9 september 2021

Zemmour over de cancel-gekte



C’est la défaite de l’intelligence. C’est des gens qui ne sont pas au niveau, et qui donc veulent abattre les gens qui leur sont supérieurs. Parce que ce sont des gens qui leur sont supérieurs. Vous comprenez, quand on abat une statue de Napoléon, c’est des nains qui s’en prennent à un géant. Pareil pour Christophe Colomb.


Het is de teloorgang van de intelligentie. Het zijn lui die geen niveau hebben, en bijgevolg mensen willen neerhalen die boven hen uitsteken. Omdat die mensen hen inderdaad overstijgen. U begrijpt, als men een standbeeld van Napoleon neerhaalt, dan zijn het dwergen die het tegen een reus opnemen. Hetzelfde voor Christoffel Colombus.


7 september 2021

Is de naam Rousseau een handicap voor politici?


Ooit zag ik in Londen – ik meen in Shaftesbury Theatre, of misschien was het Queen’s Theatre – de musical Les misérables. En Victor Hugo treft hier geen schuld, maar ik heb me daarbij stierlijk verveeld. Ik weet niet eens meer of het volgende rijmpje erin voorkwam (in het Engels dan) :

Je suis tombé par terre,
C'est la faute à Voltaire,
Le nez dans le ruisseau,
C'est la faute à Rousseau.

Dat laatste vers van Hugo is spreekwoordelijk geworden. Rousseau krijgt inderdaad de schuld van alles en nog wat. Je kunt geen ongunstige ontwikkeling in de staatsordening noemen of hij zit er voor iets tussen. Er zijn hele traktaten geschreven over de gelijkenissen en verschillen tussen hem en bijvoorbeeld Marx.
Maar dat Jean-Jacques een verderfelijke invloed heeft gehad op de ecologisten is zonder meer duidelijk. In Frankrijk heb je nu de partij Europe Écologie-Les Verts, met als boegbeeld Sandrine Rousseau, en die verklaarde ooit in Charlie Hebdo: ‘Je préfère des femmes qui jettent des sorts plutôt que des hommes qui construisent des EPR.’*

Liever toverheksen dan kernfysici dus. Had ik het boek van haar naamgenoot gelezen, Discours sur l'origine et les fondements de l'inégalité parmi les hommes, van 1755, zou ik weten of hij daarin even ver ging als Sandrine. Goed, retour à la nature dus.

En recent verklaarde ze weer: ‘Si vraiment il y a des personnes qui sont dangereuses, de potentiels terroristes, ce n’est pas parce qu’ils restent en Afghanistan qu’ils sont moins dangereux en vrai. Quelque part les avoir en France, cela nous permet aussi de les surveiller.’
 [Als er inderdaad mensen tussen zitten die gevaarlijk zijn, potentiële terroristen, dan is het waarlijk niet omdat ze in Afghanistan blijven dat ze echt minder gevaarlijk zijn. Hen hier in Frankrijk hebben, stelt ons ergens ook in staat ze in de gaten te houden.]
Deze uitspraak werd in heel het land op hoongelach onthaald en in arren moede verklaarde Sandrine daarop: ‘C’était assurément une phrase maladroite.’ Onhandig dus, niet stompzinnig, geen Connerie.

Helaas twittert zij ook graag, en na de dood van Jean-Paul Belmondo kon ze alweer haar mondje niet houden:
Misschien kun je met de naam Rousseau het twitteren beter aan anderen overlaten, en de politiek zelfs helemaal. 
______

* European Pressurized Reactor, een geavanceerde kernreactor ontworpen door het Franse Areva.


29 augustus 2021

Wat leest een mens graag?

.

Een mooie natuurbeschrijving met bijvoorbeeld vlinders, bloemen, bomen en bergen kan aangename lectuur zijn, en Maupassant geeft die ook vaak, maar vele lezers, durf ik te stellen, zullen hem met nog groter genoegen ergens aan zien ergeren. Deze stadsbeschrijving van hem is bijzonder genietbaar:

Het was een van die zomeravonden dat het aan lucht ontbrak in Parijs. In de verstikkende nacht leek de stad te zweten, heet als een stoombad. Door hun granieten monden bliezen de riolen hun stinkende asem, en door hun lage vensters stieten de kelderkeukens walgelijke miasmen van afwaswater en verschaalde sausen de straat op.

C’était une de ces soirées d’été où l’air manque dans Paris. La ville, chaude comme une étuve, paraissait suer dans la nuit étouffante. Les égouts soufflaient par leurs bouches de granit leurs haleines empestées, et les cuisines souterraines jetaient à la rue, par leurs fenêtres basses, les miasmes infâmes des eaux de vaisselle et des vieilles sauces.

.

20 augustus 2021

Maupassant en het algemeen kiesrecht

.In Les Dimanches d’un bourgeois de Paris* laat Guy de Maupassant een ambtenaar, zekere monsieur Rade, célèbre dans tout le ministère par les doctrines insensées qu’il affichait, bij een dinertje onder collega’s zijn principes betreffende het kiesrecht uiteenzetten:


1er principe. - Le gouvernement d'un seul est une monstruosité.
2e principe.  - Le suffrage restreint est une injustice
3e principe.  - Le suffrage universel est une stupidité. 

1ste principe   - Het bewind van één man is een monsterachtigheid.
2de principe    - Ingeperkt kiesrecht is een onrechtvaardigheid.
3de principe    - Algemeen kiesrecht is een stupiditeit.

Niets zegt natuurlijk dat Maupassant de mening van zijn personage deelt, of deze integendeel insensée vindt. Monsieur Perdrix, de bureauchef die mee aan tafel zit bij de collega's is zelfs verontwaardigd over wat Rade allemaal uitkraamt.

Maar het thema komt bij Maupassant vaker terug. In Bel-Ami** beschrijft de auteur de corrupte Laroche-Matthieu die graag minister wil worden. Ook hier blijft de vraag of we geen onderscheid moeten maken tussen Maupassant en ‘de auteur’:  

C’était un de ces hommes politiques à plusieurs faces, sans conviction, sans grands moyens, sans audace et sans connaissances sérieuses, avocat de province, joli homme de chef-lieu, gardant un équilibre de finaud entre tous les partis extrêmes, sorte de jésuite républicain et de champignon libéral de nature douteuse, comme il en pousse par centaines sur le fumier populaire du suffrage universel. Son machiavélisme de village le faisait passer pour fort parmi ses collègues, parmi tous les déclassés et les avortés dont on fait des députés.

