30 augustus 2008

De zoon van Paul Goossens spreekt al !

.
Jan Goossens, zoon van zijn vader en artistiek leider van de KVS, vertelt vandaag in De Standaard dat de islam helemaal in Europa thuishoort. En wie anders zegt is een dwingeland, en van Istendael is een dwingeland eerste klas.
Mooi, maar Goossens heeft zijn feiten niet goed op een rijtje, en ook zijn er woordjes waar hij nog niet goed overweg mee kan.
Zijn artikel is te lang en te vervelend om het helemaal door te nemen, de zon schijnt buiten, maar een enkel zinnetje zullen we toch bekijken. Hij schrijft:

"Alsof de islam niet al sinds de 7de eeuw deel uitmaakt van onze Europese traditie, maar handig uit de meeste geschiedenisboeken is weggegomd."

(Vooraf iets over dat "weggommen". Misschien dacht Jan, gegrepen als hij is door het multiculturalisme, aan Arabische gom, of anders aan een stukje vlakgom, maar zijn werkwoord is in het Nederlands onbekend.)

Intrigerender is zijn mededeling over de 7de E.
Waar in Europa was de islam toen aanwezig, volgens Jan? Het Iberisch schiereiland kan hem niet voor ogen hebben gestaan, want ik neem aan dat hij, als hoogopgeleide zoals hij zelf zegt, goed weet dat de bloedige islamveroveringen daar pas in de achtste eeuw zijn begonnen, ongeveer honderd jaar na de veronderstelde Mohammed zijn hegira.
Nu ja, zult u zeggen, sub specie æternitatis, wat is honderd jaar? Akkoord, maar in de zevende eeuw was die islam volgens Jan zelfs al een deel van onze Europese traditie!

Dat zal dan toch een zeer jonge, en bovendien onvrijwillige traditie zijn geweest, want zelfs in de Arabische wereld was het christendom toen nog overwegend, al was de uitroeiing al flink op gang gekomen.

Misschien dat voor een adoptieve Brusselaar het woord traditie een andere betekenis heeft dan wij gewend zijn. Tenslotte hebben ze daar sinds kort ook de aloude Zinnekenstraditie.
.

25 augustus 2008

Een Franse clown

.


De Amerikanen hebben dekens gestuurd, en de Esten dokters, maar het waren ongetwijfeld de Fransen die de Zuid-Ossetiërs uit de nood hebben geholpen, met hun aanbod om de nouveau philosophe Bernard-Henri Lévy te sturen.
Lévy, deel uitmakend van een brigade intellectuelen die vanuit Parijs op zending kwam, maakte grote indruk in het Marriott-hotel in Tbilisi, waar hij veilig genesteld zat, geëntoureerd door zijn eigen cameraman, fotograaf, uitgever en lijfwacht.
“Hen te zien krijgen is niet zo moeilijk,” zegt een hotelgast. “Ze lummelen rond in het foyer, stoten rookwalmen uit, en maken gewichtige gebaren. .BHL is in zijn element, met zijn witte hemd wat verkreukt, zijn haar gecoiffeerd met een windtunneleffect, terwijl hij parfum afgeeft.”
Op de vraag wat hem heeft aangespoord om zich in het oorlogsgebied te begeven, beklemtoont hij dat zijn bezoek niet louter symbolisch is. “Ik ben een geëngageerde intellectueel,” zegt hij met nadruk. “Ik ben gekomen omdat ik meen dat de inzet hoog is.”
Nu is het niet voor het eerst dat hij zich mengt in de internationale diplomatie. Bij het Bosnische conflict wilde hij zich opwerpen als bijzonder onderhandelaar, en laatst reisde Lévy nog af naar Darfoer.
Wellicht is het zijn bekendheid met de wrede finesses van de oorlogvoering, die hem toelaat om ook de zonzijde te zien.
“Aan dit conflict zit een kant die nog zo kwaad niet is,” laat hij filosofisch weten, “en wel dat Georgië nu op de kaart staat.”
____________

Noot van 29 augustus:

Het Nederlandse
dagblad Trouw brengt een verhaal van verslaggever Jelle Brandt Corstius, vanuit Tschinvali. Anders dan Bernard-Henri Lévy, die in Le Monde verslag mocht doen van plekken die hij nooit had bezocht, en van gebeurtenissen waar hij niet bij was geweest, geeft deze man een gedetailleerd beeld van de toestand ter plekke.
Het is een raadsel hoe bij een krant als
Le Monde er blijkbaar niet één eindredacteur zat, aan wie het opviel dat het verslag van hun BHL, louter op stilistische kenmerken afgaand al, onbetrouwbaar en gefingeerd moest zijn. Zo'n sierlijke, en quasi-bezadigde toevoeging als légère, in "L'odeur, légère, de putréfaction..." ...dat ruikt toch verdacht?
Voor een beetje eindredacteur is zulk een wending de signatuur van een
mooiig schrijvende, narcistische fabulator.

.

19 augustus 2008

Van Der Kelen slaat de plank lelijk mis

.
Van Der Kelen is een beetje het slachtoffer van de overdaad aan Sport in zijn Laatste Nieuws. Bijvoorbeeld aan mij is sport niet besteed*, en dan moet Luc Van Der Kelen daar onverdiend mee voor boeten. Desmet en Vandermeersch hebben al wat minder last van Sport, en dus mogen zij hier bij victacausa vaak langskomen, voor de gratis master classes.
Hij nooit. Zijn naam valt wel eens, maar altijd terloops en naar aanleiding van iets anders. Nochtans zijn De Standaard of De Morgen helemaal niet beter dan Het Laatste Nieuws, en meestal zelfs een ietsje klunziger geschreven.
Nog iets: dat Van Der Kelen openlijk uitkomt voor zijn B-plusserschap moeten we hem goed rekenen, en die twee anderen mochten stilletjesaan zich ook eens outen, want misschien hebben zij hun moeder wel op de hoogte gebracht, maar wij lezers weten nergens van.

Het is dus de hoogste tijd om een en ander recht te zetten. Vandaag lezen wij exclusief Van Der Kelen, en geen Desmet of Vandermeersch komt er nog in.

In Het Laatste Nieuws (bovenaan op p.2) heeft de man altijd een klein, horizontaal – ik kan het geen kolommetje noemen omdat een kolom, of zuil als u wilt, altijd iets verticaals voorstelt – laten wij dus zeggen: een klein horizontaal plankje.
Vandaag was dat getiteld: “Don Quichotte tegen de Vlag”. .En Luc maakt zich behoorlijk kwaad op een partijgenoot van hem, Willy De Waele, burgemeester van Lennik. Hij noemt ter inleiding eerst nog enkele andere burgemeesters, zoals Nols en Happart, en trekt daarna goed van leer:

[…] . Nu is er de onvolprezen burgemeester van Lennik, Willy De Waele. Hij is de Don Quichotte, de man die vecht tegen (Belgische) vlaggen. Zijn doel: beroemder worden dan Michel Doomst en Leo Peeters samen, denk ik. Zijn methode: burgerlijke ongehoorzaamheid. Zijn wapen: onverzettelijkheid tot op het randje van het ridicule. Heb er zo een paar en het is hier straks Kosovo.

Die laatste zin klinkt misschien wat paniekerig, maar we mogen niet vergeten dat zo’n stukje altijd onder een zekere tijdsdwang tot stand komt.

Willy De Waele vindt België een pierenlandje, hij zal de vlag niet meer hangen zolang het land niet quasi opgedoekt is.

Misschien lezer, zou u liever uitdrukkingen als “de vlag hijsen”, “uithangen” of eventueel “uitsteken” gezien hebben. En inderdaad, Barbertje moet dan wel hangen, maar van vlaggen wordt dat in het Nederlands niet gezegd.

Als die FDF’ers ongehoorzaam mogen zijn, waarom hij dan niet. Nu van veel dingen één:

Licht gallicisme, maar dat zullen wij een B-plusser niet ten kwade duiden.

een burgemeester is verplicht de wetten van het Belgische volk te doen toepassen. Alle wetten, niet enkel diegene die hem goed uitkomen. Een burgemeester staat in voor de openbare orde. Deze burgemeester lokt ordeverstoring uit. Iedere dag komen er actievoerders zijn gemeentehuis bevlaggen en laat hij ze weer weghalen.

