugé colonial, mais transformé dans un, dans le langage de la religion de l’Humanité. Or, si nous nous séparons des autres, les autres se séparent également de nous, et nous sommes égaux de part et d’autre de la frontière. Donc, c’était le premier point…

AF: Mais comment concilier, si vous voulez, l’idée d’une Nature humaine, ce n’est plus la religion de l’Humanité, c’est l’idée de Nature humaine, et, non seulement l’existence des frontières, mais surtout la différence, peut-être insurmontable, des civilisations, des cultures. Voilà la question que je vous pose parce que, bien entendu, je me la pose. Je trouve que c’est un grand progrès que d’être revenu en arrière, et d’avoir réhabilité cette notion de Nature, abandonnée d’une manière très cavalière par les sciences sociales, Pierre Manent.
PM: Je disais, «réaliser la nature humaine», mais précisément la nature humaine a une telle amplitude, a une telle amplitude que, elle ne se réalise pas comme un corps d’animal se développe, n’est-ce pas? Le signe de l’amplitude de la nature humaine c’est que l’homme ne peut pas s’abandonner à sa nature, il doit se gouverner lui-même. Il doit se gouverner lui-même, et donc il y a un grand nombre de modalités de gouvernement de soi, un grand nombre de régimes politiques, de régimes de l’humanité et donc déjà il y a ce principe de diversité, qu’il y a différents régimes politiques au sens large du terme ou au sens stricte du terme, et donc cela ouvre une grande diversité et donc différences, objections, et y compris guerres.
On sait bien que entre les régimes démocratiques et les régimes qui ne l’étaient pas, il y a eu des guerres. Les guerres en Grèce c’étaient pour une bonne part entre cités démocratiques et cités aristocratiques, donc voilà un principe de différence. Autre principe de différence, lié lui aussi à l’immense amplitude de la nature humaine: la nature humaine vise quelque chose de plus grand qu’elle, qu’elle appelle le divin, les dieux, le dieu, dieu que sais-je. Et dans son rapport à cette chose, qui existe ou qui n’existe pas, mais auquel l’humanité se rapporte –en un certain sens naturellement, car il y a toujours eu des religions, et je crois qu'il y en aura toujours– et bien, dans ce rapport au divin, les groupes humains prennent une certaine forme. Prennent une certaine forme, il y a donc des religions diverses. Et si vous ajoutez, on pourrait multiplier d’autres facteurs, les ressources économiques, la démographie, toutes sortes de choses dont s’occupent les différentes sciences, il n’est pas difficile si vous voulez, je crois il n’est pas si difficile que cela, de réconcilier l’idée d’une humanité commune, se réalisant, se concrétisant dans une grande diversité de formes. Mais, la conséquence est inévitable, ce qu’il faut immédiatement ajouter, c’est que ces formes sont fortes. C’est-à-dire que ces formes ne sont pas la forme que prend la pâte à modeler dans la main de l’enfant. Une fois que les cités, les églises, les civilisations ont pris une certaine forme, bien pour l’essentiel elles la gardent, n’est-ce pas? Elles la gardent, et donc les civilisations des sociétés qui ont pris des formes diverses, et bien, se rapportent à l’humanité, à elles-mêmes de façon différente, et donc cela crée des séparations, cela crée des malentendus, cela crée des conflits, cela peut créer des guerres. C’est dans l’ordre des choses, et, si j’ose dire, il faut évidemment en pratique s’efforcer au maximum de limiter les conflits, mais si j’ose dire, on ne peut pas, on ne peut pas supprimer la racine des conflits, parce que supprimer la racine des conflits, c’est supprimer la racine de l’humanité, puisque ça supposerait que les hommes cessent de se réaliser eux-mêmes dans des formes particulières.

____________________________________________

Alain Finkielkraut: Onze ingesteldheid is post-nationaal, of daar willen wij tegenwoordig in ieder geval naar leven. U hebt dit beschreven, ik kom er dus niet meer op terug, maar betekent dit precies niet dat dit verleden, de oude begrippen over de menselijke Natuur vergeten zijn, stilletjes verdwenen, afwezig? In het begrip natie zat iets van de Griekse stadsstaat…
Pierre Manent: Zeker …zeker.

AF: Wat blijft er nog over van de grote dynamiek van het Westen, in deze postnationale gesteldheid, of illusie, die u beschrijft, Pierre Manent?
PM: Moeilijk om hier een juist oordeel te geven, want dit zijn bijzonder recente ontwikkelingen en de richting van de beweging mag dan zichtbaar zijn, waar zal ze tenslotte op uitmonden? Dat valt moeilijk te zeggen. Wat mij vandaag in Europa treft, is dat er bij werkelijk elke gemeenschappelijke onderneming een radicale vertrouwensbreuk is bij de Europeanen, en dan klaagt men dat er geen Europese politiek bestaat, maar laat mij toe te zeggen dat Europa juist zo is ingericht om die tegen te gaan, want de voorwaarden om tot zulke gemeenschappelijke actie te komen, zijn de laatste tijd systematisch ontmanteld. Het kader waarbinnen een dergelijke actie zinvol zou zijn is geleidelijk aan ontmanteld, ten voordele van, hoe zal ik het zeggen, ten voordele van een of meerdere processen die onontkoombaar moesten leiden tot het ontstaan van een samenleving die min of meer gemeenschappelijke regels zou hebben, evenwel zonder dat de mensen verplicht zouden zijn om in enige mate zichzelf te besturen. Er lijkt mij een zeer bittere ontgoocheling te zullen volgen na het mateloze vertrouwen dat men stelt, in wat je een democratische beschaving zou kunnen noemen, waarin de voortschrijdende democratische zeden ons zouden ontslaan van de noodzaak om menselijke groepsverbanden te smeden, die zichzelf kunnen besturen en allereerst in staat zijn zichzelf te verdedigen. Ik geloof dus, als u me toestaat, dat wij werkelijk op de bergkam van een grote begoocheling staan, en wel een begoocheling die eigen is aan Europa: De VS delen die niet, China deelt die niet, niemand in de muzelmaanse wereld deelt die. Het is een zeer specifiek Europese illusie, deze illusie van een apolitieke beschaving, en het is trouwens heel eenvoudig om de politieke randvoorwaarden ervan aan te wijzen. Dat Europa de illusie koestert te kunnen bestaan los van de knelpunten, of de hoogten en laagten van de politiek, gaat terug op heel specifieke, politieke omstandigheden in Europa.

