29 juli 2008

Hand in hand tegen huwelijksdwang ?

.

Vrijheid gaat aan wetten voorbij?

Necla Kelek

Toen ik in 2005 in mijn boek “De vreemde bruid” er op wees dat moslimvrouwen worden uitgehuwelijkt – gearrangeerd of onder dwang – en dat zij in Duitsland als echtgenoten geïmporteerd worden, kwam er protest van de kant van moslims, van Turken en van hun politieke vrienden. Mij werd toegedicht dat ik alleenstaande gevallen opblies, en politica’s van Turkse origine lieten openlijk weten dat zij uit liefde getrouwd waren, enkel maar om mij te bewijzen dat dwanghuwelijken, noch met hun cultuur, noch met de islam enig uitstaans hadden. Migratiewetenschappers eisten “gerechtigheid voor moslims” en verdedigden importhuwelijken, als zijnde een reflex op de restrictieve immigratievoorwaarden.
Inmiddels is het onomstreden dat hier in dit land jaarlijks duizenden moslimvrouwen en -mannen door hun familie in een huwelijk gedwongen worden. De vrouwenhuizen en consultatiebureaus zitten vol, omdat jonge mensen vrezen dat zij uitgehuwelijkt zullen worden tijdens de vakantie in het thuisland van hun ouders.

Hand in hand tegen huwelijksdwang?

De islamitische gemeenschap werd door de publieke opinie genoopt zich te rechtvaardigen, niet enkel voor deze kwestie, maar ook voor de zogenaamde eremoorden, en het geweld binnen huwelijk en gezin. Geen mens neemt hun herhaalde soort van gebedsmolenspreuk nog ernstig, “dat dit met de islam niets van doen heeft.” Nu poogt Tariq Ramadan, pionier van een “Europese islam”, dit tij te keren voor de moslims. Samen met de Rotterdamse islamverenigingen, en met de Berlijnse vereniging “Inssan” – die dicht bij de Moslimbroederschap staat – én met de steun van de Berlijnse integratieambtenaar Günter Piening draagt hij zijn steentje bij tot het initiatief “Hand in hand tegen huwelijksdwang”.
Het betreft hier een poging om intussen zelfbewuste moslimmeisjes onder controle te krijgen, en hen moslimadvies te geven, zodat zij niet langer hun toevlucht zoeken in officiële adviesbureaus of vrouwenhuizen, en aldus voor Allah verloren gaan. De actiegroep heeft zich in Berlijn-Kreuzberg gepresenteerd, en een brochure het licht laten zien met in acht talen hun argumenten.

Niet in naam van de islam

Nieuw daarin, en toe te juichen, is de bekentenis door moslims en islamverenigingen dat dwanghuwelijken een probleem zijn in de moslimgemeenschap. Natuurlijk wordt dat gerelativeerd, en voert men aan dat er zich in boeddhistische, hindoeïstische en christelijke maatschappijen ook wel eens neteligheden voordoen. Gedwongen huwelijken zouden geen probleem van de islam zijn, maar van de cultuur. Dit onderscheid tussen cultuur en religie moet de religie behoeden voor openlijke verantwoording en voor kritische zelfreflectie. Ramadan en anderen argumenteren dat de woorden van Allah en de daden van de profeet feilloos zijn, en dat enkel de mens soms fouten maakt. Op die manier blijft de islam verschoond van de misdaden begaan in zijn naam.
Het besef dat religie en cultuur samen een “cultureel systeem” vormen, en dat men ze niet als van elkaar gescheiden kan zien, wordt hier, hoe absurd ook, juist door moslims ontkend terwijl zij tegelijkertijd de scheiding van religie en dagelijks leven, van religie en politiek afwijzen. Dwanghuwelijken zouden on-islamitisch zijn, zou Mohammed al verkondigd hebben. Dat Mohammed zelf de zesjarige Aïsha huwde, kan niet als misbruik gelden, of als gedwongen huwelijk, maar wordt op de bijeenkomst met Ramadan afgedaan als een “anekdote”, die enkel tot doel heeft om de islam te discrediteren. Het centrale koranvers met betrekking tot het huwelijk, “Huw de vrijgezellen uit”, Sura 24, vers 32, ontbreekt bij deze argumentatie. Daar staat namelijk niet “Vrijgezellen, treed in het huwelijk” – hetgeen zou betekenen dat mensen zelfstandig het recht bezaten om een huwelijk te sluiten –, maar met de uitspraak “Huw de vrijgezellen uit” wordt de huwelijkssluiting zaak van de familie en de gemeenschap.

Lof van de grootfamilie

Interessant is het, hoe Ramadan en zijn aanhangers het begrip familie definiëren. Er wordt niet het kerngezin bedoeld, bestaande uit moeder, vader en kinderen, maar de grootfamilie, de stam. Zo ontstaat uit de gemeenschap der moslims, de umma, een familiecultuur. In de brochure staat het zo te lezen: “In een familiecultuur is de familie belangrijker dan het individu. De familie vormt de eenheid, en wordt aldus door de andere families uit de sociale omgeving als een volwaardig en gelijkwaardig geheel erkend (…). Ieder individu dient in het belang van de familie te handelen.” Is dat niet het geval, dan wordt eer der familie gekwetst: “In de groep is de eer een gemeenschappelijk bezit, waar alle familieleden verantwoordelijkheid voor dragen, ongeacht hoe de hiërarchie binnen de familie is geregeld.”
Ramadan en zijn leerlingen pogen aan de grondrechten en de waarden van de Europese burgerlijke maatschappij een andere draai te geven. Zij ontzeggen aan het individu het zelfbeschikkingsrecht, definiëren de mens als gemeenschapswezen en niet als individu, bepleiten het systeem van de “schaamtemaatschappij”, met inbegrip van een funeste interpretatie van de notie eer. Nergens in het boekje wordt aan het individu de vrijheid gelaten om zelf te beslissen of hij wil huwen of niet. “De familie vormt de kern van islamitische gemeenschap, en het huwelijk is in de islam de enig toegestane vorm waarin een familie kan gesticht worden.” Het beleven van de eigen seksualiteit is niet geoorloofd.

Een soort islamitisch huwelijksadvies

En de rood-rode Berlijnse integratiecommissaris Piening wil graag, zoals hij op de bijeenkomst zei, “leren van Rotterdam”? .Ziet de Senaat dit dan ook zo? .Tariq Ramadan zei in Rotterdam onder andere: “Vrijheid is niet die vrijheid, die anderen van ons willen.” Wat hij bedoelt is: ieder beschikt over zijn eigen vrijheid, aan gene zijde van de wet. – Een interessante variant, om de sharia als vrijheid te bestempelen. Hij wil het ook niet meer over integratie hebben, want de moslims zijn wat hem betreft een deel van de multiculturele samenleving, in dewelke alle religies én hun denkbeelden gelijk zijn, en wier eigen regels aanvaard dienen te worden. Dat echter de Europese samenleving de grondrechten van het individu desnoods beschermt tegen elke groep, religie of zelfs tegen de Staat, wordt naar best vermogen over het hoofd gezien.
Op die manier wordt onder het motto “Tegen het dwanghuwelijk” eenvoudigweg aan islamitisch huwelijksadvies gedaan. Daarbij wordt uitdrukkelijk het gearrangeerde huwelijk als model aangeprezen, ook al erkent men dat dwang daar vaak bij te pas komt. “Een huwelijk is bijgevolg altijd een verbond tussen twee familiegroepen (…). Omdat een huwelijk een verbond tussen families is, zoeken de families die partners uit, die het beste bij elkaar passen, precies ook met het oog op een zo goed mogelijk verbond tussen de families.” Tegen gemengde huwelijken wordt gewaarschuwd: “Een moslimjongen kan weliswaar een christelijk meisje huwen, maar een moslimmeisje mag niet huwen met een christelijke jongen.”