Uitlokking van een misdrijf? Alweer tijdsdruk wellicht, maar die kan niet verklaren dat ook zijn grammatica begint te haperen. Bij een beetje schrijver is die een automatisme. Wie of wat bedoelt Luc hier met “ze” ? vlaggen of actievoerders ?

Een burgemeester wordt geacht respect op te brengen voor de overheden en het democratisch regime, niet naar keuze alleen die van het Vlaams Parlement; Het Belgisch parlement is ook zijn parlement. Als dat de heer De Waele niet zint, moet hij koppels niet trouwen met de tricolore sjerp rond zijn buik. Dat hij dan consequent is en ontslag neemt wegens ‘morele onmogelijkheid tot besturen’ . Tussen haakjes: waar zit die strenge meneer Keulen nu? Durft hij een partijgenoot niet tot de orde te roepen, als hij over de schreef van de welvoeglijkheid gaat en ophoudt een vertrouwenspersoon te zijn voor al zijn onderdanen? En wat doet zijn partij, Open VLD? Zwijgen is instemmen.


En nu nemen we de laatste Le Soir ter hand.
Daarin zegt ene Christian Behrendt, professeur de droit constitutionnel comparé et de théorie générale de l’Etat à l’Université de Liège, onder meer dit (en ik vertaal snel, maar de Franse tekst staat hier):

[…] Maar wat betreft het bevlaggen, op een “gewone” dag, van gebouwen die niet onder federale bevoegdheid vallen (gewestelijke, regionale, provinciale of gemeentelijke bouwwerken), zijn het voortaan niet meer de federale, maar de gefedereerde entiteiten en hun ondergeschikte organen aan wie de reglementering toekomt. Zo heeft de COCON (coördinatiecommissie van de Nederlandstaligen) haar beschikkingen uitgevaardigd die het bevlaggen van haar Brusselse gebouwen regelt. En zij preciseert – volkomen wettelijk – dat er slecht drie vlaggen kunnen getoond worden: de Vlaamse in het midden, de vlag van de COCON, en de vlag van het Hoofdstedelijk Gewest Brussel.(3).
Opmerkelijk: de nationale vlag wordt niet gehesen. Voorts heeft de Vlaamse Gemeenschap voorzien – volkomen wettelijk alweer – dat de nationale vlag niet als enige gehesen mag worden maar dat, als hij vertoond wordt, hij naast zich altijd de Vlaamse vlag moet hebben.
(4).
Overigens, als zij beide gehesen worden, op een “gewone” dag, dan is het de Vlaamse vlag die de voorrang heeft.
(5).
Ten slotte, en altijd sprekend over “gewone” dagen, mag de Vlaamse vlag als enige gehesen worden,
zonder de nationale aan zijn zijde.(6):
de burgemeester van Lennik heeft dat goed begrepen.


Ja, waarde Luc Van Der Kelen! die kerel lijkt mij geen lid te zijn van uw vereniging B-plus.
En waar staat u nu ? ...met uw vergelijkingen met manifeste wetsovertreders als Nols, Happart en die FDF’ers? en met uw convocatie van Marino Keulen?
En met uw grote woorden over democratie, die blijkbaar op een totale onwetendheid van de Wet waren gebaseerd, en die verder dus veronachtzaamd zullen worden?

______________

* Ich bin gegenüber allen sportlichen Geschwindigkeits- oder Geschicklichkeits­rekorden unentwegt auf dem Standpunkt des Schahs von Persien stehen­geblieben, der, als man ihn animieren wollte, einem Derby beizuwohnen, orientalischer Weise äußerte: »Wozu? Ich weiß doch, daß ein Pferd schneller laufen kann als das andere. Welches, ist mir gleichgültig.«

Stefan Zweig
Die Welt von Gestern
.

18 augustus 2008

Eens een andere klok.


.
Onderstaand stuk, dat in de Frankfurter Allgemeine van 16 augustus stond, en dat een antwoord is op een brief van de Franse filosofen Glucksmann en Lévy in Libération, laat een andere stem horen dan wat wij in onze eigen afschrijfkranten gewend zijn. Op te merken valt dat deze Lévy niet aan zijn proefstuk was, en dat hij bijvoorbeeld in 1999 de Amerikaanse bombardementen op Europa goedkeurde en er zelfs om smeekte (hierin vanzelfsprekend gevolgd door onze eigen pers). Hij schreef toen een infame brief, gericht aan Régis Debray, die het bestaan had om een genuanceerd standpunt in te nemen ("Adieu, Régis Debray", Le Monde, 14 mei 1999).


Georgië en Rusland
Belangen ? Wij ?
Lorenz Jäger

Het gaat, als je deze intellectuelen mag geloven, om mensenrechten, om democratie, om de toekomst van een vrij Europa. Om niets anders. Niet om die pijplijnen die de olie van de Kaspische Zee helemaal langs Iran voeren, niet om een strategische inkapseling van Rusland door het min of meer openlijk infiltreren van de NAVO in de buurstaten. Ook deze keer ontdekken André Glucksmann en Bernard-Henri Lévy de humanitaire waarden, net op het moment dat er aan Amerikaanse belangen wordt geraakt. Alleen: daar spreken zij niet van.
Is Georgië in Zuid-Ossetië met het geweld begonnen? De vraag alleen al is „obsolète”, achterhaald, menen beide filosofen.
Donderdag publiceerden zij in de krant Libération een manifest onder de titel „SOS Georgië? SOS Europa!“, gesteld in de alarmistische toonaard die we van hen gewend zijn: tegen elke enigszins doordachte diplomatieke demarche brengen zij het spook van het „vroegere en huidige fascisme“ in stelling. Ja, de diplomaten betitelen zij – daarbij verwijzend naar een grotesk nevenpersonage bij Proust – als „onze Norpois“, wat zoveel wil zeggen als: historische naïevelingen en bakkers van platte broodjes.

Een keerpunt

Op één punt moet men de auteurs bijtreden: er is in de Russische politiek een keerpunt bereikt. Het riskante avontuur van president Saakasjvili, die in Zuid-Ossetië door middel van geweld een voldongen feit wilde creëren, is mislukt. Rusland heeft aangetoond dat het in staat is tot zelfhandhaving in de regio – of dit nu in de smaak valt bij de Europeanen of niet.
De beide filosofen zien dat anders. Als zij het hebben over de „autocratie“ van Poetin, dan proberen ze de oude angsten voor een tsarenbewind aan te wakkeren. Rusland moest maar eens uit de G8 gezet worden, eisen zij, en meteen ook uit de Raad van Europa. En dan gaat het ineens tóch tegen de Duits-Russische gaspijplijn die langs Polen loopt – zo komt de materiële grondslag alsnog ter sprake! .„Durf” moeten we in Europa zien los te krijgen, en scherpzinnigheid. „Anders is het dood.“
De stemmen van Glucksmann en Lévy vinden gehoor in Europa, zo hebben zij bijvoorbeeld in Duitsland de portaalsite „Perlentaucher“ aan hun zijde. Rusland daarentegen vindt vandaag nauwelijks pleitbezorgers onder de Europese koppen van niveau, en het „Westen“ laat zich als normatief ideaal gelden. Er zijn wel politieke correspondenten en commentatoren met een meer bezonnen oordeel, maar onder intellectuelen domineert de naakte russofobie. Alexander Solzjenitsyn is dood, en met hem de enige stem die ook bij westerse geesten mogelijk nog gehoor had gevonden – maar hadden zij niet, al lang voor zijn dood, alles wat van deze grote metafysische nationalist afkomstig was, weggeregeld? Op kop Glucksmann, die zich enorm verdienstelijk maakte bij de verspreiding van de „De Goelagarchipel“, maar van de latere Solzjenitsyn zich distantieerde. Misschien was Émile Cioran wel de laatste die, bijna vijftig jaar terug, in zijn essay „Rusland en het Virus der Vrijheid“ om begrip vroeg voor de Oostelijke grootmacht, en dat deed met filosofische argumenten die ook voor een westerse intellectueel toegankelijk waren. Men moet hem opnieuw lezen, om deze dagen niet versuft te raken.

