20 mei 2006

Laat ons ons eten niet bederven en over iets anders klappen

.
Dat moet De Gucht gedacht hebben toen hij volgende vraag kreeg van Filip Roegiers, in het grote interview vandaag in De Morgen, pp. 61-3:

"De rechter zegt inderdaad duidelijk dat er een dag en een nacht verschil is tussen wie kritiek uit op de multiculturele samenleving en wie systematisch 'de andere' stigmatiseert.

[even maar: ik neem aan dat de journalist niet bedoelt dat er telkens de tijdspanne van een volledig etmaal zit tussen die beide houdingen. Wellicht mismeestert de man hier een Nederlandse uitdrukking en bedoelt hij “een verschil van dag en nacht”, een heel groot verschil dus, zoals tussen het licht en de duisternis. Bon, we moesten hem daarvoor misschien niet onderbreken]

Maar soms is de grens vaag. Ayaan Hirsi Ali wordt door haar tegenstanders wel eens verweten dat ze in de Nederlandse samenleving meer tot polarisatie dan tot verzoening heeft bijgedragen. […]"

Inderdaad, die grens is vaag, maar de vraag is duidelijk. Het antwoord zou dat ook kunnen zijn, zeker van iemand die het niet gewend is om een blad voor de mond te nemen, zoals je altijd weer leest. Maar wat blijkt? Karel De Gucht kent Ayaan Hirsi Ali niet. Een blauwe toppolitica uit een buurland en meneer kent die vrouw niet! Wel heeft hij een oordeel over haar film, maar verder moet hij passen:

"Ik vind die vergelijking ongelukkig. Ayaan Hirsi Ali ken ik onvoldoende om mij uit te spreken over de vraag wat die mevrouw drijft: komen haar kritische uitlatingen voort uit politiek opportunisme of uit een diep ingewortelde overtuiging? Submission, de film die ze met Theo van Gogh maakte, vond ik nodeloos provocerend voor de moslimgemeenschap. Maar ik oordeel niet over mensen die ik niet ken."

Eigenaardig is dat De Gucht hier weigert te antwoorden op een vraag ...die niet gesteld werd. Hij begint gemakshalve over een al dan niet bestaande "diep ingewortelde overtuiging", maar de vraag ging over het maatschappelijk effect van Ayaan Hirsi Ali's optreden, niet over haar innerlijk. Doorzichtig truukje, intellectuele lafheid.
De stellingen van Hirsi Ali aanvallen, die tenslotte niets meer zijn dan de klassieke liberale leer maar dan in zijn moeilijke consequenties doorgedacht, dat kan hij niet, dat ligt boven zijn harrypotterkrachten. Maar het alternatief: haar misschien moeten bijtreden in haar analyse van de islam, is binnenlands-politiek voor hem onbruikbaar. Dus zegt hij met benepen stem: ik ken die vrouw niet.

Eerder in het interview haalde hij Matthéüs 12,30 aan: Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; [en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit].
Guitig, maar ik zou onze Petrus De Gucht willen aanraden om een begonnen boek altijd plichtsbewust uit te lezen. Hij zal dan wél op het volgende vers stuiten: Matthéüs 26,74

Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren. Ik ken den Mens niet. 75 En terstond kraaide de haan.


17 mei 2006

De Moorse heeft haar plicht volbracht

.
Met de beslissing om haar mandaat als parlementslid op te geven en naar de Verenigde Staten te emigreren, heeft Ayaan Hirsi Ali aan Nederland, haar thuis sinds 14 jaar, een laatste dienst bewezen. Daardoor bespaart de van geboorte Somalische voorvechtster der vrouwenrechten dat land een wellicht pijnlijk en heftig debat over, nog maar eens de immigratiepolitiek. Zo komt zij op grootmoedige en loyale wijze aan haar critici tegemoet, want opnieuw brengt zij een persoonlijk offer. Mogelijk wordt haar zelfs het staatsburgerschap ontnomen.[*] Het deed haar veel pijn zei ze, dat zij zich alweer op vlucht bevond.
De beslissing van Hirsi Ali is consequent, en was zo goed als onvermijdelijk. Toch werpt zij een licht op problemen die de kern van het asiel- en immigratiedebat raken – niet enkel in Nederland, maar overal in Europa. Uiteindelijk gaat het om de vraag of er met asielzoekers en kandidaat-immigranten op een gedifferentieerde manier, al naar het specifieke geval dus, moet worden omgegaan of niet. Of platter uitgedrukt: zijn er goede en slechte inwijkelingen?
Gemeten aan de verdiensten die Hirsi Ali zich in Nederland verworven had lijken de omstandigheden waarin zij de politieke tribune verlaat om het zacht te zeggen niet netjes.
Er wordt haar nu een strop omgelegd vanwege de niet helemaal duidelijke verklaringen die zij toentertijd bij haar asielaanvraag zou hebben gegeven. In Kenia was zij al in een veilig gastland, wordt haar nu voorgeworpen, en haar verklaringen over een dwanghuwelijk met een verwante zouden evenmin loepzuiver zijn.
Wat dan nog? Beslissend is de omstandigheid dat dwanghuwelijken voornamelijk in de moslimwereld een realiteit zijn, niet in het laatst ook in Nederland. Als men bovendien in overweging neemt onder welke, vaak dubieuze omstandigheden duizenden immigranten in Nederland onderkomen vinden, hoe weinig zij zich daarna assimileren, en hoe schoorvoetend zij zich met de wetten en gebruiken van hun gastland verstaan, dan moet nu, na het vertrek van Hirsi Ali, minstens de vraag een antwoord krijgen hoe men in de toekomst soortgelijke verbreide fouten en misbruiken wil verhinderen.
Dat heeft Hirsi Ali met grote hardnekkigheid gepoogd te bereiken. Zij heeft Nederland gewekt en wakker geschud, de multiculti-leugen ontmaskerd en de talloze goedmenenden een spiegel voorgehouden. Of zijzelf al dan niet aan een dwanghuwelijk ten offer viel is secundair. Het enige dat telt is dat zij wist waarover zij het had. De heftige reacties op de film die zij met de regisseur Theo van Gogh draaide hebben dat duidelijk aangetoond. Voor zijn moed boette van Gogh met zijn leven. Voor haar engagement temidden van de tevredenen en de zelfgenoegzamen mocht echter Hirsi Ali, het parlementslid, proeven van de gevolgen op termijn. Hopen vijanden maakte zij zich, en midden in een democratie leefde zij ondergronds.
De moslims en islamisten had zij nog aangekund, die de schande niet verdroegen bekritiseerd te worden door een vrouw die daarbij als moslim geboren was. Erger waren de politieke tegenstanders, opportunisten en rustbehoevende buren, die zij meer en meer tot last werd. Met een resem klachten en rechtszaken hebben die haar nu op de knieën gedwongen en haar ook binnen haar eigen (liberale) partij allengs in isolement gedreven.
Nu vertrekt dus Ayaan Hirsi Ali. Zij gaat naar de VS, waar haar nauwelijks iets in de weg zal worden gelegd vanwege een wellicht niet ondergaan dwanghuwelijk.
De Moorse heeft haar plicht volbracht. Zonde. De jonge Somalische had Nederland nog diensten kunnen bewijzen.

[*] Dat is intussen, niet met bekwame spoed maar wel met verbluffende snelheid gebeurd, waarmee Rita Verdonk bewijst dat zoiets kàn binnen haar discretionaire bevoegdheid, en dat zal niet iedereen verblijden. In de handelwijze van de minister zit natuurlijk wel een bepaalde logica. Misschien zelfs een onvermijdelijkheid, maar het blijft aanstootgevend dat feiten die al lang bekend waren, plots – na gemeenteraadsverkiezingen die voor de socialisten gunstig uitvielen, en vlak voor de VLD-voorzittersverkiezing zou ik er willen aan toevoegen, en 48 uur na een TV-programma van de VARA – worden bovengehaald door een minister die daarbij net doet alsof zij als enige er geen weet van had. Dat is een grond om de vervallenverklaring aan te vechten zou ik denken.


Zowat alle buitenlandse kranten zijn keihard voor Nederland. Ook de spot van Die Welt is niet mis:
“Voor de Nederlandse consensusmaatschappij is een icoon als Ayaan Hirsi Ali een voortdurende provocatie, een doorn in het vlees. Een zendelinge als Hirsi Ali houdt zich niet bezig met detailvragen of met het zien van positieve tendensen, maar zij wil met de kop door de muur. ‘Ik ben werkelijk niet bezeten, maar ik wil deze kans benutten, dit tijdvenster dat ik heb.’ Nederland heeft dat venster nu met een klap dichtgegooid – met kleingeestige formalistische argumenten, want zij had bij haar inwijking ‘vals gespeeld’. Zo kan een land zichzelf demonteren.”

bij monde van correspondent Magnus Linklater, laat zich evenmin onbetuigd:
"Mevrouw Hirsi Ali’s doordringende analyse van de religie en samenleving in moslimlanden verdient een antwoord, en geen miskenning. Hier gaat het niet om een roman met een satire over de Profeet, of over enkele beledigende cartoons; wat zij brengt is een volgehouden en klaarziende kritiek van de Islam, van iemand die er de beperkingen van heeft ondervonden en die gelooft dat er goede gronden zijn voor een aanklacht ertegen. Een land dat zich van zulke zienswijze afkeert geeft te kennen dat het niet enkel onliberaal is, maar dat het zijn vertrouwen heeft verloren in de veerkracht van zijn eigen democratie."

o-o-o-o-o
'Deze affaire is een schande voor ons land en voor heel Europa. Voltaire en Erasmus draaien zich om in hun graf ', zegt woedend Afshin Ellian, professor Rechtsfilosofie aan de Leidse Universiteit. Ook hij wordt door moslims bedreigd, en zal zich door de Nederlandse Staat in de steek gelaten voelen.
o-o-o-o-o
Wat denk ik als Vlaming, ook een soort Nederlander toch, over deze affaire? Ten eerste denk ik dat er in Nederland op zijn minst een debat bestaat over échte dingen, wat wij hier niet gewend zijn, en ten tweede denk ik dat aan Ayaan Hirsi Ali enkel en alleen al om haar koninklijke Nederlands een soort van ereburgerschap zou moeten worden aangeboden, naast haar gewone Staatsburgerschap dat haar vanzelfsprekend niet kan ontnomen worden.
.