Tegen de dwang tot huwen

“Het huwelijk is de halve religie” luidt een andere uitspraak die aan Mohammed wordt toegeschreven. In dat licht gezien, is Ramadans argumentatie propaganda voor de moslimse dwang tot huwen. Want zonder de gehuwde vrouw, en zonder de controle van mannen over de vrouw, kan een moslimsamenleving niet functioneren. Om die reden is dit initiatief een oplichterij met gebruikmaking van valse etiketten. Er moet één grondregel gelden: huwelijken van jongeren onder de achttien dienen principieel veroordeeld te worden als zijnde gedwongen. Aan elke jonge mens, die in de situatie komt dat hij tegen zijn wil door zijn ouders uitgehuwelijkt kan worden, dient de bescherming van de maatschappij gewaarborgd te zijn.
Vrouwenadviescentra en vrouwenhuizen, zoals Papatya, of die van de schrijfster Serap Cileli, “Peri – de goede fee”, of “Hatun en Can” zijn eerlijke antwoorden op het probleem van de dwanghuwelijken. De wet die gedwongen huwelijken bestraft, moet ten langen leste in de Bondsdag besproken en aangenomen worden. Wij zijn allen gesommeerd om gevallen van dwanghuwelijken aan te klagen en er klaarheid over te brengen, zodat politici zich niet telkens opnieuw laten vangen door imagocampagnes van islampredikanten.

De citaten komen uit het boekje “Hand in Hand tegen Huwelijksdwang” van de Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR), Rotterdam.

F.A.Z. 29 juli 2008

_____________

Noot van de vertaler:
- Toen Necla Keleks boek Die fremde Braut verscheen, besteedde de Nederlandse Omroep daar natuurlijk aandacht aan. Op hun site kun je onder meer lezen: Kelek is vanwege haar opvattingen al diverse malen met de dood bedreigd.
- De citaten die Kelek hierboven geeft, heb ik gewoon vertaald uit de tekst van de FAZ, zonder de oorspronkelijke, wellicht Nederlandse bewoording te hebben gezien.

.

26 juli 2008

Keizer Napoleon en Koning David

.
Van de Nederlandse journalist Martin Bril verscheen vóór enkele maanden een boekje over Napoleon: De kleine keizer, verslag van een passie. Ik bezit het niet, maar recensente Alexandra De Vos besprak het vrijdag in De Standaard. Het was een onderhoudend werkje, vol interessante weetjes over de keizer. Gunstige recensie dus, al kwam er één zinnetje in voor dat mij wellicht zal beletten om het boekje van Bril te kopen.

Schrijven kon de kleine keizer ook, en wel zo goed dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code civil voor hij zich aan zijn literaire arbeid zette. 'Een wonder van droge, maar toch elegante formuleerkunst', noemt Bril Napoleons burgerlijk wetboek.
Nu kwam toevallig deze gewoonte van Stendhal nog ter sprake net hieronder, en of Bril ook echt schrijft dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code Civil, valt uit de recensie van De Vos niet goed op te maken, maar ik hoop voor hem van niet want Stendhal zelf vertelt het anders:

“Je ne vois qu’une règle: le style ne saurait être trop clair, trop simple […]. J’ai horreur de la phrase à la Chateaubriand. […] En composant la Chartreuse, pour prendre le ton, je lisais de temps en temps quelques pages du Code civil”.
Hij nam eerst zijn medicamenten, merkte iemand geestig op – Flaubert meen ik.

Zoals het in De Standaard staat echter, en misschien ook bij Bril, hebben wij dus te maken met de gewone journalistieke stijlfiguur der hyperbool. Maar ook afgezien van die kwalijke gewoonte van het aandikken, is de mededeling over Stendhal en Napoleon simpelweg niet op haar plaats.
Het is natuurlijk verleidelijk om te denken van wél, maar net zoals naar alle waarschijnlijkheid die andere veldheer, koning David, niét de Psalmen heeft geschreven die naar hem zijn genoemd, zo heeft Napoleon – en dat weten we met zekerheid – niét de Code Civil des Français geschreven. Wel gaf hij opdracht daartoe, en was hij sterk met het project begaan, maar de redactie was van Jean-Jacques-Régis de Cambacérès, duc de Parme, die een vierkoppige commissie van juristen leidde, bestaande uit François-Denis Tronchet, Jean-Etienne-Marie Portalis, Félix-Julien-Jean, comte Bigot de Préameneu en Jacques, marquis de Maleville.

Maar dat Napoleon echt kon schrijven, staat inderdaad buiten kijf: zijn militaire teksten en toespraken waren zó sterk, dat de geschiedschrijver (en Frans president) Adolphe Thiers van hem zei: Singulière destinée de cet homme prodigieux, le plus grand écrivain de son temps, tandis qu'il en était le plus grand capitaine, le plus grand législateur, le plus grand administrateur! La nation lui ayant, dans un jour de fatigue, abandonné le soin de vouloir, d'ordonner, de penser pour tous, lui avait en quelque sorte, par le même privilège, concédé le don de parler, d'écrire mieux que tous. (Histoire du Consulat et de l'Empire, 1845-62, volume 2, pp.451-2). Ik vond deze verwijzing in het werkje dat hiernaast staat afgebeeld.
Sainte-Beuve was al even enthousiast. Hij maakt de vergelijking met Blaise Pascal, en zegt: “Napoléon, quand il écrit, est la simplicité même [...]. Il a l'à-propos grandiose [...] [du] grand style du moderne César, à ce style où dominent dans une forme brève la pensée et la volonté (imperatoria brevitas), et où l'imagination se fait jour par éclairs”.

In zijn jonge jaren schreef Napoleon, naast enkele verhandelingen over het geluk en de liefde, ook nog een kort, half autobiografisch liefdeshistorietje, Clisson et Eugénie, maar of Stendhal dat als voorbeeld zou hebben genomen betwijfel ik want het is een pastorale vertelling die nog sterk XVIIIde E.'s aandoet, met meisjes aux dents d'ivoire, die handen hebben où le bleuté des veines contrastait avec la blancheur de la peau.
De jonge militair schreef het nadat zijn relatie met zekere schone, Eugénie Désirée Clary was bekoeld. De protagonist, “né pour la guerre”, komt om het leven: [Clisson] en toute diligence se mit à la tête d'un escadron, se jeta tête baissée dans la mêlée, là qu'il vit la victoire décidée, et il expira percé de mille coups.
Hij zocht het geluk op aarde, maar vond slechts de glorie, schrijft de toekomstige keizer.

Émilie Barthet en Peter Hicks gaven bij Fayard de tekst van zijn manuscript prachtig uit, definitief mag men zeggen, en het manuscript zelf is hier te zien.
.
Napoléon Bonaparte
Clisson et Eugénie
Texte et commentaires établis
d’après des documents inédits par
Émilie Barthet et Peter Hicks
Essai de Gérard Gengembre
Librairie Arthème Fayard, 2007



Boekbespreking op Radio1

(VRT, 8 mei 2009, bij "Feyten of Fillet")

Jacques Marie Gaston Onfray de Breville: Napoléon à Brienne


21 juli 2008

Frans leren is niet gemakkelijk !

.
Mijn meeste blogs zet ik ook op de site van In Flanders Fields. .Zoals mijn bedenking rond Richard Miller, hieronder. Er kwamen daar nogal wat reacties, en ik antwoordde aan een lezer:

ik moet er eens werk van maken om alles wat Casanova over de Fransen en de Franse taal heeft gezegd te verzamelen ...maar de man schreef duizenden bladzijden, en al lees ik altijd met een potlood in de hand (anders kan ik zelfs niet echt lezen) het blijft een heel werk. Ja, Casanova schreef zijn belangrijkste werk in het Frans, en wel zodanig dat Stendhal vond dat, naast dat van de Code Civil, zijn Frans het beste was dat er geschreven was ...ook al verscheen er heel soms een italianisme, zoals hierboven de la Florentine ipv que.
Waarop weer een andere lezer reageerde:
Nou breekt mijn klomp! Ik heb altijd gedacht dat het Frans van Casanova vol fouten stond (hij heeft wellicht een goede "redacteur" gehad). Het voorbeeld dat ik mij herinner is volgende passage: Casanova schreef: "pour juger de la beauté d'une femme, j'écarte ses jambes". En hij wilde hier helemaal niet dubbelzinnig zijn. Het was gewoon het gevolg van een gebrekkige kennis van het Frans.
Dat is echter een misvatting: Casanova heeft helemaal geen redacteur gehad, en in zijn autobiografie Histoire de ma Vie, die hij natuurlijk op latere leeftijd schreef, vertelt hij over de problemen die hij met het Frans had, toen hij voor het eerst in Parijs arriveerde: La langue française est la sœur bien-aimée de la mienne ; je l'habille souvent à l'italienne.