Anti-Russische neigingen

In Europa is er sprake van een anti-Russisch gevoel. Men dient het te onderkennen, maar niet er zich klakkeloos door te laten imponeren. Dit gevoel is juist in geval van conflict altijd mobiliseerbaar, zoals reeds ten tijde van de Krimoorlog in de Britse pers de Orthodoxe religie gedemoniseerd werd als zijnde barbaars en achterlijk. Voor de wereldopinie gold het regime van de tsaar toen al snel als „Vijand van de Mensheid“. En aangezien het een “nest van de reactie” was, zongen ook Marx en Engels een stevig partijtje mee in het anti-Russische koor.
Gelukkig zijn er vandaag ook andere stemmen, ook bij Libération. Bernard Guetta, voormalig Moskou-correspondent voor Le Monde, begint bij de vaststelling dat Saakasjvili in geen geval de enige schuldige is in dit conflict, en dat klinkt al bezadigder. Hij waarschuwt wel tegen een verder doordrijven van de NAVO-perspectieven voor Oekraïne en Georgië – wat Glucksmann en Lévy laatst in de lente nog hadden bepleit in een open brief aan Angela Merkel.
Deze advocaten van de mensenrechten maken op de duur hun eigen zaak belachelijk, als zij de discussie over de belangen uit de weg gaan – die van de Verenigde Staten in de eerste plaats, maar ook, nauwelijks nog een geheim, die van Israël. En het past intellectuelen, die de plicht hebben om een kritische balans op te maken, om de nieuwe ordewoorden uit Parijs aan te horen met de nodige scepsis, die hun waarmerk is. En ja, Glucksmann en Lévy zijn beslist intellectuelen. Maar uit hun martiaal manifest spreekt niet de taal van de rede.

.
___________________

Noot van 23 augustus: Dat Bernard-Henri Lévy niet meer is dan een pathologische fabulator, werd hier eerder al beweerd, maar wat naar aanleiding van het artikel in Le Monde verscheen bij RUE89 slaat werkelijk alles. Merkwaardig dat Le Monde zich nog wil laten vangen aan de praatjes van die schertsfilosoof.
.
.

6 augustus 2008

Zwijgen als het Hof gesproken heeft !

.
Het mag warm geweest zijn deze zesde augustus, laten wij toch eens kijken wat Walter Pauli vanochtend in De Morgen te vertellen had in een stukje dat wellicht nog in de koelte van de nacht tot stand was gekomen.

Kijk begin augustus maar goed uit met 'groot nieuws'. Ooit heette dit 'de pruimentijd', toen kinderen gedichten leerden als 'Jantje zag eens pruimen hangen'. 'Pruimen' zijn nu de metafoor voor primeurs: unieke, belangrijke en spectaculaire nieuwsberichten die slechts één medium heeft.Vroeger moesten die ook juist zijn. Nu niet meer.
Beste en schaarse zomerse lezer! voor we verder gaan, zult u van mij enkele stilistische opmerkingen bij Pauli zijn laatste geschrift moeten accepteren.
Om te beginnen zijn we amper drie zinnen ver in zijn artikel, en hebben we al zes nauwelijks gejustifieerde aanhalingstekens gehad. Ik besef dat soortgelijke opmerkingen mensen kunnen irriteren, en daarom hou ik er na de volgende alinea mee op.
Een kind weet dat Walter bij een echte Nederlandse krant geen kans zou krijgen, al was het vanwege zijn kleffe nadrukkelijkheid. Dat overigens pruimen een metafoor zou zijn voor primeurs, op zich een metafoor, was nieuw voor mij. Gentse biljarters hoor je het woord pruim nog wel eens gebruiken voor een gelukstreffer, een carambole die enkel door hoeresjanse lukte. Erg is dat niet – waarom zou Pauli hoeven weten dat primeur een Frans woord is, met een oorspronkelijke betekenis? Het is niet onmogelijk dat de gemeenschappelijke beginletters pr hem in verwarring hebben gebracht. Alliteraties zijn tenslotte een soort stafrijmen, en stafrijmen zijn stapstenen waarop wij steunen met de stemme, leerde ons de Dichter. Hij leerde ons niet om meteen ook de gedachten daarop te laten steunen.
Neem de twee recentste primeurs. Primeur één: koning Albert koopt een Toscaanse villa. Meer nog: een kasteel, een paleis. Kostprijs: 50 miljoen euro. En dat voor een vorst die vorig jaar zijn vermogen bekendmaakte: 12,4 miljoen euro. Oproer, want de koning had zijn land voorgelogen. Of ook: Albert koopt een ballingsoord voor het geval België splitst, want zo bespaart hij zijn familie het lot van de Romanovs.
Helaas, het nieuws klopte niet. Het paleis ontkende formeel. Geen enkele kenner geloofde er iets van. Het bewijs stopte met de verkoper van het vastgoed die zei gecontacteerd te zijn door een Belgische edelman met goede connecties met het hof. Huh huh. Een broodje aap, zij het met een royale portie saus.
Nu weet ik niet of Albert Coburg misschien nog een ongedeclareerd fortuintje bezit, voortbouwend laten we zeggen op dat van Leopold, met zijn baard en zijn bloedrubber? Dat geld zal toch niet allemaal opgesoupeerd zijn?
En verder is het toch woord tegen woord ? . Mogen wij burgers – geen kenners – al niet meer twijfelen bij formele ontkenningen van het Hof ?
Neen! .zegt Pauli, als een vorst spreekt, is het ongepast dat zijn onderdanen twijfels blijven koesteren. Het woord van een roturier weegt niet half zo zwaar als dat van een edelman, volgens de Paulinische Grondwet.
Een dochter ontkennen mag dat Coburgkereltje dan gedaan hebben, maar hier spreken wij over serieuze kwesties: .Geld ! . Na het noemen van dit heilige woord, is het verder uitzoeken van de waarheid niet minder dan een impertinentie.
– Ce Pauli-là, il n'a pas froid aux yeux, zal Albert met genoegen hebben vastgesteld.

Een royalistische kruiper, die vaag en ver een adeltiteltje beoogt: dat misstaat nergens, ook niet bij De Morgen.
Tenslotte publiceerden ze daar vroeger al op hun titelpagina, volle breedte,
cinq colonnes à la une, interviews die nooit of nimmer hadden plaatsgehad.

Vroeger moesten die ook zo juist niet zijn!

.
.

29 juli 2008

Hand in hand tegen huwelijksdwang ?

.

Vrijheid gaat aan wetten voorbij?

Necla Kelek

Toen ik in 2005 in mijn boek “De vreemde bruid” er op wees dat moslimvrouwen worden uitgehuwelijkt – gearrangeerd of onder dwang – en dat zij in Duitsland als echtgenoten geïmporteerd worden, kwam er protest van de kant van moslims, van Turken en van hun politieke vrienden. Mij werd toegedicht dat ik alleenstaande gevallen opblies, en politica’s van Turkse origine lieten openlijk weten dat zij uit liefde getrouwd waren, enkel maar om mij te bewijzen dat dwanghuwelijken, noch met hun cultuur, noch met de islam enig uitstaans hadden. Migratiewetenschappers eisten “gerechtigheid voor moslims” en verdedigden importhuwelijken, als zijnde een reflex op de restrictieve immigratievoorwaarden.
Inmiddels is het onomstreden dat hier in dit land jaarlijks duizenden moslimvrouwen en -mannen door hun familie in een huwelijk gedwongen worden. De vrouwenhuizen en consultatiebureaus zitten vol, omdat jonge mensen vrezen dat zij uitgehuwelijkt zullen worden tijdens de vakantie in het thuisland van hun ouders.

Hand in hand tegen huwelijksdwang?