Hij was een van die politici met vele gezichten, zonder overtuiging, zonder grote capaciteiten, zonder durf en zonder serieuze kennis, een provinciale advocaat, knappe man voor zijn departementsplaats, die als gladjanus het evenwicht tussen alle extreme partijen bewaarde, een soort republikeinse jezuïet en suspecte liberale paddenstoel, zoals die bij honderden opschieten uit de populaire mestvaalt van het algemeen kiesrecht. Zijn dorpse machiavellisme bezorgde hem de roep van krachtdadigheid bij zijn collega’s, bij alle aan lager wal geraakten en misgeboorten waar men parlementsleden van maakt
.

Als Maupassant een brief schrijft, speelt genoemd onderscheid misschien minder. Maar ook dan heeft hij weinig fiducie in het procedé:

À la Comtesse Potocka

Cannes, 13 mars 1884.

[…] Quand on voit de près le suffrage universel et les gens qu’il nous donne, on a envie de mitrailler le peuple et de guillotiner ses représentants. Mais quand on voit de près les princes qui pourraient nous gouverner, on devient tout simplement anarchiste.

Als je het algemeen stemrecht van nabij bekijkt, en de mensen die het ons bezorgt, dan bekruipt je de lust het volk te mitrailleren en zijn verkozenen te guillotineren. Maar als je van nabij de prinsen ziet die dan mogelijk het bewind over ons zouden voeren, word je zonder meer anarchist.

––––––––––– 
  * Édition de Catherine Botterel, 2020, Gallimard.
** Édition de Jean-Louis Bory, 1973, Gallimard.


.

13 augustus 2021

Dat exotisme altijd...

 Velen eten graag af en toe vogelnestjessoep. Talrijker nog zijn diegenen die zweren bij tiramisu, als dessertje dan. Uit een exotische teljoor willen eten komt vaak voor. 

Nu las ik dat er bepaalde foto’s van de zoon van Joe Biden in omloop zijn geraakt. Die zoon had namelijk een Russisch hoertje gevisiteerd, en helaas werd die gebeurtenis op de gevoelige plaat vastgelegd.

Hier bij ons hadden wij eerder dat ongelukkige voorval met Alexander D.C. Weliswaar is Alexander niet daadwerkelijk tot visitatie kunnen overgaan bij zijn Italiaans-Tsjechische pornosterretje – hij is ante portas gebleven als ik goed heb begrepen, maar wel moest hij zijn spaarvarkentje stukslaan en met een stevige som over de brug komen. Alexander was onvoorzichtig geweest met sms’jes aan zijn adorata, en de ploeg van 11 miljoen moest daardoor enkele maanden wachten op een frisse regering.

Men kan hierbij de vraag stellen: vanwaar toch die zucht naar exotisme? Is er dan bij het eigen volk geen keuze te over? Waarom ook in dezen niet wat meer tous ensemble? En komt die drang naar exotisme ook bij vrouwen voor?

Minstens al sinds Leni Riefenstahl (onder meer bekend van de film Olympia, gemaakt in opdracht van het Internationaal Olympisch Comité) weten we dat het antwoord op die laatse vraag ‘ja’ luidt, want zij raakte gefascineerd door de gespierde lijven van de Nuba.


De dichter Martialis (geboren en gestorven in de Keltiberische stad Bilbilis) wist dat veel eerder al, en deed hierover zijn beklag: 

 


        Das Parthis, das Germanis, das, Caelia, Dacis
        nec Cilicum spernis Cappadocumque toros;
        et tibi de Pharia Memphiticus urbe fututor
        navigat, a rubris et niger Indus aquis;
        nec recutitorum fugis inguina Iudaeorum,
        nec te Sarmatico transit Alanus equo.
        qua ratione facis, cum sis Romana puella,
        quod Romana tibi mentula nulla placet?

Caelia, je geeft je aan Parthen, aan Germanen en Daciërs,
en van de Ciliciërs, Cappadociërs wijs je geen bed af.
Uit een Egyptische stad vaart een Memphitische neuker
naar je toe, uit de Rode Zee een donkere Indiër.
Je vlucht niet weg voor een avontuur met besneden Joden,
op zijn Sarmatisch paard rijdt geen Alaan jouw huisdeur voorbij.
Hoe kan het dan gebeuren dat jij, een meisje uit Rome,
geen waardering bezit voor een Romeinse pik?

Piet Schrijvers vertaalde alle epigrammen van Martialis bij Athenaeum, en bij sommige ervan geeft hij ook oudere voorbeelden van vertalingen. Die zijn een stuk politiek correcter dan de dichter zelf. Op de manier van die oude vertalers zouden zelfs onze deftige kranten kunnen berichten over Alexander:


Ghy laet u, Caelia, van Parthen, Duytschen, Russen

En Cappadociërs kussen.
Ghy laet Aegyptenaer noch geelen Indiaen
Noyt treurig buyten staen.
‘T aenkloppen is Alaen noch oock gevilde Joden
Tot uwent niet verboden.
Wat schijnt’er, Caelia, dat u een Roomsche Maegd
Geen Roomsch versoek behaegt.

Jeremias de Decker (1609-1666): Puntdichten


30 juli 2021

Een moordende overstroming

Bij Les Belles Lettres in Parijs verscheen begin dit jaar een verzamelbundel, L’Antiquité en détresse (De Oudheid in nood) met als ondertitel: Catastrophes & Épidémies dans le monde gréco-romain.

Hier vertaal ik een stukje uit de Historische Bibliotheek van Diodorus Siculus (Διόδωρος Σικελιώτης, Diodorus de Siciliaan). Niet uit het oorspronkelijke Grieks natuurlijk, maar door de Loebvertaling van Russel M. Geer naast de Budé-versie te leggen die Jean-Louis Poirier presenteert bij Les Belles Lettres.
Poirier schreef ter inleiding: ‘In de volgende tekst is de catastrofe zichtbaar het resultaat van een aantal nalatigheden van de edielen.* In elk geval laat de tekst zien wat voor kracht water kan ontwikkelen.'