Tijdens zijn leven werd zijn handschrift trouwens niet uitgegeven. Te delicaat. Casanova was wél zijn eigen redacteur, en hij heeft grote stukken van zijn handschrift herschreven, veel geschrapt en toegevoegd, en daar gaan onze uitgaven op terug. De accuratesse van Casanovas herinneringen is ronduit verbluffend, en vaak perfect controleerbaar.
Het werk bestaat uit twaalf volumes, en in het derde gaf hij deze ondertitel aan hoofdstuk IX :
Mes balourdises dans la langue française, mes succès, mes nombreuses connaissances. Louis XV. Mon frère arrive à Paris.
Volgend tafereel speelt in de Parijse Opera, en hij is op dat moment pas drieëntwintig.

[…] c’était une musique de Lulli. J’étais assis dans le parquet, précisément au-dessous de la loge où se trouvait Madame de Pompadour, que je ne connaissais pas. À la première scène voilà la fameuse
le Maur qui sort de la coulisse, et qui au second vers fait un cri si fort et si inattendu que je l’ai cru devenue folle; je fais un petit éclat de rire de très bonne foi ne m’imaginant jamais qu’on pourrait le trouver mauvais. Un cordon bleu* qui était auprès de la marquise me demande sec de quel pays je suis, et je lui réponds sec que j’étais de Venise.

– Lorsque j’ai été à Venise j’ai aussi beaucoup ri au récitatif de vos opéras.
– Je le crois, monsieur, et je suis aussi sûr que personne ne s’est avisé de vous empêcher de rire.
.Ma réponse un peu verte fit rire Madame de Pompadour, qui me demanda si j’étais vraiment de là-bas.
– D’où donc?
– De Venise.
– Venise, Madame, n’est pas là-bas; elle est là-haut.
On trouve cette réponse plus singulière que la première, et voilà toute la loge qui fait une consultation pour savoir si Venise était là-bas, ou là-haut. On trouva apparemment que j’avais raison, et on ne m’attaqua plus. J’écoutais l’opéra sans rire, et comme j’étais enrhumé, je me mouchais trop souvent. Le même cordon bleu, que je ne connaissais pas, et qui était le maréchal de Richelieu, me dit qu’apparemment les fenêtres de ma chambre n’étaient pas bien fermées.
– Demande pardon monsieur; elles sont même calfoutrées.
. On rit alors beaucoup, et j’en fus mortifié parce que je me suis aperçu que j’avais mal prononcé le mot calfeutrées. J’avais l’air tout humilié. Une demi-heure après M. de Richelieu me demande laquelle des deux actrices me plaisait davantage pour la beauté.
– Celle-là.
– Elle a des vilaines jambes.
– On ne les voit pas, monsieur, et après, dans l’examen de la beauté d’une femme la première chose que j’écarte sont les jambes.
. Ce bon mot-là dit par hasard, et dont je ne connaissais pas la force, me rendit respectable et fit devenir la compagnie de la loge curieuse de moi. Le maréchal sut qui j’étais, de M. Morosini même, qui me dit que je lui ferais plaisir à lui faire ma cour. Mon bon mot devint fameux, et le maréchal de Richelieu me fit un accueil gracieux. Celui des ministres étrangers auquel je me suis attaché le plus fut milord maréchal d’Écosse Keit, qui l’était du roi de Prusse. J’aurai occasion de parler de lui. […]



Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Suivie de textes inédits
Volume 3 – Chapitre IX
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Robert Laffont, 1993, 2002, pp.586-7

Deze prachtige scène deed mij nog denken aan een passage bij Heinrich Heine, bewonderaar van Casanova,** die het in zijn Ideen. Das Buch Legrand, Kapitel VII, ook heeft over de moeilijkheden bij de studie van het Frans. De kleine Harry-Henri-Heinrich liep school in Düsseldorf en vertelt hoe het in de les toeging:

[…] ich erinnere mich noch so gut, als wäre es erst gestern geschehen, daß ich durch la religion viel Unannehmlichkeiten erfahren. Wohl sechsmal erging an mich die Frage: »Henri, wie heißt der Glaube auf französisch?« Und sechsmal und immer weinerlicher antwortete ich: »Das heißt le crédit«. Und beim siebenten Male, kirschbraun im Gesichte, rief der wütende Examinator: »Er heißt la religion« – und es regnete Prügel, und alle Kameraden lachten. Madame! seit der Zeit kann ich das Wort religion nicht erwähnen hören, ohne daß mein Rücken blaß vor Schrecken und meine Wange rot vor Scham wird. Und ehrlich gestanden, le crédit hat mir im Leben mehr genützt als la religion –

[…] ik herinner mij nog zo goed, als was het gisteren voorgevallen, dat ik door la religion een hoop onaangenaamheden heb meegemaakt. Wel zes keer kreeg ik de vraag: “Henri, hoe zegt men geloof in het Frans?” En zes keer, alsmaar meer in tranen, antwoordde ik: “Dat is le crédit.” En de zevende keer, donkerrood aangelopen als een kers, riep de woedende examinator: “Het is la religion” — en het regende stokslagen, en alle kameraden lachten. Madame! sedert die tijd kan ik van dat woord religie niet meer horen, zonder dat mijn rug bleek van schrik en mijn wangen rood van schaamte worden. Een eerlijk toegegeven, le crédit is mij in het leven meer van nut geweest dan la religion –
___________
  * Cordon bleu : un chevalier du Saint-Esprit ; ordre crée par Henri III roi de France […]
** In zijn "Briefe aus Berlin" (1822) schrijft hij: Es ist keine Zeile in diesem Buche, die mit meinen Gefühle übereinstimmte, aber auch keine Zeile, die ich nicht mit Vergnügen gelesen hätte. [er staat in dat boek geen regel die met mijn gevoel zou overeenstemmen, maar ook weer geen regel die ik niet met plezier gelezen zou hebben]
Over Heines eigen verhaal schreef Ludwig Marcuse nog:
Und Harry gab schon in jungen Jahren auf die Frage: wie heißt der Glaube auf französisch? die echte Rothschild-Antwort: le crédit!
Heinrich Heine in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten
Rowohlts Monographien, 1960, S.17

19 juli 2008

Een slag van de molen gehad

.

In een interview met Knack (25 juni) trachtte Rudy Demotte (PS) onlangs het “minderwaardigheidscomplex” van de Vlamingen te verklaren. Demotte zegde dat Vlaanderen “veel meer openheid aan de dag moet leggen”, maar verklaarde toch geschokt te zijn door het verkeerde beeld dat veel Franstaligen van Vlaanderen hebben: “Onlangs werd ik door Richard Miller (MR) in het parlement van de Franse Gemeenschap geïnterpelleerd met de vraag of het Frans toch niet per definitie een open taal is, die haast spontaan leidt tot een tolerante levenshouding, terwijl het Nederlands - die gesloten Germaanse taal! - per definitie een bekrompen wereldbeeld zou opleveren.”

Het interview met Demotte in Knack was mij ontgaan, en ik las dit paragraafje pas gisteren op de site van het Belang, onder de titel: "Franse taal superieur?".

Het spreekt dat ik enthousiast ben over wat die Richard Miller daar vertelt, want de superioriteit van één taal over een andere mag dan geen nieuw onderwerp zijn – tenslotte keken ontwikkelde Romeinen al neer op mensen die geen Grieks spraken, en keken daarvoor de Grieken zelf al neer op wat barbaren brabbelden – het doet altijd plezier als een of andere simpele duif er weer zo fris mee uitpakt als hier Miller.