AF: En uit deze illusie zal het dus ook ontwaken, in gunstige of ongunstige omstandigheden, al naargelang het verloop van de Geschiedenis, zo lijkt het. De Geschiedenis zou van de ene dag op de andere, misschien wel een dichtbije dag, Europa kunnen wekken? Begrijpen we dat goed, Pierre Manent?
PM: Wat mij opvalt, is dat er aan Europa gebouwd wordt, alsof er daarbuiten niets bestond.

AF: Zoveel is zeker.
PM: Wij doen alsof er geen buitenwereld was, en alsof de volledige taak uit een soort inwendige omvorming bestond, namelijk de vooruitgang van het Europees bestuur, en wij gaan maar door met het cultiveren van onze deugden. Wij cultiveren onze deugden, in de veronderstelling dat het voorbeeld van onze deugdzaamheid binnenkort de rest van de mensheid tot inkeer zal brengen. Wat wij vergeten is dat onze deugden overgeleverd zijn aan de goede wil van de rest van de mensheid, en dat wijzelf geen bescherming bieden aan het kader waarbinnen wij de deugd beoefenen.
Bijgevolg hebben wij het moment uitgesteld, en blijven wij het uitstellen, om beslissingen te nemen over onze relatie met de rest van de wereld. Het opvallendste teken van deze weigering om ook maar de geringste politieke beslissing te treffen met toch enig gewicht, is, als ik dat zeggen mag, de weigering om een beslissing te nemen over de grenzen van de Europese Unie.

AF: …van Europa, ja.
PM: Het feit zelf dat wij maar blijven uitdeinen, zonder dat er een eind in zicht komt, houdt de bekentenis in –waar wij prat op gaan– dat wij niet in staat zijn onszelf als een politieke entiteit te definiëren. En bijgevolg, als wij het niet zijn die onze limieten vastleggen, zullen ànderen het op zich nemen om ze vast te leggen, misschien onder voorwaarden die ons niet zullen bevallen. Maar dan komen we iets te laat.

AF: Het is de Humaniteitsreligie die ons belet om deze grenzen vast te leggen, of die ten strengste hén veroordeelt die het nog aandurven om in termen van limieten te spreken. "Zou er zoiets bestaan als een Europese beschaving?" en, zeggen zij nog: "afbakenen is discrimineren!"
Afbakenen is uitsluiten, en de eenheid van de menselijke soort verzet zich tegen gelijk welke afscheiding. Net in dit verband zou ik u een meer precieze vraag willen stellen. U analyseert in “La Raison des Nations”, zeer correct en pertinent wat mij betreft, de diepere betekenis van de aanslagen van elf september. U zegt dat de meest verontrustende boodschap die deze gebeurtenis ons bracht, niet zozeer de paroxismale onthulling van het terrorisme was, maar eerder deze: de Mensheid vandaag is door scheidslijnen getekend die veel dieper en onverzettelijker zijn dan wij dachten. Men heeft de Berlijnse muur neergehaald en plots, als bij donderslag rees er op elf september een nieuwe muur op.
De vraag die ik mij nu stel is: wat te denken van deze scheidslijnen? En ik stel aan u de vraag omdat u, meer bepaald in “La Cité de l’Homme”, de kritiek maakt van de definitie van de mens, als zijnde een cultureel wezen. Uw gehechtheid aan de denkbeelden van Leo Strauss speelt hier een rol, bij dit zeer moedige en zeer mooie eerherstel voor het begrip menselijke Natuur.
Maar niettemin, maken wij hier niet een botsing van de culturen mee? om de uitdrukking van Huntington te hernemen –uitdrukking die hij trouwens zwaar heeft moeten bekopen– een botsing van beschavingen? En de politiek correctheid, die u zeer goed beschrijft, bestaat die er precies niet in te zeggen: “Nee, zo is het niet, het enige wat bestaat is de Mensheid”. En dan staat het ons niet meer vrij, zoals u trouwens opmerkt, om te zien wat wij zien, want wat wij zien is de botsing der beschavingen, en het is de Mensheidsreligie die ons verbiedt dit te zien, Pierre Manent.
PM: Zeer merkwaardig in onze tijd, ik vind het behoorlijk merkwaardig, is de heilige afschuw, er is geen ander woord, de heilige afschuw voor grenzen, die veel van onze medeburgers voelen. Grenzen zijn een schande lijken zij te vinden. Ik integendeel, ben zeer gesteld op grenzen…

AF: …ik ook.
PM: Voor mij was, twintig, dertig jaar geleden, het passeren van een grens één van de grote genoegens van het reizen. En ik moet bekennen dat ik mij in Europa tegenwoordig een beetje gefrustreerd voel, zelfs al brengt het een zeker comfort mee, gefrustreerd omdat je geen grenzen meer hebt om over te steken.
En waarom zou het een vergrijp zijn tegen deze of gene bevolking, als er een grens getrokken wordt tussen een bevolking en een andere? De idee dat elkeen zijn boontjes dopt op zijn eigen manier, en het recht erkent van de andere, aan de overkant van de grens, om hetzelfde te doen, lijkt me net een van de grote verworvenheden van de beschaving. Een goede scheidslijn trekken, waarbij elk netjes aan zijn eigen kant blijft: dat lijkt mij een stap vooruit voor de beschaving.
De oorlogsstoker is niet diegene die de scheidslijn trekt, het is diegene die de lijn overschrijdt. We hebben hier dus te maken met iets heel eigenaardigs, iets volslagen onredelijks. Klaarblijkelijk spelen hier beweegredenen van een andere orde, bij deze afschuw voor grenzen, en inderdaad, inderdaad is er de idee dat de Mensheid één geheel moet vormen. Maar er speelt nog iets anders, dat meer …dat meen ik zeer specifiek Europees is, en dat is –hoe vreemd ook, nietwaar?– dat wij zodanig superieur zijn aan alle anderen, nietwaar, dat wij door een grens te trekken die deze anderen van ons scheidt, wij hen beledigen. En dat, sta mij toe, komt neer op de instandhouding van koloniale vooroordelen in een ander gedaante, vertaald in termen uit de Mensheidreligie. Terwijl, als wij ons afscheiden van de anderen, die anderen zich ook van ons afscheiden, en wij aan beide kanten van de grens als gelijken zijn. Dat was dus mijn eerste punt…