44. (de streek Rhagae) Terwijl het de meest volkrijke en welvarende steden telde van de hele regio kwam er een zodanige aardbeving dat de steden en al hun inwoners verdwenen, dat het landschap helemaal veranderde en er nieuwe rivieren ontstonden in plaats van de oude, en ook nieuwe moerassen en meren.
45. 1. In die tijd overstroomde de stad Rhodos voor de derde keer,** en vonden velen van haar inwoners de dood. De eerste overstroming had de bevolking weinig schade berokkend want de stad was nog maar pas gesticht en bijgevolg was er nog veel open ruimte;
2. de tweede overstroming was erger en doodde veel meer mensen; de derde kwam onverwacht bij het begin van de lente: plots kwamen er hevige stortbuien neer, met ongelooflijk grote hagelstenen. Er vielen hagelstenen van een mina*** en zelfs meer, zodat veel huizen onder het gewicht instortten wat de dood van heel wat mensen veroorzaakte.
3. Omdat Rhodos de vorm heeft van een amfitheater, en het meeste water bijgevolg op één plek samenstroomde, stonden de lager gelegen stadswijken meteen onder water; men was er immers van uitgegaan dat het seizoen van de winterregens voorbij was en dus had men de afvoerkanalen niet meer onderhouden, en waren de afvoerpijpen in de stadsmuren dichtgeslibd.
4. Het water dat plotseling samenstroomde vulde de hele wijk rond de markt en de Tempel van Dionysos; en toen de vloed zich doorzette in de richting van de Tempel van Asklepios sloeg de schrik allen om het hart en probeerde iedereen met allerhande middelen in veiligheid te komen.
5. Sommigen vluchtten de richting van de boten uit, anderen renden omhoog naar het theater. En sommigen die door het gevaar niet konden wegkomen, klommen in hun nood op de hoogste altaren en op de sokkels van de standbeelden.
6. De stad dreigde met al haar inwoners weggeveegd te worden, toen plots het toeval haar te hulp schoot. De stadswal begaf het over een flinke lengte, en het water dat opgesloten had gezeten stroomde door die opening nu de zee in, en iedereen keerde terug naar zijn oude plek.
7. Het was nog een geluk voor de getroffenen dat de vloed overdag kwam, want de meesten ontsnapten nog op tijd en konden hun huizen uitvluchten naar de hoger gelegen stadsdelen; en ook dat de huizen niet met zongedroogde baksteen opgetrokken waren, maar met natuursteen, wat de redding betekende voor diegenen die op de daken hun heil hadden gezocht. Niettemin verloren vijfhonderd mensen het leven bij deze verschrikkelijke catastrofe, terwijl veel huizen instortten en andere zwaar bouwvallig bleven. Dusdanig was de calamiteit die Rhodos trof.

Καὶ τὰ μὲν περὶ τὴν Ῥόδον συμβάντα τοιοῦτον ἔσχε τὸν κίνδυνον

––––––––

* stadsbestuurders.
** de catastrofe had waarschijnlijk in 316 voor Christus plaats.
*** ongeveer een pond, maar het gewicht verschilde van stad tot stad.


6 juli 2021

Een aansporing van Martialis

.
En een raad ook voor G.G. die hem hopelijk ter harte zal nemen.

Ede tuos tandem populo, Faustine, libellos
et cultum docto pectore profer opus,
quod nec Cecropiae damnent Pandionis arces
nec sileant nostri praetereantque senes.
ante fores stantem dubitas admittere
Famam teque piget curae praemia ferre tuae?
post te victurae per te quoque vivere chartae
incipiant: cineri gloria sera venit.

       Martialis, Epigrammata 1,25 (Loeb)

Publiceer, Faustinus, nu eindelijk je geschriften,
maakt het verzorgde, geleerde werk nu openbaar,
dat door de burcht van Cecrops en Pandion*  niet wordt veroordeeld,
door wijzen niet wordt verzwegen of genegeerd.
De Faam staat voor je deur, aarzel niet haar binnen te laten.
Schaam je je om de prijs te ontvangen voor je werk?
Laten geschriften, die na jou voort zullen leven, nu door jou
ook beginnen te leven. Als je dood bent, komt roem te laat!

       Piet Schrijvers (Athenaeum)

At long last, Faustinus, give your little books to the public. Put forth the work that your accomplished wit has polished, work which the Cecropian towers of Pandion would not reject nor our own forebears pass by in silence. Do you hesitate to let Fame in when she stands at your door? Are you reluctant to take the reward for your pains? Your pages will live after you; let them also begin to live through you. Glory comes late to the grave.

       D.R. Shackleton Bailey (Loeb)

__________
*  Een omschrijving van de stad Athene

5 juli 2021

Een aanval gepareerd?

.

Piet Schrijvers maakte in 2019 een prachtige vertaling van Martialis’ epigrammen (voor Athenaeum–Polak&Van Gennep). De verzen zijn onberijmd. In de inleiding zegt hij voor die vorm te hebben gekozen omdat rijm en metrum ‘gedateerd’ zijn. En hij bekritiseert dus eerdere vertalingen die daaraan vasthielden:

‘Welke dichter gebruikt na de Vijftigers nog vormvaste strofen met rijm (afgezien van een enkele archaïserende, al of niet ironische sonnettenbakker en de illustere Ida Gerhardt als uitzondering op de regel)? Rijmende vormvaste coupletten komt men heden ten dage nog bijna uitsluitend tegen in kinderrijmpjes of light verse; de drie genoemde bloemlezingen met hun rijm en vormvastheid bieden dan ook onvermijdelijk een ietwat gedateerde en kinderlijke Martialis.’

Nu heb ik de indruk dat Jean Pierre Rawie hierop heeft geantwoord in Een luchtbel in een vluchtige rivier (bij Prometheus – geen Martialis: Rawie vertaalt hier dichters van de twaalfde tot de twintigste eeuw). Misschien nam hij de term ‘sonnettenbakker’ wel persoonlijk?