Wat ik me wel afvraag, is of die Miller niet het gevaar loopt extra in de gaten te worden gehouden door Jozef De Witte en zijn anti-racismebrigade? Al kan de arme Jozef in dit geval Richard niet veel maken, want die is als parlementslid onschendbaar, en zijn onschendbaarheid heeft hij zelfs niet nodig aangezien zelfingenomenheid al volstaat om iemand van de buitenwereld af te schermen.

Maar om onder verstandige mensen verder te gaan: over de Franse taal had in zijn tijd ook de elegante Casanova een klein theorietje. Casanova is een Venitiaan zoals wij weten, maar hier spreekt hij over de Toscanen, en daarna over de Fransen met hun “open taal”.
Voor de gesloten Germanen onder ons, laat ik een vertaling van eigen maaksel volgen.

Je crois qu'un Toscan peut plus facilement écrire en beau langage poétique qu'un Italien d'une autre province, puisqu'il possède dès sa naissance la belle langue, et celle qu'on parle à Sienne est mignarde, plus abondante, plus gracieuse et plus énergétique de la florentine malgré qu'elle prétende la préférence, et qu'elle la possède effectivement à cause de sa pureté, qu'elle doit à son académie comme elle lui doit sa richesse, d'où vient que nous traitons les matières beaucoup plus éloquemment que les Français, ayant à notre choix une quantité de synonymes; tandis que difficilement on en trouverait une douzaine dans la langue de Voltaire, qui riait de ceux entre ses compatriotes qui disaient qu'il n'était pas vrai que la langue française fût pauvre puisqu'elle avait tous les mots qui lui étaient nécessaires. Celui qui n'a que ce qui lui est nécessaire est pauvre; et l'obstination de l'Académie Française à ne point vouloir adopter des mots étrangers ne démontre autre chose, sinon que l'orgueil va avec la pauvreté. Nous poursuivons à prendre des langues étrangères tous les mots qui nous plaisent; nous aimons à devenir toujours plus riches; nous trouvons même du plaisir à voler le pauvre: c'est le caractère du riche.
Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
suivie de textes inédits
Volume 11 – Chapitre VII
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Éditions Robert Laffont, 1993, 2002, pp. 763-4


Ik geloof dat een Toscaan met meer gemak in een mooie poëtische taal kan schrijven dan een Italiaan van een andere provincie, omdat hij van bij zijn geboorte al beschikt over die sierlijke manier van spreken, en de taal die men in Siena spreekt is werkelijk schattig en overvloediger, gracieuzer, energieker dan de Florentijnse, al eist deze de eerste plaats op en bezit zij die wel degelijk, ook vanwege haar puurheid die ze aan haar Academie te danken heeft, net als haar rijkdom. Zo komt het dat wij om het even welk onderwerp veel welsprekender behandelen dan de Fransen, wij hebben immers een overvloed van synoniemen ter beschikking; terwijl je er met moeite een dozijn zult aantreffen in de taal van Voltaire, die spotte met diegenen onder zijn landgenoten die zegden dat het niet waar was dat de Franse taal arm was, want tenslotte bezat zij alle woorden waar zij nood aan had.
Hij die enkel bezit wat hij nodig heeft is arm. En de koppigheid van de Académie Française om geen vreemde woorden te willen adopteren, bewijst niets anders dan dat armoede rijmt met trots. Wij gaan door met het inpikken uit vreemde talen van alle woorden die ons bevallen; wij worden graag rijker en rijker; zelfs vinden wij er plezier in om de arme te bestelen: zo zit de rijkaard ineen.
.

15 juli 2008

Een eerbaar man

.

.Ik had mijn twijfels bij hem, maar met het aanbieden van het ontslag van zijn regering (die nooit een regering is geweest, laten we wel wezen), .heeft Yves Leterme een daad gesteld die in de Belgische geschiedenis haar voorgaande niet heeft.
Chapeau!
En mijn innig medeleven aan:
.citoyen Albert Coburg.
.

13 juli 2008

Le grand écart

.
Je hoort wel eens verkondigen dat onze Vlaamse journalisten te slaafs en te braaf zijn, en dat ze daarom minder en minder gelezen worden. Voor die stelling zijn argumenten te vinden, maar mij lijkt de grootste kwaal niet de hondse braafheid, maar eerder een eigenschap die in het dagelijks leven gunstig staat aangeschreven, namelijk een zekere luchthartigheid of onbekommerdheid.
Neem nu de verslaggeving over die uraniumlozing in Tricastin.
Jorn De Cock meldt daarover in de Kwaliteitskrant dat hij in een Franse krant heeft gelezen dat er ook vóór het incident met het radioactief water al rapporten waren die wezen op mankementen in de bewuste centrale.

Zo meldde de krant La Provence gisteren dat een rapport van de ASN al in mei 2007 had gewaarschuwd dat de uitbater van de kerncentrale, Socatri, de afvoerkanalen dringend moest vervangen omdat er herhaaldelijk lekken en 'dwalingen' werden vastgesteld.

Nu vond ik de term dwalingen direct verdacht. Hij past eerder bij de theologie dan bij de kernfysica vond ik. .Ketters dwalen.
Jorn gebruikt ook aanhalingstekens, weliswaar niet om iets aan te halen, maar om te laten zien dat hij zich niet helemaal zeker voelt. Dat is mooi en eerlijk van hem, want wellicht kon hij niet direct een woordenboek opslaan, of raad vragen aan een collega die het Frans goed beheerst.
Blijft dat wij Standaardlezers graag dat oorspronkelijke Franse woordje willen vernemen.

In de krant die Jorn noemt, La Provence dus, heb ik een aantal artikelen gelezen, en ik zocht eerst nog of ik bijvoorbeeld “égarement” of “errance” of iets dergelijks zou aantreffen, maar het woord dat hem tot zijn aanhalingstekens heeft genoopt, moet geloof ik “écart” zijn.
En voorzeker, in de theologie is een afwijking van het rechte pad, un écart du droit chemin, zonder enige twijfel een dwaling. Wij mogen hier denken aan de vele dwalingen waar de Transsubstantiatie aanleiding toe heeft gegeven.
Maar, al doen uitbaters van een kerncentrale in enge zin ook aan transsubstantiatie, mij lijkt de betere vertaling in dit geval toch: afwijking van de norm, (bewuste) normoverschrijding, overtreding, eventueel zelfs foute procedure.
.
“La Provence” révèle que la Socatri, responsable des
rejets avait été avertie pour ses “écarts répétés”.

.

6 juli 2008

Wat moeten wij onder "fobie" verstaan?

.