De islamitische gemeenschap werd door de publieke opinie genoopt zich te rechtvaardigen, niet enkel voor deze kwestie, maar ook voor de zogenaamde eremoorden, en het geweld binnen huwelijk en gezin. Geen mens neemt hun herhaalde soort van gebedsmolenspreuk nog ernstig, “dat dit met de islam niets van doen heeft.” Nu poogt Tariq Ramadan, pionier van een “Europese islam”, dit tij te keren voor de moslims. Samen met de Rotterdamse islamverenigingen, en met de Berlijnse vereniging “Inssan” – die dicht bij de Moslimbroederschap staat – én met de steun van de Berlijnse integratieambtenaar Günter Piening draagt hij zijn steentje bij tot het initiatief “Hand in hand tegen huwelijksdwang”.
Het betreft hier een poging om intussen zelfbewuste moslimmeisjes onder controle te krijgen, en hen moslimadvies te geven, zodat zij niet langer hun toevlucht zoeken in officiële adviesbureaus of vrouwenhuizen, en aldus voor Allah verloren gaan. De actiegroep heeft zich in Berlijn-Kreuzberg gepresenteerd, en een brochure het licht laten zien met in acht talen hun argumenten.

Niet in naam van de islam

Nieuw daarin, en toe te juichen, is de bekentenis door moslims en islamverenigingen dat dwanghuwelijken een probleem zijn in de moslimgemeenschap. Natuurlijk wordt dat gerelativeerd, en voert men aan dat er zich in boeddhistische, hindoeïstische en christelijke maatschappijen ook wel eens neteligheden voordoen. Gedwongen huwelijken zouden geen probleem van de islam zijn, maar van de cultuur. Dit onderscheid tussen cultuur en religie moet de religie behoeden voor openlijke verantwoording en voor kritische zelfreflectie. Ramadan en anderen argumenteren dat de woorden van Allah en de daden van de profeet feilloos zijn, en dat enkel de mens soms fouten maakt. Op die manier blijft de islam verschoond van de misdaden begaan in zijn naam.
Het besef dat religie en cultuur samen een “cultureel systeem” vormen, en dat men ze niet als van elkaar gescheiden kan zien, wordt hier, hoe absurd ook, juist door moslims ontkend terwijl zij tegelijkertijd de scheiding van religie en dagelijks leven, van religie en politiek afwijzen. Dwanghuwelijken zouden on-islamitisch zijn, zou Mohammed al verkondigd hebben. Dat Mohammed zelf de zesjarige Aïsha huwde, kan niet als misbruik gelden, of als gedwongen huwelijk, maar wordt op de bijeenkomst met Ramadan afgedaan als een “anekdote”, die enkel tot doel heeft om de islam te discrediteren. Het centrale koranvers met betrekking tot het huwelijk, “Huw de vrijgezellen uit”, Sura 24, vers 32, ontbreekt bij deze argumentatie. Daar staat namelijk niet “Vrijgezellen, treed in het huwelijk” – hetgeen zou betekenen dat mensen zelfstandig het recht bezaten om een huwelijk te sluiten –, maar met de uitspraak “Huw de vrijgezellen uit” wordt de huwelijkssluiting zaak van de familie en de gemeenschap.

Lof van de grootfamilie

Interessant is het, hoe Ramadan en zijn aanhangers het begrip familie definiëren. Er wordt niet het kerngezin bedoeld, bestaande uit moeder, vader en kinderen, maar de grootfamilie, de stam. Zo ontstaat uit de gemeenschap der moslims, de umma, een familiecultuur. In de brochure staat het zo te lezen: “In een familiecultuur is de familie belangrijker dan het individu. De familie vormt de eenheid, en wordt aldus door de andere families uit de sociale omgeving als een volwaardig en gelijkwaardig geheel erkend (…). Ieder individu dient in het belang van de familie te handelen.” Is dat niet het geval, dan wordt eer der familie gekwetst: “In de groep is de eer een gemeenschappelijk bezit, waar alle familieleden verantwoordelijkheid voor dragen, ongeacht hoe de hiërarchie binnen de familie is geregeld.”
Ramadan en zijn leerlingen pogen aan de grondrechten en de waarden van de Europese burgerlijke maatschappij een andere draai te geven. Zij ontzeggen aan het individu het zelfbeschikkingsrecht, definiëren de mens als gemeenschapswezen en niet als individu, bepleiten het systeem van de “schaamtemaatschappij”, met inbegrip van een funeste interpretatie van de notie eer. Nergens in het boekje wordt aan het individu de vrijheid gelaten om zelf te beslissen of hij wil huwen of niet. “De familie vormt de kern van islamitische gemeenschap, en het huwelijk is in de islam de enig toegestane vorm waarin een familie kan gesticht worden.” Het beleven van de eigen seksualiteit is niet geoorloofd.

Een soort islamitisch huwelijksadvies

En de rood-rode Berlijnse integratiecommissaris Piening wil graag, zoals hij op de bijeenkomst zei, “leren van Rotterdam”? .Ziet de Senaat dit dan ook zo? .Tariq Ramadan zei in Rotterdam onder andere: “Vrijheid is niet die vrijheid, die anderen van ons willen.” Wat hij bedoelt is: ieder beschikt over zijn eigen vrijheid, aan gene zijde van de wet. – Een interessante variant, om de sharia als vrijheid te bestempelen. Hij wil het ook niet meer over integratie hebben, want de moslims zijn wat hem betreft een deel van de multiculturele samenleving, in dewelke alle religies én hun denkbeelden gelijk zijn, en wier eigen regels aanvaard dienen te worden. Dat echter de Europese samenleving de grondrechten van het individu desnoods beschermt tegen elke groep, religie of zelfs tegen de Staat, wordt naar best vermogen over het hoofd gezien.
Op die manier wordt onder het motto “Tegen het dwanghuwelijk” eenvoudigweg aan islamitisch huwelijksadvies gedaan. Daarbij wordt uitdrukkelijk het gearrangeerde huwelijk als model aangeprezen, ook al erkent men dat dwang daar vaak bij te pas komt. “Een huwelijk is bijgevolg altijd een verbond tussen twee familiegroepen (…). Omdat een huwelijk een verbond tussen families is, zoeken de families die partners uit, die het beste bij elkaar passen, precies ook met het oog op een zo goed mogelijk verbond tussen de families.” Tegen gemengde huwelijken wordt gewaarschuwd: “Een moslimjongen kan weliswaar een christelijk meisje huwen, maar een moslimmeisje mag niet huwen met een christelijke jongen.”

Tegen de dwang tot huwen

“Het huwelijk is de halve religie” luidt een andere uitspraak die aan Mohammed wordt toegeschreven. In dat licht gezien, is Ramadans argumentatie propaganda voor de moslimse dwang tot huwen. Want zonder de gehuwde vrouw, en zonder de controle van mannen over de vrouw, kan een moslimsamenleving niet functioneren. Om die reden is dit initiatief een oplichterij met gebruikmaking van valse etiketten. Er moet één grondregel gelden: huwelijken van jongeren onder de achttien dienen principieel veroordeeld te worden als zijnde gedwongen. Aan elke jonge mens, die in de situatie komt dat hij tegen zijn wil door zijn ouders uitgehuwelijkt kan worden, dient de bescherming van de maatschappij gewaarborgd te zijn.
Vrouwenadviescentra en vrouwenhuizen, zoals Papatya, of die van de schrijfster Serap Cileli, “Peri – de goede fee”, of “Hatun en Can” zijn eerlijke antwoorden op het probleem van de dwanghuwelijken. De wet die gedwongen huwelijken bestraft, moet ten langen leste in de Bondsdag besproken en aangenomen worden. Wij zijn allen gesommeerd om gevallen van dwanghuwelijken aan te klagen en er klaarheid over te brengen, zodat politici zich niet telkens opnieuw laten vangen door imagocampagnes van islampredikanten.

De citaten komen uit het boekje “Hand in Hand tegen Huwelijksdwang” van de Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR), Rotterdam.