'Bij het vertalen dient men – daar ben ik van overtuigd – de vorm van het origineel zoveel mogelijk te respecteren. Een rijmend gedicht hoort ook in vertaling te rijmen, en een sonnet of een rondeel moet een sonnet of een rondeel blijven. Een letterlijke woord-voor-woordvertaling biedt steun bij het lezen van het oorspronkelijke vers, maar levert geen zelfstandig kunstwerk op. Dat is namelijk wel de bedoeling; een goede vertaling beoogt een verrijking te zijn van de Nederlandse letterkunde, een gedicht dat er nog niet was. […]

Tegenwoordig spreekt men van light verse, dat van een geheel andere orde zou zijn dan ‘echte poëzie’. Beschaafdere tijden kenden dat onderscheid niet, en in sommige landen, zoals Engeland, diskwalificeert een dichter zich niet als hij naast ernstig werk ook offert aan de vrolijke muze. T.S. Eliots hilarische kattengedichten, waarop de musical Cats is gebaseerd, verhinderden niet dat hem de Nobelprijs werd toegekend.

Te onzent kan een dichter zich niet veroorloven de schijn van luchthartigheid te wekken, want dan wordt hij onverbiddelijk tot de niet meer serieus te nemen grappenmakers gerekend. Toen ik mijn eerste gedichten publiceerde, schrok ik zelf een beetje van de zware onderwerpen die daarin aan de orde kwamen, en bezigde ironie teneinde enige afstand te scheppen (pas later zag ik in dat de vorm al genoeg voor distantie zorgde). Het heeft jaren geduurd voor ik het daardoor opgeroepen stigma van oppervlakkigheid kwijt was; ik had immers slechts een ‘beperkte thematiek’, want ik schreef alleen maar over dood, drank en liefde.

Het is in dit verband belangwekkend erop te wijzen dat in perioden van barbarij en vormloosheid in de poëzie het altijd de ‘lichte’ dichters – én de vertalers – zijn geweest die de verstechniek voor volgende generaties hebben gered. Niettemin maken virtuozen op dat gebied als N.E.M. Pareau, Kees Stip, Ivo de Wijs en Driek van Wissen voor de schriftgeleerden geen deel uit van de Nederlandse dichtkunst. Het is alsof men Heine niet tot de Duitse literatuur zou rekenen omdat je vaak moet grinniken als je hem leest.'

_______________

Noot van 24 october: Rawie was inderdaad op zijn teen getrapt las ik in zijn pas verschenen 'Hebben we hiervoor tachtig jaar gevochten'.


29 juni 2021

Martialis troost onbegrepen dichters

.

Moderne dichters hoor je wel eens klagen, of je leest het ergens dat ze hun producten niet aan de straatstenen kwijtraken. Terwijl zij nochtans heel doorvoeld dichten. Maar niet allemaal klagen ze gelukkig.

Bijvoorbeeld Jean Pierre Rawie klaagt niet, maar verklaart: ‘De ontoegankelijkheid van veel eigentijdse poëzie wordt veroorzaakt door de behoefte koste wat het kost origineel te willen zijn. Er zijn dichters die lijken te denken dat ze als ze wartaal uitkramen meer kans maken oorspronkelijk te zijn, maar dat is allerminst zeker, er is ook oneindig veel wartaal geschreven.’

En ja, Rawie zelf is een ouderwetse, stielvaardige, metrische, rijmende dichter. Mensen met slechte smaak zijn er met hopen, en juist zij lijken dingen als rijm en metrum op prijs te stellen. Kinderachtig, maar daar valt niets aan te doen. Vormvaste verzen onthouden zij namelijk beter, en vaak zijn dat wat oudere gedichten.

Maar laat dit onze misschien wat minder stielvaardige, rijm-, metrum- en interpunctieloze dichters niet tot wanhoop drijven. Zij moeten wat geduld oefenen: na hun dood zullen ze wellicht roem oogsten.
Moge volgend epigram van de helaas wél vormvaste Marcus Valerius Martialis (¿40?-104 p.Chr.n) hen hierbij een troost zijn. Hij beantwoordt een vraag van Regulus, een vriend van hem:

‘Hoe te verklaren dat roem aan levenden wordt geweigerd
en dat een lezer zelden zijn tijdgenoten waardeert?’
Regulus, dat zijn natuurlijk de manieren van doen van de afgunst,
die nu eenmaal wat oud is boven wat nieuw is verkiest.
Zo zoeken wij ondankbaar Pompeius’ oude schaduw,*
zo prijzen oude mannen de armzalige tempel van Catulus**
Ennius werd in Rome gelezen toen Vergilius leefde
en de dichter Homerus werd door zijn tijdgenoten bespot.***
Zelden hebben theaters geklapt voor een bekroonde Menander,****
Corinna was de enige die haar Naso heeft gekend,*****
Jullie, mijn kleine bundels, wees toch niet ongeduldig:
als roem na de dood arriveert, heb ik volstrekt geen haast.

Martialis
Verzamelde epigrammen, Boek V,10
Vertaald, ingeleid en toegelicht door Piet Schrijvers
Athenaeum–Polak & Van Gennep Amsterdam 2019
 _________ 
 
* Zuilenhal uit de eerste eeuw v.Chr.
** Jupitertempel op het Capitool, door Catulus in 62 v.Chr. herbouwd na een brand.
*** In de oudheid verspreidden zich legendes over de zwerftochten en armoede van Homerus.
**** Slechts enkele van zijn talrijke komedies kregen een prijs.
***** Deze voorstelling over Ovidius’ onbekendheid als dichter wordt allerminst door Ovidius zelf bevestigd! Hij zegt wel dat Corinna’s identiteit alleen hem bekend was. D.R. Shackleton Bailey (vertaler voor de Loeb-editie) geeft: I suspect that M.’s memory played him false.

