24 januari 2014

Ook bij ons zijn er Zieners


De toekomst voorspellen is aartsmoeilijk, maar voor sommigen toch niet onmogelijk. De Pythia in het oude Delphi bijvoorbeeld bracht het er vaak goed af. Zij was wel altijd zo wijs om in raadselen te spreken, wat haar enige armslag gaf. Al te precieze voorspellingen houden gevaren in.

Even omzichtig ging de voluntaristische Guy Verhofstadt niet te werk in 2012, in Buitenhof, een VPRO-programma.
Terecht of onterecht, maar hij gaf daar een zeer precieze voorspelling ten beste. Onder meer de eurosceptische Thierry Baudet luisterde er ongelovig naar.

En vanzelfsprekend valt het niet uit te sluiten dat Guy, omgeven door de mist van EU-toverdranken die een andere mens van zijn klare kijk zouden beroven, de toekomst inderdaad helder voor zijn geestesoog heeft zien opdoemen.

Pas eind mei, om precies te zijn de vijfentwintigste, of alleszins de zesentwintigste mei zal ons, eenvoudige stervelingen inzicht worden verleend.


We hebben de slinger zien gaan naar het euroscepticisme hè, de voorbije verkiezingen! Ik denk dat in 2014 de slinger volledig de andere kant uitgaat, en dat dus met andere woorden het pro-Europese partijen zullen zijn die het zullen halen. Omdat de mensen niet dom zijn, ze zien dat. Dat project van de euro, dat welvaart heeft gebracht, willen ze niet kwijtraken, en ze zien dat daarvoor méér Europa nodig is hè.

Een botsing vermeden


De positief opgezette uitzending van Terzake gisteren, over de EU, leek ongewild soms een pleidooi juist tegen die constructie. Wie goed heeft gevolgd zal bijvoorbeeld niet verwonderd zijn geweest dat het programma werd afgesloten met een reclamefilmpje voor de Unie, dat evenwel werd ingesproken door een stem met een niet-Europees, ik meen Amerikaans accent.
Het was nochtans goed begonnen met die zanger die helemaal gratis, zonder enige vergoeding dus, kwam verklaren dat hij weliswaar in Parijs woonde maar soms ook in Groningen optrad. Niets verzuring bij hem, heel positief klonk dat.
En daarna nam Verhofstadt himself de handschoen op in een spannend debat met een VLD-jongere, zekere Lander Piccard, die sterk van wal stak:
“Ja ik herken me heel veel in wat dat Bent eigenlijk aan het zeggen was. Voor veel jongeren is Europa nu eenmaal een realiteit. Ik heb zellef nog nooit mijn identiteitskaart moeten afgeven, euh, landsgrenzen, waar liggen ze? ik weet het soms ook nie allemaal ne meer.”
Verhofstadt liet zich door de verrassende wending met die dubbele negatie niet uit zijn lood slaan, en kwam stevig en voluntaristisch uit de hoek. Zo had hij het, “voor diegenen die graag geschiedenis hebben” enthousiast over “die Griekse stadsstaten, op het ogenblik dat het Romeinse Rijk bestond”. Met dat bekende brede penseel, zo mogen we hem graag aan het werk zien. 
Na zijn mededeling, waar inderdaad niets aan toe te voegen was, verliet Guy de studio. Begrijpelijk, heel drukke agenda heeft zo’n man.

Een afknapper vond ik daarna het enkelvoudige negativisme van Thierry Baudet, die met zijn medeauteur Geert Mak aan tafel was gezet. Alweer riskant om zoiets te doen, want misschien kunnen die kerels elkaar niet luchten.
Annelies Beck stelde Baudet de vraag of het debat, over de euro onder meer, niet te lang was uitgebleven, of misschien niet goed gevoerd, en natuurlijk vond hij dat:
“Ja, of in elk geval te veel ook met, hmm, binnen een kamp, maar niet tússen kampen of tussen verschillende ideeënvelden.”

Onwillekeurig kreeg de kijker nu het gevoel dat Verhofstadt net iets te vroeg was weggelopen. Zonde dat de redactie dit nare gevoel niet heeft kunnen wegnemen. Ze waren wel “blij een bijdrage tot het debat geleverd te hebben”, maar een goede journalistieke reflex was het geweest om Verhofstadt, die nog niet ver geraakt kon zijn, gauw even bij de mouw te trekken, voor een harde maar positieve reactie.

Du choc des idées jaillit la lumière, zoals men in het Europees zegt.

22 januari 2014

Een retorisch sacochengevecht


Nacira Guénif-Souilamas is een Franse sociologe van Algerijnse komaf, en zaterdag was ze te horen bij Alain Finkielkraut in zijn uitzending Répliques op France Culture. Ze deed daar een opmerkelijke uitspraak, namelijk dat integratie op zich totaal verwerpelijk is.
In Frankrijk moeten alle groepen immigranten, elk met hun eigen waardesystemen en gewoonten naast elkaar kunnen leven, zelfs de autochtone Fransen moeten daarbij hun plaats krijgen. Opmerkelijk breeddenkend want die groep bestaat niet eens echt, hoorden we nog.
Zoals het een sociologe past, ontkende ze behalve het bestaan van autochtone Fransen trouwens ook het bestaan van een Arabisch-islamitische wereld, een begrip dat Finkielkraut even had gebruikt. Zulke tussenkomsten zijn altijd nuttig als je een zinnige dialoog onmogelijk wilt maken. Val de termen zelf aan, verbreed ze, versmal ze, en elk inhoudelijk argument wordt op voorhand al verdacht, of vervalt.
Mooi was verder haar argument dat integratie vroeger wél werkte, met Polen, Italianen, Spanjaarden enzovoort ...omdat Frankrijk toen nog een imperium was. Een argument dat bv. voor België niet zou gelden, maar dat bleef onvermeld. 
Ze bracht ook nog andere retorische trucjes ten gehore, zoals hard roepen en voortdurend de andere gaste in het programma, de vrijzinnige Cathérine Kintzler onderbreken, zodat deze nauwelijks iets gezegd kreeg of réplique kon geven.
Finkielkraut wist niet meer waar zijn hoofd stond. “Terminez, terminez” smeekte hij, “je voudrais, est-ce que je peux, je voudrais, alors, alors, s’il vous plaît, je voudrais maintenant reprendre la discussion en main et poser une autre question…”.
Maar dat kunt u beter zelf allemaal ontdekken, lezer, in de podcast.
Ik geef een kort uittrekseltje uit het gesprek, en een vertaling daarvan, zodat u zich alvast een idee kunt vormen. De eerste vraag van Finkielkraut heb ik stevig ingekort, want die was drie keer zo lang, met eerst nog een inleiding over onder meer de hoofddoek:

Alain Finkielkraut: Et puis il y a une question plus générale, qui est celle de l’intégration. Après tout, dans le monde arabo-musulman on ne fait pas dans le détail. En France on a construit énormément de lieux de culte, mosquées et salles de prières musulmans, 2300 il y en a aujourd’hui, alors que c’était 900 en 1985, et il y a plus de lieux de culte musulmans en Seine-Saint-Denis aujourd’hui que de lieux de culte, églises et chapelles catholiques. Dans le monde arabo-musulman on ne construit pas d’églises, et on persécute les chrétiens. Mais la question aussi c’est de savoir, quelle est votre position? Préconisez-vous plutôt l’intégration à travers l’école et l’université, ou plutôt l’inclusion, ce qui en effet amène à une toute autre définition de la culture que l’on transmet, Nacira Guénif?
Nacira Guénif-Souilamas: Tout d’abord, je ne me sens absolument pas comptable de ce qui se passerait dans le monde arabo-musulman, comme vous le nommez, puisque je n’arrive même pas à situer de quoi il s’agit quand on parle de ça. Non, non c’est un peu trop unificateur à mon sens.
Alain Finkielkraut: Bien, il fallait dire pays d’immigrants, de migration coloniale…
Nacira Guénif-Souilamas: Et bien, de fait, oui oui, ce sont des processus historiques vérifiés hein, ce n’est pas juste une de mes lubies. Et puis, par ailleurs, je trouve que effectivement, la discussion sur l’intégration a suffisamment duré, pour le dire comme ça, je pense qu’il faudrait passer à un autre paradigme, effectivement je ne sais pas si la société inclusive serait le bon, mais de fait, l’intégration a été un principe normatif, une injonction qui a échoué, précisément parce que elle recelait dans ses mécanismes mêmes l’échec de tous ceux auxquels elle s’adressait. Autrement dit, dès lors que quelqu'un se voit adressé l’attente, l’injonction, l’ordre de s’intégrer, dans la manière même dont ceci est énoncé et mis en œuvre, pas seulement de manière discursive, mais aussi de manière pratique hein, c’est-à-dire aux guichets des administrations, dans l’ensemble des mécanismes de fonctionnement des rapports sociaux, la personne qui est désignée par l’enjeu d’intégration est vouée à l’échec. Autrement dit c’est une norme…
Alain Finkielkraut: Ça a marché pour les vagues migratoires précédentes…
Nacira Guénif-Souilamas: Mais parce que peut-être la France à l’époque était encore un empire et que du coup les hiérarchisations qui contribuaient à la faire exister dans son prestige et en même temps dans son ordre inégalitaire étaient encore présents. Ces mécanismes-là étaient là, cette structure était encore présente. Le problème c’est la France présente, avec son présent colonial d’une certaine manière, qui ne parvient pas à admettre que, et y compris les descendants d’immigrants coloniaux sont des égaux. Et c’est cela qui est constamment renvoyé à ces personnes à ces groupes à ces segments de la société à travers le discours de l’intégration. Le discours de l’intégration est un discours de minoration, est un discours d’un déni, est un discours d’éviction, et il fonctionne depuis des décennies sur de mode-là, à supposer qu’il ait jamais fonctionné, d’ailleurs ce sera intéressant d’en faire la démonstration. De fait, aujourd’hui c’est devenu une rhétorique mortifère, c’est une rhétorique qui détruit à la fois les groupes, qui détruit les relations, qui dissout les rapports sociaux, et qui a créé beaucoup plus de dissensus et de dissensions à la société française que toute autre doctrine jusqu’à présent. 



Alain Finkielkraut: En dan is er een meer algemene kwestie, namelijk die van de integratie. Après tout, in de Arabisch-muzelmaanse wereld is men van geen kleintje vervaard. In Frankrijk zijn er een enorm aantal cultusruimten gebouwd, moskeeën en muzelmaanse gebedsplaatsen, 2300 zijn er vandaag, terwijl in 1985 het er nog 900 waren. En er zijn in Seine-Saint-Denis vandaag meer islamitische gebedsruimten dan katholieke kerken en kapellen. In de Arabisch-muzelmaanse wereld bouwt men geen kerken, en vervolgt men christenen. Maar de vraag is ook, wat is uw standpunt? Pleit u eerder voor integratie, via school en universiteit, of liever voor inclusie, waarbij wij inderdaad tot een geheel andere definitie komen van de cultuur die wordt overgedragen, Nacira Guénif? 
Nacira Guénif-Souilamas: Vooreerst, ik voel mij absoluut niet verantwoordelijk voor wat er aan de hand zou zijn in de Arabisch-muzelmaanse wereld, zoals u hem noemt, want ik slaag er niet eens in om te snappen waarover het mag gaan als iemand het daarover heeft. Nee nee, dat is mij iets te veel dingen over één kam scheren.
Alain Finkielkraut: Goed, het had moeten zijn landen van immigranten, van koloniale migratie…
Nacira Guénif-Souilamas: Inderdaad, ja ja, dat zijn historisch bewezen ontwikkelingen hè, het is niet zomaar een van mijn grillen. En dan nog, ik vind dat de discussie over integratie inderdaad al lang genoeg heeft geduurd, om het zo te zeggen, en ik denk dat het tijd wordt om naar een ander paradigma over te schakelen, en of de inclusieve maatschappij dan het goede paradigma zou zijn weet ik niet zo, maar zoals het nu staat is integratie een normatief uitgangspunt, een sommatie die gefaald heeft, precies omdat haar mechanisme zelf het falen inhield van allen tot wie zij gericht was.
Anders gezegd, zodra iemand die verwachtingen op zich ziet afkomen, die aanmaningen, bevelen om zich te integreren, door de manier zelf waarop deze worden geformuleerd en gebruikt, niet enkel met woorden, maar ook in de praktijk hè, bijvoorbeeld aan overheidsloketten, door het geheel van de mechanismen van het sociale verkeer is de persoon die voor de uitdaging van de integratie staat tot mislukken gedoemd. Anders gezegd, het is een norm…
Alain Finkielkraut: Die gewerkt heeft bij de vorige migratiegolven… 
Nacira Guénif-Souilamas: Misschien omdat Frankrijk in die tijd nog een imperium was, en daarom de hiërarchische opdelingen nog bestonden die ertoe bijdroegen om het in stand te houden met alle prestige, en tegelijk met zijn ongelijke ordening in rangen. Die mechanismen waren er, die structuur was nog aanwezig. Het probleem is het huidige Frankrijk, met op een bepaalde manier zijn huidige kolonialisme, dat er niet toe komt toe te geven dat allen, inbegrepen de immigranten uit de kolonies gelijken zijn. En dat is wat deze mensen, deze groepen, deze segmenten van de maatschappij voortdurend voor de voeten wordt geworpen door dit integratieverhaal.
Het integratieverhaal is een verhaal van kleinering, is een verhaal van ontkenning, is een verhaal van verdringing, en op die manier werkt het al decennia lang, als we van werken ooit mochten spreken, en het zou trouwens interessant zijn daar eens een bewijs van te leveren. In de praktijk vandaag is het verworden tot dodelijk holle frasen, frasen die tegelijk bevolkingsgroepen kapotmaken, relaties kapotmaken, de maatschappelijke banden verbreken, en die de Franse samenleving meer meningsverschillen en twisten hebben opgeleverd dan om het even welke doctrine tot nog toe.