F.A.Z. 29 juli 2008

_____________

Noot van de vertaler:
- Toen Necla Keleks boek Die fremde Braut verscheen, besteedde de Nederlandse Omroep daar natuurlijk aandacht aan. Op hun site kun je onder meer lezen: Kelek is vanwege haar opvattingen al diverse malen met de dood bedreigd.
- De citaten die Kelek hierboven geeft, heb ik gewoon vertaald uit de tekst van de FAZ, zonder de oorspronkelijke, wellicht Nederlandse bewoording te hebben gezien.

.

26 juli 2008

Keizer Napoleon en Koning David

.
Van de Nederlandse journalist Martin Bril verscheen vóór enkele maanden een boekje over Napoleon: De kleine keizer, verslag van een passie. Ik bezit het niet, maar recensente Alexandra De Vos besprak het vrijdag in De Standaard. Het was een onderhoudend werkje, vol interessante weetjes over de keizer. Gunstige recensie dus, al kwam er één zinnetje in voor dat mij wellicht zal beletten om het boekje van Bril te kopen.

Schrijven kon de kleine keizer ook, en wel zo goed dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code civil voor hij zich aan zijn literaire arbeid zette. 'Een wonder van droge, maar toch elegante formuleerkunst', noemt Bril Napoleons burgerlijk wetboek.
Nu kwam toevallig deze gewoonte van Stendhal nog ter sprake net hieronder, en of Bril ook echt schrijft dat Stendhal elke dag een uurtje las in de Code Civil, valt uit de recensie van De Vos niet goed op te maken, maar ik hoop voor hem van niet want Stendhal zelf vertelt het anders:

“Je ne vois qu’une règle: le style ne saurait être trop clair, trop simple […]. J’ai horreur de la phrase à la Chateaubriand. […] En composant la Chartreuse, pour prendre le ton, je lisais de temps en temps quelques pages du Code civil”.
Hij nam eerst zijn medicamenten, merkte iemand geestig op – Flaubert meen ik.

Zoals het in De Standaard staat echter, en misschien ook bij Bril, hebben wij dus te maken met de gewone journalistieke stijlfiguur der hyperbool. Maar ook afgezien van die kwalijke gewoonte van het aandikken, is de mededeling over Stendhal en Napoleon simpelweg niet op haar plaats.
Het is natuurlijk verleidelijk om te denken van wél, maar net zoals naar alle waarschijnlijkheid die andere veldheer, koning David, niét de Psalmen heeft geschreven die naar hem zijn genoemd, zo heeft Napoleon – en dat weten we met zekerheid – niét de Code Civil des Français geschreven. Wel gaf hij opdracht daartoe, en was hij sterk met het project begaan, maar de redactie was van Jean-Jacques-Régis de Cambacérès, duc de Parme, die een vierkoppige commissie van juristen leidde, bestaande uit François-Denis Tronchet, Jean-Etienne-Marie Portalis, Félix-Julien-Jean, comte Bigot de Préameneu en Jacques, marquis de Maleville.

Maar dat Napoleon echt kon schrijven, staat inderdaad buiten kijf: zijn militaire teksten en toespraken waren zó sterk, dat de geschiedschrijver (en Frans president) Adolphe Thiers van hem zei: Singulière destinée de cet homme prodigieux, le plus grand écrivain de son temps, tandis qu'il en était le plus grand capitaine, le plus grand législateur, le plus grand administrateur! La nation lui ayant, dans un jour de fatigue, abandonné le soin de vouloir, d'ordonner, de penser pour tous, lui avait en quelque sorte, par le même privilège, concédé le don de parler, d'écrire mieux que tous. (Histoire du Consulat et de l'Empire, 1845-62, volume 2, pp.451-2). Ik vond deze verwijzing in het werkje dat hiernaast staat afgebeeld.
Sainte-Beuve was al even enthousiast. Hij maakt de vergelijking met Blaise Pascal, en zegt: “Napoléon, quand il écrit, est la simplicité même [...]. Il a l'à-propos grandiose [...] [du] grand style du moderne César, à ce style où dominent dans une forme brève la pensée et la volonté (imperatoria brevitas), et où l'imagination se fait jour par éclairs”.

In zijn jonge jaren schreef Napoleon, naast enkele verhandelingen over het geluk en de liefde, ook nog een kort, half autobiografisch liefdeshistorietje, Clisson et Eugénie, maar of Stendhal dat als voorbeeld zou hebben genomen betwijfel ik want het is een pastorale vertelling die nog sterk XVIIIde E.'s aandoet, met meisjes aux dents d'ivoire, die handen hebben où le bleuté des veines contrastait avec la blancheur de la peau.
De jonge militair schreef het nadat zijn relatie met zekere schone, Eugénie Désirée Clary was bekoeld. De protagonist, “né pour la guerre”, komt om het leven: [Clisson] en toute diligence se mit à la tête d'un escadron, se jeta tête baissée dans la mêlée, là qu'il vit la victoire décidée, et il expira percé de mille coups.
Hij zocht het geluk op aarde, maar vond slechts de glorie, schrijft de toekomstige keizer.

Émilie Barthet en Peter Hicks gaven bij Fayard de tekst van zijn manuscript prachtig uit, definitief mag men zeggen, en het manuscript zelf is hier te zien.
.
Napoléon Bonaparte
Clisson et Eugénie
Texte et commentaires établis
d’après des documents inédits par
Émilie Barthet et Peter Hicks
Essai de Gérard Gengembre
Librairie Arthème Fayard, 2007



Boekbespreking op Radio1

(VRT, 8 mei 2009, bij "Feyten of Fillet")

Jacques Marie Gaston Onfray de Breville: Napoléon à Brienne


21 juli 2008

Frans leren is niet gemakkelijk !

.
Mijn meeste blogs zet ik ook op de site van In Flanders Fields. .Zoals mijn bedenking rond Richard Miller, hieronder. Er kwamen daar nogal wat reacties, en ik antwoordde aan een lezer:

ik moet er eens werk van maken om alles wat Casanova over de Fransen en de Franse taal heeft gezegd te verzamelen ...maar de man schreef duizenden bladzijden, en al lees ik altijd met een potlood in de hand (anders kan ik zelfs niet echt lezen) het blijft een heel werk. Ja, Casanova schreef zijn belangrijkste werk in het Frans, en wel zodanig dat Stendhal vond dat, naast dat van de Code Civil, zijn Frans het beste was dat er geschreven was ...ook al verscheen er heel soms een italianisme, zoals hierboven de la Florentine ipv que.
Waarop weer een andere lezer reageerde:
Nou breekt mijn klomp! Ik heb altijd gedacht dat het Frans van Casanova vol fouten stond (hij heeft wellicht een goede "redacteur" gehad). Het voorbeeld dat ik mij herinner is volgende passage: Casanova schreef: "pour juger de la beauté d'une femme, j'écarte ses jambes". En hij wilde hier helemaal niet dubbelzinnig zijn. Het was gewoon het gevolg van een gebrekkige kennis van het Frans.
Dat is echter een misvatting: Casanova heeft helemaal geen redacteur gehad, en in zijn autobiografie Histoire de ma Vie, die hij natuurlijk op latere leeftijd schreef, vertelt hij over de problemen die hij met het Frans had, toen hij voor het eerst in Parijs arriveerde: La langue française est la sœur bien-aimée de la mienne ; je l'habille souvent à l'italienne.

Tijdens zijn leven werd zijn handschrift trouwens niet uitgegeven. Te delicaat. Casanova was wél zijn eigen redacteur, en hij heeft grote stukken van zijn handschrift herschreven, veel geschrapt en toegevoegd, en daar gaan onze uitgaven op terug. De accuratesse van Casanovas herinneringen is ronduit verbluffend, en vaak perfect controleerbaar.
Het werk bestaat uit twaalf volumes, en in het derde gaf hij deze ondertitel aan hoofdstuk IX :
Mes balourdises dans la langue française, mes succès, mes nombreuses connaissances. Louis XV. Mon frère arrive à Paris.
Volgend tafereel speelt in de Parijse Opera, en hij is op dat moment pas drieëntwintig.