AF: Maar hoe kun je, als u het goedvindt, de idee van een menselijke Natuur, niet langer de Mensheidsreligie, maar de idee van een menselijke Natuur, in overeenstemming brengen, niet enkel met het bestaan van grenzen, maar vooral met de misschien onoverbrugbare verschillen tussen beschavingen en culturen? Dat is de vraag die ik u wil stellen, omdat ik ze vanzelfsprekend aan mijzelf ook stel. Ik vind het een sterke vooruitgang om een pas terug te zetten, en de notie Natuur te rehabiliteren, die door de humane wetenschappen op een erg ongegeneerde manier opzij was gezet, Pierre Manent.
PM: Mijn uitdrukking was “de menselijke natuur ontwikkelen”, maar u begrijpt dat die menselijke natuur een zo groot veld beslaat, zulke amplitude bezit dat zij zich niet ontwikkelt zoals een dierlijk lichaam tot wasdom komt. Het kenmerk van deze amplitude van de menselijke natuur, bestaat er net in dat de mens zich niet zomaar kan overgeven aan zijn natuur. Hij moet zichzelf besturen. Hij kan er niet buiten zichzelf te besturen, en dus bestaat er ook een waaier van vormen van zelfbestuur, een groot aantal politieke regimes, door de mensheid voortgebracht. Het principe van de diversiteit is dus meteen gegeven. Er zullen verschillende politieke regimes voorkomen, term in brede of enge zin genomen, en dus is er een grote diversiteit, en bijgevolg ook aanleiding voor geschillen, tegenwerpingen, oorlogen inbegrepen.
We weten allemaal dat er tussen democratische regimes en andersgezinde regimes oorlogen voorkwamen. De Griekse oorlogen gingen grotendeels tussen democratische steden en aristocratische steden, dus daar hebben we al één punt van onderscheid. Een ander punt, dat ook weer verband houdt met de menselijke natuur: de menselijke natuur mikt altijd op iets hogers dan zijzelf, en dat andere heet dan het goddelijke, de goden, de god, god weet ik veel. En in hun verhouding tot dat andere, dat bestaat of niet bestaat, maar waar de mensheid zich toe verhoudt –in zekere zin van nature toe verhoudt, want religies zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn meen ik– welnu, in hun verhouding tot de godheid, gaan mensengroepen een bepaalde vorm aannemen. Ze nemen een bepaalde vorm aan, en dus zijn er ook verscheiden religies. En het gaat verder, je zou andere factoren kunnen toevoegen, economische rijkdommen, de demografie, allerhande zaken waar de verschillende wetenschappen zich over buigen. Ziet u, het is geen probleem, helemaal niet zo moeilijk dunkt me, om zich te verzoenen met de idee van een gemeenschappelijke mensheid die zich ontwikkelt, concretiseert in een grote veelheid van vormen. Maar dan komt onvermijdelijk de gevolgtrekking: je moet onmiddellijk er ook bij zeggen dat die vormen stevig zijn. Die vormen laten zich niet boetseren zoals de kneedpasta waar kinderen mee werken. Zodra hun steden, kerken, beschavingen een bepaalde vorm hebben aangenomen, behouden ze die vorm in essentie ook, zo is het toch?
Ze behouden hem, en de samenlevingsverbanden van die gemeenschappen, die verschillende vormen hebben aangenomen, verhouden zich tot de mensheid als geheel, en ook tot zichzelf op een verschillende manier, en dat brengt onderscheiden mee, dat zorgt voor misverstanden, dat creëert conflicten, dat kan oorlogen creëren. Zo is het eenmaal en in de alledaagse praktijk moet men zich natuurlijk tot het uiterste inspannen om de conflicten binnen de perken te houden, maar als ik dat mag zeggen, wat je niet kunt bereiken is het uitroeien van de wortel van deze conflicten, want met het vernietigen van de wortel van deze conflicten, zou je ook de wortel van het mens-zijn zelf aantasten, want dat zou inhouden dat de mensen ermee ophouden om zichzelf te zijn, in hun onderscheiden vormen.
.

25 september 2010

Jacques Vergès te biecht bij de RTBf

.
De Franse strafpleiter Jacques Vergès werd in het koninkrijk Siam geboren, de 5de maart van 1925. Ofwel een jaar eerder, de 20ste april van 1924, want zijn jongere broer Paul werd ook geboren in maart 1925. De registers van het koninkrijk waren niet feilloos.
In ieder geval,Vergès is deze week voor vier dagen in Brussel en hij geeft er elke avond een Conférence.  De RTBf-radio profiteerde daar natuurlijk van om hem voor de microfoon te halen in hun middagmagazine Culture Club. Thema van het gesprek vrijdag, was de schaduwkant die volgens Vergès aan elke mens zit, la part d’ombre.
Hieronder een fragmentje uit dat gesprek, en u zult merken dat de octogénaire Vergès nog heel grappig is, en bijgevolg heel ernstig. Ik vertaal hem ook, want zijn spreeksnelheid is even hoog als altijd, en dus een stuk hoger dan die van bijvoorbeeld onze eigen Vermassen, die met zijn gezeur over parachutes weer van de microfoons niet is weg te slaan.


Je ne suis pas parfait, ma part d’ombre je vous l’avouerai. C’est qu’il y a en moi un pouvoir de mépris très grand. Souvent quand les gens m’insultent, je ne me mets pas en colère, je pense en moi-même: «pauvre type». Et cela va assez loin.
Or en ce moment nous sommes envahis par des humanitaires, bon, ils ont perpétuellement le discours humanitaire à la bouche, et perpétuellement ils sont à la poursuite des gens. Je disais à un ami, membre de la Ligue des Droits de l’Homme, je disais «c’est curieux, votre ligue à été fondée pour défendre un accusé, et aujourd’hui c’est vous qui cherchez les accusés, qui les rabattez vers le procureur, et qui en même temps s’indigne que le procureur ne poursuit pas tout le monde.»  Et, je me rappelle un jour, un soir avoir fait une très mauvaise action, avoir dit à un de ces prétendus humanistes : «Ton humanitarisme, c’est une boutique, tu n’y crois pas toi-même. Ce que vous faites est ignoble. Vous prétendez défendre les Droits de l’Homme, et vous empêchez qu’on puisse penser différemment de vous.» 
Et je sais que depuis il est perpétuellement triste. Je l’ai découvert, je lui ai fait comprendre qu’il était un pauvre type, et je pense que de ma part [...c’était sa part d’ombre à lui, oui... –RTBf]] …que de ma part c’était une mauvaise action.