2 mei 2006

Apenrechten en Mensenrechten

.
In Spaanse kranten stond het bericht dat een volksvertegenwoordiger aan sommige apensoorten mensenrechten wilde toekennen. Dat idee werd overal weggelachen, en intussen werd het genuanceerd, maar ik meen dat er voor het oorspronkelijk voorstel wel iets te zeggen viel. Tenminste als men het begrip mensenrechten op zijn waarde bekijkt, zoals Galiani dat in de XVIIIe E. al deed.
Trouwens ook de dichter Heinrich Heine zou het voorstel niet zomaar hebben weggelachen. In zijn Memoiren (1855-56) vergelijkt hij terloops apen en mensen, en laatstgenoemden komen er bekaaid af.
Ik vertaal een fragmentje en situeer even: Heine heeft het eerst nog over het soort van Duits dat er in zijn geboortestad Düsseldorf gesproken werd, en hij vergelijkt het met het mooie Duits van Hannover, de geboortestad van zijn vader. Al vond Düsseldorf nog enige genade want het was vooral in Keulen dat ze afschuwelijk praatten. Keulenaren hadden een tongval die klonk als rotte eieren. En ook wij Nederlandssprekenden komen goed aan onze trekken:



Je kunt in de uitspraak van de Düsseldorfers al een overgang bemerken naar het kikvorsgekwaak van de Hollandse moerasgronden. Om de dooie dood wil ik hier de merkwaardige schoonheden van de Hollandse taal niet ontkennen, alleen moet ik toegeven dat mijn oren er niet naar staan. En laat het dan waar zijn dat onze eigen Duitse taal enkel een bedorven Hollands is, zoals patriottische linguïsten in Nederland wel hebben beweerd; onmogelijk is dat niet.
Het doet mij wel denken aan de bewering van een kosmopolitische zoöloog, die de apen tot voorouders van het mensengeslacht verklaart; naar zijn mening zijn de mensen alleen maar ontwikkelde apen – overontwikkeld. Als nu de apen spreken konden, dan zouden zij wellicht beweren dat mensen alleen maar ontaarde apen zijn, dat het Mensdom een bedorven Apendom is, juist zoals de Hollanders menen dat de Duitse taal eigenlijk een bedorven Hollands is.
[In een ander geschrift, Gedanken und Einfälle, zei H. eerder: Die Affen sehen auf die Menschen herab wie auf eine Entartung ihrer Rasse, so wie die Holländer das Deutsche für verdorbenes Holländisch erklären. De bewering van die Hollandse linguïsten zat hem nogal dwars.]
Ik zeg: “als de apen spreken konden”, al ben ik van dat onvermogen tot spreken niet echt overtuigd. De negers in Senegal verzekeren bij hoog en bij laag dat apen mensen zijn – juist zoals wij, maar dan slimmer want zij onthouden zich van het spreken om niet als mensen herkend te worden en vervolgens tot werken gedwongen. Hun potsierlijke apenstreken zijn gewoon leepheid, waarmee ze bij de machthebbers van deze aarde ongeschikt willen schijnen om net zoals wij uitgebuit te worden.
Dat zij zomaar van alle ijdelheid zouden afzien, en een woordeloos INCOGNITO volhouden, en zich onderwijl misschien vrolijk maken over onze simpelheid: dat zou mij een heilig ontzag inboezemen voor deze mensen. Zij leven in vrijheid in hun wouden en verzaken nooit aan hun ware natuur. Met recht mogen zij beweren dat de mens enkel een ontaarde aap is.
Waarschijnlijk hadden onze voorzaten in de achttiende eeuw al zo’n vermoeden. Zij voelden instinctmatig aan dat heel die schijnheilige overbeschaving van ons enkel een geverniste vuilnis was, en dat het hoog tijd was om terug te keren naar de natuur. Daarom probeerden zij om opnieuw dichter bij ons oertype te komen – het natuurlijke apendom. Ze deden er alles aan, en toen er uiteindelijk alleen nog een staart ontbrak om helemaal aap te zijn, vingen zij dat gemis op door de haarvlecht. Zo beschouwd is die vlechtenmode een betekenisvol symptoom van een ernstig gemis en niet zomaar een frivool spelletje – –
.

1 mei 2006

Pastoor kakt ongewild op Nederlandse oorkonde

.Laatst, uit hoofde van mijn beroep, hoorde ik tijdens de mis op Radio1 een pastoor die het in zijn preek had over de geweldige verbazing der Apostelen toen die enige tijd na de kruisdood van hun meester Jezus Christus, Hem plots in levende lijve weer voor zich zagen. Dat verhaal staat in de Evangeliën. Bijvoorbeeld Johannes vertelt dat de elf Apostelen “om de vreze der Joden” achter gesloten deuren vergaderd waren, en dat zij al dagen niet meer wisten van welk hout pijlen maken.
De pastoor in de radiomis vertelde ons nu getrouw dat de Apostelen hun ogen niet konden geloven bij de plotse Verschijning, en dat zij Hem niet eens meer leken te herkennen. Christus had daarop Zijn wonden aan handen en voeten getoond, waarna hun ongeloof in blijdschap was omgeslagen.

Allemaal correct weergegeven, en een prachtig verhaal. Het komt bij Lukas vlak na de ontmoeting met de Emmaüsgangers, een al even prachtig verhaal.
Wij lezen in de Statenvertaling, bij Lukas 24:

En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.
En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!
En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.
En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?
Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.
En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.
En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?
En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.
En Hij nam het, en at het voor hun ogen.
En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.
Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.
Johannes, ook een goede schrijver, vertelt hetzelfde. Hij voegt er nog een zin aan toe, een echte cliffhanger:
Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;
Waarom vertel ik dit? Omdat die pastoor mij geweldig tegenstak. Omdat die pastoor nooit nog een preek zou mogen afsteken als er érgens een immanente inspecteur toekeek op wat die kerels allemaal uit hun onwetende botten slaan. Goed dat Reve al begraven was en het niet meer kon horen. Die pastoor bederft met één zinssnede een oeroude prachtige tekst, een stichtingstekst van onze Nederlandse Taal, door ter verklaring eraan toe te voegen dat Christus zijn wonden aan de Apostelen toonde ...als een soort visitekaartje.
Uit mijn ogen gij satan, gij stijlongevoelige!
Nee, geef mij dan die gereformeerde dominee dr. S.D.Post, zoals u hieronder kunt lezen:

28-4-2006
„Leer jongeren bevindelijke taal”
Kerkredactie
WOERDEN - De tale Kanaäns is zo’n waardevolle verpakking voor een schat van godsvrucht, dat jeugdleiders moeten proberen bevindelijke terminologie aan jongeren over te dragen.

Dat stelde dr. S. D. Post donderdag tijdens de jaarvergadering van de Jeugdbond Gereformeerde Gemeenten (JBGG) in Woerden.
Tale Kanaäns, benadrukte Post, is meer dan alleen verouderd taalgebruik over geestelijke dingen, of Statenbijbel-Nederlands. „Bij tale Kanaäns gaat het over woorden die de Heilige Geest leert. Niet om de verouderde woorden en vaste uitdrukkingen, maar om taal, de communicatie, die innerlijke gemeenschap tot stand brengt. Wat is er dan zo bijzonder aan die taal, als hij alleen door wedergeborenen kan worden gesproken en verstaan? Dat bijzondere zit ’m niet in de woorden, maar in de gemeenschap.”
Volgens Post kunnen geestelijke zaken niet in jongerentaal worden uitgedrukt. „Jongeren op de club of op de vereniging noemen iets soms vet cool of supergaaf. Er is op zich niets mis met dit soort woorden. Maar deze woorden kunnen niet de verpakking vormen voor geestelijke dingen. Daar zijn geestelijke zaken veel te kwetsbaar en te kostbaar voor. Niet elke verpakking is geschikt voor een antieke kristallen vaas.”
Omdat jongeren ook in de preek met de tale Kanaäns worden geconfronteerd, pleitte hij ervoor regelmatig preekbesprekingen te houden. „Waarom doen we dat niet elke maand? Op zondagavond. Voor alle jongeren in een leeftijdsgroep. Als je geen dominee hebt, zou een ouderling het kunnen doen. Het is zo ontzettend belangrijk dat onze jongeren betrokken blijven bij de zondagse preek. Dat raakt de kern van het gemeente-zijn.”

© Reformatorisch Dagblad


Noot: het onbevangen gebruik van het woord "jongeren" door dr.Post, zorgde bij mij aanvankelijk voor enige verwarring.
Wie meer wil weten over de "bevindelijken" verwijs ik naar dit oude artikel uit de Groene Amsterdammer, en zeker ook naar het hoofdstuk "Reformatorisch Dagblad" in het boek van Geert van Istendael "Mijn Nederland" (Atlas, 2005).
.