.
Wat is islamofobie ?
Gideon Böss, blogger

En alweer had de islamofobie de boter gegeten. Privé-gesprek, televisie of internet, het maakt niet uit, dat woord staat hoog genoteerd. Elkeen die zich geroepen voelt om de islam te verdedigen, en even geen passend argument bij de hand heeft, roept uit : “Dat is toch volslagen islamofoob!” Het zal nog niet vaak vertoond zijn dat een term een dergelijke zegetocht aflegde, terwijl hij hoogstens voor miskleun van het jaar kon deugen. Politici en integratiedeskundigen hebben hem als kooswoordje ontdekt. Hij roept iets op van antiracisme, en tegelijk van verweer tegen verstokte reactionairen. Komt nog bij, vertellen ons de islamofobie-experten: wie tegen antisemitisme is, is noodzakelijk ook tegen islamofobie, want die twee gelijken toch verschrikkelijk op elkaar!
Maar wat mag die islamofobie dan wel zijn? In geen geval een verbasterd antisemitisme, gericht tegen moslims dit keer. Neen, heel iets anders is het, en wel een dwaas en leeg begrip, dat de discussie belet, of in de weg staat, over de verschrikking die in naam van de islam al jarenlang over de wereld gaat. Onder die vuilnisbakterm lijkt alles wel terecht te komen, dat zich over de uitwerkingen van de Religie van de Vrede negatief uitlaat.
En waar precies zullen wij het over islamofobie hebben? Ben ik al islamofoob als ik in de luchthaven een groep jonge moslims eerder in staat zou achten tot een terreuraanslag dan een groep jonge padvinders? Of als iemand er op wijst dat het geweld van jongeren in de eerste plaats het geweld van moslimjongeren is? Is de waarheid dan zelf islamofoob? En waarom toch wordt zo vaak de directe band tussen terreur en islam geloochend? Natuurlijk verbind ik islam met terreur. Dat is ook de enige grond van relevantie die deze religie voor mij kan hebben. Waarom zou zij mij voor de rest interesseren? Tenslotte kan ook de Brad Pitt-fanclub mij maar interesseren vanaf het moment dat er te vrezen valt dat zijn leden mij de lucht in willen blazen. Zodra er in naam van de islam geen terreur meer wordt bedreven, verbind ik hem ook niet meer met terreur. Ik vermoed dat velen er net zo over denken, en zulke instelling kun je islamofoob noemen, maar dan kies je voor een misvatting.
Theoretisch is het wellicht mogelijk dat slechts een kleine minderheid van de moslims terreur goedkeurt (wat ik niet geloof), en zelfs kan het zijn, dat op de keper beschouwd de islam een fascinerende religie is (wat ik niet geloof), en wat ook kan zijn is dat de ware islam zich per slot als een waarlijk fantastische happening ontpopt (wat ik niet geloof), alleen, het kan mij geen ene moer schelen. Mijn recht op desinteresse, daar maak ik aanspraak op, en ik ben al lang blij als het moorden in naam van Allah een eind neemt. Dat lijkt mij geen overdreven eis.
Islamofobie bestaat niet. Er bestaat racisme, en xenofobie, en dat is al erg genoeg, maar als burger van een liberale democratie (en als de islam ter sprake komt, dan mag dat als argument dienen) voel ik mij beledigd, als er beweerd wordt dat hier aan de grondrechten van miljoenen mensen zou worden geraakt, eenvoudigweg omdat het moslims zijn.
Over geen enkele religie wordt hier zo fair, respectievelijk vergoelijkend bericht: nauwelijks een moment nadat alweer een gelovige moslim zich op een markt de lucht heeft ingeblazen, staat er al een expert klaar om te zeggen dat de islam zulke dingen eigenlijk verbiedt, en overigens hebben toch de Arabieren de antieke wetenschap bewaard, toen in het middeleeuwse Europa het Licht uitging, hetgeen weliswaar geen van de slachtoffers van de zelfmoordaanslag weer levend kan maken, maar daarom niet minder gezegd mag worden.
Typisch voor een islamofobe samenleving is overigens de eerlijke interesse die zij voor de islam vertoont. In Duitse boekhandels liggen er ontelbare werken over deze religie (in Egypte gaf het zelfs schandaal dat er, naar verluidde drie boeken lagen die in het Hebreeuws gesteld waren), en voortdurend wordt het onderscheid gemaakt tussen slechte islamisten en goede moslims, en wordt vermeld hoe gelijkend jodendom, christendom en islam wel zijn.
Daarom mijn tegenvoorstel: als we dan toch overtrokken begrippen willen gebruiken, dan ben ik er voor om islamofobie door islamofilie te vervangen. Motivering: brede interesse voor de islam, die in boeken, films, documentaires en discussieforums tot uiting komt. In geval van twijfel zijn de Duitsers eerder islamofiel dan islamofoob, maar in werkelijkheid noch het een noch het ander.

_______________

Noot: al kan ik deze Duitse blogger heel goed volgen, en geef ik hem groot gelijk, toch lijkt er voor de term fobie nog wel enige rechtvaardiging te vinden. Natuurlijk niet als hij gebruikt wordt zoals de mohammedanen zelf hem gemeenlijk aanwenden, met in hun zog onze naïeve politici – en met in hun gevolg weer de stoet van dwergen, knechten en lakeien van de pers, en vanzelfsprekend van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding. Zoals zij de term fobie gebruiken is hij onverdedigbaar, wat Gideon Böss mooi schreef.

Niet echter als we hem begrijpen zoals Aristoteles in zijn Ethica Nicomachea III, 6 :

We hebben reeds gezien dat moed een midden is inzake gevoelens van angst en overmoed. Nu is het duidelijk dat we bang zijn voor die dingen die angstaanjagend zijn, en dat zijn, absoluut gesproken, slechte dingen. Daarom definieert men angst ook als verwachting van iets slechts. Welnu, we zijn bang voor alles wat slecht is, zoals voor een slechte reputatie, armoede, ziekte, gebrek aan vrienden en de dood, maar men neemt aan dat wie moedig is niet met alles van doen heeft. Er zijn namelijk dingen waarvoor het gepast en moreel juist is bang te zijn en waarvan het schandelijk is er niet bang voor te zijn, zoals voor een slechte reputatie. [...] Wellicht moeten we niet bang zijn voor armoede of ziekte, of in het algemeen voor alles wat niet het resultaat is van morele slechtheid en waarvoor de handelende persoon niet zelf verantwoordelijk is. Wie echter geen angst voor deze dingen koestert, is nog niet moedig – hoewel we ook hem zo noemen doordat hij lijkt op iemand met moed. Sommige mensen betonen zich namelijk wel laf in de gevaren van de oorlog, maar ze zijn vrijgevig en wanneer ze geconfronteerd worden met verlies van geld, zijn ze vol goede moed. Het is dus ook niet zo dat iemand een lafaard is, als hij bang is voor geweldpleging jegens zijn vrouw en kinderen of voor afgunst of iets dergelijks; hij is net zomin moedig, als hij onverschrokken is bij het vooruitzicht te worden gegeseld.

Vertaling: Charles Hupperts en Bartel Poortman
2005, Uitgeverij DAMON Budel
.

23 juni 2008

Als onze kranten zwijgen, dan La Dernière Heure

.


Lola, 21 jaar, werd door twee mannen overvallen. Pendelaars zagen het, maar reageerden niet.
Sint Gillis. Tot ons spreekt een verontwaardigde, verscheurde en geschandaliseerde vader. “Mijn dochter werd verkracht in het Zuidstation. In Brussel. De hoofdstad van Europa. En volslagen straffeloos.”
We zijn 12 juni. “Mijn dochter kwam terug van Waterloo. Negen uur in de avond. Toen ze de trein uitstapte, ging ze naar Bancontact. Een plek waar volk voorbijkomt. Nochtans is het daar dat het drama is gebeurd.
“Midden in een station. Hoe is zoiets mogelijk?”, gaat de papa van de éénentwintigjarige Lola verder. “Twee man hebben haar verweten dat ze geen hoofddoek droeg. Mijn dochter is mooi. Ze is blond met blauwe ogen.”
Daarna ging het snel allemaal. “Eén van de aanvallers haalde een mes tevoorschijn. Mijn dochter werd tegen de wand van de Bancontact gedrukt. Met het mes op haar keel werd ze door één van de kerels verkracht. De andere keek toe.”
Het was negen uur. Buiten is het nog licht en het station is op verre na niet leeg. “Er passeerden mensen. Mijn dochter weet zeker dat ze minstens drie mensen heeft gezien. Geen van hen maakte halt om haar te redden.”
Als de verkrachting voorbij was zijn de aanvallers in alle rust verdwenen. “Het waren twee Noord-Afrikanen. Ze hadden zich niet eens vermomd. En vertel mij niet dat ik een racist ben als ik je vertel waar ze vandaan kwamen! Mijn dochter werd verkracht omdat zij geen hoofddoek droeg. Zo is dat!”
Lola is naar een vriendin gevlucht. “Moet ik je vertellen in wat voor toestand zij was?” Een paar minuten later werd de jonge vrouw in het ziekenhuis opgenomen.
Vanzelfsprekend is er klacht ingediend. “De mensen van de politie waren zeer professioneel. Op de kleren werd beslag gelegd, en er werden DNA-stalen genomen.”
Maar helaas, de schuldigen zijn nog op vrije voeten… “In de nasleep van de dood van Joe Van Holsbeeck heeft men bij hoog en laag uitgeroepen dat er in de stations meer veiligheid zou komen. Het bewijs is er nu, met mijn dochter, dat er niets is veranderd. Camera’s op alle plekken in het Zuidstation zijn er niet, nochtans één van de drukste stations.”
Marc is bitter. “Ik heb mijn buik vol van dat België, waar werkelijk àlles kan. Zones van wetteloosheid, die zomaar worden overgelaten aan jongeren op drift. Die verkrachters wilden maar één ding: mijn dochter misbruiken, haar bezitten en vernederen, omdat zij niet was zoals zij denken dat jonge vrouwen moeten zijn… Het is een schande.”