Ik ben niet volmaakt, en zal u bekennen wat mijn schaduwkant is. Het is zo dat er in mij een bijzonder groot vermogen tot misprijzen zit. Vaak als mensen mij beledigen, maak ik mij niet kwaad, ik denk bij mijzelf: “sukkel”. Dat gaat soms ver.
Kijk, tegenwoordig zijn wij vergeven van de “humanitairen”, bon, eeuwig hebben die de mond vol van humanitaire kletspraat, en eeuwig achtervolgen zij de mensen. Ik zei aan een vriend, lid van de Liga voor de Mensenrechten, ik zei hem: “Het is toch gek, uw liga is opgericht om een beschuldigde bij te staan, en de dag van vandaag zijn jullie het die de beschuldigden gaan zoeken, en hen naar de procureur drijven, en die tegelijk verontwaardigd zijn als de procureur niet iedereen vervolgt.
En ik herinner mij dat ik op een dag, op een avond iets heel lelijks heb gedaan, door aan één van die zogenaamde humanisten te zeggen: “Die humanitaire denkbeelden van je, dat is een rommeltje. Je gelooft er zelf niet eens in. Wat je doet is onwaardig. Je beweert dat je de Rechten van de Mens verdedigt, en je belet dat een ander anders zou denken dan jij.”
En ik besef dat hij sindsdien voortdurend triestig is. Ik heb hem ontmaskerd, en hem doen inzien dat hij een sukkel was, en van mijn kant was dat [...dat was zijn schaduwkant, ja... –RTBf] denk ik iets lelijks.
.

18 september 2010

De mooiste Nederlandse zin van het jaar

.
‘Vijftien jaar had de badkamer met de caravanafmetingen probleemloos dienstgedaan, de sporadisch gekneusde knie niet te na gesproken van wie zich, zijn toilet makend of zich scherend voor het lavabootje, te bruusk omdraaide en aan den lijve moest ervaren hoe gering de speling was gebleven tussen rand en wand.’

Tja... als dàt voor de mooiste Nederlandse zin moet doorgaan, dan zullen we op den duur Marcel Reich-Ranicki nog gelijk moeten geven, met wat die ooit zei in Das Literarische Quartett op de ZDF ...over Hugo Claus nog wel: “...als dat het beste is van de Nederlandse literatuur, dan is dit voor ons Duitsers goed nieuws, want in dat geval hoeven we ons daar geen zorgen meer over te maken”. Dit belette Reich-Ranicki overigens niet om Nooteboom kort daarop miljonair te maken met zijn lovende kritieken in het programma.

Bekijken we die winnende zin nog even. Het laatste verleden deelwoord in het rijtje, “gebleven” namelijk, had Lanoye voordelig weg kunnen laten. Dan had hij weliswaar één € minder verdiend, maar zijn zin had erbij gewonnen. Al kun je niet uitsluiten dat Lanoye een heel sterke contextuele reden had om het woordje toch te laten staan, maar daar zou je het boek voor moeten lezen.

Helaas! zijn eerdere “sporadisch gekneusde knie” klonk al gezocht, en is grammaticaal met moeite verdedigbaar. Sporadisch hier als bijwoord? Een knie wordt niet sporadisch gekneusd, tenzij in een gewrongen stijl, al zal het sporadisch wel voorkomen dat iemand zijn knie kwetst of kneust aan rand of wand, of aan de scherpe kant van teil of tobbe, voor, tijdens of na het schrobben.
Kijk, grammaticaal had sporadische misschien net gekund, maar ook dan was de zin niet gered.

Gelukkig is er inhoudelijk weinig aan te merken op de periode van Lanoye, al zullen er ongetwijfeld hier en daar mannen zijn die onder “zijn toilet maken” weinig meer verstaan dan een snelle scheerbeurt. Zij zullen het apart vermelden ervan wellicht redundant vinden. Ik ben het niet zeker, maar het was geloof ik bij de grote stilist Casanova dat ik een pracht van een badkamerzin las: “Le visage de l'homme se lave au rasoir”.
Die zin is maar 9 € waard, en toch vind ik hem stukken sterker dan het lamentabele langdradige gekunstelde geknutsel van Lanoye.
.

11 september 2010

Thilo Sarrazin komt op dreef

.
Aangezien ikzelf in het boek “Deutschland schafft sich ab” van de ex-bankier Thilo Sarrazin pas aan pagina 102 toe ben –een kwart van zijn boek– voel ik mij slecht geplaatst om er een recensie bij te schrijven. Het zijn taaie bladzijden, vol beschouwingen en tabellen over geboortecijfers, Pisa-normen, immigratie en nog meer vervelende dingen. Toen ik goed twee weken terug het boek bij amazon.de bestelde, was het pas uit maar de mensen van amazon stuurden mij nu een exemplaar van de vierde druk, en dat kreeg ik gisteren.
Het Duitse publiek reageert namelijk verkeerd: ze kopen dat boek massaal.

Vanavond in het station Brussel-Zuid zat ik er ijverig in te lezen, in het zonnetje, en toen ik even opkeek omdat de trein binnenreed, zag ik twee meter verder op de bank een meisje dat al lachend haar eigen exemplaar naar mij opstak. Het is niet allemaal treurnis bij het openbaar vervoer.
En laat mijn honderd en twee bladzijden er dan amper honderd meer zijn dan wat het gros van de kwaliteitsjournalisten ooit zal lezen, ik voel mij niet geneigd om in hun scanderende koortjes mee te zingen, en dat meisje, dat nog minder ver gevorderd was, al evenmin.

Ik vertaal nu even wat de Tagesspiegel gisteren te melden had over een debat met deze Sarrazin, in de zaal Urania in Berlijn. Het gaat mij om de laatste twee zinnen van het artikel, niet om de aanval van Sarrazin op Angela Merkel, die pas nog een moedige redevoering uitsprak bij de overhandiging van de Duitse Prijs voor de Persvrijheid (een soort Arkprijs, maar dan voor echt) aan de Deense cartoonist Kurt Westergaard.


IN DE URANIA
Sarrazin komt op dreef – en attaqueert Merkel
Caroline Fetscher
De politie zorgde voor beveiliging van het gebouw, maar bij het optreden van Thilo Sarrazin in de zaal Urania werd er vreedzaam, zij het emotioneel gedebatteerd. De auteur en ex-bankier maakte van de avond ook gebruik om een aanval op kanselier Angela Merkel te plaatsen.