17 april 2006

Never the twain shall meet

.
Wat de moord in het Centraal Station betreft, denk ik dat de recuperatiepoging van Verhofstadt ongepast, ongemanierd en zelfs obsceen is. Verhofstadt, een man die wellicht in geen jaren nog een trein, bus of metro van de binnenkant heeft gezien, moet geen woorden in de mond nemen als: ”De talrijke pendelaars die even stil blijven staan in het Centraal Station, de mensen die met hun kinderen een bloem komen neerleggen op de plek waar Joe werd vermoord, sterken mij in de overtuiging dat de solidariteit van alle mensen, jong en oud, Belg of allochtoon, sterker is dan de onverschilligheid die er heerste op het moment van de gruwelijke feiten.”
Lege woorden zijn dat, losse beledigingen. Wat wéét deze meneer over de “onverschilligheid” die er heerste op het moment van de feiten? Wat weet hij tout court over stations tijdens piekuren? Wat hij evident probeert te doen (en Danneels evengoed, maar dat is onbelangrijk), is de aandacht afleiden. Hij probeert om een nevenprobleem voor te stellen als de hoofdzaak.
Het zogenaamde morele falen van de omstanders, hun gebrek aan alertheid of aan fysieke moed dus, is een laf verzinsel van een laffe regering die feiten liever ontkent dan ze onder ogen te zien, laat staan adequate maatregelen te nemen. Wat zou hij trouwens maatregelen hoeven nemen, als al zijn zelfbestelde studies uitwijzen dat de veiligheidssituatie gedurig verbetert?
Nee, maatregelen zijn er niet nodig, die zouden integendeel nog olie op het vuur gieten, en Verhofstadt wacht geen dag te lang om alweer een positieve overtuiging van hem te ventileren. Overtuigingen heeft hij namelijk in overvloed – al willen die wel wisselen.
Feiten en Guy Verhofstadt: dat zijn twee werelden, and never the twain shall meet.

P.S. dat er twee overvallers waren lijkt voor alle journalisten wel vast te staan, maar ik geloof dat niet. Er waren er wellicht vier... zoals elke Brusselse politieman weet.

9 april 2006

Bij de dood van Gerard van het Reve

.
Gerard Kornelis van het Reve is niet meer. Ik noem hem nog even bij zijn oude naam, want onder die naam leerde ik hem als auteur kennen. Ooit had ik ook het voorrecht om, samen met nog enkele anderen een paar pinten te drinken met van het Reve, in een lang verdwenen café aan de Lammerstraat in Gent. 1967 of. ‘68 moet dat zijn geweest, want hij wachtte toen nog op de uitspraak in beroep van zijn ezelsproces.
Reve was door de faculteitskring Germania uitgenodigd voor een lezing, en hij had ook enkele gedichten voorgelezen. De avond was een groot succes, auditorium E zat afgeladen vol, ook al wist ik van geen enkele boekhandel in Gent waar je toen een werk van hem zomaar uit het rek kon plukken. Goed, ook voor Carmiggelt moest je de grens nog over, en enkel Bomans was hier soms en min of meer verkrijgbaar.
We gingen in dat café wachten op de terugkomst van Willem Bruno van Albeda, ons beter bekend als Teigetje. Misschien had Teigetje geen zin in een zoveelste lezing, in ieder geval had Reve hem meteen bij aankomst in het StPietersstation enkele briefjes van honderd in de hand geduwd: “ga jij de stad maar eens in”.

In afwachting van Teigetje dus, konden wij van het Reve eens van nabij bekijken, en hem tactvol en met veel omwegen vragen: of dat nu serieus was van dat katholicisme. Die bekering was bij mij namelijk, en ik vermoed bij de meesten van het gezelschap, nogal hard aangekomen. Veel wijzer zijn we uit zijn antwoorden niet geworden, maar hij was wél heel grappig en sprak ook op café een koninklijk Nederlands dat wij nog nooit hadden gehoord.

Een soortgelijke, voor ons plotse bekering hebben wij enkele jaren daarop moeten verwerken, toen Bob Dylan zich tot het christendom bekende. Weliswaar was dat in zijn geval kortstondig, en enkel om aan een vrouw te behagen, maar daar waren wij onwetend van en we moesten onze troost vinden in de reactie van Joan Baez, toen die van de jongste bekering had gehoord: poor Bobby...

Ja, nu denk ik daar wel anders over. Wat van het Reve toen aanvoelde, en wat wij nog niet wisten, was dat de positie van de schrijver radicaal verandert in een wereld die geen transcendentie meer kent. Zijn katholicisme had niets met een vrouw vandoen, maar wel met de muze. Het had met het schrijverschap zelf te maken. Ik geloof ook nu niet dat zijn persoonlijke oplossing blijvend soelaas kan brengen, maar ik meen wel te zien waarom hij die beweging, minder religieus dan wel mystiek van aard, heeft willen maken.

Deze man nu, die schreef zoals niemand schrijft (op zijn broer na), verdient een in memoriam van een speciaal soort. Het moet gaan over de zaken die hijzelf belangrijk vond en waar hij altijd, zij het vaak impliciet over schreef: met name de grote culturele traditie van Europa, de teloorgang van een beschaving die elke identiteit afwijst, de situatie waarin een Europese auteur zich nu bevindt. Niet voor niets schrijft hij archaïserend, statig, bijbels. Toch schreef hij vaak over …zo goed als niets. Zelfs waar hij over seks schrijft zit er weinig vlees aan. Hij ouwehoert maar, of zevert zoals wij zeggen. Maar het zijn wel grote boeken. Hoe kan dat? Gerard van het Reve beheerst de Nederlandse taal en stijl, en als auteur is daarmee zijn geraamte intact. Hij was onaanraakbaar voor zijn eigen cultuurloze tijdvak.

Maar wat zou een Vlaming gerechtigd zijn om een in memoriam voor hem te schrijven? Een volk dat een figuur als Bert A. aanvaardt als minister van cultuur, kan op een moment als dit niets beters doen dan zijn muil houden. Inderdaad, uns ziemt es das Maul zu halten, en in diepe schaamte te denken aan de Prijs der Nederlandse Letteren van het jaar 2001. Toen liet die microcefale Bert A., zelfverklaarde republikein en democraat, niet toe dat Albert Coburg, zijn soeverein, aan Reve de prijs overhandigde. Bert A. – maar dat weet hijzelf niet natuurlijk – hanteerde toen een redenering die uit oudere rechtssystemen voortkomt. De Germanen kenden dat, vele islamieten kennen dat nog, en wij noemen het: Sippenhaftung. Je bent verantwoording verschuldigd voor wat je naasten doen: een pre-napoleontische opvatting.

Nee, ik wil verder geen woorden vuilmaken aan dat kereltje, waarvan alleen al de oogjes, en de muil de leegte laten zien zoals die –je zou zweren op maat– werd beschreven door de vorige maand overleden Franse auteur Philippe Muray:

Voilà à quoi un écrivain d’aujourd’hui a affaire: à des lieux et à des personnes qui ignorent la castration et la Bible. C’est cette ignorance extraordinaire, et sans précédent dans l’histoire humaine, qui produit ces faces hilares, ces regards inhabités, ces cerveaux en forme de trous noirs, ces propos dévastés d’où tout soupçon de pensée critique s’est en allé, cette flexibilité à toute épreuve, et cette odieuse nouvelle innocence qui les entoure comme une aura.

Festivus festivus
conversations avec Élisabeth Lévy
Librairie Arthème Fayard, 2005, pp. 60-1

Ik laat het hierbij, Gerard Reve.

_______________

Kijk waar een auteur vandaag mee te maken krijgt: plekken en personages die van castratie of bijbel geen weet hebben. Wel is er die ongemene onwetendheid, zonder voorgaande in de menselijke geschiedenis, die deze verheerlijkte facies voortbrengt, de doodse blikken, de zwarte gaten van breinen, de verwoeste uitlatingen, verlaten van elk greintje kritisch vermogen, die flexibiliteit ook, die tegen alles bestand lijkt, en die hatelijke nieuwe onschuld die hen als een lichtkroon omgeeft.
.

2 april 2006

De Arkprijs van het Veilige Woord voor professor Marleen Temmerman

..
De Arkprijs van Teirlinck lijkt na een halve eeuw wel op zijn laatste benen te lopen, of is toch aan een naamsverandering toe. Dat is eigenaardig want het ware “vrije woord” is de laatste jaren en maanden geen dag uit het nieuws geweest, en het wordt wel degelijk bedreigd, wat die prijs meer dan zinvol zou moeten maken.
De Arkjury lijkt echter een beetje moe te zijn geworden van het voortdurend op-eieren-lopen, van het omzichtig spieden- naar- een-schuilhoekje, van het kool-en-geit-sparen, en zij beschikt al lang niet meer over een vrije stem. Daarom kent zij haar prijs toe aan een persoon waar bij mijn weten geen noemenswaardige controverse rond bestaat.
Hoe flauw in deze tijden! Geen ernstig mens toch zal de verdiensten van mevrouw Temmerman aanvallen? In geen velden of wegen beken je iemand die haar wetenschappelijke woord betwist. Dat woord is allerminst bedreigd, en dus is er met die prijs iets loos.
Ach, waar zijn de tijden gebleven dat wij nog heldhaftig katholieken durfden uit te lachen, die onverdraagzame inquisitoren en heksenverbranders. Toen voelden wij ons nog hele kerels, al was onze strijd eigenlijk al gewonnen in de zeventiende en achttiende eeuw, door onze voorgangers Spinoza en Voltaire.
De laatste veertig jaar is hier echter een andere godsdienst opgedoken, maar daar zwijgen wij liever over, in naam van de verdraagzaamheid... want zó heldhaftig zijn wij ook weer niet .(ons wacht aan het eind geen Hiernamaals).
"Dat heb ik er niet voor over", .zei heel typisch het burgertrutje Kamagurka, toen hem over de cartoons iets werd gevraagd.
Veilig spelen à la Kama mag ook het devies van de Arkjury zijn geweest, maar dan moet zij voor haar prijs zoals gezegd een andere naam zoeken. Onder de oude naam is hij overbodig geworden.

.