18 januari 2014

De jacht op lijsters


Mensen die een goed boek gelezen hebben (of hérlezen, iedereen herleest tegenwoordig), die mensen vervelen anderen graag met hun enthousiasme. Dat is zo, en daar is weinig aan te doen.
Bij de boeken die ik vorig jaar gelezen heb, was er één dat ik eerder al gelezen had, toen zonder het goed te snappen. Pas de tweede keer was de goede keer. Vie de Henry Brulard van Stendhal (Grenoble 1783–Parijs 1842) namelijk, een autobiografie die hij schreef toen hij vijftig was, die eindigt als hij nog maar vooraan in de twintig is, en die pas in 1890 verschijnt, als hij al vijftig jaar dood is.

Lang voor hij Stendhal zou worden, had Henri Beyle Laurence Sterne gelezen: The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman. Dit boek had een geweldige indruk op hem gemaakt, door de stijl en door de absurde zijsprongen en associaties die het verhaal overwoekeren en verwarren. Wat een verschil met de auteurs die toen geprezen werden en die monolithische personages opvoerden, echte karakters.

Stendhal vond zulke auteurs ongeloofwaardig en leugenachtig. “Faire du roman” was iets afschuwelijks, en het enige dat hij wil doen is veridiek verslag uitbrengen van wat hij zich werkelijk van zijn jeugd nog herinnert.
Hij begon aan zijn autobiografie in 1832 in Rome, en hield het project in 1836 voor bekeken. Hij richtte zich niet tot zijn tijdgenoten, maar tot de lezer van 1885. Tegen die tijd zouden er misschien geen lezers meer zijn, dacht hij, of ze zouden niet meer begrijpen waarover hij het had, maar anderzijds zou ook de bloemrijke en door hem verafschuwde Chateaubriand dan al vergeten zijn.

Bijzonder is dat Stendhal zijn autobiografie verlucht met schetsen en plattegronden, uit het hoofd getekend, zoals ook de tekst helemaal uit zijn blote hoofd komt, zonder dat er bronnen geraadpleegd worden, wat hij in Rome overigens niet had gekund.
Hij vult niets in, en als hij bijvoorbeeld met het bezettingsleger van Napoleon over de Sint-Bernardpas trekt, op weg naar Milaan, dan beschrijft hij het landschap niet of nauwelijks, want hij heeft tussen zijn twintigste en vijftigste veel prenten en litho’s van die tocht gezien, en kan dus niet meer weten of het om eigen herinneringen gaat.

Onderstaande passage gaat wel over een precieze herinnering uit zijn jeugd in Grenoble, en hij doet ook eventjes zijn best om te schrijven in de fraaie stijl van zijn literaire vijanden, met veel treffende adjectieven.
Als iemand wil weten hoe je een lijster afschiet, of hoe je een tekst moet schrijven, dan is Stendhal een goede leermeester. En altijd mag iemand vooraf nog Tristram Shandy lezen, dat kan helemaal geen kwaad. 

Vie de Henry Brulard
Chapitre 33

Je fais de grandes découvertes sur mon compte en écrivant ces Mémoires. La difficulté n'est plus de trouver et de dire la vérité, mais de trouver qui la lise. Peut-être le plaisir des découvertes et des jugements ou appréciations qui les suivent me déterminera-t-il à continuer, l'idée d'être lu s'évanouit de plus en plus. Me voici à la page 501 et je ne suis pas encore sorti de Grenoble!
Ce tableau des révolutions d'un cœur ferait un gros volume in-8° avant d'arriver à Milan. Qui lirait de telles fadaises ? Quel talent de peintre ne faudrait-il pas pour les bien peindre, et j'abhorre presque également la description de Walter Scott et l'emphase de Rousseau. Il me faudrait pour lecteur une Mme Roland, et encore peut-être le manque de description des charmants ombrages de notre vallée de l'Isère lui ferait jeter le livre. Que de choses à dire pour qui aurait la patience de décrire juste! Quels beaux groupes d'arbres, quelle végétation vigoureuse et luxuriante dans la plaine, quels jolis bois de châtaigniers sur les coteaux et, au-dessus, quel grand caractère impriment à tout cela les neiges éternelles de Taillefer! Quelle basse sublime à cette belle mélodie!
Ce fut, je crois, cet automne-là que j'eus le délicieux plaisir de tuer un tourdre, dans le sentier de la vigne au-dessus de la grand'pièce, précisément en face du sommet arrondi et blanc de la montagne de Taillefer. Ce fut un des plus vifs bonheurs de ma vie. Je venais de courir les vignes de Doyatières, j'entrais dans le sentier étroit, entre deux haies fort hautes et touffues, qui descend à la Grande pièce de H en P, quand tout à coup un gros tourdre s'élança avec un petit cri de la vigne en T' tout au haut de l'arbre T, un cerisier, je crois, fort élancé et peu chargé de feuillage.
 
Je le vis, je tirai dans une position à peu près horizontale car je n'étais pas encore descendu. Le tourdre tomba en donnant à la terre un coup que j'entends encore. Je descendis le sentier, ivre de joie.

Enkele dagen later schiet hij met evenveel precisie nog een tweede lijster:

Je tuai bientôt mon second tourdre (turdus grive), mais plus petit que le premier, à la nuit tombée, le distinguant à peine, sur un noyer dans le champ de M. de La Peyrouse, je crois, au-dessus de notre Pelissone (id est: de notre vigne Pelissone).

31 december 2013




Alle lezers speciaal ook een gelukkige 25ste mei gewenst !


30 december 2013

Economie is transcendentaal


Eind jaren vijftig verscheen in Amerika “When Prophecy Fails”, een boek met een lange ondertitel: “A Social and Psychological Study of a Modern Group that Predicted the Destruction.” Auteurs waren Leon Festinger, Henry Riecken en Stanley Schachter en het ging inderdaad over een groep gelovigen die het einde van de wereld hadden voorspeld. 

De 21ste december van 1954 zou het zover zijn. Een huisvrouw uit Chicago (Dorothy Martin; 1900-1992) had via écriture automatique hierover berichten ontvangen, afkomstig van de planeet Clarion. Gelukkig echter: net voor de wereld in een vloedgolf zou verzuipen, zou haar groepje gelovigen door een ruimteschip worden opgepikt.
Wat onze huisvrouw niet wist, was dat zich tussen haar volgelingen ook een paar ongelovige observators hadden genesteld.

Toen nu de grote dag was aangebroken, en er zich na middernacht geen ruimteschip leek aan te melden, kreeg zij in de vroege ochtend, alweer via écriture automatique het verlossende bericht dat God had besloten om de planeet Aarde alsnog te sparen.

In besloten gemeenschappen komen zulke non-events wel meer voor, en vaak leggen zulke groepen dan uit, dat juist door hun actie, door hun gebed of wat dan ook, het onheil op het nippertje werd afgewend. Festinger schreef later nog een boek: “A Theory of Cognitive Dissonance”, waarin hij dit coping mechanism helemaal uit de doeken deed.