Hij is nu op tournee. Thilo Sarrazin, verlost van de last van zijn ambt bij de Bundesbank, kan nu geheel en al auteur zijn. Vrijdagavond genoot hij van die nieuwe rol in de Berlijnse Urania, een evenementenhal met trekjes van een volkshogeschool. De Peter-Weiss-stichting voor Kunst en Politiek had hem in de Urania uitgenodigd. Het gebouw was omsingeld door politiewagens en werd zwaar bewaakt, maar een escalatie bleef uit. Razend was alleen het applaus in de volle zaal, toen de auteur het podium betrad. Ongeveer de helft van het publiek rees op uit zijn stoel. Minstens even sterk was de bijval bij de eerste pointe. Op de vraag van moderator Christhard Läpple, waarom hij zijn post had opgegeven, pakte Sarrazin terloops de Bondskanselier aan.
Het was toch opmerkelijk, dat een Bondskanselier een boek als “weinig nuttig” ervoer. “De tekeningen van Kurt Westergaard waren met zekerheid evenmin nuttig”, maar de huldiging van de karikaturist was voor haar geen probleem. Er kwam een nauwelijks bedwingbaar applaus. “Zichtbaar wederrechtelijk” was de terugroeping van hem geweest, en Sarrazin verduidelijkte: “Ik geloof niet dat de Bondspresident mij ooit zou hebben ontslagen.”
Diegenen die de begeerde entreekaartjes hadden kunnen bemachtigen waren gekomen om hun bijval te laten horen. “Ik wil mezelf eens een indruk van hem vormen” verklaarde een 51-jarige reclamevrouw in het foyer. “Mij stoort dat eenheidsfront dat zich tegen hem heeft gevormd”, zegt een 34-jarige telecomtechnicus.
Van dit front was vanavond weinig te merken bij het publiek. Enkel op het podium kwam er protest op. Daar moesten Matthias Matussek, de bedrijvige cultuurjournalist, en Jürgen Neffe, auteur en Darwinexpert, en de uit Iran afkomstige regisseur Ali Samadi Ahadi met Sarrazin discussiëren “over alternatieven in de migratiepolitiek, en over de discussiecultuur in Duitsland”.
Oorspronkelijk was ook de deelname voorzien van televisieproducer Walid Nakschbandi. Hem ging echter het gejammer om Sarrazins “openbare terechtstelling” in talkshows te ver, zoals een van de inrichters het had uitgedrukt. Hij zei op het laatste moment af.
Hier moet vrijmoedig gesproken kunnen worden, maande het hoofd van de Urania aan. “Argumenten in plaats van Spandoeken” was het motto van het huis. Nog voor de argumenten, kwamen de sentimenten aan bod.
Al sinds drie weken herkende hij zijn Duitsland niet meer, klaagde Ali Samadi Ahadi, op straat werd hij anders bekeken: “Ik vrees voor de veiligheid van mijn familie!” Verontwaardigd gefluister uit de zaal.
Matussek herinnert de regisseur en vluchteling eraan dat men in Duitsland, anders dan in Iran, tenminste nog ongestraft mag debatteren. Opnieuw laaiende bijval. Nog meer applaus als Sarrazin aan de man, geboren in 1975, tegenwerpt dat Duitse kinderen die op veel schoolpleinen een minderheid vormen, moeten leven met de verbale agressie van Turkse en Arabische schoolgenoten.
Dat ging kennelijk naar de kern van de stemming bij het publiek. Weinig interesse was er bij de toehoorders voor Jürgen Neffe, die de ex-senator erop wees dat hij van de erfelijkheidsleer minder weet had dan een humanioraleerling.
Totaal wég was de zaal bij vraag van de moderator, of er misschien iets schortte aan de media in dit land. Bijna een jubelzang brak er toen los.
.

6 september 2010

Hoofdartikel van Le Monde, vertaald en geannoteerd

.
5 september 2010

België en Nederland verziekt door populisme

Twee Europese democratieën maken een crisis zonder voorgaande door: drie maanden na de stembusgang verkeren Nederland en België nog altijd in afwachting. Ze wachten op de programmaverklaring en de samenstelling van een regering, waarbij desnoods een beroep wordt gedaan op onwaarschijnlijke coalities.

Zonder voorgaande? Dat ze bij Le Monde geen weet hebben van de formatie van de verschillende kabinetten Drees kan ik begrijpen: ze bestonden toen zelf nog maar pas. Maar op een site van de Nederlandse overheid zouden ze wel dit hebben kunnen lezen (in het Nederlands weliswaar...): De langste kabinetsformatie was in 1977. Nadat het kabinet van minister-president Joop den Uyl (PvdA) was gevallen, duurde het maar liefst van maart tot half december, 208 dagen, voordat er weer een nieuw kabinet was. Niet meer met premier Den Uyl, maar met premier Van Agt (CDA).

In Brussel hebben de kwellingen al in 2007 een aanvang genomen. De Vlaamse christendemocraat Yves Leterme heeft een legitimatie gegeven aan de boodschap van de Vlaamse independentisten, waarmee hij zich geassocieerd had. Maar net zoals zijn partij, is hij verslonden door deze Nieuwe Vlaamse Alliantie die, dankzij hem, de idee kon laten gedijen van een autonoom Vlaanderen, bevrijd van het Waalse blok aan het been, en in staat om beslag te leggen op Brussel. In België is de verwarring vandaag zo groot, dat een splitsingsscenario niet onrealistisch meer is.

Leterme hier aanwijzen als grote oorzaak is licht ondermaats voor een politiek journalist: de maatschappelijke of politieke krachten die de CD&V toen voelde, hadden tot dat kartel geleid en Leterme was de toevallige protagonist, toch? Wat is die Monde-editorialist vals naïef! Eén enkele man zou dan de politiek van een land maken, Stroobants? want bij die naam mag ik u toch noemen?

Nederland mag dan gespaard zijn van taalperikelen, de situatie is er evenmin florissant. Twee traditionele partijen –christendemocraten en liberalen– hebben een poging ondernomen om een duivelspact te maken met het extreemrechts van het Kamerlid Geert Wilders, de islamofobe onruststoker. De twee partijen verbonden zich tot een krachtig beleid jegens de immigranten, in ruil voor steun van de populisten voor hun minderheidscoalitie en hun bezuinigingsprogramma. Dhr. Wilders heeft dit kaartenhuisje laten instorten met zijn kritiek op de geloofwaardigheid van de christendemocraten.

Hij vindt het nergens voor nodig om zijn analytische instrumenten, als daar zijn de termen populisme, duivelspact, extreemrechts, islamofobie of onruststoker, ook maar enigszins te onderbouwen. Iedereen weet wel wat ze betekenen en kent er het nut en de bruikbaarheid van.

Al werden zij lange tijd als voorbeelden van de kunst van het compromis genoemd, en ook al zijn er verschillen, toch lijden de twee noordelijke staten aan gelijkaardige kwalen. Aan de opkomst van een populisme dat egoïstisch en soms anti-Europees is. Aan de afkeuring door de publieke opinie, van politieke systemen die naar adem snakken. En aan de versnippering van het kiespubliek, een gevolg van het systeem van de evenredige vertegenwoordiging, waarbij er in België ook nog opkomstplicht bestaat, wat het gevoel dat men er de buik vol van heeft nog aanwakkert.