Emmanuelle Praet
La Dernière Heure, 20/6/2008
.
_______________

P.S. blijkbaar had De Standaard op zijn Brabantse regionale bladzijden zaterdag, dan toch een verslagje. Zulke discretie zorgt er natuurlijk voor dat 99% van de Vlamingen niéts zullen vernemen.
.

18 juni 2008

Is hier sprake van logorroe, of van logoclonie? *

.
Sans être tout à fait un imbécil’ fini,
je n'ai rien du penseur, du phénix, du génie...

–
zo zong vijfentwintig jaar geleden de grote bard Brassens, op een postume LP.
Het bleef een van zijn minder bekende liedjes en de titel, Quand les cons sont braves, zal weinigen nog iets zeggen. Op straat heb ik het nooit iemand horen nazingen, en ik vermoed dat zelfs mensen die van hun beroep niets anders doen dan liedjes nazingen, zoals journalisten en politicologen, deze tekst niet in hun hoofd zullen hebben.
Niet dat zij geen liedjes meer zingen: Dave Sinardet bijvoorbeeld vandaag nog in De Standaard zong het lied der Lasagne-nationaliteit – een wat afgezaagde anti-identitaire protestsong. Niemand is exclusief Vlaming, zegt de tekst, of enkel Belg, of Gentenaar, of voetbalsupporter, of huisvader of sportvisser. Iedereen is vele dingen tegelijk en achtereenvolgens. Nu eens valt de klemtoon op het sportvisserschap, een moment later alweer op het Belg-zijn.

De Oude Belgen al mogen bij zulke wijsheden hun schouders hebben opgehaald: deze waarheid wordt niettemin door de politicologie voortdurend opgediend als betrof het een belangwekkend nieuw inzicht.
Dat overigens in zijn ijver Sinardet de tekst van het Lasagnelied aan zijn Standaardcollega Reynebeau toeschrijft, lijkt mij niet zo erg. Aan een Franstalige zal veel vergeven worden. Velen van mijn Gentse klasgenootjes lang geleden geloofden, louter omdat zij van het bestaan van Elvis en consorten nog niet op de hoogte waren, dat Johnny Hallyday, Eddy Mitchell en Richard Anthony originele zangers waren. Dat is trouwens geen voorrecht van Franstaligen: er zullen ook Vlamingen zijn die Que Sera Sera aan Jo Leemans toeschrijven. Eigenlijk is het voor hemzelf wel goed dat Sinardet niet weet waar Reynebeau zijn mosterd heeft gehaald, want kennis levert niet altijd geluk op.
Ach, zo'n Sinardet heeft eenvoudig geen benul van identiteit, ook al komt het woord “ik” vijftien keer voor in zijn kolommetje. Hij wenst dat onderwerp enkel te ridiculiseren, ziet het belang er niet van in. Zo beweert Dave sinjoor te zijn, omdat hij in Antwerpen geboren is. Goed, maar sinds kort mag Dave zijn wetenschappelijke wijsheden ook in Brussel verkondigen, aan de Facultés Universitaires Saint-Louis. Dus, meent hij, is hij soms ook een ketje. Zo gaat het wel snel.
Ernstige denkers – niet noodzakelijk politicologen – lopen aan dingen als identiteit niet zo vlug voorbij.
Marcel Reich-Ranicki bijvoorbeeld haalt instemmend de auteur Walser aan:

Von Martin Walser stammt die Formulierung die den Sachverhalt haarscharf trifft: “Heine brachte es in seinem Leben zu zwei Identitäten: zu der eines deutschen Dichters und zu der eines Juden. Aber zwei Identitäten, das ist weniger als eine.”

[Van Martin Walser stamt de formulering die haarscherp zegt waar het op staat: “Heine verwierf in de loop van zijn leven twee identiteiten: die van Duitse dichter, en die van jood. Maar twee identiteiten, dat is minder dan één."]


in: Die Anwälte der Literatur (DTV, 1996, S.104)
______________

* Nu wij gelezen hebben dat de Oude Talen weer wat aantrekken bij het publiek, mogen er al eens moeilijkere woorden vallen. Ik verklaar ze, ten behoeve van Sinardet, toch even: LOGORRHÉE: Bavardage intarissable et oiseux; besoin irrésistible de parler, observé particulièrement dans les états d'excitation de certaines affections mentales. (onstuitbaar leeg gelul; spreekdwang, inzonderheid in toestanden van opwinding bij zekere mentale aandoeningen; van λόγος woord, en ῥέϖ, vloeien). LOGOCLONIE: Répétition spasmodique de la même syllabe. (spasmodisch repeteren van één lettergreep; van κλόνος, verwarde beweging, gedrang, tumult).
.

8 juni 2008

Hij herkent zijn land niet meer

.
Voor de Belgische Staat is het beroerd dat zijn laatste verdedigers al te vaak schertsfiguren zijn. De Kwaliteitskrant anderzijds mag het zich als een verdienste rekenen dat hij deze figuren toch nog een tribune geeft. Vrije meningsuiting is bij hen geen ijdel woord, en Tony Mary is nu de jongste in hun rijtje.
U herinnert zich hem nog wel, de wonderboy die Dirk Van Mechelen in geen tijd met een gouden greep uit zijn rijk gevulde buidel grabbelde, en aan het hoofd van de Publieke Omroep plaatste.

Niemand die tot kort daarvoor op de hoogte was van het bestaan van dit gedegen goudklompje, maar al bij zijn eerste personeels-speech werd dat anders. Tony sprak daar een waar woord.
“Dees is maan laatste job” vertelde hij ter geruststelling aan de personeelsleden – want velen onder hen hadden ondertussen gelezen dat de man die voor hen stond een zogenaamde job hopper was die het in de grote managementswereld maar voor het uitkiezen had, en die zij bijgevolg snel weer kwijt konden raken.

Natuurlijk, zijn taalgebruik was – ik zal niet zeggen vulgair, maar toch eerder volks, of licht substandard, ondermaats te noemen, en dat deed enkelen de wenkbrauwen fronsen.

Maar kort daarop viel Tony uit een boom –of van een muurtje, dat weet ik niet meer– bij een soort bedrijfs-bosspel voor een goed doel, waarin hij zijn jovialiteit en fysieke fitheid wilde demonstreren. Tony brak daarbij iets, of hij scheurde iets en was voor enige tijd out zoals dat heet.
Zijn brein was bij die val gelukkig intact gebleven, en zijn affairistisch instinct ook, en zo kon Tony aan zijn kleermaker –Bishop Tailors van Molenbeek– nog een dienst bewijzen door in een Brusselse reclamefolder diens kostuums aan te prijzen.

In zijn nieuwe hoedanigheid van CEO van de VRT, kon hij zich geen betere kleermaker voorstellen lazen we. Zijn tijd was kostbaar, want hij werkte zeven dagen op zeven, en vierentwintig uur per dag, maar ze hadden daar bij Bishop op een klein papiertje zijn lichaamsmaten opgeschreven, en als Tony nog maar een stofje uitkoos leverden zij hem op de tijd van twee-drie dagen zijn gerief.