Nu moest ik gisterenmiddag aan dit laatste boek denken (wijlen prof. Hugo Van den Enden had het me nog doen lezen) toen ik Herman Van Rompuy bezig hoorde op VTM. Ik zag het gesprek op de pc, en de naam van de uitstekende journaliste ken ik helaas niet, waarvoor mijn excuus.
Ook Herman Van Rompuy had het over een reëel evenement, dat evenwel niet had plaatsgehad. Vermoedelijk kwam dat, zoals bij Dorothy Martin, door de werking van de gebeden van hemzelf en zijn groepje gelovigen: 

VTM: U zegt: 2013 is het jaar dat Europa de crisis heeft overwonnen. Hoe gaan we dat merken?
President Herman: Wel, u gaat dat ook merken vanaf volgend jaar. De economie is aan het hernemen, eigenlijk al in de loop van 2013, en hoop ik, nog sterker volgens alle vooruitzichten in 2015. We gaan dat niet onmiddellijk merken op het vlak van de werkgelegenheid, daar is altijd een soort van tijdsafstand tussen herneming van de economie en het aanwerven van mensen.  Maar, waar men het nog best aan zou kunnen merken   –maar dat heeft zich niet voorgedaan– is het volgende: mochten wij de eurozone niet stabiel gehouden hebben, mocht de eurozone uit mekaar zijn gevallen, dan zaten wij hier nu gewoon niet! Dan hadden we niet alleen een recessie, maar ook een depressie. Dus dat merken de mensen niet, omdat het zich niet heeft voorgedaan, maar het is dan wel even reëel.
VTM: Ja, u zei het daarnet al, de jobs, daaraan gaan we het in elk geval niet merken.

22 december 2013

Tussen emotie en ratio is de koek niet eerlijk verdeeld


In een column in De Tijd van zaterdag lezen we over onzingesprekken en over slordig redeneren aan de feesttafel.  “Ampele graden alcohol” volstaan daartoe al.
 “Ampel” is een mooi woord, en het heeft iets erudiets ook, maar hier had het spijtig genoeg niets te zoeken. We begrijpen wel wat de columnist wil zeggen, maar het had beter gekund.

Het bovenstaande is een detail, maar even verder spreekt de auteur (als mens met  “meer eruditie, ervaring en opzoekingsuren op de teller”) over de  “nanoseconden” waarin onze geest werkt om “emotionele beslissingen” achteraf voor onszelf rationeel te verrechtvaardigen.
“Nanoseconden” vind ikzelf minder mooi dan “ampel” maar even erudiet klinkt het zeker, bij goed gebruik. Dit is hier echter niet het geval want er is in ons hele zenuwstelsel geen elektrochemisch proces bekend dat met zo'n snelheid signalen kan doorgeven of verwerken. Het gaat altijd om een tijdsspanne van ongeveer 0,1 seconde, zijnde honderd miljoen van die nanoseconden. Zenuwcellen werken met een frequentie van ongeveer 10 hertz, zou je kunnen zeggen als het wat geleerder mag klinken.

Ook vernemen we dat in onze hersenen de rationele beslissingen maar 0,04 procent van de beschikbare tijd in beslag nemen. De rest van de tijd, 99,96% dus, hebben ze nodig om onze emotionele beslissingen rationeel te justificeren. Rationele seconden zijn er bijgevolg niet veel per etmaal.
De aangehaalde percentages getuigen van een bijzonder precieze kennis. Twee decimalen is een nauwkeurigheid die je normaal enkel bij kiespeilingen ziet. Waar mag deze accuratesse toch vandaan komen?

Dat vernemen we gelukkig ook: uit de popwetenschap. Namelijk uit het “fenomenale” boekje van William Gladwell, “The Tipping Point”, nog van het jaar 2000. Destijds een bestsellertje dat in de wetenschappelijke wereld helaas weinig bijval oogstte maar zijn auteur niettemin flink wat heeft opgebracht.

 “Cave hominem unius libri” las ik eens boven de ingangspoort van een bibliotheek. In de plaats van “cave” zie je ook wel “timeo”. Een woord van Thomas naar het schijnt: kijk uit voor de man van één boek, of vrees die man.

En Alexander Pope viel hem bij:

A little learning is a dang'rous thing
Drink deep, or taste not the Pierian spring:
There shallow draughts intoxicate the brain,
And drinking largely sobers us again.




18 december 2013

De Piano en het Krukje


Michèle Tribalat, auteur en directeur bij het Franse onderzoekscentrum INED (Institut National des Études Démographiques), was zaterdag te gast bij Alain Finkielkraut in zijn uitzending Répliques.
Ze had een mooie omschrijving voor de inspanningen die de eigengereide “classes politiques” leveren, om toch vooral geen rekening te moeten houden met de wensen van de oorspronkelijke Franse of Europese bevolking:

Michèle Tribalat : Dans les élites politiques, notamment au niveau européen, il y a une anticipation du déclin démographique des forces vives européennes. L’Europe compte sur l’immigration pour que la population européenne perdure et donc elle s’attend à une Europe de plus en plus plurielle et diversifiée au niveau de son peuplement, et donc elle cherche en fait, enfin les autorités européennes cherchent à adapter les populations européennes à la diversité. C’est-à-dire que, si vous voulez, au lieu de déplacer le tabouret pour l’approcher du piano, c’est le piano qu’on va essayer de rapprocher du tabouret.
Alain Finkielkraut : Oui, et en plus le tabouret devient de plus en plus grand, presque aussi grand que le piano.
Michèle Tribalat : Voilà.



Michèle Tribalat : Bij de politieke elite, in het bijzonder de Europese, voorziet men een demografische terugloop van de productieve Europese krachten. Europa [bedoeld wordt, meen ik de EU] rekent op immigratie om de Europese bevolking te laten voortbestaan, en wat betreft de samenstelling van de bevolking verwacht men een steeds meer verscheiden en gediversifieerd Europa.
En feitelijk probeert men dus –tenminste, de Europese autoriteiten proberen dat– om de Europese bevolking zich te laten aanpassen aan de diversiteit. Dat komt erop neer als u wil, dat men in plaats van het krukje dichter bij de piano te brengen, het de piano is die men dichter bij het krukje probeert te krijgen.
Alain Finkielkraut : Ja, en komt daarbij dat het krukje alsmaar groter wordt, bijna even groot als de piano zelf.
Michèle Tribalat : Zo is dat.

10 december 2013

Waartoe dient een cultuurzender?


Elke zondagnamiddag, al meer dan een jaar loopt op France Culture de uitzending Le Gai Savoir. Die fröhliche Wissenschaft of la gaya scienza dus. Een tweegesprek tussen Raphaël Enthoven en Paola Raiman.
De formule is zeer fragiel want Paola Raiman kwam als zeventienjarige lycéenne in het programma bij Enthoven, gechevronneerde filosoof, product van de École normale supérieure, maître de conférences en ook –maar dat doet hier niets ter zake– vader van het eerste kind van Carla Bruni.

Paola en Raphaël spreken elkaar met de voornaam aan, maar vanzelfsprekend vousvoyeren ze altijd. Hun programma duurt een uur en het onderwerp is een klassieke tekst. Zij stelt de vragen of doet suggesties of legt verbanden met weer andere teksten. Hij geeft uitleg, interpreteert en associeert in een duizelingwekkend tempo, of stelt als een Socratische vroedmeester zelf weer vragen. Maar beiden zijn volstrekt gelijkwaardig en hun gesprekken over Rousseau, Plato, Schopenhauer, Kant, Lucretius, Orwell kunnen alle richtingen uitgaan.
Laatst was Montaigne het onderwerp, Essai viii van Boek III, "De l'Art de Conferer", maar aangezien hierover zoveel te zeggen valt, trokken ze er twee uitzendingen voor uit. Twee weken Montaigne dus, als manna in de woestijn.