De gebruikelijke journalistieke leugen over “Europees” terwijl enkel de EU-machine bedoeld wordt, is hier nog niet het ergste. Over dat “naar adem snakken”, en onder welke omstandigheden die ademnood is ontstaan, zou ik van onze vriend graag hebben vernomen, maar dat zou een politieke terminologie vereisen, geen morele. Journalisten in ademnood hebben enkel nog termen als “egoïstisch” ter beschikking.

Omdat de stemmenverschuivingen altijd plaats hadden tussen de drie klassieke stromingen, christendemocraten, sociaaldemocraten en liberalen, hebben de Belgische en Nederlandse democratieën de protestpartijen laten opbloeien, die hen nu uit hun evenwicht dreigen te brengen.

Een term als “evenwicht” hoort iedereen graag, al is het een puur kleurwoordje.

Na het radicale en xenofobe extreemrechts, heeft Vlaanderen nu een nationalistische rechterzijde zien ontstaan die ontdaan is van complexen, en die het thema van “slecht bestuur” weet te koppelen aan onafhankelijkheidseisen, en de aanklacht tegen de geldtransfers naar de “arme” Francofonen.

Radicaal is blijkbaar een scheldterm zoals xenofoob, en extreemrechts is een etiket dat onze editorialist graag bezigt, maar alle drie samen leveren deze kwalificaties nog geen politieke analyse op.

In Nederland hebben de klassieke partijen de dreiging niet zien aankomen van het antimuzelmaans populisme dat van elke vreemdeling een zondebok maakt.

Wie maakt “van elke vreemdeling een zondebok” beste Le Monde-journalist? En hebben uw 'klassieke' partijen het probleem van de islamimmigratie dan goed aangepakt? Gaven zij aan de bevolking een betrouwbaar beeld, hier of in Nederland, of gelijk waar in Europa, van zelfs de grootteorde ervan? Nog gezwegen over de inhoud van deze importideologie. Geef ons een bruikbare definitie van uw eigen term populisme, en dan zullen zowel uzelf als wij veel wijzer zijn. Maak vooral goed het onderscheid met volkswil, meerderheid en dergelijke termen, die je wel eens ontmoet in geschriften over democratie.

Hoe klein ze aanvankelijk ook waren, door de onmacht van de traditionele partijen, die geen rationele argumenten wisten tegen het populistisch geschreeuw, hebben in beide landen minderheidspartijen naamsbekendheid verkregen. Dankzij de nieuwsgierigheid van media, altijd tuk op nieuwigheden, die hun boodschap versterkten, zijn deze laatste geloofwaardig geworden. Bovenal dankzij een kiessysteem dat de Parlementen heeft getransformeerd tot echokamers voor karikaturale standpunten waar het om belangrijke politieke kwesties gaat. Een onrustbarende vaststelling.

Nee Le Monde, voor een verandering van het kiessysteem pleiten als de kiesuitslagen even tegenvallen is goedkoop, en niet meteen een bewijs van een democratische gezindheid. Overigens, vallen jullie nu zelf de media aan? zodat de bloggers dat niet meer hoeven te doen? Een onrustbarende vaststelling.
.

29 augustus 2010

Oratio pro Godefrido

*.
“Kardinaal, wat hield u tegen om op te komen voor ‘de minsten der mijnen'? Wat u deed, was te weinig, kardinaal. Veel en veel te weinig.”*
Ja, Bart Sturtewagen kan wel heel gewichtig en moreel doen vandaag in zijn Standaard. Heel edel. Maar, wat had hij te vertellen toen Danneels zeven jaar geleden de Castarprijs kreeg, onder meer van zijn krant?
Hij zal misschien antwoorden, in even Bijbelse termen: dat waren de zeven vette jaren (Genesis 41:17 e.v.). Inderdaad, een goed argument en Sturtewagen mag zich geruggensteund weten door de verzamelde Vlaamse pers, vandaag niet minder dan in die jaren. Desmet bv. is al even verontwaardigd als hij nu, en even gespeeld verwonderd.
God! waar is de tijd dat ze nog supporterden voor Godefridus, toen die paus moest worden?
Voor onze jongens was het toen zus, maar nu is het zo. Journalisten draaien met gemak honderd tachtig graden, en ze doen dat altijd netjes gelijk, hun bentgeest is verwonderlijk. Let bygones be bygones zal hun devies zijn.
En ik weet het lezer, het getuigt van slechte smaak om jezelf te citeren, maar tenslotte, wat ik zeven jaar geleden van Danneels dacht was voor u geen geheim.
Natuurlijk, zoiets is goedkoop: als onafhankelijke blogger kun je een oordeel uitspreken over de man die je voor je hebt, je hoort hoe hij zich uitdrukt, je ziet zijn fysieke verschijning, zijn mimiek, zijn fijne maniertjes, and you judge your man.
Dat kan een journalist niet, zelfs geen columnist, en allerminst nog wel de institutionele “bloggers”, die je overal hebt tegenwoordig met hun onafhankelijke stukken. Vaak beseffen zij dat zelf niet, maar allen zitten zij in de desk opinion gevangen.
En dat beoordelen van een man, op zijn verschijning, is natuurlijk een riskant spel waarbij de onafhankelijke blogger veel kan verliezen. Maar een figuur als Danneels, zo zichtbaar kronkelig en tam, en bovenal zo trouw als een hond aan het Belgisch regime (hij is er door benoemd tenslotte, en je bijt niet de hand die jou voedt ...wat ook voor de pers helaas geldt), zonder een teveel aan principes bovendien –geen verdomde Léonard! die soms zegt wat hij denkt, en dan ook unaniem veroordeeld wordt, of liever werd, want het is de laatste tijd wat minder– onze postmoderne Godfried dus, zo iemand moest natuurlijk in de smaak van de journalisten vallen.
Zelfs de Soir was over hem te spreken, en wie zou dát een christelijke krant noemen? Ze zullen hem daar insipide gevonden hebben. Al zullen er op hun redactievergaderingen zeker nog andere omschrijvingen gevallen zijn zoals, alfabetisch in volgorde: banal, bénin, fade, futile, sans gravité, indifférent, inoffensif, insignifiant, léger, petit, quelconque, véniel.
Maar zeker ook utile.**
_________________
* Mat 25:45 Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.
** Ten behoeve van de goede Belg Wouter Van Besien, die volgens Het Laatste Nieuws niet goed Frans verstaat, en het zeker niet kan spreken, wil ik op aanvraag deze reeks termen vertalen. Het valt mij trouwens op dat de beste Belgen bijna altijd ééntaligen zijn, en dat aan beide zijden. Un parfait bilingue valt op dat punt wel eens tegen.
.