12 juni 2021

Twee of drie liberalen en het Boze Oog

Omdat een paar leden van onze nationale regering een gebaar maakten dat sommigen interpreteerden als een sympathiebetuiging voor de Grijze Wolven, geef ik hier een fragmentje uit mijn vertaling van de 'Florentijnse Nachten' van Heinrich Heine. Daarin wordt dat gebaar uitvoerig toegelicht. Maximiliaan komt zijn doodzieke vriendin verstrooien met verhalen. Hier gaat het over de componist Bellini:

Het is een vooroordeel om te menen dat een genie vroegtijdig aan zijn eind moet komen;  ik geloof dat het dertigste tot het vierendertigste levensjaar als de gevaarlijke periode voor genieën wordt beschouwd.  Hoe vaak heb ik de arme Bellini juist daar niet mee geplaagd en hem al schertsend geprofeteerd dat hij in zijn hoedanigheid van genie binnenkort wel eens kon sterven, want hij zat stil­aan in die gevaarlijke leeftijd.  Vreemd toch!  Al was dat in scherts gezegd, toch werd hij ongerust bij zulke profetie;  hij noemde me dan een jettatore en maak­te ook steevast het jettatore-gebaar…[1]  Hij wilde zo graag in leven blijven.  Van de dood had hij een bijna hartstochtelijke afkeer, over sterven wilde hij niets horen, hij was daar bang voor, als een kind dat schrik heeft om in het don­ker te sla­pen… hij was een goed en lief kind, soms een tikje onaardig, maar dan vol­stond het om hem met zijn spoedige dood te bedreigen en onmiddellijk raakte hij be­teu­terd en begon te smeken en maakte met twee gestrekte vingers het jetta­tore-teken…  arme Bellini!”

“Dus u hebt hem persoonlijk gekend?  Was hij knap?”

“Lelijk was hij niet.  Ziet u, ook wij mannen kunnen nooit met ‘ja’ ant­woor­den als we met zo’n vraag betreffende iemand van ons eigen geslacht worden gecon­fron­teerd.  Hij had een opgeschoten, slank figuur en bewoog zich sierlijk, ik zou zelfs zeggen, koket;  altijd à quatre épingles;[2]  een regelmatig gezicht, beetje aan de lange kant, en bleekroze;  helblond, bijna gouden haar in dunne krul­len gefri­seerd;  een hoog, zeer hoog voorhoofd;  rechte neus;  bleekblauwe ogen;  mooi­ bemeten mond;  ronde kin.  Zijn trekken hadden iets vaags en karak­ter­loos, iets van melk, en op dat melkgezicht kabbelde vaak een zoetzurige uit­drukking van smart.  Op Bellini’s gezicht verving die uitdrukking van smart de ontbreken­de geest;  het was smart zonder enige diepgang;  van elke poëzie ge­speend glom ze in zijn ogen en passieloos trok ze om ‘s mans lippen.  De jonge maestro leek deze vlakke, matte smart met heel zijn voorkomen te willen onder­strepen.  De dwe­perige en weemoedige manier waarop zijn haar was gekamd, hoe de kleren hem hunkerend rond het weke lijf zaten, de idyllische manier waar­op hij zijn Spaanse rottinkje droeg, het herinnerde me voortdurend aan de geaffecteerde schaap­herdertjes die we in onze pas­to­ra­le toneelspelen kun­nen zien paraderen, met linten om hun staf ge­wik­keld en in helkleurige jak­jes en broekjes gestoken.  En zijn stap was zo meis­jes­achtig, zo zwaar­moe­dig, zo ethe­risch.  Heel deze mens zag eruit als een die­pe zucht op hoge hak­ken.[3]  Bij vrou­wen had hij heel wat succes, maar of hij ergens een grote passie heeft los­ge­maakt betwijfel ik.  Ikzelf vond zijn ver­schijning altijd grappig en lichtjes onge­niet­baar, en daaraan ten gronde lag nog het meest zijn manier van Frans spreken.  Bellini mocht dan al jaren in Frankrijk hebben geleefd, zijn Frans sprak hij danig slecht;  zoals ze het zelfs in Engeland nauwelijks kunnen.  Ik zou zijn spreken niet mogen aanduiden met het bijwoord ‘slecht’;  slecht is hier veel te goed.  Je moet ‘erbarmelijk’ zeggen, ‘bloed­schen­nig’, een ware wereldcatastrofe.  Ja, als je in zijn gezelschap vertoefde terwijl hij als een beul de arme Franse woorden rad­braak­te en onverstoord zijn kolossaal coq-à-l’âne[4]  uitkraamde, vaak bekroop je dan de gedachte dat de wereld wel kon ten onder gaan in één grote donder­slag…  een doodse stilte heerste er dan in heel de zaal;  doodsangst tekende zich af op alle gezichten, krijtwit of vermiljoen;  de vrou­wen wisten niet of ze in on­macht moesten vallen of op de vlucht slaan;  de mannen keken verbijsterd naar hun broeks­pijpen om zich ervan te vergewissen dat ze die wel degelijk aan­had­den;  en wat nog het verschrikkelijkste was:  deze angst riep tegelijk een nauwe­lijks te ver­bijten convulsieve lachlust op.

“Als je bijgevolg in het gezelschap van Bellini vertoefde, dan boezemde die nabijheid altijd een ze­ke­re angst in, zoals een huiveringwekkende duizeling te­ge­lijk afstotend en at­trac­tief kan zijn.  Vaak waren zijn onbedoelde calem­bours[5] alleen maar koddig;  potsierlijk en afgezaagd als ze waren riepen ze het beeld op van dat kasteel van zijn landgenoot, de prins van Palagonia.[6]  Goethe schil­dert het in zijn “Itali­aanse Reis” als een museum van barokke prullen en ongerijmd bij elkaar ge­gooi­de misbaksels.  Omdat Bellini er bij die gelegen­heden van over­tuigd bleef dat hij iets vol­komen onschuldigs of vol­komen welvoeglijks had ge­zegd, vorm­de zijn gezicht altijd het grappigste contrast bij zijn woorden.  Din­gen die mij in zijn gelaat toch al tegenstonden kwamen dan des te schrijnen­der tot uiting.  Wat me daarin misviel was evenwel niet van die aard dat je het louter als een mankementje kon afdoen, en nog minder zal het de dames hebben be­koord.  Bellini’s gezicht en heel zijn verschijning hadden dat lichamelijk frisse, die vle­zige bloei, die rozige teint die zo’n onaangename indruk op mij maken;  speciaal op mij, want ik hou meer van doodsbleke marmeren gezichten.  Pas nadien, toen ik Bellini al langer kende kreeg ik enige sympathie voor hem.  Dat kwam omdat ik had in­gezien dat hij absoluut edel en goed van karakter was.  Zijn ziel is zeker rein gebleven en onbevlekt door wat voor lelijke ervaringen ook.  Evenmin ont­brak bij hem die onschuldige goed­moe­dig­heid, dat kinderlijke dat we altijd te­rug­vinden bij geniale mensen, ook al lopen zijzelf daar niet voor iedereen mee te koop.