21 maart 2006

De woorden hebben inderdaad hun kracht verloren

.
De filosoof George Steiner heeft een paar onuitstaanbare trekjes vinden velen, en zo ook ik, al was het maar omdat hij gedurig zijn zelfde stokpaardjes berijdt, en daarbij een geweldige stelligheid aan de dag legt. Zo beweert hij bijvoorbeeld dat woorden en begrippen, door abusief gebruik hun kracht kunnen verliezen. Niet na één verkeerd gebruik maar gaandeweg, door herhaald en systematisch verkeerd gebruik. Hij gaat nog verder, en zegt dat ook een volledige Taal versleten kan raken! Die stelling herhaalt hij in bijna al zijn boeken, tot je het met Steiner wel gehad hebt.
Hij voegt daar altijd iets aan toe: de Taal en haar woorden verslijten traag of nauwelijks in een democratie, maar snel onder een dictatuur.
Ik moest vanmiddag aan hem denken. Ik geloof nu dat de goede man niets heeft overdreven en dat integendeel zijn stelling nog kan worden uitgebreid.

Louise Arbour, de hier eerder genoemde United Nations High Commissioner for Human Rights, heeft het nodig gevonden om een affiche uit te brengen waarin de Denen, en meer bepaald hun lego-blokjes rechtstreeks met racisme in verband worden gebracht. Dit is zonder meer een schande en wij weten dat zij eerder in ons aller UNO-naam, voor enkele tekeningetjes haar verontschuldigingen heeft aangeboden aan 56 voorbeeldige moslimlanden.


Maar wat blijkt nu? Onze 58-jarige Louise is niet meer helemaal bij de pinken, en na protest van Lego verklaart zij dat er nooit een lego-blokje is bedoeld. Zij verontschuldigt zich bij mensen die hier een lego-blokje meenden te herkennen!

"The Geneva-based Office of the High Commissioner for Human Rights said no affiliation to Lego was intended and apologised for the misunderstanding."
Het zijn niet enkel de woorden dus, geachte professor Steiner: beelden verslijten evengoed ...onder het stelsel van de dictatuur.

P.S. "apologise for the misunderstanding", dat zouden eerder wij moeten doen, niet jij Louise: tenslotte hebben wij jouw scheve puzzeltje en eilandblokje misbegrepen.
Misschien toch een goede raad, Wiske: "apologise", "misunderstanding": dat zijn afgezaagde en versleten termen. Kortom dat is slechte communicatie, of zoals men vroeger zei: haatzaaierij en leugen.
Hoe zou iemand u nog anders dan als verachtelijk kunnen omschrijven, Louise?
.

17 maart 2006

Een Oekraïense auteur evalueert de morele waarde van een EU-figuur als Günter Verheugen maar ook van ons, "burgers".

Leipziger Boekenprijs voor Europese Verstandhouding 2006
voor Joeri Androechovitsj, Oekraïne