4 augustus 2010

Niet generaliseren over appels en peren !

.
Misschien ligt dat voor u anders lezer, maar ik weet zo goed als zeker dat er mij geen bijzonder interessante gedachte voor de geest zou komen als ik, gezeten onder een appelboom, één of meerdere appels zou zien vallen.
Nochtans weten wij dat de bekende geleerde Isaac Newton (1643–1727) naar aanleiding van zo'n gebeurtenis de zeer algemene formule van de zwaartekracht ontwikkelde: (F=k.m.m’/r2). Die formule heeft ons later toegelaten om naar de maan te vliegen.

Dertien eeuwen vóór Newton vertelde Augustinus van Hippo (354–430) het volgende:
Daer stond by onzen wyngaert eenen peerenboom geladen met peeren, de welke nogte zeer aengenaem aen het gezigt, nogte zeer goed van smaek waeren. Als wy ons eens met eenen hoop van booze jongelingen tot diep in den nagt, volgens een vervloekelyke gewoonte, op de straeten verlust hadden met te spelen, liepen wy t'zamen derwaerds, om alle de peeren, die op den boom stonden, af-te-schudden en weg te nemen. Wy keerden terug gansch geladen met peeren, niet om de zelve te eten, maer enkelyk om ze te stelen, al hadden wy - ze aen de verkens moeten werpen, schoon wy 'er nogtans enige van aten: ons aldus vergenoegende met het vermaek dat wy vonden in te doen het gene ons ongeoorloft was. (Confessiones II,IV,9)
Ook Augustinus trok uit deze gebeurtenis een zeer algemene conclusie, over het Kwaad, als zijnde een bijna zelfstandige kracht in de mens:
En nogtans heb ik willen stelen, ó mynen God, en heb het metter daed bedreven, niet uyt nood of gebrek, maer uyt een afkeer van de rechtveerdigheyd en uyt een overtollige boosheyd.

In het jaar 387 zal nu, zoals wij eveneens weten, diezelfde Augustinus (hij was toen onder een vijgenboom gezeten) enkele kinderen een liedje horen zingen waarin hij meende te verstaan “tolle, lege”: neem op en lees. Terstond nam hij de Bijbel ter hand, las, en liet zich dopen.
Alweer een sterke veralgemening want die arme kinderen, die aren lazen op het veld, zongen volgens zekere interpretaties een work song, met als terugkerend vers: zoek en raap (de aren) op.

Veralgemeningen kunnen nuttig zijn, en zelfs noodzakelijk als wij enig begrip van de omringende wereld willen krijgen. Tenslotte komt datgene wat wij westerlingen wetenschap noemen altijd neer op vereenvoudiging en veralgemening. Toch zijn er ook denkers die ons waarschuwen.


Eén dezer is Tom Naegels (1975-).
Naegels wenst niet dat de gewone burger, zelfs niet als die bij dozijnen appels, peren en vijgen rond zich heeft zien vallen, tot enige veralgemening zou overgaan. Heel zeker mag die burger geen algemene Wet van de Zwaartekracht formuleren.
Bijgevolg, zo meent onze jonge wetenschapstheoreticus: ook als de meeste gemeenschapsproblemen in de wereld zichtbaar door islamieten zouden worden veroorzaakt, door islamitische migranten in het bijzonder, toch mag er over de islam zelf niéts gezegd worden. Feiten blijven voor hem altijd afzonderlijke fenomenen. Zij vertonen nooit patronen –producten van onze perverse verbeelding– en theorievorming is uit den boze.

Hoe het zindelijke denken wél dient te verlopen, weet Tom in vier punten samen te vatten:
1.Debatteer niet meer over de islam, maar over concrete misstanden.
2.Beperk het debat tot één probleem per keer.
3.Beperk het debat tot één context per keer.
4.Wees toch niet zo apocalyptisch!


Het wereldbeeld van een animist, die achter elke vallende steen een afzonderlijke duivel of engel aan het werk ziet.
Verder heeft Tom in zijn artikeltje het nog over scheten laten, over flatulentie dus, een onderwerp dat ook Augustinus niet uit de weg zou zijn gegaan, maar dat leest u misschien liever zelf.
.

17 juni 2010

Waarom Bart De Wever superieur is aan de journalistjes die hem proberen te 'duiden'

.
Gisteren heeft de Kwaliteitstabloid een loffelijke poging ondernomen om grappig uit de hoek komen, maar die doelstelling hebben ze niet goed weten te implementeren. Ik zal u zeggen waarom ik dat vind.
Zoals de meeste mensen beseffen: bij een geslaagde grap hangt veel ervan af wáár je ze vertelt, in welk gezelschap, hoe laat op de avond &cet.

Bij het geval dat wij hier bespreken, lag de mislukking alvast niet aan de plek waar ze de grap verkochten, want op hun pagina's Opinie&Analyse worden vaker goede moppen getapt. Ze kunnen daar rekenen op enkele vaste waarden, hun Huyses, Hooghes, Sinardets et aliis*, die destijds –ik spreek van lang geleden– elk op hun beurt en met veel succes konden aantonen dat de kiezers van Leterme eigenlijk niet nationalistisch gezind waren.

Voor ernstige, zij het soms ironische journalistieke mededelingen hebben ze bij De Standaard een andere en veel kleinere rubriek, namelijk Kreten&Gefluister.
Het moet voor de medewerkers van die rubriek dan ook een lichte ontgoocheling zijn geweest, dat gisteren in Terzake de Marketeer hen als clowns wegzette:. Euh, enfin, in ons geval es het opgepikt in, euh, meer in een rubriek van heu, kijkt eens hoe dwaas heu of welke dwaze onderzoeken er nu wel allemaal euh gebeuren, mar je moe natuurlik vastellen, ja dit ding, euh, het ziet er goed uit… dat is professioneel gemaakt he… Datadriven, onderzoeksbureau euh… 

Hij had het vanzelfsprekend over de manier waarop De Standaard in de val van Woestijnvis (en Belga) was getrapt, en over die veelvuldig en goed coïterende VLD-ers.
Bijzonder moedig was hij misschien niet, maar we begrijpen dat Peter het feit moest maskeren dat zijn kwaliteitstabloid het heel soms moet afleggen tegen het Belang van Limburg en de Gazet van Antwerpen.
En vaak gelooft de Marketeer ook echt dat hij iets te vertellen heeft. Bijvoorbeeld als het gaat over de tatoeage van een (vermoed ik) Engelse voetballer, die het Latijn wellicht niet uitstekend beheerst, en die in Chinese inkt "vini" op zijn arm had laten prikken, in plaats van "veni".