“Ja, ik herinner me nog ­—”  ging Maximiliaan door, terwijl hij zich neerliet in de zetel waar hij naast was blijven staan, gesteund op de leuning — “ik herinner me nog het moment dat Bellini in zo’n gunstig licht bij me kwam, dat ik hem met genoegen gadesloeg en me voornam om eens nader kennis te zullen ma­ken.  Maar helaas was dit de laatste keer dat ik hem in dit leven nog zou zien.  Het was op een avond nadat we in het huis van een grote dame, die de kleinste voet­jes van Parijs heeft, samen hadden gegeten en zeer vrolijk waren geworden, en er aan de fortepiano de zoetste melodieën weerklonken…[7]  Ik zie hem nog vóór me die goede Bellini, hoe hij uitgeput van de vele gekke Bellinismen die hij had uitgekraamd zich ten slotte op een zetel liet neerzakken…  Die zetel was heel laag, meer een bankje, zodat Bellini in één beweging bij de voetjes van een mooie dame terechtkwam die zich tegenover hem op een sofa had uitgestrekt en met mild leedvermaak neerkeek op Bellini, terwijl die zich uitsloofde om in het reine te komen met enkele Franse uitdruk­kingen en zich daarbij telkens weer genoodzaakt zag om datgene wat hij net had gezegd te voorzien van commen­taar in zijn Siciliaanse taaltje, in een poging om te bewijzen dat het geen sottise was geweest, maar integendeel juist een fijn­zin­nig compliment. “Ik had de indruk dat de mooie dame niet al te veel aandacht besteedde aan het geklets van Bellini;  ze had hem het Spaanse rottinkje, waar hij zijn zwakke retoriek vaak ter hulp mee wilde komen, uit de handen genomen en bediende zich daarvan om de sierlijke krullen op de beide slapen van de jonge maestro lichtjes in de war te bren­gen.  Het was om dit licht baldadige spelletje dat ze moest lachen en op haar aan­gezicht kwam daarbij een uitdrukking zoals ik die nooit op het gelaat van een levende ziel heb gezien.  Nooit vergeet ik dat gezicht nog!  Het was één van die gezichten die meer in het dromenrijk van de poëzie dan in de rauwe werkelijkheid van het leven lijken thuis te horen;  contouren die aan da Vinci doen denken, de edele ovale vorm met die naïeve wangenkuiltjes en de gevoelig spits toelopende kin van de Lombardische school.  De teint eerder zacht Romeins, mat paarlemoer, voorname bleekheid, morbidezza.  Kortom het was een gezicht zoals je dat enkel hier of daar op een oud-Italiaans por­tret vindt, voorstellende één van die grote dames waarop de Italiaanse kunstenaars van de zestiende eeuw verliefd waren toen ze hun meesterwerken schiepen, of waar de dichters van die tijd aan dachten toen ze zich onsterfelijk zongen, en waar de Duitse en Franse krijgshelden naar smachtten toen ze hun zwaard omgordden en vol plannen de Alpen overstaken…  Ja, ja, zo’n gezicht was het waarop dat lach­je speelde, vol van het mildste leedvermaak en de meest voorname balda­digheid terwijl ze, deze mooie dame, met het puntje van het Spaanse rottinkje het blonde krullenkapsel van die brave Bellini bedierf.  Het was alsof Bellini op dat mo­ment door een toverstafje werd aangeraakt, omgetoverd in een geheel en al vriendschappelijke gedaante, en mijn hart voelde zich ineens helemaal met hem verwant.  In de weerschijn van dat lachje glom zijn gelaat, en wellicht was dit het meest bloei­ende moment van zijn hele leven…  Ik zal hem nooit verge­ten… Veertien dagen later las ik in de krant dat Italië één van zijn roemrijkste zonen had verloren![8]

“Hoe toevallig!  tegelijkertijd werd ook de dood van Paganini aangekondigd.  Aan dat laatste overlijden twijfelde ik geen moment, want de oude vale Paganini had er altijd al uitgezien als een stervende;  maar de dood van de jonge rozige Bellini kon ik niet geloven.  En nochtans was het bericht over de dood van de eerste alleen maar een krantenkwakkel.  Paganini houdt zich fris en gezond in Genua op, en Bellini ligt in het graf in Parijs!”[9]