Denkend aan de vraag van Montaigne “Que scais-je?”, kwam in het gesprek plots de vraag op of de luisteraars van France Culture intelligenter waren, of alleszins “moins cons que les autres”. Enthovens antwoord kan dienen als beginselverklaring voor om het even welke cultuurzender:

Paola: Ce n'est pas parce qu’on écoute France Culture qu’on est moins con que les autres, enfin qu’on est plus intelligent.
Raphaël: Non, ce n’est pas ça, c’est que: il faut écouter France Culture, c’est la meilleure radio qui soit et vive France Culture et vivent les auditeurs toujours plus nombreux de France Culture.
Mais! il faut écouter France Culture parce qu’on y apprend notamment que ce n’est pas parce qu’on écoute France Culture qu’on est moins con que les autres, justement. Et que enfin une radio qui admet le fait que la culture qu’elle transmet n’est pas une garantie contre la bêtise, si vous voulez. C’est ça l’intérêt de France Culture en occurrence.
Disons qu’un spectateur de TF1 qui ne doute pas de la nullité de ce qu’il regarde est peut-être de meilleure compagnie qu’un auditeur intégriste, comme il y en a, de France Culture qui ne doute pas de la qualité de ce qu’il écoute.
Voilà, c’est la seule différence si vous voulez. Mais c’est une différence fondamentale. Si l’on réduit la bêtise à ces deux déterminations qui sont, un la bêtise de l’ignorant et deux la bêtise du savant, la bêtise du savant est beaucoup plus redoutable que celle de l’ignorant parce qu’elle est incurable. Parce que le savant est déjà guéri, parce qu’il croit qu’avec l’intelligence il a cessé d’être bête, avec la culture il a cessé d’être ignorant.
Or Montaigne qui est l’homme le plus cultivé de son temps, ne cesse de demander ce qu’il sait, de dire « Que scais-je ? », de le brandir comme un étendard. Et Montaigne qui est l’homme le plus intelligent de son temps ne cesse de décrire ses propres travers et son incapacité propre à supporter la bêtise, où sa propre bêtise se reconnaît.



Paola: Het is niet omdat je naar France Culture luistert dat je minder stom of intelligenter bent dan de anderen.
Raphaël: Inderdaad niet, maar intussen moet je wel naar France Culture luisteren, het is gewoon de beste zender, en leve France Culture en leve de almaar talrijkere luisteraars van France Culture.
Maar! naar France Culture moet je luisteren, precies omdat je daar leert dat door naar France Culture te luisteren, je toch niet je minder stom wordt dan de anderen, en omdat het een zender is die toegeeft dat, zo je wil de cultuur die hij overbrengt geen bescherming biedt tegen dwaasheid.
Daarin zit hem net het belang van France Culture. Neem een kijker van TF1die er niet aan twijfelt dat wat hij bekijkt beuzelarij is: die is misschien beter af dan een onkreukbare luisteraar van France Culture –en die zijn er– die geen enkele twijfel heeft bij de kwaliteit van wat hij hoort.
Dat is het enige verschil kun je zeggen. Maar wel een fundamenteel verschil.
Als we de stompzinnigheid beperken tot twee soorten, namelijk die van de dwaas en die van de geletterde, dan is de stompzinnigheid van de geletterde veel meer te duchten dan die van de dwaas, want zij is ongeneeslijk. De geletterde is immers al genezen, want hij gelooft dat door zijn intelligentie er een eind is gekomen aan zijn stompzinnigheid, en door zijn cultuur aan zijn onwetendheid.
Terwijl Montaigne, de meest gecultiveerde man van zijn tijd, zich zonder ophouden afvraagt wàt hij dan wel weet, en met “Wat weet ik?” als vaandel zwaait. En Montaigne, de verstandigste man van zijn tijd, beschrijft zonder ophouden zijn eigen tekortkomingen en zijn eigen onvermogen om de dwaasheid te verdragen, waarin zijn eigen dwaasheid zichzelf herkent.


2 december 2013

Een kerstliedje


Nu zoals elk jaar de mooie stad Gent weer dichtslibt met afzichtelijke houten barakken voor de kerstmarkten –a newly invented tradition– kan het geen kwaad als wij eens luisteren naar een kerstlied dat Tom Lehrer in maart 1959 in Harvard ten gehore bracht.





Lehrer was daar docent wiskunde toen (statistiek meen ik), en soms deed hij een optreden "for college audiences". Hij zingt nu al lang niet meer, maar sinds ik zijn drie live-LP’s leerde kennen in de sixties, heb ik ze tientallen keren beluisterd, tot ik ze van buiten kende eigenlijk.

Al zijn liedjes zijn tegenwoordig op cd, op youtube &c. te vinden.
Lehrer zong niet graag voor een zaalpubliek beweerde hij, maar hij deed het toch, gedreven als hij was door idealisme:
"If, after hearing my songs, just one human being is inspired to say something nasty to a friend, or perhaps to strike a loved one, it will all have been worth the while."

25 november 2013

Televisie moet het van het beeld hebben


De lichtheid van de babbeltjes die je op de tv te horen krijgt in politieke programma’s is meestal goed verteerbaar op voorwaarde dat je aandacht afgeleid raakt door het beeld. Af en toe krijg je op de achtergrond misschien een aantrekkelijke vrouw te zien, een glimp volstaat, ongeveer zoals bij de Elisabethwedstrijd waar je soms een bepaalde violiste van het orkest wil zien die helaas maar af en toe verschijnt maar je wel het hele concert doet uitkijken. Een andere goede mogelijkheid is dat er op de voorgrond een vent zit die juist door zijn lelijkheid weer interessant wordt.

Al te vaak echter maken we het mee dat geen van beide gunstige factoren voorhanden is, en de kijker bijgevolg aan verveling en ergernis wordt overgeleverd want hij hoort nu wat hij hoort, als was het radio:

Ivan De Vadder: Als je zelf een peiling moet houden om te zeggen dat je goed bezig bent, dan ben je niet goed bezig.
Steven Samyn: Ja, inderdaad ja de, ja de, het Vlaams Belang is, is gewoon volledig dood gewicht geworden. Een zweeppartij, maar een zweeppartij die een kwart van de stemmen haalt daar doe je iets mee. Een zweeppartij die met de tien procent flirt, ja als je, je moet zeggen, een beetje later in dat fragment zei hij, Gerolf Annemans: wij doen aan verandering, verjonging, inhoudelijke vernieuwing. En dan heb ik zoiets… ja de partij is tegen de islam, tegen de immigratie, tegen de Europese Unie…
Ivan De Vadder: Filip De Winter maakt vandaag bekend dat hij zijn dochter in Wallonië wil op een lijst, Vlaams Belanglijst zetten. Dat is wel verjonging en vernieuwing.
Steven Samyn: Ja maar dan zie je, da’s zo een schreeuw om aandacht. Partijen die in de, in de problemen zitten, waar de media nie meer spontaan naartoe gaan, die niet de talk of town zijn, die proberen de meest waanzinnige ideeën naar voren te schuiven. Da’s een leuk ideetje dat vandaag gelanceerd wordt en dat morgen weer…
Ivan De Vadder: Maakt dat een kans, mevrouw Lamquin…

Dat was De Zevende Dag, en beeldgewijs was er met geen van beide heren iets mis, het beeld was neutraal, de interviewer spreekt bovendien goed en ook Samyn trekt op dat gebied min of meer zijn streng. Maar dan loert zoals gezegd het gevaar dat de kijker op de inhoud begint te letten.