[…] c’était une musique de Lulli. J’étais assis dans le parquet, précisément au-dessous de la loge où se trouvait Madame de Pompadour, que je ne connaissais pas. À la première scène voilà la fameuse
le Maur qui sort de la coulisse, et qui au second vers fait un cri si fort et si inattendu que je l’ai cru devenue folle; je fais un petit éclat de rire de très bonne foi ne m’imaginant jamais qu’on pourrait le trouver mauvais. Un cordon bleu* qui était auprès de la marquise me demande sec de quel pays je suis, et je lui réponds sec que j’étais de Venise.

– Lorsque j’ai été à Venise j’ai aussi beaucoup ri au récitatif de vos opéras.
– Je le crois, monsieur, et je suis aussi sûr que personne ne s’est avisé de vous empêcher de rire.
.Ma réponse un peu verte fit rire Madame de Pompadour, qui me demanda si j’étais vraiment de là-bas.
– D’où donc?
– De Venise.
– Venise, Madame, n’est pas là-bas; elle est là-haut.
On trouve cette réponse plus singulière que la première, et voilà toute la loge qui fait une consultation pour savoir si Venise était là-bas, ou là-haut. On trouva apparemment que j’avais raison, et on ne m’attaqua plus. J’écoutais l’opéra sans rire, et comme j’étais enrhumé, je me mouchais trop souvent. Le même cordon bleu, que je ne connaissais pas, et qui était le maréchal de Richelieu, me dit qu’apparemment les fenêtres de ma chambre n’étaient pas bien fermées.
– Demande pardon monsieur; elles sont même calfoutrées.
. On rit alors beaucoup, et j’en fus mortifié parce que je me suis aperçu que j’avais mal prononcé le mot calfeutrées. J’avais l’air tout humilié. Une demi-heure après M. de Richelieu me demande laquelle des deux actrices me plaisait davantage pour la beauté.
– Celle-là.
– Elle a des vilaines jambes.
– On ne les voit pas, monsieur, et après, dans l’examen de la beauté d’une femme la première chose que j’écarte sont les jambes.
. Ce bon mot-là dit par hasard, et dont je ne connaissais pas la force, me rendit respectable et fit devenir la compagnie de la loge curieuse de moi. Le maréchal sut qui j’étais, de M. Morosini même, qui me dit que je lui ferais plaisir à lui faire ma cour. Mon bon mot devint fameux, et le maréchal de Richelieu me fit un accueil gracieux. Celui des ministres étrangers auquel je me suis attaché le plus fut milord maréchal d’Écosse Keit, qui l’était du roi de Prusse. J’aurai occasion de parler de lui. […]



Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
Suivie de textes inédits
Volume 3 – Chapitre IX
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Robert Laffont, 1993, 2002, pp.586-7

Deze prachtige scène deed mij nog denken aan een passage bij Heinrich Heine, bewonderaar van Casanova,** die het in zijn Ideen. Das Buch Legrand, Kapitel VII, ook heeft over de moeilijkheden bij de studie van het Frans. De kleine Harry-Henri-Heinrich liep school in Düsseldorf en vertelt hoe het in de les toeging:

[…] ich erinnere mich noch so gut, als wäre es erst gestern geschehen, daß ich durch la religion viel Unannehmlichkeiten erfahren. Wohl sechsmal erging an mich die Frage: »Henri, wie heißt der Glaube auf französisch?« Und sechsmal und immer weinerlicher antwortete ich: »Das heißt le crédit«. Und beim siebenten Male, kirschbraun im Gesichte, rief der wütende Examinator: »Er heißt la religion« – und es regnete Prügel, und alle Kameraden lachten. Madame! seit der Zeit kann ich das Wort religion nicht erwähnen hören, ohne daß mein Rücken blaß vor Schrecken und meine Wange rot vor Scham wird. Und ehrlich gestanden, le crédit hat mir im Leben mehr genützt als la religion –

[…] ik herinner mij nog zo goed, als was het gisteren voorgevallen, dat ik door la religion een hoop onaangenaamheden heb meegemaakt. Wel zes keer kreeg ik de vraag: “Henri, hoe zegt men geloof in het Frans?” En zes keer, alsmaar meer in tranen, antwoordde ik: “Dat is le crédit.” En de zevende keer, donkerrood aangelopen als een kers, riep de woedende examinator: “Het is la religion” — en het regende stokslagen, en alle kameraden lachten. Madame! sedert die tijd kan ik van dat woord religie niet meer horen, zonder dat mijn rug bleek van schrik en mijn wangen rood van schaamte worden. Een eerlijk toegegeven, le crédit is mij in het leven meer van nut geweest dan la religion –
___________
  * Cordon bleu : un chevalier du Saint-Esprit ; ordre crée par Henri III roi de France […]
** In zijn "Briefe aus Berlin" (1822) schrijft hij: Es ist keine Zeile in diesem Buche, die mit meinen Gefühle übereinstimmte, aber auch keine Zeile, die ich nicht mit Vergnügen gelesen hätte. [er staat in dat boek geen regel die met mijn gevoel zou overeenstemmen, maar ook weer geen regel die ik niet met plezier gelezen zou hebben]
Over Heines eigen verhaal schreef Ludwig Marcuse nog:
Und Harry gab schon in jungen Jahren auf die Frage: wie heißt der Glaube auf französisch? die echte Rothschild-Antwort: le crédit!
Heinrich Heine in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten
Rowohlts Monographien, 1960, S.17

19 juli 2008

Een slag van de molen gehad

.

In een interview met Knack (25 juni) trachtte Rudy Demotte (PS) onlangs het “minderwaardigheidscomplex” van de Vlamingen te verklaren. Demotte zegde dat Vlaanderen “veel meer openheid aan de dag moet leggen”, maar verklaarde toch geschokt te zijn door het verkeerde beeld dat veel Franstaligen van Vlaanderen hebben: “Onlangs werd ik door Richard Miller (MR) in het parlement van de Franse Gemeenschap geïnterpelleerd met de vraag of het Frans toch niet per definitie een open taal is, die haast spontaan leidt tot een tolerante levenshouding, terwijl het Nederlands - die gesloten Germaanse taal! - per definitie een bekrompen wereldbeeld zou opleveren.”

Het interview met Demotte in Knack was mij ontgaan, en ik las dit paragraafje pas gisteren op de site van het Belang, onder de titel: "Franse taal superieur?".

Het spreekt dat ik enthousiast ben over wat die Richard Miller daar vertelt, want de superioriteit van één taal over een andere mag dan geen nieuw onderwerp zijn – tenslotte keken ontwikkelde Romeinen al neer op mensen die geen Grieks spraken, en keken daarvoor de Grieken zelf al neer op wat barbaren brabbelden – het doet altijd plezier als een of andere simpele duif er weer zo fris mee uitpakt als hier Miller.

Wat ik me wel afvraag, is of die Miller niet het gevaar loopt extra in de gaten te worden gehouden door Jozef De Witte en zijn anti-racismebrigade? Al kan de arme Jozef in dit geval Richard niet veel maken, want die is als parlementslid onschendbaar, en zijn onschendbaarheid heeft hij zelfs niet nodig aangezien zelfingenomenheid al volstaat om iemand van de buitenwereld af te schermen.

Maar om onder verstandige mensen verder te gaan: over de Franse taal had in zijn tijd ook de elegante Casanova een klein theorietje. Casanova is een Venitiaan zoals wij weten, maar hier spreekt hij over de Toscanen, en daarna over de Fransen met hun “open taal”.
Voor de gesloten Germanen onder ons, laat ik een vertaling van eigen maaksel volgen.