Dankrede

Europa, en mijn neurosen

Zeer geachte Dames en Heren,
dit optreden wil voor alles uitdrukking geven aan dankbaarheid. Literatuurprijzen bestaan wellicht enkel daarvoor, dat er in deze wereld wat meer van dit door en door positieve gevoel zou komen. Ik wil dus van deze prachtige gelegenheid en van uw aanwezigheid in deze zaal gebruik maken om nogmaals mijn diepe dankbaarheid tot uitdrukking te brengen, eerst en vooral aan hen die hebben bijgedragen tot het verschijnen in het Duits, van mijn “Twaalf Ringen” – hartelijke dank gaat hierbij uit naar mijn uitgever en vertaalster. Het is in de eerste plaats hun verdienste dat wij, u en ik, elkaar in deze wereld niet zijn misgelopen. Ten tweede dank ik hen die het boek hebben opgemerkt, en erover hebben geschreven, waardoor het in de Duitse literaire wereld een brede weerklank kreeg – ik ben zonder uitzondering alle literatuurrecensenten diep dankbaar. Ten derde ben ik de eenvoudige lezer ongelooflijk dankbaar (al is in werkelijkheid geen enkele lezer eenvoudig, dus staat u mij toe dit begrip te relativeren).
Zoals gezegd, ik ben al diegenen dankbaar die ik bij mijn talrijke lezingen, in kleine of grote steden in dit deel van Europa heb gesproken en ontmoet, die de zalen hebben gevuld en belangstelling hebben getoond – voor hun aandacht en sensibiliteit, hun lachen, hun vragen en hun potloodaantekeningen in de marge. Maar vanzelfsprekend ook dankbaar aan die lezers – en dat zijn er veel meer – die ik helaas nooit heb ontmoet, ook al kon ik, zo hoop ik toch, ergens ijl de gevoelens opsnuiven die mijn tekst had opgeroepen. Hen allen ben ik verschrikkelijk dankbaar.
Natuurlijk dank ik de stad Leipzig en de stichters van deze prijs – die mij des te kostbaarder is, omdat er in zijn benaming plaats was voor twee begrippen die voor mij sleutelbegrippen waren en zijn: Europa en Verstandhouding. Ik moet de jury daarvoor danken, dat zij mijn inspanningen zo hoog heeft ingeschat en paradoxalerwijze er toe heeft besloten om haar prijs van Goede Verstandhouding toe te kennen aan een werk waarvan het hoofdmotief juist de onmogelijkheid daarvan is.
Ik dank evenzeer jou daarvoor, Ingo Schulze, dat jij bereid was om met mij samen rond te reizen, voor je commentaar bij die reis, en omdat jij mijn aandacht hebt getrokken op zaken die ik eerst niet had opgemerkt, ook al keek ik er heel de tijd op.
Van al diegenen onder u die ik zeer dankbaar ben, zou ik de opsomming eindeloos verder kunnen zetten – want vandaag koester ik zeer grote dankbaarheid.
Maar net die dankbaarheid kreeg ook flinke deuken. Op de 20 februari 2006 verscheen er in „Die Welt“ een interview met de heer Verheugen – en voor hen die de zaken niet zo op de voet volgen, dit terzijde – dat is een van de vice-presidenten van de Europese Commissie; zeggen dat het hier een officiële persoon betreft zou een onderschatting zijn – hij is een superofficiële superpersoon. Op vragen van journalisten naar de toekomst van het Verenigde Europa gaf hij ten antwoord: over twintig jaar zullen alle Europese landen EU-lid zijn – met uitzondering van de opvolgstaten van Sovjetunie die op dit moment nog geen lid zijn.
Op mij heeft die uitspraak van mijnheer Verheugen een verwoestende werking. Alweer mag ik mijn hoop opbergen en krijg ik verlof om alles te zeggen wat mij op het hart ligt. Wellicht is dat onwaardig, en wellicht ontsnappen mij nu geen dankbaarheden maar enkel beledigingen. Wellicht, of beter gezegd heel zeker, bent u niet het publiek dat dit verdient, en het is hier evenmin de juiste plek om uw aandacht op dit drama te vestigen. Maar ik moet eenvoudigweg hierover spreken, en als ik dit niet deed dan was ik niet oprecht tegenover u.
Dat elke andere toekomst, waar al mijn hoop en inspanning op gericht was, nog maar eens werd weggeveegd, die omstandigheid lijkt mij reden genoeg voor een soort neurose.
In december 2004, op dat wonderlijk moment tussen de voltrekking van onze oranjekleurige revolutie en de herhaling van de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, kreeg ik de kans om in Straatsburg voor Europarlementsleden te spreken. De kern van mijn boodschap bestond hierin dat ik hen smeekte, en met hen heel de Europese gemeenschap, om een bepaald, vervloekt land te hulp te komen, zodat het zichzelf kon redden. Ik vertelde hen, wat ikzelf min of meer van hen wilde horen: dat Europa op ons wacht, dat het zonder ons niet rond raakt, dat het slechts kans op slagen heeft en volledig is, met Oekraïne erbij. Vandaag is definitief duidelijk dat ik om teveel heb gesmeekt.
Sinds die tijd zijn er 15 maanden verstreken, en twee derden daarvan heb ik hier bij u doorgebracht. Met andere woorden – en ik veroorloof mij om sarcastisch te worden – in Europa. In die periode heb ik dozijnen interviews, open debatten, ronde tafels en weer dozijnen lezingen afgewerkt. Bij mijn optredens was ik zo goed als exclusief de hervertolker van één enkele, eigenlijk niet eens zo onzinnige gedachte – ook wij wonen in Europa.
Deze laatste vijf woorden zijn een citaat, en zij werden op het eind van de 19de eeuw, honderd en tien jaar geleden dus uitgesproken. Met deze woorden wilde de publicist, essayist en vertaler Iwan Franko de aandacht van de bewuste Europeanen vestigen op de onverdraaglijke buitenstaanderpositie van de Oekraïners in Galicië, en van de Oekraïners in het algemeen. Het is een zeer pijnlijke formulering, luistert u goed: ook wij wonen in Europa. Een eenzaam roepende in de woestijn.
Dat is honderd en tien jaar geleden, maar de noodzaak om deze kreet te hervertalen bestaat nog steeds – zij is er veeleer nog groter op geworden. Ik heb dus gepoogd om bij elke gelegenheid daarover te spreken, want uw hulp aan dat vervloekte land, in welks taal ik schrijf en mij uitdruk, is wat mij betreft levensnoodzakelijk. En, zo fantastisch zwaar zou het niet vallen om die hulp te bieden. Zij kon louter hierin bestaan: niets uit te spreken dat de hoop doet sterven.
Er is gebleken dat al mijn vele tussenkomsten vergeefs zijn geweest. Wellicht heb ik onvoldoende duidelijk en te zacht gesproken. De Europese Verstandhouding heeft geen doorgang gevonden.
In de plaats kwam wel de visumkwestie. Het komt dus ook in Europa voor: om verkiezingen te winnen is elk middel goed. In dit geval – massieve aanvallen van rechtse politici op hun tegenstanders, waarbij geen van de kampen te grote verliezen moest verwerken; zelfs hebben zij na deze wederzijdse aanvallen gezamenlijk een regering gevormd. Enkel een derde partij leed in dit geval verliezen, en daar was tenslotte niet veel aan verloren – de Oekraïense gemeenschap, die nu voor lange jaren in het doorsnee Duitse onderbewustzijn een rood waarschuwingssignaal zal laten oplichten. En even betreurenswaardig is het – dat aan Duitse kant geen énkele intellectueel zijn stem heeft verheven, die tenminste de logica van deze hele campagne in vraag had kunnen stellen. Geen auteur, filosoof of wetenschapper die gewoon luidop zou hebben betwijfeld of de Oekraïense gemeenschap dan werkelijk exclusief bestond uit misdadigers en sletten die allen het sacrale Schengengebied willen binnendringen, om daar de welstand en de veiligheid van de oud-ingezetenen te bedreigen.
Natuurlijk zal ik met plezier honderdmaal diegenen onder u om vergiffenis vragen die mij zeggen dat ik iets over het hoofd heb gezien, en dat die stemmen wel degelijk hebben geklonken. Ik vrees alleen dat ik mij niet zal hoeven verontschuldigen.
Ja, ik heb daarover bericht, maar ik werd niet gehoord. Mijn verblijf hier bij u loopt nu op zijn eind en ik keer terug naar de Oekraïne met geen ander antwoord op mijn belangrijkste vraag, dan het antwoord dat de heer Verheugen zo ondubbelzinnig heeft gegeven.
Wellicht is het u opgevallen – in zijn interview duikt het woord “Oekraïne” zelfs helemaal niet op. Daar heet het algemeen: de opvolgstaten van de Sovjetunie.
Enkel in de Oekraïne heeft zijn uitspraak waarlijk dramatische reacties losgemaakt. Overal tref je haar daar aan – in de hoofdpunten van het televisiejournaal en op internetsites, ze wordt verspreid en becommentarieerd. En dan in de eerste plaats door de politieke revanchisten, de anti-Europese, door Rusland betaalde krachten, bestaande uit diegenen die gisteren aan de macht waren en zich nu de oppositie noemen, al gedragen zij zich bij het vernielen van verkiezingskraampjes en het in brand steken van auto’s van hun politieke tegenstanders nog net als toentijds, volslagen genadeloos en bruut dus zoals toen zij nog aan de macht waren.
Nu al kraaien zij victorie – wat een vernietigende slag voor de president en zijn Europese droom, wat een gelegenheid om uitgerekend met begrippen als keuze voor Europa, integratie in Europa, en democratische waarden de spot te drijven!
Ook buiten de grenzen van Oekraïne heerst er vreugde. „Oekraïne op zijn plaats gezet“ is een van de typische titels waarmee het Russische internet ons attaqueert.
Het is nogal duidelijk waarom alles zich precies zo ontwikkelt, zoals het zich ontwikkelt. Helemaal duidelijk aan wie de heer Verheugen heeft gedacht toen hij het begrip opvolgstaten in de mond nam. Landen met een Europese droom, zo is er in de voormalige Sovjetunie maar één. Een jaar geleden geloofde het, net zoals ik, dat zulks begrepen zou worden.
Maar blijkbaar hebben wij, toen wij het wonder waar maakten, in werkelijkheid niets in beweging gebracht.
Het enige wat ons ter vervanging van enig Europees perspectief wordt aangeboden is een soepeler visa-regeling. Als ik het goed heb begrepen dan bestaat die soepelheid uitsluitend uit een soort van afkoopsom ter intentie van de elite, wier vertegenwoordigers men wellicht zal toestaan om een Schengenvisum te bekomen dat 5 jaar geldig blijft. Super! Wat de andere 99% niet-elitaire Oekraïners betreft, behelst deze versoepeling voor hen eerder een complicatie, en wel een onoverbrugbare complicatie. Om hen af te schepen worden er dubbel dure types van visadocumenten ontwikkeld, want er worden zaken in acht genomen – hoe heet dat ook weer? – biometrische data. De Europese Unie kiest duidelijk voor een Bush-achtige manier van zelfbescherming: ze eist vingerafdrukken. Ja, vingerafdrukken – zoals dat ook passend is voor de misdadigers en hoeren van deze wereld! En die visa-kwestie is een blijvertje, het cordon sanitaire wordt versterkt en uitgebouwd. Wat er plaats heeft is precies het omgekeerde van wat ik zo had gehoopt. Precies het tegendeel van Europese Verstandhouding. Helaas zal ik, zeer geachte Dames en Heren, met ingang van het jaar 2007 geen van uw uitnodigingen nog kunnen aannemen. Omdat ik mij nimmer bereid zal verklaren om mijn vingerafdrukken af te geven. Vermoedens van schuld bevallen mij niet zo, en ik ben niet van plan om ze in ontvangst te nemen. Maar vat u dit alstublieft niet op als een dreiging: ik besef heel goed dat mijn berusting eerder voor mij dan voor u een verlies betekent. Of misschien toch voor ons allen?
Eigenlijk verlang ik niet zoveel: dat de Oekraïners ongehinderd naar Europa kunnen reizen. Misschien wel enkel omdat zij Europeanen zijn. Dat bijgevolg het artikel 13 van de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens ook op hen van toepassing zou zijn, al was het maar omdat ook zij mensen zijn, zelfs diegenen onder hen die acht vingers bezitten en een derde oog op hun buik. Dat zij eenvoudig in de auto kunnen stappen, of op de trein of de fiets, en naar het Westen reizen, volkomen legaal en naar goeddunken. Zij komen niemands stad verwoesten, en vernietigen niemands standbeelden, gelooft u mij. Niet eens uw arbeidsmarkt komen zij ruïneren, dat is toch volslagen onzin – te denken dat zij iemands arbeidsmarkt zouden kunnen ruïneren!
Ondertussen bekruipen mij meer en meer kwade voorgevoelens en vermoedens. Ik weet dat die, zacht gezegd tactloos zijn, maar ik mij er niet van ontdoen. Om een voorbeeld te geven: wellicht is Europa gewoon bang? Wellicht is het bang voor Europa, voor zichzelf? Wellicht sluit het zich voor ons af, juist omdat wij zijn eigen waarden zó ter harte hebben genomen, dat het onze eigen waarden zijn geworden? Omdat het zelf namelijk al een poos geen voeling meer heeft met die waarden? En omdat ten gronde zijn eigen doel nog enkel is – zichzelf niet te veranderen. En het juist die onmacht om zichzelf te veranderen, heimelijk als hoogste waarde koestert?
Hooggeachte dames en heren, beste vrienden, mag ik u vandaag allen samen uitnodigen om mijn medeplichtigen te worden, tegen deze onmacht? Misschien bestaat Europa inderdaad voor 99% uit Verheugens, maar niets kan mij beletten om aan dat laatste percent te blijven geloven. Te weten dat het bestaat is voor mij van groot belang. Hoe dan ook moet ik weer van vooraf aan beginnen. Ik moet mij ermee verzoenen dat mijn vorige romans simpelweg slecht zijn – en aan een nieuwe beginnen. Ik moet blijven geloven dat, zelfs met die genoemde 99%, het schrijven van boeken niet enkel de wereld, maar ook Europa kan veranderen.
Ik moet, tegen alles in, trots zijn – en misschien hebben jullie mij niet goed kunnen horen en niet echt verstaan, maar jullie hebben het niettemin geprobeerd. Vanzelfsprekend dank ik u ervoor dat mijn convulsieve motoriek, en mijn niet zeer overtuigend gesticuleren toch op uw aandacht mochten rekenen. Nog het meest dank ik u voor deze gelegenheid – waarbij ik u voor de eerste keer kon toespreken met alle bittere openheid, die zich in de afgelopen 15 maanden tussen Straatsburg en Leipzig in mij had opgehoopt.


Deze tekst werd naar het Duits vertaald door Sabine Stöhr, en ik heb weer die Duitse versie haastig vertaald, ik kijk hem nog wel eens na maar hij was te belangrijk om hem een dag te laten rusten.

10 maart 2006

Warrigheid volgens Jorn De Cock

.
In de Standaard, op p.16 vandaag, vrijdag 10 maart 2006, schrijft journalist Jorn De Cock:
Op 2 februari nam Mohammed Bouyeri zelf het woord tijdens het proces, waarbij hij een wat warrig religieus betoog hield dat draaide rond de boodschap dat "de profeet opdracht heeft gegeven heidenen te doden".