_____________________


[1] In Zuid-Italië en Sicilië is de jettatore (hij die boze blikken werpt, het kwade oog, malocchio) iemand die ongeluk brengt, gewild of zelfs ongewild;  Pius de IXde bv. werd als een jettatore beschouwd, niet omdat hij kwaadwilliger was dan andere pausen, maar omdat het een aantal malen was voorgekomen dat er rampen gebeurden op plaatsen die hij pas had gezegend;  het geloof aan het kwade oog kwam al voor bij de Sumeriërs, verder in de Joodse traditie, ook bij Paulus (die zijn vijanden beschuldigde van het kwade oog), in de Islam, tot bij Mme Blavatsky en afgeleiden;  men kan zich beschermen met een mascotte, of door onder een kroonluchter te gaan staan;  kinderen kunnen worden beschermd met een rood halsbandje, of een stukje koraal in de vorm van een hand;  het enige dat bij volwassenen echt helpt is de hand met gespreide vingers voor de jettatore opsteken (of met wijsvinger en pink gestrekt), en zich dan snel uit de voeten maken.
[2] [tiré] à quatre épingles:  piekfijn gekleed (een gewassen kanten halsdoek bv. werd met vier spelden op een plankje bevestigd om te drogen).
[3] en escarpins zegt de tekst:  pumpschoen, toneel- of balletschoeisel.
[4] van de hak op de tak;  van de os op de ezel.
[5] woordspelingen.
[6] Goethe beschrijft de Villa Palagonia in Bagheria uitvoerig  (Palermo, 9 april 1797);  ook in zijn Harzreise vermeldde H. dit paleis:  een onwaarschijnlijk rariteitenkabinet.
[7] De dame met de kleine voetjes is de Milanese prinses Christina Belgiojoso-Trivulzio (1800–1871);  ze was zeer onconventioneel:  sympathiseerde met de carbo­nari en de communisten;  had in Parijs een tijdlang een gezien salon waar le tout Paris, de aartsconservatieven niet meegerekend, bijeenkwam;  H. was niet ongevoelig voor haar grote charme, haar moed en intelligentie (Georges Sand schrijft in okt. 1835 aan Frans Liszt:  On dit que notre cousin Heine, s’est pétrifié en contem­plation aux pieds de la princesse Belgiojoso).
[8] In een brief aan haar vriendin Caroline Jaubert doet prinses Belgiojoso het verhaal van de ontmoeting tussen H. en Bellini, ook hoe Bellini op de vlucht ging voor de zettatura (haar schrijfwijze):
“[…] Sans en entendre d’avantage, Bellini prenait la fuite;  non que, dans l’occa­sion, comme Mazarin, son com­pa­triote, il ne fût pourvu d’une répartie piquante.  Sous une apparence d’hésita­tion, faisant sem­blant de ne pas bien apprécier la valeur des mots, il trouvait des répliques plaisantes et mor­dantes;  mais sa présence d’esprit lui manquait lorsqu’il était en proie à une crainte superstitieuse;  Ces plaisanteries nous auraient semblé bien cruelles si l’avenir nous eût été révélé.  Moi la première alors, je riais de bon cœur, en regardant le visage effrayé de notre cher compositeur. […]” (in:  Michael Werner, 1973, Begegnungen mit Heine, 1797-1846, S. 306).
[9] Niccolò Paganini (1782–1840);  Italiaanse componist en de belangrijkste vioolvirtuoos van de XIXde E.;  zijn viooltechniek was revolutionair en werd later door bv. Eugène Ysaÿe overgenomen;  zijn optredens waren zo overweldigend dat velen voor waar aannamen dat hij een pact met de duivel had gesloten;  pas vijf jaar na zijn dood werd zijn lichaam in gewijde grond begraven.

30 mei 2021

Er is vertalen en vertalen


En soms komt het voor, zelden maar het komt voor, dat een vertaler even geniaal is als zijn auteur. Ik schrijf hieronder een paar zinnen over van Jean Pierre Rawie:

Het zal voor menigeen als een verrassing komen, maar Giovan Battista Marino, tijdgenoot van Shakespeare en Cervantes, was de beroemdste schrijver van de zeventiende eeuw. In heel Europa, van Portugal tot Polen, werd zijn werk bewonderd en geïmiteerd, en tot zijn adepten behoorden Lope de Vega, John Milton en onze Constantijn Huygens. […]

Jaren geleden moest ik een paar maanden in een revalidatieoord doorbrengen. Ik zonderde me uit lijfsbehoud zoveel mogelijk van mijne medelijders af, en kortte de tijd met het vertalen van een aantal gedichten van Marino en zijn discipelen, waaronder het in die omstandigheden extra toepasselijke grafschrift van een arts:

Impunito ammazzai molte persone,
morte al fin mi punì de’ miei misfatti;
ma devea perdonarmi di ragione,
poi ch’io tanti servigi l’havea fatti.

Ik kostte velen straffeloos het leven,
de dood rekent mij nu mijn falen aan;
maar die zou mij dat juist moeten vergeven,
na alles wat ik voor hem heb gedaan.




Jean Pierre Rawie
Een luchtbel in een vluchtige rivier
2021 Prometheus Amsterdam

19 mei 2021

Ook Scruton vindt genade bij Wagenknecht

 

Mensen die hun traditionele levensstijl willen behouden, worden door de lifestyle-linksen wat meewarig ‘conservatief’ genoemd. Daarover zegt Wagenknecht het volgende:

De term is niet verkeerd. Mensen die zo denken willen inderdaad een waardensysteem in stand houden en voor vernietiging behoeden dat in het geglobaliseerde kapitalisme van onze tijd massief onder druk staat en deels al stuk is. Dit waardensysteem richt zich op de gemeenschap en benadrukt het belang van verbondenheid, van ergens bij te horen. Daarmee staat het in de traditie van zowel de arbeidersbeweging alsook van het klassieke conservatisme, dat de begin 2020 overleden Britse publicist Roger Scruton ooit ‘de filosofie van de verbondenheid’ heeft genoemd.
Met het politieke conservatisme, te weten dat van de partijen in verscheidene landen die zich ‘conservatief’ noemen, heeft dit waardenconservatisme evenwel nauwelijks iets te maken.


Philosophie der Zugehörigkeit
Der Begriff [konservativ] ist nicht falsch. Menschen, die so denken, wollen tatsächlich ein Wertesystem erhalten und vor Zerstörung bewahren, das im globalisierten Kapitalismus unserer Zeit unter massivem Druck steht und teilweise bereits zerbrochen ist. Dieses Wertesystem ist gemeinschaftsorientiert, es betont die Bedeutung von Bindungen und Zugehörigkeit. Damit steht es sowohl in der Tradition der Arbeiterbewegung als auch in der des klassischen Konservatismus, den der Anfang 2020 verstorbene britische Publizist Roger Scruton einmal »die Philosophie der Zugehörigkeit« genannt hat. Dieser Wertkonservatismus hat allerdings mit dem politischen Konservatismus, also den Parteien, die sich in den verschiedenen Ländern konservativ nennen, kaum etwas zu tun.

Sahra Wagenknecht
Die Selbstgerechten -
Mein Gegenprogramm für Gemeinsinn und Zusammenhalt
Campus Verlag, 2021, Frankfurt/New York, SS. 220-21

17 mei 2021

Sahra Wagenknecht over Edmund Burke

.