Die eerste vraag zou je zonder veel slechte wil als a leading question kunnen omschrijven: het antwoord zat er al in vervat. Maar misschien was dit bedoeld als een soort beleefdheid, om Samyn het niet te moeilijk te maken en hem op zijn gemak te stellen.
Steven bevestigt inderdaad opgelucht en blij, maar raakt helaas meteen daarna op drift met zijn “daar doe je iets mee”. Dat is natuurlijk een leugen, of in zijn geval misschien een vergeetachtigheid, want al heb ik niets tegen een cordon sanitaire, een cordon médiatique is heel iets anders en Steven moet daar ooit al van gehoord hebben.
Maar na zijn, alles bijeen, toch sterke begin wordt Steven ronduit onvoorzichtig. Partijen zomaar wegzetten die in een peiling (!) net onder de tien procent blijven –en in andere peilingen weer niet– is niet bijster verstandig. Zeker zullen ook bepaalde andere partijen dit niet graag gehoord hebben. Partijen die net in het stemhokje daaronder blijven en met de kiesdrempel “flirten” zoals hij dat zo mooi zei.
Verder lijkt Steven te denken dat partijen die “verjongen en vernieuwen” meteen heel hun programma opzij zullen zetten, of dat toch behoren te doen.
Dat doen partijen inderdaad wel eens, Steven: ze voeren dan belastingen in die ze zelf even later weer “pestbelastingen” noemen, tegen elke ministeriële collegialiteit in. Of ze zeggen dat de befaamde “Burgermanifesten” maar om te lachen waren.
Maar nu stel ik het geheugen van onze jonge vriend al te zeer op de proef.



23 november 2013

Zelfs als het over kunst gaat kan radio interessant zijn


Laatst schreef Mia Doornaert een column in De Standaard, met als titel: "Europa is cultuur". Volkomen juist. Wel maakte Doornaert de fout om volgende grappige uitspraak aan Joseph Goebbels toe te schrijven: "Als ik het woord cultuur hoor, grijp ik mijn revolver". Nu zij geen journaliste meer is, wordt het voor haar stilaan tijd om de goede gewoontes van bloggers over te nemen en bronnen te checken. Meestal legt men Göring die uitspraak in de mond, even verkeerd als Goebbels maar hun twee namen worden door journalisten begrijpelijkerwijs wel eens verward omdat ze met dezelfde letters beginnen. Simpelweg Wikipedia kan hier al goede diensten bewijzen: Hanns Johst (1890-1978): Aus seinem “Schlageter” stammt die fälschlich Hermann Göring zugeschriebene Aussage: „Wenn ich Kultur höre ...entsichere ich meinen Browning“ (1. Akt, 1. Szene).


Maar daar gaat het nu niet om: de stelling in haar column is zoals gezegd volkomen juist, en ze wordt door iedereen onderschreven die niet zelf op het Schumanplein werkt. Dus ook door Régis Debray, zoals hieronder te lezen. De uitzending Répliques van Finkielkraut waaruit dit fragment komt, ging eigenlijk over "kunst", bijvoorbeeld over de onnozele Opblaashondjes van zekere Jeff Koons en dergelijke dingen. De alhier befaamde Mosselpot van Jan Hoet (en enigszins ook van Marcel Broodthaers) kwam niet ter sprake bij Finkielkraut, maar ook  zonder dat was het vanmorgen toch weer interessant, en Mia Doornaert zal met genoegen haar stelling horen bijtreden:

Régis Debray: Excusez-moi, mais là il faut revenir à Malraux. Malraux est un homme qui a interrogé sa culture à travers la culture des autres et notamment la culture de l’Orient. Il faut rappeler que le musée imaginaire de Malraux est un musée mondial. Or il se trouve que la Renaissance n’a pas été ottomane que je sache. Elle a été italienne. Et c’est la Renaissance qui a vu la naissance de la notion d’art, de beauté, de critique d’art, d’histoire de l’art. Monsieur Erdoğan ne doit pas être très sensible à notre notion d’art, avec ce qu’elle implique d’originalité individuelle, de culture des profondeurs, de singularités. Le régime de singularité pour lui n’existe pas, donc monsieur Erdoğan, pour qui le culturel ne fut qu’un petit intermède occidental entre deux stades du cultuel, revient à son culte et considère que un culte doit en remplacer un autre, et que ce que nous avons appelé culture, n’a pas eu de place comme un moment historique significatif. Voilà donc quelque chose qui peut remettre, relativiser notre indignation ou notre stupeur devant cette incroyable métamorphose. Mais vous savez, moi, il y a un mot que j’aime bien –excusez-moi je le dois à Spengler, qui a très mauvaise réputation– c’est le mot de « pseudomorphose » qui est un terme de cristallographie. C’est-à-dire qu’il y a des minéraux qui gardent un aspect, une enveloppe extérieure mais dont la structure a changé complètement. On a une pseudomorphose de l’école par exemple. C’est vrai que ça s’appelle encore éducation et école: c’est autre chose. On a une pseudomorphose de l’état. On parle de l’état, bon, mais on ne voit pas que derrière la façade tout a changé. C’est plus le même mobilier. Donc, n’utilisons pas tous azimuts une notion très occidentale et très singulière qui est celle d’art.
Alain Finkielkraut: Alors d’accord Régis Debray, vous dites, relativisons notre indignation, parce que notre civilisation n’est pas universelle. Elle a –je vais reprendre un terme qui vous est cher– elle a des frontières. Et elle doit le savoir. La frontière c’est en effet l’apprentissage de la modestie avant d’être une attitude d’exclusion…
Régis Debray: …et la reconnaissance de l’autre en tant qu’autre.
Alain Finkielkraut: …en tant qu’autre. Très bien, mais cela veut dire que une frontière passe entre l’Europe et la Turquie.
Régis Debray: Oui, absolument.
Alain Finkielkraut: Donc l’intégration de la Turquie dans l’Union Européenne serait tout de même une chose assez étrange, et demanderait à l’Europe de se séparer définitivement –il est vrai que ses fonctionnaires y œuvrent déjà– de la civilisation Européenne. Et tant qu’il y a en Europe une civilisation Européenne qui en fait la substance, en fait la définition, la frontière existe et monsieur Erdoğan se charge de nous le rappeler tous les jours.
Régis Debray: Je ne suis pas, comme vous Européocentrique, mais je constate qu’effectivement le monde ottoman et le monde turque n’a rien à faire dans l’Europe.
Alain Finkielkraut: Je ne suis pas Européocentrique, je suis Européen!
Régis Debray: Je disais ça pour vous taquiner, mon cher. Non mais c’est… je suis d’accord avec vous, il y a là une frontière entre le monde ottoman. Qu’est-ce que la Turquie a apporté à l’Europe centrale et balkanique qu’elle a dominée pendant des siècles? Pas grand-chose. En tout cas pas d‘œuvres d’art majeures en dehors des minarets.
Alain Finkielkraut: Bien mais écoutez, nous en restons là sur ce sujet…
Jean Clair: ...Hautement géopolitique et donc polémique… revenons à nos moutons.
Alain Finkielkraut: …ce sujet très explosif et sur lequel j’aurai l’occasion de revenir dans d’autres émissions bien sûr.