Om zoiets te melden jaagt Peter graag twee van zijn journalisten in touw, in dit geval Bernard Bulcke en Wouter Woussen, en hij laat hen veiligheidshalve zelfs bijstaan door een latinist, want een fout tegen het Latijn is rap gemaakt.
Bij de foto van die voetballer laat hij drukken: Zoek de (intussen verbeterde) fout op de arm van Jonathan Legear. En rond die foto staan dan een hoop Latijnse lapidaire zinnen (Peter zelf meent dat het om citaten gaat), die een kwaliteitslabel meekrijgen dat ...ons behoedde voor flaters zoals die van de voetballer Jonathan Legear (zie foto).

En dan schrijft hij:

‘Verba volent, scripta manent.’
Vertaling: ‘Woorden vervliegen, geschriften
blijven.’
Toepasselijk op: Al wie soms de aanvechting
voelt gespierde taal aan het papier,
een journalist of een camera toe te vertrouwen.


Het spreekt dat ik Peter in een mail, en op de site van DS, erop gewezen heb dat het "volant" was, net zoals die voetballer "veni" had moeten laten graveren.
Een figuur als marketeer Vandermeersch antwoordt dan niet, misschien omdat een prætor zich niet met kleinigheden bezighoudt, en mijn reactie online verscheen evenmin... maar Petertje liet die kemel wel snél rechtzetten op de site, en vandaag stond er zelfs een klein mea culpa'tje in de krant, zij het zonder enige verwijzing naar het artikel met dat kwaliteitslabel (en de gedrukte versie van zijn gazet kon zelfs Hij niet meer stilletjes verbeteren, aangezien scripta manent).

Hoe anders reageerde niet Bart De Wever, op een blog die ik jaren geleden aan hem wijdde? En die u nu eerst moet lezen, lezer...
De Wever schreef mij toen onmiddellijk: "... dat zal mij leren van te spreken over zaken waar ik niets van afweet." . Punt.

Er blijft toch een verschil in stijl, tussen een rurale évolué en een stadsmens.
_____________
* hier mag geloof ik de verbogen vorm.
.

5 mei 2010

Een falsetstem ontbrak nog in deze kleine opera


Na de machtige samenzang te hebben gehoord van Walter Pauli van De Morgen, Geert Buelens van De Standaard en David Van Reybrouck van bij Phara, waren alle toehoorders het er over eens dat dit trio een eenheid van klank bezit die zelden wordt bereikt. Bij momenten hadden velen de indruk maar één stem te horen. Alsof de drie heren uit één keel zongen.
Maar zoals de wereld is – hier en daar waren er ook lui die van een bepaalde vlakheid gewaagden. Wat volgens hen ontbrak, was nog een falsetstem om het geheel meer reliëf te geven.

Tot deze kleine groep behoorde ook Kurt van Eeghem, de hooggewaardeerde operakenner.
Ook hij vond dat Siegfried Bracke het verdiend had, om na zijn 30-jarige VRT-carrière niet door een trio, maar door een volwaardig kwartet te worden bezongen.
Kurt liet het niet bij die kritiek, maar heeft zélf gezorgd voor dat kleine extraatje. En het dient erkend: door de toevoeging van zijn prachtige, beweeglijke, gevoelige, geschakeerde, aandoenlijke, fenomenale, bij wijlen faustisch snelle, en alles bijeen soms nog verstaanbare kopstemmetje, heeft het werk hoorbaar aan kracht gewonnen!


.

19 april 2010

De Drievuldigheid is nog andere koek dan BHV

.
Het gezemel van Vlaamse journalisten en columnisten, die met de kak in hun broek –een eind onder hun gematigde rationele koppen dus– altijd maar spreken over de noodzakelijke toegevingen die wij moeten doen voor de splitsing van BHV, is mij te machtig geworden.
Lezer, ik stel voor dat wij hun ontalige gestuntel en gestamel even niet meer lezen of bespreken, en dat we een chartervlucht nemen naar:

Constantinopel | 1745

De twintigjarige Casanova landt daar aan voor een verblijf van een aantal weken, en is er te gast bij een oude rijkaard, de 60-jarige koopman Jossouf, die onmiddellijk een grote sympathie voor hem opvat. In die mate zelfs dat de man hem zijn dochter ten huwelijk wil geven. Die dochter is heel mooi vernemen we, hetgeen voor Giacomo geen probleem vormt.
Probleem is wel dat Casanova geen moslim is, maar christen, en dat hij bijgevolg in de Drievuldigheid gelooft. Tenminste, zijn gastheer neemt dat aan, en beiden voeren zij de meest prachtige twistgesprekken over dit verheven onderwerp. We lezen die in zijn Histoire de ma Vie.
Italiaans was toen de meest gesproken vreemde taal in de Levant, en Constantinopel en Venetië hadden ook sterke commerciële banden; zulke gesprekken waren goed mogelijk, vertellen ons de geleerden.
Van dat huwelijk is niets in huis gekomen, en Casanova bekent ons dat hij het in de gesprekken over de Drievuldigheid moest afleggen:

Allant chez moi je réfléchissais qu’il était bien possible que tout ce que Josouff m’avait dit sur l’essence de DIEU fût vrai, car certainement l’être des êtres ne pouvait être en essence que le plus simple de tous les êtres; mais qu’il était impossible qu’en conséquence d’une erreur de la religion chrétienne je pusse me laisser persuader à embrasser la turque, qui pouvait bien avoir de Dieu une idée très juste, mais qui me faisait rire, en ce qu’elle ne devait sa doctrine qu’au plus extravagant de tous les imposteurs.

Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Suivie de textes inédits
Volume 2 – Chapitre IV
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Robert Laffont, 1993, 2002, p.291

[Bij het naar huis gaan overdacht ik dat het goed mogelijk was dat alles wat Josouff me had gezegd over het wezen van GOD wel eens waar kon zijn, want voorzeker, de zijnde der zijnden kon in wezen enkel het simpelste van alle wezens zijn; maar dat ik mij onmogelijk, als gevolg van een misvatting in de christelijke religie, kon laten overhalen om dan de Turkse maar te omarmen, die over God wel een zeer juiste opvatting mocht hebben, maar die mij in een lach liet schieten, aangezien zij haar leer enkel te danken heeft aan de meest gestoorde van alle bedriegers.]

[De betreffende bladzijde van het manuscript is te zien
op de geweldige site van Gallica.]

Mijn gedachten kwamen alweer bij Casanova terecht, beste lezer, omdat ik zaterdag laatst een gesprekje had over deze man, en over de Don Giovanni van Mozart en Da Ponte, met Sylvia Broeckaert, in het programma Scala op Klara.


..

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html