Je crois qu'un Toscan peut plus facilement écrire en beau langage poétique qu'un Italien d'une autre province, puisqu'il possède dès sa naissance la belle langue, et celle qu'on parle à Sienne est mignarde, plus abondante, plus gracieuse et plus énergétique de la florentine malgré qu'elle prétende la préférence, et qu'elle la possède effectivement à cause de sa pureté, qu'elle doit à son académie comme elle lui doit sa richesse, d'où vient que nous traitons les matières beaucoup plus éloquemment que les Français, ayant à notre choix une quantité de synonymes; tandis que difficilement on en trouverait une douzaine dans la langue de Voltaire, qui riait de ceux entre ses compatriotes qui disaient qu'il n'était pas vrai que la langue française fût pauvre puisqu'elle avait tous les mots qui lui étaient nécessaires. Celui qui n'a que ce qui lui est nécessaire est pauvre; et l'obstination de l'Académie Française à ne point vouloir adopter des mots étrangers ne démontre autre chose, sinon que l'orgueil va avec la pauvreté. Nous poursuivons à prendre des langues étrangères tous les mots qui nous plaisent; nous aimons à devenir toujours plus riches; nous trouvons même du plaisir à voler le pauvre: c'est le caractère du riche.
Jacques Casanova de Seingalt
Histoire de ma vie
suivie de textes inédits
Volume 11 – Chapitre VII
Édition présentée et établie par Francis Lacassin
Éditions Robert Laffont, 1993, 2002, pp. 763-4


Ik geloof dat een Toscaan met meer gemak in een mooie poëtische taal kan schrijven dan een Italiaan van een andere provincie, omdat hij van bij zijn geboorte al beschikt over die sierlijke manier van spreken, en de taal die men in Siena spreekt is werkelijk schattig en overvloediger, gracieuzer, energieker dan de Florentijnse, al eist deze de eerste plaats op en bezit zij die wel degelijk, ook vanwege haar puurheid die ze aan haar Academie te danken heeft, net als haar rijkdom. Zo komt het dat wij om het even welk onderwerp veel welsprekender behandelen dan de Fransen, wij hebben immers een overvloed van synoniemen ter beschikking; terwijl je er met moeite een dozijn zult aantreffen in de taal van Voltaire, die spotte met diegenen onder zijn landgenoten die zegden dat het niet waar was dat de Franse taal arm was, want tenslotte bezat zij alle woorden waar zij nood aan had.
Hij die enkel bezit wat hij nodig heeft is arm. En de koppigheid van de Académie Française om geen vreemde woorden te willen adopteren, bewijst niets anders dan dat armoede rijmt met trots. Wij gaan door met het inpikken uit vreemde talen van alle woorden die ons bevallen; wij worden graag rijker en rijker; zelfs vinden wij er plezier in om de arme te bestelen: zo zit de rijkaard ineen.
.

15 juli 2008

Een eerbaar man

.

.Ik had mijn twijfels bij hem, maar met het aanbieden van het ontslag van zijn regering (die nooit een regering is geweest, laten we wel wezen), .heeft Yves Leterme een daad gesteld die in de Belgische geschiedenis haar voorgaande niet heeft.
Chapeau!
En mijn innig medeleven aan:
.citoyen Albert Coburg.
.

13 juli 2008

Le grand écart

.
Je hoort wel eens verkondigen dat onze Vlaamse journalisten te slaafs en te braaf zijn, en dat ze daarom minder en minder gelezen worden. Voor die stelling zijn argumenten te vinden, maar mij lijkt de grootste kwaal niet de hondse braafheid, maar eerder een eigenschap die in het dagelijks leven gunstig staat aangeschreven, namelijk een zekere luchthartigheid of onbekommerdheid.
Neem nu de verslaggeving over die uraniumlozing in Tricastin.
Jorn De Cock meldt daarover in de Kwaliteitskrant dat hij in een Franse krant heeft gelezen dat er ook vóór het incident met het radioactief water al rapporten waren die wezen op mankementen in de bewuste centrale.

Zo meldde de krant La Provence gisteren dat een rapport van de ASN al in mei 2007 had gewaarschuwd dat de uitbater van de kerncentrale, Socatri, de afvoerkanalen dringend moest vervangen omdat er herhaaldelijk lekken en 'dwalingen' werden vastgesteld.

Nu vond ik de term dwalingen direct verdacht. Hij past eerder bij de theologie dan bij de kernfysica vond ik. .Ketters dwalen.
Jorn gebruikt ook aanhalingstekens, weliswaar niet om iets aan te halen, maar om te laten zien dat hij zich niet helemaal zeker voelt. Dat is mooi en eerlijk van hem, want wellicht kon hij niet direct een woordenboek opslaan, of raad vragen aan een collega die het Frans goed beheerst.
Blijft dat wij Standaardlezers graag dat oorspronkelijke Franse woordje willen vernemen.

In de krant die Jorn noemt, La Provence dus, heb ik een aantal artikelen gelezen, en ik zocht eerst nog of ik bijvoorbeeld “égarement” of “errance” of iets dergelijks zou aantreffen, maar het woord dat hem tot zijn aanhalingstekens heeft genoopt, moet geloof ik “écart” zijn.
En voorzeker, in de theologie is een afwijking van het rechte pad, un écart du droit chemin, zonder enige twijfel een dwaling. Wij mogen hier denken aan de vele dwalingen waar de Transsubstantiatie aanleiding toe heeft gegeven.
Maar, al doen uitbaters van een kerncentrale in enge zin ook aan transsubstantiatie, mij lijkt de betere vertaling in dit geval toch: afwijking van de norm, (bewuste) normoverschrijding, overtreding, eventueel zelfs foute procedure.
.
“La Provence” révèle que la Socatri, responsable des
rejets avait été avertie pour ses “écarts répétés”.

.

6 juli 2008

Wat moeten wij onder "fobie" verstaan?

.

.
Wat is islamofobie ?
Gideon Böss, blogger

En alweer had de islamofobie de boter gegeten. Privé-gesprek, televisie of internet, het maakt niet uit, dat woord staat hoog genoteerd. Elkeen die zich geroepen voelt om de islam te verdedigen, en even geen passend argument bij de hand heeft, roept uit : “Dat is toch volslagen islamofoob!” Het zal nog niet vaak vertoond zijn dat een term een dergelijke zegetocht aflegde, terwijl hij hoogstens voor miskleun van het jaar kon deugen. Politici en integratiedeskundigen hebben hem als kooswoordje ontdekt. Hij roept iets op van antiracisme, en tegelijk van verweer tegen verstokte reactionairen. Komt nog bij, vertellen ons de islamofobie-experten: wie tegen antisemitisme is, is noodzakelijk ook tegen islamofobie, want die twee gelijken toch verschrikkelijk op elkaar!
Maar wat mag die islamofobie dan wel zijn? In geen geval een verbasterd antisemitisme, gericht tegen moslims dit keer. Neen, heel iets anders is het, en wel een dwaas en leeg begrip, dat de discussie belet, of in de weg staat, over de verschrikking die in naam van de islam al jarenlang over de wereld gaat. Onder die vuilnisbakterm lijkt alles wel terecht te komen, dat zich over de uitwerkingen van de Religie van de Vrede negatief uitlaat.
En waar precies zullen wij het over islamofobie hebben? Ben ik al islamofoob als ik in de luchthaven een groep jonge moslims eerder in staat zou achten tot een terreuraanslag dan een groep jonge padvinders? Of als iemand er op wijst dat het geweld van jongeren in de eerste plaats het geweld van moslimjongeren is? Is de waarheid dan zelf islamofoob? En waarom toch wordt zo vaak de directe band tussen terreur en islam geloochend? Natuurlijk verbind ik islam met terreur. Dat is ook de enige grond van relevantie die deze religie voor mij kan hebben. Waarom zou zij mij voor de rest interesseren? Tenslotte kan ook de Brad Pitt-fanclub mij maar interesseren vanaf het moment dat er te vrezen valt dat zijn leden mij de lucht in willen blazen. Zodra er in naam van de islam geen terreur meer wordt bedreven, verbind ik hem ook niet meer met terreur. Ik vermoed dat velen er net zo over denken, en zulke instelling kun je islamofoob noemen, maar dan kies je voor een misvatting.
Theoretisch is het wellicht mogelijk dat slechts een kleine minderheid van de moslims terreur goedkeurt (wat ik niet geloof), en zelfs kan het zijn, dat op de keper beschouwd de islam een fascinerende religie is (wat ik niet geloof), en wat ook kan zijn is dat de ware islam zich per slot als een waarlijk fantastische happening ontpopt (wat ik niet geloof), alleen, het kan mij geen ene moer schelen. Mijn recht op desinteresse, daar maak ik aanspraak op, en ik ben al lang blij als het moorden in naam van Allah een eind neemt. Dat lijkt mij geen overdreven eis.
Islamofobie bestaat niet. Er bestaat racisme, en xenofobie, en dat is al erg genoeg, maar als burger van een liberale democratie (en als de islam ter sprake komt, dan mag dat als argument dienen) voel ik mij beledigd, als er beweerd wordt dat hier aan de grondrechten van miljoenen mensen zou worden geraakt, eenvoudigweg omdat het moslims zijn.
Over geen enkele religie wordt hier zo fair, respectievelijk vergoelijkend bericht: nauwelijks een moment nadat alweer een gelovige moslim zich op een markt de lucht heeft ingeblazen, staat er al een expert klaar om te zeggen dat de islam zulke dingen eigenlijk verbiedt, en overigens hebben toch de Arabieren de antieke wetenschap bewaard, toen in het middeleeuwse Europa het Licht uitging, hetgeen weliswaar geen van de slachtoffers van de zelfmoordaanslag weer levend kan maken, maar daarom niet minder gezegd mag worden.
Typisch voor een islamofobe samenleving is overigens de eerlijke interesse die zij voor de islam vertoont. In Duitse boekhandels liggen er ontelbare werken over deze religie (in Egypte gaf het zelfs schandaal dat er, naar verluidde drie boeken lagen die in het Hebreeuws gesteld waren), en voortdurend wordt het onderscheid gemaakt tussen slechte islamisten en goede moslims, en wordt vermeld hoe gelijkend jodendom, christendom en islam wel zijn.
Daarom mijn tegenvoorstel: als we dan toch overtrokken begrippen willen gebruiken, dan ben ik er voor om islamofobie door islamofilie te vervangen. Motivering: brede interesse voor de islam, die in boeken, films, documentaires en discussieforums tot uiting komt. In geval van twijfel zijn de Duitsers eerder islamofiel dan islamofoob, maar in werkelijkheid noch het een noch het ander.