Wil Vlaanderen nog van België weten?


Véronique Lamquin, chef politiek bij Le Soir, schreef een mooi stukje over harteloze koude Vlamingen, en over de grote morele waarden die de Francofonen koesteren. Je kunt haar artikel natuurlijk beter in het Frans lezen, maar ik heb het toch maar vertaald, omdat ik in de laatste Villa Politica een Nederlandstalige minister een soort Frans heb horen spreken dat mij deed vermoeden dat zij nog niet vaak een artikel in Le Soir, La Libre &c. zal gelezen hebben.

La Flandre veut-elle encore de la Belgique?

Een N-VA die op 31,2% staat, kan men daar nog omheen? Democratisch gesproken is het antwoord eerder neen. Hoe zou men, voor de tweede keer nog wel, de stem van bijna een derde van Vlaanderen kunnen negeren? Als de uitslag van de peiling bevestiging krijgt in het stemhokje, dan lijkt het politiek heel moeilijk te zullen worden om opnieuw een federale regering te vormen die in Vlaanderen niet over een meerderheid beschikt.

Maar eigenlijk zit de echte les van deze peiling minder in de consolidatie van de N-VA, dan in de visie die Vlaanderen heeft geuit op de toekomst van het land. Bart De Wever heeft het confederalisme, tot nog toe een wat vaag begrip, gedefinieerd: het gaat om een België dat door de twee gewesten is gevild. Onmogelijk hier niet van op de hoogte te zijn, de media hebben het nationalistische Vlaamse project uitvoerig becommentarieerd. Men mag er dus redelijkerwijs van uitgaan dat als vier Vlamingen op de tien voor de confederale stellingen gaan, zij dat met kennis van zaken doen. Maar als hierover toevallig toch nog enige twijfel zou bestaan, dan zal de rest van onze vragenlijst licht brengen. Dubbelzinnigheid over het goede begrip van de vraag over de sociale zekerheid is uitgesloten: bent u voor of tegen de splitsing ervan? Vóór, zeggen koudweg 55% van de Vlamingen. De sociale zekerheid splitsen is de solidariteit verbreken tussen de Belgen, rijk en arm, ziek of gezond, jong of oud. Dat is België afmaken op het altaar van het egoïsme van de portefeuille of de ideologie. Wat betreft Brussel zijn de resultaten al even verbluffend. De N-VA wil aan de Brusselaars een identiteitskeuze opleggen: Franstalig of Nederlandstalig, wat naderhand bepalend wordt voor hun fiscaal of sociaal stelsel, hun onderwijs, hun stemrecht. Ziedaar wat op de creatie van subnationaliteiten neerkomt, in een gebied dat teruggebracht wordt tot het statuut van sub-regio. Ziedaar wat 54% van de Vlamingen bekoort, duidelijk gewonnen als zij zijn voor een gezamenlijk bestuur van de hoofdstad door de twee gemeenschappen, met miskenning van de mening van de Brusselaars.

Deze cijfers hebben de verdienste dat ze helder zijn. De Francofonen met diametraal tegengestelde opvattingen doen er goed aan ze niet achteloos weg te vegen. Integendeel moeten zij ons eraan herinneren dat de communautaire vrede wellicht oppervlakkig is. En dat we een Vlaanderen dat niet meer alle waarden van het Zuiden deelt, misschien niet tot in lengte van dagen onder het Belgische dak kunnen houden.

15 november 2013

Een geleerde spreekt: niks islam, het gaat om een breuklijn die zich op een ander niveau bevindt


Vroeger aan de universiteit had je wat je noemde studentencursussen. Ik weet niet of de term nog bestaat. Het waren gestencilde notities die studenten zelf hadden gemaakt bij de colleges van proffen die geen gedrukte cursus of handboek hadden, maar enkel lesgaven. Deze uitgeslapen en ijverige studenten verkochten hun notities aan medestudenten, die vaak niet in de mogelijkheid verkeerden om deze lessen bij te wonen, bijvoorbeeld omdat ze te vroeg op de ochtend vielen. Vaak echter waren het gebrekkige of onvolledige weergaven van wat de geleerde lesgevers in werkelijkheid hadden verteld, maar beter dat dan niets.
Tegenwoordig is dit wel anders. Als nu een prof lesgeeft, kan iedereen een opname daarvan beluisteren en, als hij de behoefte daartoe voelt, die ook rustig transcriberen. De wijsheden en soms verrassende inzichten die je dan leest zijn volkomen waarheidsgetrouw:


Lieven Verstraete (Terzake donderdagavond, na 22'55"): […] professor Jo Van Steenbergen en toch, vandaag in Irak bijvoorbeeld 57 doden door religieus geweld, ten gevolge van het eind van die ashura. Hoe valt dat te verklaren eigenlijk?
Jo Van Steenbergen: Wel ik denk niet daje die doden die vallen in Irak, in de context van ashura kan herleiden tot een soenni-sjiïschisma, of de essentie van het geloof soennieten-sjiieten. Zo zie je het ook in deze mooie reportage, dat au fond het gaat in beide gevallen om moslims, mensen die beiden geloven dat er één god is, en dat zowel mo… zowel soennieten als sjiieten onderworpen zijn aan die wil van die ene god.
Lieven Verstraete: Ja, maar der is wel, der is wel, in 680 was die moord denk ik, een schisma ontstaan toch hé?
Jo Van Steenbergen: Der is daar inderdaad een tweedeling in die gemeenschap ontstaan, waarin we vandaag de dag zien dat er een kleine groep moslims, een minderheid moslims, men schat meestal tien procent tot de sjiitische gemeenschap behoort, en de meerderheid tot de soennieten behoort. En het verschil tussen die beide en dat hebben we ook in zekere zin gehoord, ligt hem er, ligt hem eigenlijk in de namen die toegekend worden aan die twee gemeenschappen, waarbij de soennieten in de wijze waarop zij hun islam gaan invullen vooral gaan kijken naar het voorbeeld van de profeet, wat men de soenna noemt…
Lieven Verstraete: Ja, goed…
Jo Van Steenbergen: …terwijl de sjiieten hun naam afleiden van de term sjiat Ali, de partij van Ali, niet enkel gaan kijken naar het voorbeeld van de profeet maar ook van Ali, die neef van de profeet, zijn kleinzonen en hun nakomelingen.
Lieven Verstraete: En dat schisma binnen de islam, kun je dat eigenlijk een beetje vergelijken met katholieken-protestanten bij ons, dat die scheuring er gebeurd is?
Jo Van Steenbergen: Heu, tot op zekere hoogte zeker wel, maar in de feiten, hmm, je hebt een theologisch verschil, namelijk het statuut van de imams dat binnen de sjiitische gemeenschap zeer belangrijk is als een goddelijk …als een kanaal naar het goddelijke, wat door de soennieten absoluut niet aanvaard wordt, en anderzijds ook in de praktijk waar er enkel kleine verschillen zijn in hoe die islam beleden wordt, hoe men een goede moslim kan zijn. En daarnaast heb je ook geografische, geopolitieke verschillen in de wereld van vandaag waarbij wij allemaal weten dat de staat Iran inderdaad in meerderheid sjiitisch is, terwijl veel landen in het Midden-Oosten daarnaast soennitisch zijn.
Lieven Verstraete: Ja, dus het heeft ook politiek gevolgen tot de dag van vandaag, maar wat mij ook opviel in die reportage was die man die zei van ja, wij beleven dat alsof het pas gisteren gebeurd is. Een moord van duizend vierhonderd jaar geleden.
Jo Van Steenbergen: Inderdaad, en dat is de essentie van heel het ritueel natuurlijk. De figuur Hoessein is cruciaal in het sjiitische geloof, als diegene die zijn leven bijna heeft gegeven op dat moment, in 680, de tiende van de eerste maand van het jaar 61van de islamitische jaartelling, voor de hele sjiitische gemeenschap. En door zijn opoffering, door zijn zuiverheid waarin hij standvastig is opgekomen voor zijn geloof, is hij al het ware zo dicht bij god gekomen, dat hij tot op de dag van vandaag gezien wordt als iemand die bemiddelt voor alle gelovigen. En door dat ritueel te herbeleven, door in een trance te komen, waardoor men zo dicht mogelijk bij Hoessein komt, ziet men dat als een manier om inderdaad zo nabij mogelijk tot god te komen.
Lieven Verstraete: Maar, om terug te komen op dat schisma tussen katholieken en protestanten, godsdienstoorlogen zoals wij indertijd hebben gehad, dat hebben wij niet meer, terwijl er vandaag, ik zeg het opnieuw, 57 mensen in Irak zijn vermoord.
Jo Van Steenbergen: Euh, ook de islam heeft in die zin zijn godsd… of, religie is een heel gemakkelijk kanaal om te gebruiken, een ideologisch kanaal om in te zetten in conflicten, strijden die op een ander niveau werken.
Lieven Verstraete: Voilà, we zeiden in het begin, dit zijn eigenlijk ook niet echt godsdienstoorlogen.
Jo Van Steenbergen: Dit zijn niet echt godsdienstoorlogen. Dit zijn, in een context Irak-Iran, Syrië vandaag de dag ook, waar dus, waar weinig zekerheden meer bestaan, waar nationale staten als het ware verdwenen zijn, waar men op zoek gaat naar andere identiteiten die vertrouwen geven, die gemeenschap vormen, waar men terechtkomt bij traditionele identiteit zoals soennieten-sjiieten. Waar Iran ook zijn rol speelt, zijn geopolitieke rol wil vergroten, zijn hegemonie gaan uitbouwen, en als dusdanig ook religie gaat gebruiken om cellen op te bouwen in andere landen, om mensen te steunen.
Lieven Verstraete: Maar met andere woorden, als het in de Arabische wereld niet echt gaat om een godsdienstoorlog, maar wel om geografisch-politieke conflicten die gevoed worden dan door de godsdienst, kunnen we dan ook zeggen bij ons: die verdeeldheid tussen soennieten en sjiieten kan nooit zo hoog oplopen, kan nooit gewelddadig worden dan ook?
Jo Van Steenbergen: Ik denk dat we vorig jaar wel een spijtig evenement hebben meegemaakt waarbij er een aanslag is gebeurd op een sjiitische moskee in Brussel, waarbij een dode is gevallen, heu, maar ook daar weer denk ik dat het niet zozeer religie is gespeeld, geweest die daar de voedingsbodem is geweest voor geweld en haat. Nee, het gaat dan weer om een breuklijn die zich op een ander niveau bevindt, en waar religieuze identiteiten dan vorm aan kunnen geven. Maar au fond, zoals we in het filmpje ook hebben gezien zijn het, gaat het in beide gevallen om moslims, die als moslim wensen samen te leven.
Lieven Verstraete: Ok, professor Van Steenbergen, van harte bedankt voor dit gesprek.
Jo Van Steenbergen: Graag gedaan.



10 november 2013

Een verhaal uit het loden tijdperk


Kranten- en tijdschriftenbazen hoor je de laatste tijd enkel nog klagen. De mensen lezen veel op het web, helemaal gratis, kopen geen kranten meer en dan vinden zij weer geen adverteerders meer. Eigenlijk is dit diefstal zeggen ze, want journalistiek en advertenties zijn voor hen een en hetzelfde.


Laatst las ik in De Tijd nog een interview met die cross-mediale kerel van Sanoma – ik vergeet zijn naam altijd, maar Koen Meulenaere beschreef hem eens als een nog altijd in leven zijnde B-acteur uit vele zwart-witfilms. Hiermee moet hij op het web terug te vinden zijn.

En omdat we nu toch over geschiedenis spreken: was het vroeger beter?
Marie-Henri Beyle (Stendhal) schreef in 1835-36 een autobiografie: «Vie de Henry Brulard». Hij vertelt daarin, dat in het rijke gezin waar hij opgroeide (vader, grootvader, tantes en twee zussen, want zijn moeder was gestorven toen hij pas zeven was) er ‘s ochtends uit een hoop kranten voorgelezen werd.

Zijn verhaal zal de baron van Circus Sanoma maar matig bevallen, want er werd blijkbaar toen ook al gestolen. Akkoord, op kleinere schaal, maar het ging in die tijd wel om kranten en bladen waar werkelijk iets in stond.

De familie van de kleine Henri woonde in Grenoble en de kranten kwamen uit Parijs. Ze werden bezorgd door zekere mijnheer Santerre, mooie grote man die vroeger een losbandig leven had geleid, wat door de familie vanzelfsprekend werd afgekeurd:

« Hij bezorgde, ik meen om de twee dagen, of laten we zeggen als de post uit Parijs arriveerde, aan mijn grootvader vijf of zes kranten die aan anderen geadresseerd waren, en die wij nog vóór die anderen lazen. Mijnheer Santerre kwam tegen de middag, rond een uur of elf, en wij gaven hem als dejeuner een half glas wijn en brood. […]
Mijn idee dat mijnheer Santerre niet elke dag langskwam, berust op het aantal kranten dat er te lezen viel. Maar misschien was het in plaats van meerdere nummers van één krant, eerder een groot aantal verschillende kranten.
Soms, als mijn grootvader verkouden was, kreeg ik de taak om voor te lezen. Wat een onhandigheid van mijn tirannen! Het was alsof de Pausen een bibliotheek hadden opgericht, in plaats van alle boeken te verbranden zoals Omar het deed (al is er betwisting over deze mooie ingreep).
Van al deze voorlezingen, die meen ik doorgingen tot een jaar na de dood van Robespierre en die elke ochtend flink twee uur duurden, herinner ik mij niet dat het ook maar één keer is voorgekomen dat ik het eens was met de meningen die mijn huisgenoten uitspraken.
Uit voorzichtigheid zweeg ik, en als ik dan toch een keer wilde spreken, dan weerlegden ze mij niet maar legde men mij het zwijgen op. »

Kranten en bladen kunnen nog leven, maar niet als ze van circusbaronnen moeten afhangen.



http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html