Nu was er geen mens die dacht dat Tony in ruil voor deze dienst eventueel een klein kostuumpje had gekregen, maar toch hadden velen het gevoel dat onze nieuwe man hier bakens poogde te verzetten, of misschien al een brug te ver was gegaan. Hijzelf vond dat bij nader inzien ook –flexibiliteit!– en per mail verontschuldigde Tony zich bij het voltallige personeel voor zijn onbeschaamdheid, tegelijk de belofte doend dat hij voortaan nóg beter zou inschatten wat de vereisten waren van zijn functie.
Al doende leert men, en fatsoensnormen zullen bij het headhunters-bureau dat hem aan de Omroep had weten te verkopen wellicht niet de eerste vereiste zijn geweest. Vervelend gevolg, zowel van die speech als van die reclamestunt, was toch dat er een bepaald parfum, zelfs een luchtje rond Tony was gaan zweven en in een culturele instelling was dat voor vele personeelsleden even wennen.

Om nu te bewijzen dat hij niet van de straat kwam, maar wel degelijk een golden nugget was, een blinkende pepita, gezeefd uit de droesem van de managementswereld, begon Tony een bescheiden cultureel offensiefje.
Hij moet al snel tot het besef zijn gekomen dat het veelvuldig gebruik van woorden als “uitdaging”, “opportuniteit”, “cross-mediaal” en dergelijke, weinig indruk maakte in zijn nieuw environment, en geenszins volstond om zijn blazoen op te poetsen.
Hij gaf zijn mails nu graag een culturele toets mee, en het is allemaal menselijk en begrijpelijk maar Tony beging hierbij meteen een onvoorzichtigheid door een van die mails te besluiten met een verdacht citaat – hij dacht, afkomstig van Aristoteles.

Ik voelde mij direct geroepen om een antwoordje te schrijven, en dat werd toen nog lacherig besproken in de hoogste organen van het bedrijf. Het is maar een fait-divers, en ik geef het in bijlage.
Goed, onze man verdween al met al nog snel, weliswaar met zijn zakken goed gevuld en met achterlating van enige schade maar, op zijn Brussels gezegd: bon débarras.

Blijven wij, eenvoudige zielen, met de vraag hoe het zover was kunnen komen dat Van Mechelen die nobele onbekende heeft willen aanstellen?
Voor een antwoord hierop, moeten wij een breder tijdskader schilderen, namelijk dat van het toentertijd zo dynamische paarsgroene ploegje.
Bert De Graeve had plots aangekondigd dat hij naar Bekaert wilde, en de man moest snel en kordaat vervangen worden, want bij het brede publiek lag nog vers in het geheugen hoe, ter vervanging van Schouppe, de regering Verhofstadt zich belachelijk had gemaakt met de benoeming bij de NMBS van Christian Heinzmann, van Luxair. Die Heinzmann was na een kleine week alweer naar Luxemburg vertrokken, en Isabelle Durant moest daarop in het Parlement nog hard liegen, over een brief die wel of niet in haar sacoche had gezeten.
De kwestie raakte uiteindelijk, na uitgebreid passen en meten nog gelukkig opgelost, want tot ieders tevredenheid werd Haek.stevig vastgemetseld bij het Spoor. Toch beseften de excellenties dat het met de vervanging van De Graeve wat vlotter mocht verlopen, en zij vervielen prompt in het andere uiterste. En zo werd het oude spreekwoord nogmaals bewaarheid: Haast en spoed, zelden goed!

Maar we mogen Tony niet zomaar achterlaten. Deze man herkent zijn land niet meer, op zich dramatisch, maar als hij daar belangstelling voor heeft, dan wil ik hem –in een consult waarvan de prijs zal meevallen– nog wel enkele zaken opnoemen die hij nooit heeft gekend, laat staan herkend.

17 mei 2008

De beste pennen schrijven voor De Morgen

.
...dat beweren ze toch bij De Morgen, maar je hoort die bewering nooit van andere journalisten. Jalousie zal hier ongetwijfeld een rol spelen, maar toch geloof ik dat er, zoals men zegt, méér is. Tenslotte hoor je ook nooit een gewone mens die dat beweert.

Waarom ik over De Morgen begin? Wel, enigszins tot mijn ergernis stond er in De Standaard vandaag zo goed als niets dat mijn ergernis kon wekken. Het brinkmannetje daargelaten natuurlijk, maar zijn kwantitatieve beschouwingen over vrouwen in de politiek liet ik al na drie-vier regels met rust.
Ter compensatie las ik Ruud Goossens, chef politiek van De Morgen.
Ruud Goossens (p.24) vertelt wel de gebruikelijke psychologiserende journalistenpraat over Leterme, die een knoeier is, maar hij zegt ook dat de CVP al een opvolger heeft gereedstaan, namelijk Kris Peeters. En dat de enige vraag is, of deze opvolger wel de ambitie heeft om ooit n°16 te betrekken.
Afgaand op het speelse fotootje boven zijn artikel, hebben wij hier te maken met een nog jonge chef politiek, en dan is dat geen slechte analyse. De inhoud mag alvast een vijf of een zes krijgen. Enkel de stijl, en soms de woordenschat moeten nog beter.
Ander goed punt: een duidelijk beeld van zijn doelpubliek lijkt Ruud al wel te hebben. Bij De Morgen zullen er nogal wat lezers zijn die niet weten wie de genoemde Kris Peeters is, maar dat vangt Ruud uitstekend op met zijn omschrijving “de voormalige topman van Unizo”. En enkele regels verderop bevestigt hij veiligheidshalve: “de voormalige topman van Unizo”.

Maar lezen wij verder:

"We hebben getoond dat we met een goede ingesteldheid in staat zijn om oplossingen uit te werken." Zelf zal hij het natuurlijk niet toegeven, maar met die boutade aan het eind van zijn onderhoud met Rudy Demotte, donderdagmiddag, zette Kris Peeters zich nog maar eens mooi af van het geruzie op het federale niveau.
Hier moet onze jonge vriend de correcte betekenis van de term boutade eens opzoeken, dat kan hem later nog diensten bewijzen. Ook kan iemand wel iets ván zich afzetten, maar in het Nederlands zetten wij onszelf af tégen iets.
Verder vind ik (puur een kwestie van smaak) zijn zin:
Het is exemplarisch voor de flair waarmee Kris Peeters dezer dagen door de Wetstraat flaneert.
weer té mooi geformuleerd. In een politiek artikel is stilistische soberheid niet noodzakelijk een teken van armoede, Ruud.

Een echt testimonium paupertatis is helaas wel een volzin als:
Natuurlijk blijft speculeren over de post-Leterme-era heiligschennis, en daar houden CD&V'ers on the record niet van, maar als het off toch gebeurt, dan valt de naam Peeters voor alle andere.
Of een gallicisme:
Dat blijft een huzarenstukje, want een cadeau was het minister-presidentschap vorige zomer absoluut niet.
Of zijn grammaticale probleempjes:
En, allerminst onbelangrijk, Peeters profiteert à fond van de kansen die zijn bestuursniveau hem bieden.
Of woordjes als:
premiersambities
Of slecht begrepen uitdrukkingen zoals deze contaminatie:
[Dan], maakt Peeters wel even tijd om in een interview te melden dat ze daar in Vlaanderen al lang gedane zaken mee hebben gemaakt.
[gedane zaken maken geen keer, gemene zaak maken met, zelfs komaf maken met &cet]

Of duistere, zelfs enigmatische zinnen als:
De nieuwe minister-president is een pragmaticus, zonder harde schijf bovendien, terwijl humor en zelfrelativering hem niet vreemd zijn.
Ruud zijn slotzin daarentegen:
Het N-VA-partijbestuur komt nu al klaar.
laat aan duidelijkheid juist te weinig over, is een tikkeltje brutaal, een kleine onopgevoedheid.

Volgende keer jouw tekst even herlezen, of liever nog laten nalezen voor je hem inlevert, Ruud!
.

10 mei 2008

Vlaanderen of de Sahara, wat maakt het uit?