_______________

Noot: al kan ik deze Duitse blogger heel goed volgen, en geef ik hem groot gelijk, toch lijkt er voor de term fobie nog wel enige rechtvaardiging te vinden. Natuurlijk niet als hij gebruikt wordt zoals de mohammedanen zelf hem gemeenlijk aanwenden, met in hun zog onze naïeve politici – en met in hun gevolg weer de stoet van dwergen, knechten en lakeien van de pers, en vanzelfsprekend van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding. Zoals zij de term fobie gebruiken is hij onverdedigbaar, wat Gideon Böss mooi schreef.

Niet echter als we hem begrijpen zoals Aristoteles in zijn Ethica Nicomachea III, 6 :

We hebben reeds gezien dat moed een midden is inzake gevoelens van angst en overmoed. Nu is het duidelijk dat we bang zijn voor die dingen die angstaanjagend zijn, en dat zijn, absoluut gesproken, slechte dingen. Daarom definieert men angst ook als verwachting van iets slechts. Welnu, we zijn bang voor alles wat slecht is, zoals voor een slechte reputatie, armoede, ziekte, gebrek aan vrienden en de dood, maar men neemt aan dat wie moedig is niet met alles van doen heeft. Er zijn namelijk dingen waarvoor het gepast en moreel juist is bang te zijn en waarvan het schandelijk is er niet bang voor te zijn, zoals voor een slechte reputatie. [...] Wellicht moeten we niet bang zijn voor armoede of ziekte, of in het algemeen voor alles wat niet het resultaat is van morele slechtheid en waarvoor de handelende persoon niet zelf verantwoordelijk is. Wie echter geen angst voor deze dingen koestert, is nog niet moedig – hoewel we ook hem zo noemen doordat hij lijkt op iemand met moed. Sommige mensen betonen zich namelijk wel laf in de gevaren van de oorlog, maar ze zijn vrijgevig en wanneer ze geconfronteerd worden met verlies van geld, zijn ze vol goede moed. Het is dus ook niet zo dat iemand een lafaard is, als hij bang is voor geweldpleging jegens zijn vrouw en kinderen of voor afgunst of iets dergelijks; hij is net zomin moedig, als hij onverschrokken is bij het vooruitzicht te worden gegeseld.

Vertaling: Charles Hupperts en Bartel Poortman
2005, Uitgeverij DAMON Budel
.

23 juni 2008

Als onze kranten zwijgen, dan La Dernière Heure

.


Lola, 21 jaar, werd door twee mannen overvallen. Pendelaars zagen het, maar reageerden niet.
Sint Gillis. Tot ons spreekt een verontwaardigde, verscheurde en geschandaliseerde vader. “Mijn dochter werd verkracht in het Zuidstation. In Brussel. De hoofdstad van Europa. En volslagen straffeloos.”
We zijn 12 juni. “Mijn dochter kwam terug van Waterloo. Negen uur in de avond. Toen ze de trein uitstapte, ging ze naar Bancontact. Een plek waar volk voorbijkomt. Nochtans is het daar dat het drama is gebeurd.
“Midden in een station. Hoe is zoiets mogelijk?”, gaat de papa van de éénentwintigjarige Lola verder. “Twee man hebben haar verweten dat ze geen hoofddoek droeg. Mijn dochter is mooi. Ze is blond met blauwe ogen.”
Daarna ging het snel allemaal. “Eén van de aanvallers haalde een mes tevoorschijn. Mijn dochter werd tegen de wand van de Bancontact gedrukt. Met het mes op haar keel werd ze door één van de kerels verkracht. De andere keek toe.”
Het was negen uur. Buiten is het nog licht en het station is op verre na niet leeg. “Er passeerden mensen. Mijn dochter weet zeker dat ze minstens drie mensen heeft gezien. Geen van hen maakte halt om haar te redden.”
Als de verkrachting voorbij was zijn de aanvallers in alle rust verdwenen. “Het waren twee Noord-Afrikanen. Ze hadden zich niet eens vermomd. En vertel mij niet dat ik een racist ben als ik je vertel waar ze vandaan kwamen! Mijn dochter werd verkracht omdat zij geen hoofddoek droeg. Zo is dat!”
Lola is naar een vriendin gevlucht. “Moet ik je vertellen in wat voor toestand zij was?” Een paar minuten later werd de jonge vrouw in het ziekenhuis opgenomen.
Vanzelfsprekend is er klacht ingediend. “De mensen van de politie waren zeer professioneel. Op de kleren werd beslag gelegd, en er werden DNA-stalen genomen.”
Maar helaas, de schuldigen zijn nog op vrije voeten… “In de nasleep van de dood van Joe Van Holsbeeck heeft men bij hoog en laag uitgeroepen dat er in de stations meer veiligheid zou komen. Het bewijs is er nu, met mijn dochter, dat er niets is veranderd. Camera’s op alle plekken in het Zuidstation zijn er niet, nochtans één van de drukste stations.”
Marc is bitter. “Ik heb mijn buik vol van dat België, waar werkelijk àlles kan. Zones van wetteloosheid, die zomaar worden overgelaten aan jongeren op drift. Die verkrachters wilden maar één ding: mijn dochter misbruiken, haar bezitten en vernederen, omdat zij niet was zoals zij denken dat jonge vrouwen moeten zijn… Het is een schande.”

Emmanuelle Praet
La Dernière Heure, 20/6/2008
.
_______________

P.S. blijkbaar had De Standaard op zijn Brabantse regionale bladzijden zaterdag, dan toch een verslagje. Zulke discretie zorgt er natuurlijk voor dat 99% van de Vlamingen niéts zullen vernemen.
.

http://victacausa.blogspot.com/victacausa.blogspot.com5edf7b715d0afaa3d68201fa2d94715a304487db.html