Ik zie de warrigheid niet. Wat ik mij van Bouyeri zijn woorden herinner was dat hij zich juist bijzonder precies uitdrukte, én consistent bleef met wat hij eerder op zijn eigen proces had verklaard. Maar ja ... ik heb vaak de neiging om mij te houden aan de eigenlijke bewoordingen, en tracht die niet meteen en tegen alle schijn in te duiden.
Nu begrijp ik Yorn De Cock wel hoor: hij moet een beetje proberen sussen, de zaak zo goed en zo kwaad mogelijk ontmijnen, alles wat onschuldiger voorstellen dan het is. Dat zijn immers zijn consignes, uitgesproken of niet.[*] Het is ook niet de eerste keer dat hij probeert dit te doen, en samen met hem alle goede Vlaamse journalisten.
Daarom is het goed om De Cock even te confronteren met zijn eigen artikel van woensdag 13 juli 2005.
Onder de kop “Ik zou precies weer hetzelfde doen”[**] gaf hij toen de woorden van Bouyeri als volgt weer:

[…] “Als ik de mogelijkheid zou hebben om het nog een keer te doen: ik zou precies hetzelfde doen.” […] Bouyeri had zijn advocaat de opdracht gegeven geen pleidooi te houden. De verrassing gisteren kwam toen de verdachte na het rekwisitoor van Van Straelen zelf het woord nam, om zo'n vijf minuten lang een wat onsamenhangend betoog te houden. “Wauw. U heeft het mooi geschreven”, sneerde Bouyeri eerst naar de openbare aanklager. “En u gaat mij niet onderbreken.”
Bouyeri, gekleed in een zwarte djellaba en met een Palestijnse sjaal om, wendde zich vooral tot Anneke van Gogh, de moeder van de vermoorde cineast. “Ik voel uw pijn niet. Dat kan ik niet. Ik weet niet hoe het is om een kind te verliezen dat met zoveel pijn en tranen op de wereld is gebracht”, zei hij. “Wat ik wel wil dat u weet, is dat ik uit overtuiging heb gehandeld, niet omdat ik hem haat.”
Hij ontkende ook Van Gogh hypocriet te vinden. “Dat was hij niet. Ik denk dat hij uit overtuiging dingen zei. Dus dat hele verhaal dat ik me beledigd zou voelen als Marokkaan, of omdat hij me geitenneuker zou noemen, is niet waar.”
Bouyeri zei dat hij zich heeft laten leiden door “de wet die mij opdraagt om iedereen die Allah en de profeet beledigt, zijn kop eraf te hakken”. Hij zou naar eigen zeggen hetzelfde hebben gedaan als Theo van Gogh zijn vader of zijn broer zou zijn geweest.
In de richting van de politieagenten die hij vlak voor zijn arrestatie heeft beschoten, zei hij onomwonden: “Ik denk dat zij het recht hebben om te weten dat ik niet schoot om jullie te ontzien, maar om te doden en gedood te worden.”
Bouyeri zei ook te hebben vernomen dat Van Goghs moeder er troost uit zou putten als hij de maximale straf zou krijgen. Daarbij gaf hij opnieuw aan de volledige verantwoordelijkheid voor zijn daden te nemen. Hij zou het “laf” van zichzelf vinden als hij zou proberen de maximale straf te ontlopen.
Hij draaide zich hoofdschuddend weer om naar de rechtbank: “U zult het nooit begrijpen, u kunt het niet begrijpen.” En hij sloot zijn betoog af met: “Wellicht kan dit een klein beetje troost zijn voor mevrouw Van Gogh. Voor de rest kan het me niet schelen.”

Warrig is Mohammed toch niet, Yorn? Of denk jij de Koran beter te begrijpen? Herlees even samen met mij: “U zult het nooit begrijpen, u kunt het niet begrijpen.”

________________________
[*] Die consignes zijn meestal onuitgesproken. Er is immers geen formele censuur nodig om journalisten in het gelid te houden. Hun kuddegeest en afschrijfgedrag volstaat. Zoals de scherpzinnige Élisabeth Lévy opmerkt in haar boek "Les Maîtres censeurs": Point n'est besoin en effet d'un directoire formel. Il suffit que tous pensent la même chose au même moment. (2002, Éditions Jean-Claude Lattès, Livre de Poche, p.372).
[**] Waarschijnlijk is de woordvolgorde hier onprecies opgetekend door De Cock; het zou mij niet verwonderen als Bouyeri had gezegd: "Ik zou precies hetzelfde weer doen", want die man lijkt goed Nederlands te kennen. Goed, het is niet erg in dit geval, en ik maakte mij toch al geen illusies. Exact citeren is niet de sterkste kant van Vlaamse journalisten: correct duiden hebben ze, zoals gezegd beter onder de knie. Trouwens: in zijn artikel laat hij Bouyeri het nog weer even anders zeggen. Als het aan hem ligt zullen we het nooit weten.
.

6 maart 2006

Rififi dans le Métro

.
Dit is een vervolg op de vorige blog: blijkbaar is mijn woordgebruik bij sommige goedmenenden slecht gevallen en is een verklaring van node.
Wat hieronder staat is een mail uit het jaar 1999 (en ik schreef toen nog in de gij-vorm).
Er waren op dat moment verkiezingen op komst. Ik viel op een dag per toeval en per ongeluk op een redactievergadering binnen, waar ze op zoek waren naar ideeën. Iemand vroeg mij, omdat ik er nu toch was, of ik soms een probleem had met de veiligheid? want over dat onderwerp wilden zij een stukje maken.
Ik moest lachen, en zei dat enkel mijn dochters niet volslagen vrij meer waren als ze 's nachts de straat al eens opgingen, maar dat het probleem misschien meer in mijn hoofd bestond dan in het hunne.
Tja... ik gaf onderstaand briefje toen 's anderendaags af aan de Brusselse politie, als verklaring, en met weglating van de laatste zinnen (al is elk woord daarvan waar) én met schrapping van de naam van de geadresseerde. Ik schrijf zulke zaken graag van mij af namelijk.

(alles wat hieronder in deze kleur staat is de oorspronkelijke mail)



vooraf een kleine en allicht overbodige noot : de verwijzing naar Wesley Clark was toen actueel, maar nu niet meer. Clark is natuurlijk de generaal die Amerikaanse bommen gooide op de Serviërs, op Europa dus, voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog, omdat de UCK zelf geen luchtmacht had. Yves Desmet klapte daarbij in zijn handjes, en ik heb zijn gazet sindsdien niet meer gekocht (héroïsme du kiosque!).


17 mei 1999
Dag beste,

gij vroegt mij of ik een probleem met de veiligheid had: nee natuurlijk... wel vanavond, om kwart na elven, een goeie twee uur geleden met ander woorden, ben ik in de gang tussen de metro en het Centraal Station, overvallen door vier jonge (ja... Noord-afrikaanse) kleine crapuletjes, 18-19-20jaar denk ik, misschien 16-17, weet ik veel, die mijn geld wilden. Ik was op dat moment, al stappend door die gang, ge zult het niet geloven, een artikel van een Zwitserse socioloog aan het lezen over hoe men racisme in de brede lagen van de bevolking het best aanpakt, prachtartikel van een zeer goedmenende Geneefse prof, ge moet dat ook eens lezen.

In een flits gebeurde het, een kerel, die ik niet had zien aankomen pakt mij vast in mijn rug, een andere, voor mij, duwt een mes op mijn keel en roept: donne-moi ton argent!!donne-moi ton argent!!

Ik wist eerst van geen kanten wat er gebeurde, maar ik zag dat ze met vieren waren, en verder geen kat natuurlijk, anders waren ze er niet aan begonnen: dat wisten zij eerder dan ik. Twee daarvan liepen direct een beetje in de richting van de metro misschien waren die het niet helemaal eens met de volgende gebeurtenissen. Ik zei, in een droom, zonder dat ik zelf sprak: Oui oui oui, je te donne mon argent, mais laisse-moi d'abord. Alles gaat dan heel snel, en ik dacht belachelijke dingen zoals: ik ben mijn bladzijde in mijn boek kwijt, en: als ik hem alles geef kan ik [in] Gent geen taxi meer nemen.

Die kerel trok zijn mes een beetje terug en ik grabbelde in mijn achterzak en prutste daar rap één briefje van honderd uit. Ik was achteruit kunnen drummen tot tegen de zijkant en daarop liet de andere mij los (stommerik... het waren geen professionals, eerder snotapen). Ik had eerst mijn boek en mijn soort van aktentasje van hand veranderd en had dat nu in mijn rechterhand (ik weet op dit moment alles nog zeer goed) samen met dat briefje van honderd. Ik stak dat naar hem uit en gaf hem met mijn andere hand een slag in zijn gezicht (dat was de bedoeling, maar hij kwam maar half en half aan) maar de kerel was toch geraakt en ging lopen en zijn maat ook, met of zonder dat briefje, want dat kan ook gevallen zijn, ik weet het niet.

Ik was nu een paar seconden verdwaasd en stond daar. Ik stak mijn boek in een zijzakje van mijn aktentas. Maar die gang is lang, en ik zag de 4 verdwijnen naar de metro. Dat ze wegliepen maakte in mij een vreselijke woede los: ik moest mij wreken voor de vernedering. De man die het mes op mijn keel gezet had MOEST ik hebben, ik was vernederd, daarover ging het. Het is een katteninstinkt, iets dat wegloopt is te pakken. Dat is niet redelijk en verstandig maar zo zit ik ineen, ik dacht alleen aan wraak. In meine Hallen kennt man die Rache! Moby Dick is niet voor niets het grootste boek dat ooit geschreven is. Ik haalde die kerels in op het perron van de metro; op ons perron was niemand, misschien was de vorige metro juist weg, aan de andere kant een paar ouwe mensen, en nog wat volk dat ik niet kon thuisbrengen direct: hoe dan ook, ze waren niet in staat om tussen te komen.

Ik ging naar de man van het mes, en twee kerels, ik denk dezelfden van daarstraks, gingen twintig meter verder staan. Ik zei (schreeuwde plutôt) tegen hem: rend-moi mes cent francs salaud. Ja, een mens zegt al eens iets onder omstandigheden... ou je te fais manger du cochon sale bougnoul, hoe kwam ik erbij, maar gezegd is gezegd. Zijn trouwe maat bleef bij hem staan, die zag er anders niet sale-gueule-achtig uit, ik dacht eerst zelfs dat hij er niet bij hoorde, maar hij had mij wel vastgehouden, ze waren gelukkig alletwee een kop kleiner dan ik. Nu stond ik met mijn rug naar de sporen, en hij tegen de muur, en zijn maat een meter naar links, en die twee anderen tien meter verder. Maar ik zag dat ze verbouwereerd waren dat ik teruggekomen was, dat was nu echt iets dat ze niet gedacht hadden. En er kwam volk op het perron... maar die hielden zich natuurlijk op decameters afstand.