Het brinckmannetje van De Standaard kan niet goed meer volgen. De BHV-kwestie wordt hem te ingewikkeld, en daarbij, het is altijd weer dezelfde kost en hij lust die bonen niet.
Met zijn gevoelens van afkeer staat Bartje niet alleen, noch trouwens met zijn analytisch onvermogen. Beide deelt hij met alle paarse journalisten, maar gedeelde smart is halve smart. Minder sympathiek vind ik het, als de paarse pennenknechten in een soort Freudiaanse projectie proberen om hun eigen overbodigheid in de schoenen van hun lezers te schuiven.
Als zelfs wij
, hoor je hen voortdurend vertellen, verstandig en vakkundig als wij zijn, het niet meer aankunnen …wat moet de arme gewone man er dan wel mee ?
Brinckman zelf – dat is hoopvol – lijkt nog over enig ziekte-inzicht te beschikken, want hij wijt zijn eigen tijdelijke onvermogen aan horendolheid.
Met de beste wensen voor een spoedig herstel, maar in afwachting zullen wij Bart zijn geschriften geredelijk een poosje laten voor wat ze zijn.
De Soir vandaag geeft een dialoog tussen Frie Leysen en Bernard Foccroulle (twee pagina’s in de rubriek Forum: Culture&Démocratie). De toon van de dialoog is vriendschappelijk en verzoenend. Frie Leysen verklaart bijvoorbeeld:

Toute personne normalement constituée reconnaît aujourd’hui que les communes à facilités sont majoritairement francophones, la loi n’a qu’à s’adapter à cette situation. Je le pense vraiment.
Iedere mens die normaal ineensteekt, erkent vandaag dat de faciliteitengemeenten overwegend francofoon zijn, en de wet moet zich naar deze toestand maar schikken. Dat meen ik echt.

Bernard Foccroulle nu, een uiterst charmante en waarachtig tweetalige man – die ik voorlopig toch liever Buxtehude hoor spelen dan politieke gesprekken voeren – kan hierbij natuurlijk niet achterblijven:
Il y a cinquante ans, la génération précédente à opté pour des régions mono-linguistiques, et pour un Bruxelles bilingue. Ne faudrait-il pas développer cette dimension? Personnellement je souhaiterais que Bruxelles puisse renforcer son rôle de capitale multiple, offrir aux Flamands un vrai “chez eux”, et simultanément développer sa dimension européenne et multilinguistique, qui risque de devenir un de ses atouts majeurs à moyen terme. Dans ce cas, pourquoi la Région bruxelloise ne pourrait-elle pas s’élargir utilement, sans que ce ne soit interprété comme une défaite flamande?

Vijftig jaar terug heeft de vorige generatie gekozen voor ééntalige gewesten, en voor een tweetalig Brussel. Zou het niet goed zijn om deze dimensie verder te ontwikkelen? Zelf zou ik graag zien dat Brussel zijn rol van veellagige hoofdstad zou gaan versterken, aan de Vlamingen een echte “thuis” zou bieden, en simultaan zijn Europese en veeltalige dimensie zou ontwikkelen, want het ziet er sterk naar uit dat op middellange termijn dit één van zijn hoofdtroeven wordt. Waarom zou niet in dat geval de regio Brussel met nut zich kunnen uitbreiden, zonder dat dit als een Vlaamse nederlaag zou worden gezien?
Ik wil aannemen dat Foccroulle dit heel goed bedoelt, ik ga daar zelfs van uit, maar wat hij voorstelt is natuurlijk onaanvaardbaar voor wie de geschiedenis van de verfransing kent. Natuurlijk heeft Brussel Vlaanderen nodig, maar dan moet het eerst inzien dat de stad Brussel dringend haar eigen geschiedenis moet leren kennen, en dat, ten tweede, Vlaanderen niet langer met vogels in de lucht kan worden gepaaid. Van die Brusselse inzichten is vooralsnog geen teken.

Le Soir
is trouwens op de pagina daarvóór, op p.19 heel illustratief in dit verband.
Een wetenschappelijk artikeltje, naar aanleiding van een publicatie in Science, behandelt een nieuwe hypothese, gesteund op de resultaten van kernboringen in de bodem van een uitgedroogd meer in de Sahara.
De Standaard had dat nieuws ook, en daar luidde het:
[…] Die acht meter [er werd een boorstaal van acht meter onderzocht] geven een beeld van het klimaat de voorbije zesduizend jaar, zegt Dirk Verschuren van de vakgroep biologie van de UGent. Met de hulp van geologen, archeologen en biologen uit Frankrijk en Duitsland onderzochten de Gentenaars de grondstalen op sporen van waterplanten, waterdieren en stof en berekenden ze ook het zoutgehalte van het water over deze periode van zesduizend jaar. [getekend] Hilde Van den Eynde.
Naast de door de journaliste genoemde Dirk Verschuren, ondertekenden namelijk ook twee andere Gentse onderzoekers, Hilde Eggermont en Christine Cocquyt.

Bij de Soir had hun journalist Frédéric Soumois de kiesheid om géén namen te noemen.
Climat/Les révélations du lac Yoa
Le sable a envahi lentement le Sahara
Le Sahara est devenu le plus grand désert chaud de la planète il y a environ 2.700 ans après un très lent changement selon des travaux parus vendredi dans Science. Jusqu’à présent, l’on pensait que sa désertification avait été brutale. Il y a 6.000 ans le Sahara était très vert, couvert d’arbres, de savanes et comptait de nombreux lacs. Cette vaste région plus grande que l’Australie était aussi habitée. La plus grande partie des indices physiques témoignant de l’évolution de la géographie du Sahara a été perdue. Mais ces scientifiques ont reconstitué ses 6000 dernières années en étudiant […].
Klimaat/Wat het Yoa-meer aan het licht brengt
De verzanding van de Sahara verliep geleidelijk
Ongeveer 2700 jaar geleden is de Sahara de grootste warme woestijn van de planeet geworden, na een geleidelijke verandering, aldus onderzoekingen die vrijdag in Science verschenen. Tot hier toe dacht men dat de verwoestijning plots was gegaan. Zesduizend jaar geleden was de Sahara heel groen, met bebossing, grasland en talrijke meren. Deze uitgestrekte regio, groter dan Australië, was ook bewoond.
Voor het merendeel zijn de fysische aanwijzingen, die zouden getuigen van de geografische evolutie van de Sahara, verloren gegaan. Maar deze wetenschappers hebben de laatste zesduizend jaar gereconstrueerd door de studie van
[...].
Het merkwaardige is dat Frédéric Soumois hier het aanwijzend voornaamwoord (l’adjectif démonstratif “ces”) gebruikt, voor mensen die niet eerder vermeld werden.
Dit is een onbeleefdheid van Soumois zou ik zeggen – ware het niet dat ik hem, nog vóór dat verwijt, eerst de naam van het wetenschappelijke tijdschrift “Science” zou willen horen uitspreken.
En verderop heeft onze journalist nóg enkele occasies gerateerd om die Vlaamse namen te mentioneren. Hij blijft consequent kiezen voor zijn adjectif démonstratif “ces”, of, ter afwisseling wellicht, ook voor de pronom personnel non-prédicatif de la troisième personne, “ils”.

Ils ont effectué des test géochimiques…
Ils ont également procédé à…
Les résultats de ces travaux vont à l’encontre de la théorie…
Om hem toch een beetje te helpen, in zijn eigen taal, wil ik Frédéric Soumois wijzen op het prachtige online woordenboek, dat bij zijn “ils” geeft:


Il(s) est un représentant servant à rappeler un substantif masculin (ou son équivalent: pronom, groupe nominal, pronom démonstratif + relative déterminative, etc.) qui vient d'être exprimé. (dans une phrase ou une proposition précédente); [...]

Misschien kan de geniale organist Bernard Foccroulle mij nu beter begrijpen, en zal hij zelfs toegeven dat Le Soir – altijd en voor alles – een chauvinistische krant is: repliés sur eux-mêmes ...clochemerleux.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html