De Wijsheid in de Tradities

Erkenning van de belangrijke rol die tradities en culturele patronen spelen in het menselijk denken en handelen, en waardering van hun betekenis voor de samenhang van gemeenschappen, behoren in de ideeëngeschiedenis tot de kern van het conservatieve erfgoed. De geestelijke vader van die stroming, de Brits-Ierse filosoof Edmund Burke, heeft telkens weer gewezen op de wijsheid die in gemeenschappelijke gebruiken en overleveringen besloten ligt, en waarzonder gemeenschappen uiteen zouden vallen. Letterlijk vertaald en niet toevallig betekent het Griekse woord ethos, dat de canon van de waarden van een mens of van een hele gemeenschap beschrijft: gewoonte, zede of gebruik.

Sahra Wagenknecht
Die Selbstgerechten -
Mein Gegenprogramm für Gemeinsinn und Zusammenhalt
Campus Verlag, 2021, Frankfurt/New York, S. 219


Die Weisheit in den Traditionen

Die Anerkennung der wichtigen Rolle, die Traditionen und kulturelle Prägungen für menschliches Denken und Verhalten spielen, und die Wertschätzung ihrer Bedeutung für den Zusammenhalt von Gesellschaften gehören zum zentralen ideengeschichtlichen Erbe des Konservatismus. Der geistige Vater dieser Strömung, der irisch-britische Philosoph Edmund Burke, hat immer wieder auf die in gemeinsamen Bräuchen und Überlieferungen enthaltene Weisheit hingewiesen, ohne die Gesellschaften zerfallen würden. Das griechische Wort Ethos, das den Wertekanon eines Menschen oder einer ganzen Gesellschaft beschreibt, heißt nicht zufällig wörtlich übersetzt Gewohnheit, Sitte oder Brauch.



7 mei 2021

De woke jongens en meisjes in hun hemd gezet

.
Over de belangstelling voor haar nieuwe boek Die Selbstgerechten kan Sahra Wagenknecht niet klagen. Zo was zij woensdag te gast bij Sandra Maischberger van de ARD, en dat zorgt voor een miljoenenpubliek. Vanwaar die grote belangstelling? Natuurlijk, het is goed geschreven en de NZZ merkte al op: 'Fonkelende formuleringen maken de lectuur tot een genot. Welke Duitse politicus zou tot het schrijven van zo'n boek in staat zijn?'

Wagenknecht zetelt voor Die Linke in de Bondsdag, maar in haar boek neemt zij termen in de mond die niet overal even goed vallen, om te beginnen ook niet in haar eigen partij. Ze spreekt over life style-linksen ‘die op een andere planeet leven’, over moralisten zonder medegevoel, over de nationale staat en immigratiebeperking, over het eliteproject van de EU, over het ‘wij-gevoel’, over geschiedenis en cultuur. Zulke onderwerpen zitten inderdaad niet iedereen even lekker.

Wagenknecht onderzoekt ook waarom arbeiders vandaag overwegend ‘rechts’ stemmen, niet enkel in Duitsland trouwens. Ze noemt de AfD (Alternative für Deutschland) ‘de grootste arbeiderspartij’.

Maar nu zei ze bij Maischberger ook iets over de geslachten en gender, en daar zijn de woke jongens en meisjes direct opgesprongen. Er mogen dan een hoop letters zijn om de verschillende seksuele oriëntaties aan te duiden, dat zijn geen zaken waar je lichtvoetig over kan doen vindt die humorloze bende:

Mijnentwege mag iedereen zijn geslacht definiëren zoals hij wil, maar als we daarover discuteren: ik weet niet of er nu zestig of honderd geslachten bestaan; en als ook overal lui erop uit zijn om een of ander onderscheidingsteken te maken van hun eetgewoonten… En in de regel zijn dat geprivilegieerden, het zijn dus in de regel niet mensen die bijvoorbeeld – dat komt ook echt voor – gediscrimineerd worden omdat zij een Arabische naam hebben, en daardoor moeilijk aan een woning geraken of een arbeidsplaats. Dat zijn echte discriminaties, maar die vallen bij dit debat eigenlijk compleet af… Want het is een wereldvreemd debat, het gaat om spraakvoorschriften. Natuurlijk speelt daar welke termen voor genders passend zijn, maar ook het wraken van begrippen, en dat is natuurlijk ook iets… neem iemand die eenmaal niet academisch gevormd is, die geen vijf seminaries politiekwetenschap bezocht heeft: in de regel weten die mensen helemaal niet waarom zij plots als racisten uitgestoten worden, of op de een of andere manier als vrouwvijandig of homovijandig omdat zij iets gezegd hebben dat zij eigenlijk normaal vonden, maar ergens hebben enige woke academici dat al op de index gezet.


Meinetwegen kann jeder sein Geschlecht definieren wie er will, aber wenn wir darüber diskutieren: ich weiß nicht ob es sechzig oder hundert Geschlechter gibt; wenn Leute auch partout darauf aus sind durch Ernährungsgewohnheiten irgendein ein Unterscheidungsmerkmal daraus zu machen… Und es sind in der Regel Privilegierte, also es sind in der Regel nicht Menschen die zum Beispiel – was es ja wirklich gibt – dadurch diskriminiert sind weil sie einen arabischen Namen haben und dadurch schwerer eine Wohnung bekommen oder einen Arbeitsplatz. Das sind ja reale Diskriminierungen, aber die fallen in dieser Debatte eigentlich völlig herunter… Sondern es ist eine abgehobene Debatte, es geht um Sprachvorgaben. Da spielt natürlich gendergerechtes Sprechen, aber auch die Ächtung von Begriffen und das ist natürlich auch etwas …zumal jemand der jetzt nicht akademisch gebildet ist, der nicht fünf Politikseminare besucht hat: in der Regel wissen die Leute gar nicht warum sie plötzlich dann als rassistisch oder als irgendwie frauenfeindlich oder homosexuellenfeindlich geächtet werden, weil sie irgendwas gesagt haben was die eigentlich normal fanden, aber irgendwelche woken Akademiker haben das schon auf den Index gesetzt.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html