Zijn houding was totaal veranderd: Rend-moi mon argent, zei ik, om iets te zeggen, want ik wist niet eens of hij wel geld van mij HAD, maar dat zal wel (ik kwam DAAR niet voor moet ik zeggen). Ik was ineens onzeker over mijn oorlogsobjectief, waarschijnlijk zou Wesley Clark mij hier goed begrijpen. Ik sloeg onze messenslijper nu één keer goed in zijn gezicht, terwijl ik volop aan het praten was zodat het kereltje dat niet verwachtte (ik ben nog garçon geweest in de Roeland als ik achttien was), en schopte direct daarna naar waar gij nu denkt, maar dat kwam niet echt goed aan. Hij scharrelde wel in zijn zakken en gaf mij honderd frank!... de mijne denk ik, hij zou wel zot zijn als het de zijne waren. Je vis dans la rue, zei hij... Godverdomme, nu voel ik mij nog schuldig straks, maar ja... toch niet helemaal hoor. Of wat denkt gij daarvan? Mijn adrenaline was nogal hoog en ik zei: Je te suivrai jusqu'à Molenbeek salaud. Ik gaf hem nog een paar invectieven mee, en zijn maat, die over dat varkensvlees nogal geagaceerd scheen, wist een slag op mijn tanden te placeren... het valt wel mee alleen bloedde ik een beetje aan de binnenkant van mijn bovenlip.

Nu drink ik een paar glazen wijn en dan begint dat allemaal een beetje te bezinken, maar serieus [naam]: dat is zwaren toebak hoor, een mes op uw keel.

Die twee kereltjes schopten naar mij, zonder schade, ik kon ze alletwee goed zien, de klootzakken, en ik trok mij langzaam terug, op op voorhand voorbereide stellingen. Ik wist er in mijn aftocht nog één gevoelig te raken met mijn schoentip, en ze waren niet meer echt aggressief, en dan, echt waar, wat zijn de vrouwen toch moedig, kwam er een jonge vrouw, beeldschoon allicht maar ik heb haar niet goed kunnen bezien, mij achteruit trekken: die pakte mijn schouder vast en trok! en ze zei dat ik WEG moest, dat ik WEG moest. Er stonden op ons perron, op dat moment misschien vijf jonge gasten, gewoon op hunnen tram te wachten, die mij maar lieten schoppen en slaan in verweer!!! Ik zei haar, terwijl er een soort vrede en verzoening in mij viel die alleen van vrouwen kan komen (klein nadeel van de genootschappen waar ze niet binnenmogen...): il aurait été seul, je l'aurais démoli! Je vois, je sais, zei ze, mais maintenant, fuyez: bijna was het alsof ik [vrouwennaam] tegen mij bezig hoorde op café om 4u 's morgens, twintig jaar geleden. De bougnouls waren nu haastig in een aanrijdende metro gesprongen en ik ben naar mijn trein van halftwaalf gestapt.
EN DAARIN KWAM ER EEN MOOIE, NAAR ONDERWEG BLEEK, LETSE, TWINTIGJARIGE-BLONDE, RECHT TEGENOVER MIJ ZITTEN, in een verder lege wagon, en ze heeft mij haar voornaam gezegd maar ik ben hem vergeten, recht uit Riga, haar eerste buitenlandse reis, en die leende mij haar spiegeltje waarmee ik de schade aan mijn bloedende bovenlip zelf kon zien. Le repos du guerrier.

Allez [naam], tot morgen zeker.

tussen haakjes: die blonde schone, waarvan ik even nog dacht dat het een professional girl was, vertelde mij dat zij was lastiggevallen op het perron, en zij verontschuldigde zich dat zij bij mij kwam zitten, maar ze was bang geworden... ik heb haar, alweer een toeval maar ik kan het ook niet helpen, een paar dagen later in Gent op een middag nog eens gezien met haar (student-)lief, maar ik heb haar niet meer aangesproken.

P.S. de Brusselse flikken hebben mij de dag daarop geëxpliceerd, beter dan ik het zelf had gekund, hoe zo'n overval in zijn werk gaat: twee kereltjes van net geen achttien doen het vechtwerk, en twee ouderen staan op de uitkijk, en komen enkel tussen als het hoogstnodig is (hetgeen de vrouw die mij wegtrok blijkbaar beter in de gaten had dan ik). De Brusselse flikken vonden wel dat mijn actie ok voor één keer was, maar dat ik dat toch beter niet meer herbegon. Ik geef hen gelijk. Al moet ik zeggen dat ik mij achteraf heel goed voelde, héél goed zelfs, terwijl ik met die kwestie in Gent mij veel slechter voelde de dag daarop, want ik was de situatie geen moment meester geweest, en was enkel door een toeval gered.
.

26 februari 2006

Een multiculturele éénakter. Iets voor de KVS misschien?

.
Hé, t’as une cigarette?
J’ai pas de cigarettes.
Je te DEMANDE UNE CIGARETTE!
J’ai pas.
Alors tu donnes 5 euros.
Non.
T’es cool hè? 5 euros! Un geste: moi j’suis méchant tu vois. 5 euros !

Pas d’euros.
[pousse mon épaule]
Tu veux bien dormir ce soir? 5 euros, ou t’auras un cauchemar.

Even de setting : ik sta om vijf of tien voor zeven vanmorgen op de tram te wachten aan het Wilsonplein, Gent-Zuid. Het is koud en nog wat duister maar ik heb in de Boulangerie Française drie boterkoeken gekocht voor op de trein. Schuin over mij in het wachthokje voor de cinema Capitole staan, zitten en hangen 7-8 bougnouls. Ze merken mij op, en twee komen er naar buiten. Eén steekt over, en neemt de vrijheid om het woord tot mij te richten, zoals beschreven.
Misschien kan ik beter de aanduiding Fransman gebruiken in plaats van bougnoul, want zijn accent was mooi, niet van dat Brelfrans dat je in Sint-Joost-ten-Noode en omstreken altijd hoort. Ik kan mij vergissen maar het leek me eerder een burger van Rijsel of Robeke of Sint Omaars.

Hoe ging deze éénakter verder, wilt u weten: ik had in mijn linkerhand mijn boekentasje, met mijn boterkoekenzakje onder mijn wijsvinger geklemd. Met mijn rechterhand in mijn broekzak probeerde ik discreet mijn Zwitsers zakmesje open te maken, een klein maar misschien nuttig dingetje in deze précaire omstandigheden. Ik wist echter niet of ik niet het nagelvijltje in plaats van het mesje had opengemaakt. De rest van die kerels bleef rustig toekijken van achter het glas van het bushokje.
Plots passeert er achter mij een flikkenkarretje, inch Allah! en die reden traag in de richting van de rosse buurt die zij altijd met gezonde ijver inspecteren. Het kan dan zeven uur zijn geweest.

Mijn toevallige nieuwe vriend ging hierop enkele passen achteruit, riep nog iets dat ik niet verstond en …dan kwam Tram Twee plots aangereden! Omdat het zo'n vroege tram was zaten er twee "controleurs" op en die vroeg ik om even te bellen naar bevoegde instanties.

En al vind ik dat de bougnouls tegenwoordig iets te veel van de openbare ruimte inpalmen, en dat daar misschien iets aan moet worden gedaan: je ziet hier toch dat een multicultureel verhaal niet enkel op de televisie of in de krant maar soms ook in het werkelijke leven een happy end kan hebben ...als de omstandigheden een beetje meezitten!

.

13 februari 2006

Nog een geluk dat ik als brave atheïst niet te snel beledigd ben!

.


Bart De Wever schrijft graag eens over de grote verbanden in de geschiedenis. Vandaag in de Standaard heeft hij het over de Vikingen, en over de vooroordelen die onze voorouders tegen hen koesterden. Ik weet daar niets van af en in zulke gevallen verlaat ik mij graag op het oordeel van een historicus. Het is met inwijkelingen vandaag nog altijd hetzelfde liedje, zegt hij.
De Wever legt evenwel weinig precisie aan de dag als hij het gezegde Nil novi sub sole toeschrijft aan "de Romeinen van meer dan 2000 jaar geleden".
Hij moet er zijn Oud Testament eens op naslaan, onder Prediker. Voor de Latijnse vertaling daarvan, de Vulgaat, moeten we weer bij de Heilige Hiëronymus zijn, en dan is het al gauw 4de-5de E. p.C.n., flink na de oude Romeinen.*
En nu mag die Hiëronymus een onaangename mens zijn geweest –hij lachte bijvoorbeeld geregeld de Heilige Augustinus uit, omdat die volgens hem niet goed Grieks kende en dus van de Heilige Schrift niet veel afwist– dat geeft De Wever geen vrijbrief om even een Europese heilige te oblitereren..
____________

* In de Statenvertaling: De Prediker, 1;9 ..Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon. (nihil sub sole novum)

7 februari 2006

Spijtig dat wij met onze vele ministers, niet ook een minister van Buitenlandse Zaken bezitten

.
Vanavond zekere Karel De Gucht bezig gehoord, en aanvankelijk had ik de sterke indruk – mede door die zonnebril misschien – dat deze man wel iets van buitenlanden afwist.
Dat bleek ook het geval. De Gucht stond bijvoorbeeld op een goed blaadje in Kongo. Hij was daar goede maatjes met de plaatselijke machthebbers en dat maakte op mij, en ik neem aan op iedereen een uitstekende indruk. Al zeg ik meteen erbij dat ik persoonlijk Kongo altijd slecht heb kunnen inschatten. Ik houd weliswaar van dat land en zijn leiders, maar het is voor mij toch meer een kwestie gebleven die nog uit de Belgische tijd stamt.

Er zijn evenwel vele buitenlanden, en je hoorde hem ook bezig over dichtere buren, zoals de Denen. Hun premier Rasmussen had een gebrek aan empathie vertoond in de cartoonkwestie, vertelde ons Karel De Gucht, en dat was niet goed.
Wat hij onder “empathie” precies verstond kon ik weer niet goed verstaan, en die vraag werd hem ook niet gesteld, misschien om redenen van kiesheid.
Vanaf dat moment nochtans kwam er enige onrust over mij. Met dat onduidelijke begrip empathie van hem moest ik ineens denken aan de recente episode waarin Karel onze naaste buren zo ongeciviliseerd had aangesproken. Die Potterkwestie. En daarop die leugens. Balkenende reageerde toen gelukkig als een volwassen burger, maar wat zal Rasmussen, een Viking tenslotte, van zulke Freya-achtige opmerkingen maken?

Mijn onrust werd er niet minder op toen daarna Karel De Gucht begon over een verbod op afbeeldingen van de profeet (geheiligd zij zijn naam). Zulke zaken moet je toch beseffen, was zijn boodschap: al sinds de zesde eeuw zijn deze afbeeldingen verboden, en dat is daarna nooit meer veranderd.

Nu kun je daar twee dingen op antwoorden: de profeet is talloze malen afgebeeld, ook door islamieten, tot in onze Middeleeuwen, én in de zesde eeuw waren er nog geen islamieten.
Iedereen kan zich vergissen, en Karel heeft een onmenselijk zware job, maar toch hoop ik dat niet de hele Europese geschiedenis hem pas een eeuw later duidelijk wordt.

.

5 februari 2006

Gelukkig hebben wij sterke politici, die "systematische" uitspraken strafbaar hebben gesteld!

.
Hoe vreselijk is niet de vloek die het mohammedanisme legt op zijn volgelingen! Naast de fanatieke waanzin, bij de mens al even gevaarlijk als de dolheid bij de hond, is er die ontzettende, fatalistische apathie. Die effecten zijn te zien in vele landen. Onbesuisde gewoontes, onzorgvuldige landbouwsystemen, luie handelsmethoden en onzekerheid over eigendom zijn de regel, overal waar de volgelingen van de profeet leven of het voor het zeggen hebben.
Een ontaard sensualisme ontneemt aan het leven elke gratie of verfijning; vervolgens ook de waardigheid en heiligheid. Het feit dat onder mohammedaanse regelgeving elke vrouw noodzakelijk aan een man toebehoort, als zijn absolute eigendom – weze het als kind, vrouw of bijzit –, zorgt ervoor dat de afschaffing der slavernij er niet zal komen vóór het geloof van de islam, als grote macht onder de mensen, heeft opgehouden te bestaan.
Individuele moslims kunnen prachtige kwaliteiten hebben. Duizenden zijn moedige en loyale soldaten van de Queen; allemaal weten ze hoe de dood in te gaan; maar de invloed van hun religie paralyseert de sociale opgang van hen die haar volgen.
Een sterkere retrograde kracht is er in de wereld niet. Ver van zieltogend te zijn, is het mohammedanisme een militant en wervend geloof. Nu al heeft het zich verspreid in Centraal Afrika, en bij elke schrede werft het onverschrokken krijgers; als er niet de sterke armen van de wetenschap waren om het christendom beschutting te geven – de wetenschap waartegen het tevergeefs heeft gestreden – dan zou de beschaving van het moderne Europa best kunnen vallen, zoals ook de beschaving van het oude Rome viel.

4 februari 2006

John Stuart Mill: excerpt uit "Over de Vrijheid"

.
Ter intentie van Jack Straw, die vindt dat de cartoons niet meer mochten worden vertoond, uit kiesheid. Dat er op grond van bewuste leugens tegenover parlement en bevolking een oorlog wordt gevoerd, vindt hij minder onkies.
En ter intentie van de advocaat Top, die meent dat het verschil maakt of de cartoonisten "wisten dat zulke tekeningen verboden waren..." Deze mijnheer Top vraagt, daar komt het op neer maar hij wil dat nu nog niet zeggen, onderwerping van het Westen aan de waarden van de islam, eens wij op de hoogte zijn van die waarden! In de koran wordt inderdaad een onderscheid gemaakt tussen de ongelovigen: zij die van niet beter weten, en zij die kennis hebben van de inhoud van dat eeuwige boek, maar er ongevoelig voor wensen te blijven. Het wordt tijd dat deze man Top een klassieke Europese tekst onder ogen krijgt. Het zal zijn integratie bevorderen.

John Stuart Mill
(1806–1873)
On Liberty
(1869)

Hoofdstuk II:
Over de Vrijheid van Gedachte en Discussie
(pp. 52-3 en 57)

DE TIJD ligt achter ons, mogen wij hopen, dat er nog behoefte was aan enige verdediging van de “persvrijheid” als zijnde één van de waarborgen tegen een corrupte en tirannieke regering. Er is verder, mogen wij veronderstellen, geen noodzaak aan argumenten tegen het invoeren van wetten of maatregelen die, onder miskenning van het volk, hen opinies willen voorschrijven, en bepalen wat voor leerstellingen of wat voor argumenten je ten gehore mag brengen. Dit aspect van de vraag overigens, is al zo vaak en zo triomfantelijk benadrukt door vroegere auteurs, dat er hier niet speciaal op moet worden geïnsisteerd.
Al is de Engelse wet, wat betreft de pers, op deze dag nog even slaafs als ze het was ten tijde van de Tudors, er bestaat weinig gevaar voor dat zij effectief zou worden toegepast tegen het voeren van het politiek debat, tenzij dan bij een tijdelijke paniek, waarbij de vrees voor oproer ministers en rechters uit hun fatsoen brengt; en, algemeen gesproken, er valt in rechtsstaten niet voor te vrezen dat de regering, of zij nu aan de bevolking volledige verantwoording verschuldigd is of niet, zomaar zal trachten om controle uit te oefenen op de vrije meningsuiting, tenzij zij zichzelf daarbij tot spreekbuis maakt van de algemene intolerantie van het publiek. Laten wij dus veronderstellen dat de regering en het volk volledig overeenkomen, en dat zij er nooit over zal denken om enige dwang uit te oefenen, tenzij dat zou gebeuren in overeenstemming met wat zij ziet als de stem van het volk.
Maar ik betwist het recht van het volk om zulke dwang uit te oefenen, noch door het volk zelf, en evenmin via zijn regering. Die macht is op zich illegitiem. De beste regering kan er niet méér aanspraak op maken dan de slechtste. Zij is even verderfelijk, nee, verderfelijker als zij wordt uitgeoefend in overeenstemming met de publieke opinie, dan er tegenin. Als de gehele mensheid minus één er een bepaalde opinie op nahield, en slechts één persoon het tegenovergestelde dacht, dan zou het voor de mensheid niet méér gerechtvaardigd zijn om die ene persoon het zwijgen op te leggen, dan dat deze, als hij de macht daartoe had, gerechtigd zou zijn om aan de mensheid het zwijgen op te leggen. Veronderstellen we dat een opinie een persoonlijk bezit zou zijn, van geen waarde tenzij voor de bezitter zelf; als nu onderdrukking bij de uitoefening hiervan simpelweg een persoonlijk letsel was, dan zou het enig verschil uitmaken of dat letsel werd aangedaan aan slechts enkele, ofwel aan meerdere personen. Maar het specifieke kwaad van de onderdrukking van een standpunt bestaat er juist in dat de mensheid als geheel wordt bestolen; de nakomelingschap zowel als de huidige generatie; diegenen met de afwijkende mening natuurlijk nog meer dan diegenen die akkoord gaan. Betreft het een correct standpunt, dan worden zij beroofd van de mogelijkheid om dwaling in te ruilen voor de waarheid: bij een incorrect standpunt verliezen zij een bijna even hoog goed, het scherpere beeld en de levendiger indruk van de waarheid, voortkomend uit haar botsing met de dwaling.
Het is nodig om deze twee hypothesen afzonderlijk onder ogen te nemen, en met elk van beide komt een onderscheiden tak van de argumentatie overeen. Wij kunnen er nooit zeker van zijn dat de opinie die wij trachten te onderdrukken een valse opinie is; en zelfs als wij daar zeker van waren, dan nog zou die onderdrukking een kwaad zijn. [...]

Hoe eigenaardig, dat mensen de geldigheid van de argumenten ten gunste van de vrije discussie zullen beamen, en tegelijk bezwaar hebben om deze “tot het uiterste te drijven”. Zij zien niet in dat als argumenten niet deugen in een extreem geval, zij voor geen enkel geval deugen. Hoe eigenaardig, dat zij zich inbeelden dat zij zichzelf géén onfeilbaarheid aanmeten als zij erkennen dat er vrije gedachtenwisseling moet zijn over alle onderwerpen die mogelijk aan twijfel onderhevig zijn, maar toch denken dat een bepaald principe of een bepaalde doctrine verboden dient te worden omdat zij zo zeker is, bedoeld wordt, dat zij zo zeker zijn dat zij zeker is. Om gelijk welke opinie voor zeker te verklaren, zolang er iemand overblijft die dat zou ontkennen als hij de mogelijkheid kreeg, maar die niet krijgt, staat gelijk met de bewering dat wijzelf, en onze gelijkgezinden, de rechters der zekerheid zijn, en rechters die de andere partij niet horen. [...]

vertaald uit: Mill. Selected and edited
by Alan Ryan, New College, Oxford
(expanded and revised edition, W.W.Norton & Company, New York & London, 1997)
A Norton Critical Edition


Bij wijze van post scriptum (in dit geval ante scriptum):

Immigratie is, bij gebreke aan etnische overeenstemming, een factor van burgeroorlog zolang de burgers er niet toe zijn gekomen om met één adem te ademen.

Daarom ook dat bij hen die tot nog toe vreemdelingen hebben aanvaard om samen met hen een stad op te richten, of om ze in de bestaande stad te integreren, de meesten burgeroorlogen hebben gekend.
Aristoteles

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html